Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
1. Procedure - Kosten - Begroting - Invorderbare kosten - Kosten gemaakt tijdens administratieve procedure op gebied van mededinging - Kosten gemaakt na mondelinge behandeling - Daarvan uitgesloten
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
2. Procedure - Kosten - Begroting - In aanmerking te nemen factoren
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)
Samenvatting
1. De invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor de gemeenschapsrechter zijn gemaakt, en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten.
Artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ziet slechts op de procedure voor het Gerecht, met uitsluiting van de precontentieuze fase. Hieruit volgt dat het verzoek tot begroting van de kosten met het oog op de vergoeding van de kosten van de administratieve procedure voor de Commissie op mededingingsgebied, moet worden afgewezen.
De kosten betreffende de periode na de dag van de mondelinge behandeling komen evenmin voor vergoeding in aanmerking, aangezien na die datum geen enkele proceshandeling heeft plaatsgevonden. De na deze datum gemaakte kosten lijken niet rechtstreeks verband te houden met de verdediging voor de gemeenschapsrechter, zodat zij niet kunnen worden beschouwd als in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten in de zin van artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering.
( cf. punten 28-31 )
2. Het staat niet aan de gemeenschapsrechter om de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria te begroten, maar hij dient te bepalen tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. De gemeenschapsrechter behoeft bij een beslissing op een verzoek tot begroting van kosten geen rekening te houden met een nationaal tarief voor advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden. Aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet de gemeenschapsrechter de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen.
Het belang dat een geschil vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht heeft wegens de nieuwe en belangrijke rechtsvragen en de ingewikkelde feitelijke vragen die het doet rijzen, kan zowel hoge honoraria rechtvaardigen als de omstandigheid dat een der partijen zich door meerdere advocaten laat vertegenwoordigen.
( cf. punten 32-33, 37 )
Partijen
In zaak T-38/95 DEP,
Groupe Origny SA, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door X. de Roux, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot begroting van de kosten die verweerster aan een verzoekster moet betalen naar aanleiding van het arrest van het Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, (T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491)
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. Jaeger, kamerpresident, R. García-Valdecasas, K. Lenaerts, P. Lindh, en J. Azizi, rechters,
griffier: B. Pastor, hoofdadministrateur,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Bij beschikking 94/815/EG van 30 november 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (Zaak IV/33.126 en 33.322 - Cement) (PB L 343, blz. 1; hierna: beschikking cement") heeft de Commissie aan 42 ondernemingen en ondernemersverenigingen in de sector grijs en wit cement geldboeten wegens schending van artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) opgelegd.
2 Volgens de beschikking cement had Cedest SA, de rechtsvoorgangster van de Groupe Origny SA (hierna: verzoekster"), zich schuldig gemaakt aan de volgende overtredingen: deelneming sinds 14 januari 1983 aan een overeenkomst die ertoe strekte de thuismarkten te eerbiedigen en het overbrengen van cement van het ene naar het andere land aan een regeling te onderwerpen (artikel 1); in ieder geval in de periode van 23 juni 1982 tot en met 30 september 1989 deelneming aan overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen inzake de regulering van de cementleveringen vanuit Frankrijk naar Duitsland en vanuit Duitsland naar Frankrijk (artikel 3, lid 3, sub a). In artikel 9 van de beschikking cement werd Cedest een geldboete van 2 522 ecu opgelegd.
3 Bij op 17 februari 1995 onder nummer T-38/95 ter griffie van het Gerecht geregistreerd verzoekschrift heeft verzoekster verzocht om nietigverklaring van de artikelen 1, 3, lid 3, sub a, en 9 van de beschikking cement, voorzover zij op haar betrekking hadden.
4 Bij arrest van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, (T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491; hierna: arrest Cement") heeft het Gerecht in zaak T-38/95, Groupe Origny/Commissie, de artikelen 1, 3, lid 3, sub a, en 9 van de beschikking cement nietigverklaard ten aanzien van verzoekster en de Commissie in de kosten verwezen.
5 Bij brief van 31 mei 2000 heeft verzoekster bij de Commissie een totaalbedrag van 1 469 281,64 Franse francs (FRF) (223 990,54 euro) gedeclareerd ter zake van advocatenhonoraria vanaf het begin van de procedure voor de Commissie tot de uitspraak van het arrest cement.
6 Bij brief van 11 augustus 2000 heeft de Commissie dit afgewezen op grond dat de advocatenhonoraria voor de procedure voor de Commissie geen invorderbare kosten zijn, dat sommige van de ingediende declaraties de periode na de terechtzitting in zaak T-38/95 betroffen, dat geen enkele inlichting over de aard van het verrichte werk en het aantal arbeidsuren werd gegeven en dat verzoekster niet tot de voornaamste beschuldigde ondernemingen in deze zaak behoorde zodat zij de omvang van de bij het Gerecht ingediende memories had kunnen beperken. Voorts deed zij een tegenvoorstel ten bedrage van 300 000 FRF (45 734,70 euro) voor de kosten en van 112 230 Luxemburgse francs (LUF) (2 782,11 euro) voor de kosten van domiciliekeuze in Luxemburg.
7 Daar zij de argumenten en het voorstel van de Commissie onaanvaardbaar achtte, diende verzoekster bij op 1 augustus 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift een verzoek tot begroting van de kosten in.
8 Bij op 5 oktober 2001 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie diende de Commissie haar opmerkingen over dit verzoek in.
Conclusies van partijen
9 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage het bedrag van de door de Commissie verschuldigde kosten op 1 469 281,64 FRF (223 990,54 euro) te stellen.
10 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage de invorderbare kosten, met inbegrip van die van het onderhavige geding, op 600 000 FRF (91 469,41 euro) te stellen.
Argumenten van partijen
11 Verzoekster baseert haar verzoek op vier argumenten. Met het eerste argument stelt zij dat de kosten van de procedure voor de Commissie en die over de periode na de terechtzitting voor het Gerecht in zaak T-38/95 invorderbare kosten zijn. In het tweede, het derde en het vierde argument wordt gewezen op de economische betekenis van het geschil voor verzoekster, het belang en de moeilijkheid van dit geschil vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht en de omvang van het werk van haar raadslieden.
12 In de eerste plaats, aldus verzoekster, moeten de kosten van de procedure voor de Commissie als in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten" in de zin van artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden beschouwd. Zij herinnert eraan dat volgens vaste rechtspraak van het Gerecht onder procedure" in de zin van voormelde bepaling de contentieuze procedure moet worden verstaan, en stelt dat in zaken als de onderhavige de mededeling van de punten van bezwaar het einde van de precontentieuze onderzoeksfase en het begin van de contentieuze procedure vormt, aangezien deze kan leiden tot de vaststelling van een overtreding van artikel 81, lid 1, EG of van artikel 82 EG en tot de veroordeling tot betaling van een geldboete.
13 Volgens verzoekster verklaart dat dit waarom de procedure voor de Commissie moet worden gevoerd met inachtneming van de rechten van de verdediging, waartoe met name behoren de toegang tot de documenten waarop de Commissie haar punten van bezwaar baseert, en het beginsel van hoor en wederhoor, krachtens hetwelk de betrokken onderneming schriftelijk en mondeling opmerkingen over deze punten van bezwaar mag indienen. De aanwijzing van een raadadviseur-auditeur, die de onpartijdigheid van de procedure moet verzekeren, en de gewoonlijke aanwezigheid van de raadslieden van de betrokken partijen bevestigen dat het om een contentieuze procedure gaat.
14 Bovendien werden de diensten in verband met verzoeksters verdediging hoofdzakelijk in de loop van de procedure voor de Commissie verricht. In de gerechtelijke procedure is uitgegaan van alle in de procedure voor de Commissie besproken en uitgewisselde argumenten, stukken en schrifturen.
15 In casu is van de punten van bezwaar op 25 november 1991 kennis gegeven, zodat verzoekster betaling van de vanaf die datum voor de procedure gemaakte kosten kan eisen, te meer daar het Gerecht tot de conclusie is gekomen dat de tegen haar gerichte punten van bezwaar ongegrond zijn.
16 Met betrekking tot de na de terechtzitting in zaak T-38/95 gemaakte kosten wijst verzoekster erop dat zij de verschillende mondelinge uiteenzettingen op de terechtzittingen voor het Gerecht tussen 16 september en 21 oktober 1998 in de andere zaken die tot het arrest cement hebben geleid (hierna: cementzaken"), alsook de in geval van bevestiging of nietigverklaring van de beschikking cement denkbare hypotheses heeft moeten analyseren.
17 In de tweede plaats, aldus verzoekster, was het economisch belang van het geschil, gelet op de haar door de beschikking cement opgelegde geldboete, aanzienlijk. Het beroep tot nietigverklaring rechtvaardigde dus alles in het werk te stellen voor haar verdediging.
18 In de derde plaats, aldus verzoekster, lag de moeilijkheid van het geschil vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht met name in de specificiteit van de vragen betreffende de rechten van de verdediging en de criteria voor de toerekening van een overtreding aan een onderneming wegens haar lidmaatschap van een nationale vereniging die zelf bij een Europese vereniging is aangesloten. Wat de rechten van de verdediging betreft, heeft het arrest cement de strekking van het beginsel van toegang tot het dossier van de Commissie verduidelijkt, en verzoekster is juist vrijgesproken op basis van documenten waartoe zij in de loop van de procedure voor de Commissie geen toegang heeft gehad. Verzoekster voegt daaraan toe dat zij een gedetailleerd betoog ten gronde heeft moeten ontwikkelen ter weerlegging van de redenering van de Commissie dat de op de Franse en Duitse cementmarkt geconstateerde gedragingen een uitvoeringsmaatregel waren van een veel bredere in de Europese vereniging Cembureau gesloten overeenkomst, waarbij Cedest wegens haar aansluiting bij de vereniging van Franse cementbedrijven als een van de partijen moest worden beschouwd.
19 Verzoekster voegt daaraan toe dat zij in haar bij het Gerecht ingediende memories de structurele kenmerken van de cementindustrie heeft moeten uiteenzetten en analyseren om daaruit de relevante consequenties voor de mededinging te trekken.
20 In de vierde plaats wijst verzoekster erop dat zij evenals de andere partijen tienduizenden bladzijden met gegevens à charge en à decharge uit het dossier heeft moeten onderzoeken en, gelet op de stelling van de Commissie over de deelneming van de verschillende betrokken ondernemingen en verenigingen aan een uitgebreide Europese mededingingsregeling, dezelfde punten van bezwaar als die tegen de andere partijen heeft moeten beantwoorden. Zij heeft zich bovendien moeten verdedigen tegen het bijzondere punt van bezwaar inzake de Frans-Duitse mededingingsregeling. Voorts heeft zij in de procedure voor het Gerecht behalve een verzoekschrift en een repliek, na de maatregelen van het Gerecht om de Commissie te dwingen toegang tot haar administratief dossier te verlenen, verschillende memories moeten opstellen.
21 Verzoekster wijst erop dat twee advocaten haar in deze zaak hebben vertegenwoordigd en berekent het bedrag van de door de Commissie verschuldigde kosten, uitgaande van het uurloon van deze advocaten alsmede het aantal uren en de aard van het werk voor deze zaak, op 1 469 281,64 FRF (223 990,54 euro).
22 In antwoord op deze argumenten stelt de Commissie in de eerste plaats dat verzoeksters stelling betreffende het begrip kosten van de contentieuze procedure niet kan afdoen aan de vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht, dat de invorderbare kosten in de zin van artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht beperkt zijn tot de voor de procedure voor het Gerecht gemaakte kosten met uitsluiting van die voor de precontentieuze fase.
23 Wat de kosten voor de periode na de terechtzitting in zaak T-38/95 betreft, wijst de Commissie erop dat die kosten volgens de rechtspraak niet als in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten kunnen worden beschouwd (beschikking Hof van 16 december 1999, Hüls/Commissie, C-137/92 P-DEP, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Zij voegt eraan toe dat verzoekster in casu niet heeft aangetoond dat deze kosten noodzakelijk waren.
24 In de tweede plaats betwist de Commissie niet dat de door de beschikking cement aan verzoekster opgelegde geldboete een aanzienlijk bedrag vertegenwoordigde. Het belang van deze boete moet evenwel worden gerelativeerd, gelet op enerzijds het feit dat zij ongeveer 2,8 % van verzoeksters omzet vertegenwoordigde, en anderzijds het totaalbedrag van de door de beschikking cement opgelegde geldboetes (ongeveer 250 000 000 euro). Uit vergelijking van dit laatste bedrag met het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete blijkt de marginale rol van verzoekster in de in de beschikking cement en in de procedure behandelde mededingingsregeling.
25 In de derde plaats stelt de Commissie dat zaak T-38/95 geen nieuwe en belangrijke rechtsvragen heeft opgeworpen. Wat de toegang tot het dossier betreft, paste het Gerecht de in de eerdere rechtspraak geformuleerde beginselen toe. De vraag van verzoeksters deelneming aan de overtreding lag niet veel anders dan in de andere dossiers.
26 In de vierde plaats betwist de Commissie niet dat de maatregelen tot organisatie van de procesgang die het Gerecht heeft genomen om onder meer verzoekster volledige toegang tot het administratieve dossier te verlenen, extra werk hebben meegebracht. Haars inziens lijkt het door verzoeksters raadslieden verrichte werk evenwel enigszins onevenredig aan de moeilijkheid, de complexiteit en de omvang van de zaak.
27 Zij ontkent niet dat de zaak de inschakeling van twee advocaten rechtvaardigde. Zij heeft geen commentaar op het door hen in casu toegepaste uurtarief.
Beoordeling door het Gerecht
28 Volgens artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering worden als invorderbare kosten aangemerkt de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, raadsman of advocaat". Uit deze bepaling volgt, dat de invorderbare kosten zijn beperkt tot enerzijds de kosten die in verband met de procedure voor het Gerecht zijn gemaakt, en anderzijds de daartoe noodzakelijke kosten (zie, naar analogie, beschikking Hof van 9 november 1995, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C-89/85 DEP, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 14; beschikkingen Gerecht van 15 juli 1998, Opel Austria/Raad, T-115/94 DEP, Jurispr. blz. II-2739, punt 26, en van 19 september 2001, UK Coal/Commissie, T-64/99 DEP, Jurispr. blz. II-2547, punt 25).
29 Ook al wordt vóór het gerechtelijk stadium in het algemeen omvangrijk juridisch werk verricht, dit neemt niet weg dat onder procedure" in artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering alleen de procedure voor het Gerecht - en niet de precontentieuze fase - is bedoeld. Dit blijkt met name uit artikel 90 van dit Reglement, alwaar sprake is van de procedure voor het Gerecht" (zie, naar analogie, beschikkingen Hof van 21 oktober 1970, Hake/Commissie, 75/69, Jurispr. blz. 901, 902, en 30 november 1994, British Aerospace/Commissie, C-294/90 DEP, Jurispr. blz. I-5423, punten 10-12, en arrest cement, reeds aangehaald, punt 5134).
30 Het verzoek moet dus worden afgewezen voorzover het strekt tot vergoeding van de kosten van de procedure voor de Commissie.
31 Voor de kosten met betrekking tot de periode na de terechtzitting in zaak T-38/95 kan verzoekster evenmin vergoeding door de Commissie verlangen. De cementzaken zijn namelijk niet gevoegd voor de mondelinge behandeling en na 16 september 1998, de datum van de terechtzitting in zaak T-38/95, vond geen enkele proceshandeling plaats. In deze omstandigheden lijken de na deze datum door verzoekster gemaakte kosten niet rechtstreeks verband te houden met haar verdediging voor het Gerecht, zodat zij niet kunnen worden beschouwd als in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten in de zin van artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering (zie in deze zin beschikking Hof Hüls/Commissie, reeds aangehaald, punt 19, en beschikking Gerecht van 27 november 2000, Elder/Commissie, T-78/99 DEP, Jurispr. blz. II-3717, punt 17).
32 Wat de kosten van de procedure voor het Gerecht betreft, dient eraan te worden herinnerd dat de gemeenschapsrechter volgens vaste rechtspraak niet de door de partijen aan hun eigen advocaten verschuldigde honoraria kan vaststellen, maar dient te bepalen, tot welk bedrag die vergoedingen kunnen worden teruggevorderd van de partij die in de kosten is verwezen. Bijgevolg behoeft hij bij de beslissing op een verzoek tot begroting van kosten geen rekening te houden met een nationaal tarief voor advocatenhonoraria of met een eventuele overeenkomst dienaangaande tussen de belanghebbende partij en haar gemachtigden of raadslieden (beschikkingen Gerecht van 8 november 1996, Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, T-120/89 DEP, Jurispr. blz. II-1547, punt 27; Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 27, et UK Coal/Commissie, reeds aangehaald, punt 26).
33 Het is ook vaste rechtspraak dat, aangezien een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, het Gerecht de gegevens van de zaak vrijelijk moet beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (beschikking Hof van 26 november 1985, Leeuwarder Papierwarenfabriek/Commissie, 318/82, Jurispr. blz. 3727, punten 2 en 3; beschikkingen Gerecht van 8 maart 1995, Air France/Commissie, T-2/93 DEP, Jurispr. blz. II-533, punt 16; Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 28, en UK Coal/Commissie, reeds aangehaald, punt 27).
34 Aan de hand van deze criteria dient het bedrag van de in casu invorderbare kosten te worden vastgesteld.
35 Wat de moeilijkheid van de zaak en het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht betreft, blijkt dat de zaak relatief complex was en met name ten aanzien van de rechten van de verdediging een vraag inzake de toegang tot het dossier van de Commissie aan de orde stelde. Deze vraag was weliswaar niet nieuw, maar had in de cementzaken en in het bijzonder in de onderhavige zaak bijzondere accenten die het Gerecht aanleiding gaven tot belangrijke verduidelijkingen met betrekking tot de draagwijdte van het beginsel van toegang tot het administratief dossier in het kader van een procedure krachtens artikel 81 EG.
36 Ten gronde stelde de zaak met name de nieuwe rechtsvraag aan de orde of een onderneming wegens enerzijds haar lidmaatschap van een nationale vereniging die zelf was aangesloten bij de Europese vereniging waarin deze overeenkomst is gesloten, en anderzijds haar deelneming aan een bijzondere uitvoeringsmaatregel van deze overeenkomst, kan worden geacht partij te zijn bij een overeenkomst die in strijd is met artikel 81, lid 1, EG.
37 De aard van het geschil rechtvaardigde dus enerzijds hoge honoraria en anderzijds vertegenwoordiging door twee advocaten (zie in deze zin beschikkingen Stahlwerke Peine-Salzgitter/Commissie, reeds aangehaald, punt 30, en Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 29).
38 Wat de omvang van het werk betreft dat aan de procedure voor het Gerecht was verbonden, heeft verzoekster naast het verzoekschrift en de repliek nog twee memories met opmerkingen ingediend nadat het Gerecht de Commissie had gelast de betrokken partijen toegang tot haar administratief dossier te geven.
39 Weliswaar heeft de in voormeld punt genoemde omstandigheid de werklast van verzoeksters raadslieden in casu verzwaard en stelde het geschil ingewikkelde rechtsvragen aan de orde (punten 34 en 35 supra), maar anderzijds was verzoekster een van de adressaten van de beschikking cement, die een beperkt aantal overtredingen werd verweten, hetgeen de omvang van de door haar bij het Gerecht ingediende schrifturen verminderde.
40 Wat de economische belangen van het geschil voor verzoekster betreft, dient te worden beklemtoond dat de haar in de beschikking cement opgelegde geldboete een aanzienlijk bedrag vertegenwoordigde (punt 2 supra).
41 Gelet op voorgaande analyse moeten alle door verzoekster voor de procedure voor het Gerecht in zaak T-38/95 gemaakte kosten die naar behoren gerechtvaardigd zijn, in casu als invorderbare kosten in de zin van artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering worden beschouwd.
42 Blijkens verzoeksters gegevens in de bijlage bij haar verzoek heeft zij, zoals de Commissie in haar opmerkingen vaststelt, tussen 1 december 1994, de dag na de vaststelling van de beschikking cement, en het einde van september 1998, de maand waarin de terechtzitting in zaak T-38/95 plaatsvond, kosten ten belope van ongeveer 760 000 FRF (115 861,25 euro) gemaakt. In mindering hierop komt evenwel het bedrag van ongeveer 60 000 FRF (9 146,94 euro), vermeld in de brief die verzoeksters raadslieden op 29 juni 1998 aan haar hebben gezonden; het betreft hier geen honorarium- en kostendeclaratie, maar een verzoek om betaling van een voorschot.
43 Gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak is het derhalve billijk het bedrag van de door verzoekster invorderbare kosten op 106 714,31 euro (700 000 FRF) vast te stellen.
44 Daar het Gerecht bij de vaststelling van de invorderbare kosten rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van de zaak tot op de dag van zijn uitspraak, behoeft niet afzonderlijk uitspraak te worden gedaan over de kosten die partijen voor de onderhavige procedure tot begroting van de kosten hebben gemaakt (beschikkingen Gerecht van 5 juli 1993, Meskens/Parlement, T-84/91 DEP, Jurispr. blz. II-757, punt 16; Opel Austria/Raad, reeds aangehaald, punt 33, en UK Coal/Commissie, reeds aangehaald, punt 33).
Dictum
HET GERECHT (Derde kamer - uitgebreid)
beschikt:
Het bedrag van de door verzoekster in zaak T-38/95 invorderbare kosten wordt vastgesteld op 106 714,31 euro (700 000 FRF).
Full & Egal Universal Law Academy