Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep tot nietigverklaring ° Voor beroep vatbare handelingen ° Begrip ° Handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen ° Besluit van Commissie tot inleiding van anti-dumpingprocedure ° Voorbereidende handeling
(EG-Verdrag, art. 173; verordening nr. 3283/94 van de Raad)
Samenvatting
Handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173, zijn maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen. Handelingen of besluiten die in een uit verscheidene fasen bestaande procedure tot stand komen, zijn slechts voor beroep vatbaar, wanneer het maatregelen betreft die aan het einde van die procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen; hiertoe behoren dus niet voorlopige maatregelen ter voorbereiding van de eindbeschikking.
Een besluit van de Commissie tot inleiding van een anti-dumpingprocedure kan naar haar aard en gevolgen niet worden beschouwd als een voor beroep vatbare handeling.
Blijkens de bepalingen van basisverordening nr. 3283/94 inzake anti-dumping is het de taak van de Commissie, anti-dumpingonderzoeken in te stellen en op basis daarvan te beslissen om de procedure af te sluiten dan wel deze voort te zetten door voorlopige maatregelen te nemen en de Raad voorstellen te doen met betrekking tot definitieve maatregelen. De eindbeslissing ligt bij de Raad, die zich kan onthouden van een besluit indien hij met de Commissie van mening verschilt, of juist op basis van haar voorstellen een besluit kan nemen. De rol van de Commissie vormt derhalve een integrerend deel van het besluitvormingsproces van de Raad en haar besluit tot inleiding van een anti-dumpingprocedure is, aangezien het niet automatisch de oplegging van anti-dumpingrechten met zich brengt en de betrokken ondernemingen geenszins verplicht om aan het onderzoek mee te werken of hun handelspraktijken te wijzigen, een zuiver voorbereidende handeling die de rechtspositie van die ondernemingen niet onmiddellijk en onherroepelijk kan aantasten.
Partijen
In zaak T-134/95,
Dysan Magnetics Ltd, een vennootschap naar Engels recht, te Reading (Verenigd Koninkrijk),
en
Review Magnetics (Macao) Ltd, een vennootschap naar Portugees recht, te Macao,
vertegenwoordigd door M. Clough en M. Brealey, Barristers, geïnstrueerd door Rosenblatt, Solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het bericht van inleiding van een anti-dumpingprocedure met betrekking tot de invoer van bepaalde magneetschijven (3,5 microschijven) van oorsprong uit Canada, Indonesië, Macao en Thailand (PB 1995, C 84, blz. 4),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: C. P. Briët, kamerpresident, B. Vesterdorf, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 In 1994 en 1995 heeft Dysan Magnetics 3,5 duims magneetschijven in de Gemeenschap ingevoerd, die zij had gekocht van Review Magnetics (Macao) Ltd.
2 Op 30 september 1994 diende het Committee of the European Diskette Manufacturers bij de Commissie een klacht in over dumpingpraktijken bij de invoer van bepaalde magneetschijven waardoor de EG-bedrijfstak ernstig werd geschaad.
3 Naar aanleiding van deze klacht begon de Commissie een onderzoek overeenkomstig artikel 5 van verordening (EG) nr. 3283/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1994, L 349, blz. 1). Bij bericht in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1995 (PB 1995, C 84, blz. 4) werd de inleiding bekendgemaakt van een anti-dumpingprocedure met betrekking tot de invoer van bepaalde magneetschijven (3,5 microschijven) van oorsprong uit Canada, Indonesië, Macao en Thailand.
Conclusies van partijen en procesverloop
4 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 juni 1995, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld, waarin zij vorderen dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van de Commissie van 6 april 1995 om een anti-dumpingprocedure in te leiden met betrekking tot de invoer van bepaalde magneetschijven (3,5 microschijven) van oorsprong uit Canada, Indonesië, Macao en Thailand;
° de Commissie in de kosten te veroordelen.
5 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 september 1995, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid geopend, waarin zij vordert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° verzoeksters in de kosten te verwijzen.
6 In hun op 25 oktober 1995 ingediende opmerkingen met betrekking tot de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoeksters tot verwerping van de exceptie.
In rechte
7 Ingevolge artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering geschiedt de verdere behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist. Het Gerecht (Derde kamer ° uitgebreid) is van oordeel, dat het in casu over voldoende inlichtingen beschikt en dat de mondelinge behandeling niet behoeft te worden geopend.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
8 De Commissie bestrijdt de ontvankelijkheid met het betoog, dat de inleiding van een anti-dumpingprocedure geen handeling is waartegen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld. Op grond van het arrest van het Hof van 11 november 1981 (zaak 60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639, r.o. 9) en het arrest van het Gerecht van 18 december 1992 (gevoegde zaken T-10/92, T-11/92, T-12/92 en T-15/92, Cimenteries CBR e.a., Jurispr. 1992, blz. II-2667, r.o. 42) stelt zij, dat de inleiding van een anti-dumpingprocedure een voorbereidingshandeling is die geen onherroepelijke wijziging in de rechtspositie van verzoeksters teweegbrengt.
9 Het feit dat aan het begin van een procedure vragenlijsten worden verzonden die binnen een bepaalde termijn moeten worden beantwoord en waarop de mededeling voorkomt dat het best beschikbare bewijsmateriaal in aanmerking wordt genomen, toont eveneens aan dat het enkel gaat om een eerste stap in een procedure die tot het instellen van anti-dumpingrechten kan leiden (zie met name arrest van het Hof van 14 maart 1990, gevoegde zaken C-133/87 en C-150/87, Nashua Corporation e.a., Jurispr. 1990, blz. I-719, r.o. 9). Het voorbereidende karakter van de inleiding van een dergelijke procedure blijkt voorts uit het feit, dat slechts de Raad bevoegd is om definitieve rechten in te stellen (zie conclusie van advocaat-generaal Mischo in voormelde zaak Nashua Corporation, ibidem, blz. I-742).
10 De Commissie wijst er verder op, dat een beschikking ex artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), waarbij een onderneming wordt verplicht zich aan een verificatie te onderwerpen, wel een voor beroep vatbare handeling is, omdat deze voor de betrokken onderneming een medewerkingsplicht inhoudt die in geval van weigering kan worden afgedwongen door middel van een dwangsom krachtens artikel 16 van de verordening. Anders dan verordening nr. 17 verleent verordening nr. 3283/94 de Commissie geen onderzoeksbevoegdheid. In een anti-dumpingonderzoek kan van ondernemingen binnen of buiten de Gemeenschap slechts informatie worden verkregen, voor zover zij bereid zijn die te verschaffen.
11 Refererend aan het reeds aangehaalde arrest Cimenteries CBR (r.o. 47) stelt de Commissie, dat noch een besluit om een bepaalde exporteur als weigerachtig tot medewerking te behandelen, noch de talloze andere besluiten die over de methode van onderzoek moeten worden genomen, rechtsgevolgen kunnen teweegbrengen tenzij ° en totdat ° er anti-dumpingrechten worden ingesteld. De betrokken partijen zijn evenals de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar ook geenszins verplicht om wegens de inleiding van de procedure hun handelspraktijken te wijzigen (arrest IBM, reeds aangehaald, r.o. 19). Een dergelijke wijziging na de inleiding van de procedure heeft zelfs geen enkele invloed op de uitslag daarvan, aangezien de beslissing om al dan niet anti-dumpingrechten in te stellen, afhangt van de resultaten van het onderzoek en van de vaststelling van een schade veroorzaakt door de vroegere handelspraktijken, vóór de inleiding van de procedure.
12 De Commissie stelt verder, dat ook indien de inleiding van een anti-dumpingprocedure een voor beroep vatbaar besluit zou vormen, verzoeksters niet rechtstreeks en individueel worden geraakt. In een bericht van inleiding van een anti-dumpingprocedure worden enkel het produkt en de betrokken landen aangegeven, zonder nadere vermelding van exporteurs of importeurs. Bij de inleiding van de procedure is het aantal en de identiteit van de betrokken personen derhalve niet bepaald en verifieerbaar, zodat een dergelijk bericht niemand rechtstreeks en individueel kan raken (arrest Hof van 1 juli 1965, gevoegde zaken 106/63 en 107/63, Toepfer, Jurispr. 1965, blz. 507, 517).
13 Verzoeksters menen, dat het besluit om een anti-dumpingprocedure in te leiden een voor beroep vatbare handeling is. Zij baseren zich daartoe op de rechtspraak van het Hof inzake de ontvankelijkheid van beroepen tegen besluiten van de Commissie om een procedure ex artikel 93, lid 2, EG-Verdrag betreffende staatssteun in te leiden (arresten Hof van 30 juni 1992, zaak C-312/90, Spanje/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-4117, r.o. 21-23, en zaak C-47/91, Italië/Commissie, ibidem, blz. I-4145, r.o. 27-29). De inleiding van een procedure houdt een definitieve standpuntbepaling van de Commissie in (arresten IBM, reeds aangehaald, r.o. 21 tot en met 23, en Italië/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 27-29), die rechtsgevolgen in het leven roept welke hun belangen kunnen aantasten doordat zij hun rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
14 Zij stellen, dat het besluit tot inleiding van de anti-dumpingprocedure de rechtsgrondslag van het onderzoek is. De inleiding van het onderzoek heeft hun rechtspositie aanmerkelijk gewijzigd, aangezien hun dientengevolge vragenlijsten zijn toegezonden (artikel 6, lid 2, van verordening nr. 3283/94) die zij binnen 40 dagen moesten beantwoorden. Ook kunnen controlebezoeken worden uitgevoerd bij hun kantoren (artikel 16 van verordening nr. 3283/94) en kan de Commissie, ingeval zij medewerking weigeren, hun een hoger anti-dumpingrecht opleggen (artikel 18 van verordening nr. 3283/94).
15 Een besluit tot inleiding van een anti-dumpingprocedure is hun inziens te vergelijken met een verificatiebeschikking van de Commissie ex artikel 14 van verordening nr. 17, wat een voor beroep vatbare handeling is (arrest Hof van 21 september 1989, gevoegde zaken 46/87 en 227/88, Hoechst, Jurispr. 1989, blz. 2859). Juist omdat dat besluit de aanzet voor het instellen van een onderzoek is en de Commissie in staat stelt verificaties te verrichten en sancties op te leggen, is in artikel 5 van verordening nr. 3283/94 bepaald dat het besluit om een procedure in te leiden, op voldoende bewijsmateriaal moet berusten.
16 Verzoeksters stellen vervolgens op drie gronden, dat de inleiding van een anti-dumpingprocedure een definitieve maatregel is. In de eerste plaats is de Commissie verplicht om naar aanleiding van de klacht te handelen: zij moet haar afwijzen indien er onvoldoende bewijs van dumping of schade is (artikel 5, lid 7, van verordening nr. 3283/94) dan wel een anti-dumpingprocedure inleiden ingeval het bewijsmateriaal toereikend is (artikel 5, lid 9, van verordening nr. 3283/94). In de tweede plaats vormt het besluit tot opening van de procedure de rechtsgrondslag voor de uitoefening van de onderzoeks- en sanctiebevoegdheden die verordening nr. 3283/94 de Commissie toekent, en in de derde plaats zijn de voorwaarden van artikel 5 bedoeld om de exporteurs te beschermen tegen ongerechtvaardigde klachten. De overweging uit het arrest van het Hof van 7 december 1993 (zaak C-216/91, Rima Eletrometalurgia, Jurispr. 1993, blz. I-6303, r.o. 16) aanhalend, dat "het voorhanden zijn van voldoende bewijsmateriaal van dumping en van de daardoor veroorzaakte schade steeds een eerste vereiste is voor de inleiding van een (...) anti-dumpingprocedure", stellen verzoeksters dat de mogelijkheid om een verordening tot vaststelling van een definitief anti-dumpingrecht aan te vechten voor het Gerecht, geen adequate bescherming biedt tegen een inbreuk op artikel 5 van verordening nr. 3283/94.
17 Volgens verzoeksters zijn zij de adressaten van de bestreden handeling; in ieder geval worden zij er rechtstreeks en individueel door geraakt. Review Magnetics (Macao) Ltd is exporteur van het produkt ten aanzien waarvan dumping zou plaatsvinden, Dysan Magnetics Ltd een met Review Magnetics (Macao) Ltd verbonden importeur, en de Commissie nu zal de door Dysan Magnetics Ltd verstrekte informatie gebruiken om de uitvoerprijs te berekenen (arresten Hof van 21 februari 1984, gevoegde zaken 239/82 en 275/82, Allied Corporation e.a., Jurispr. 1984, blz. 1005, r.o. 10-15, en 11 juli 1990, gevoegde zaken C-305/86 en C-160/87, Neotype Techmashexport, Jurispr. 1990, blz. I-2945, r.o. 20 en 21; beschikking Hof van 8 juli 1987, zaak 279/86, Sermes, Jurispr. 1987, blz. 3109, r.o. 14-17).
18 Ten slotte stellen verzoeksters, dat artikel 5 van verordening nr. 3283/94 hun een waarborg verschaft die, om doeltreffend te kunnen werken, moet verzekeren dat het nooit komt tot "ongefundeerde onderzoeken". Door die waarborg onderscheidt een besluit tot opening van een anti-dumpingonderzoek zich van een mededeling van punten van bezwaar in mededingingszaken. De klacht op basis waarvan het bestreden besluit is genomen, is niet meer dan een fotokopie van een eerdere klacht. Volgens verzoeksters zouden de rechten die artikel 5 hun toekent, onherstelbaar worden geschaad, wanneer een dergelijk ongefundeerd onderzoek tegen hen werd ingesteld.
Oordeel van het Gerecht
19 Het onderhavige, krachtens artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag ingestelde beroep strekt tot nietigverklaring van het "besluit" van de Commissie tot inleiding van een anti-dumpingprocedure met betrekking tot de invoer van bepaalde magneetschijven van oorsprong uit Canada, Indonesië, Macao en Thailand.
20 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep zij eraan herinnerd, dat als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag, zijn te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen. Handelingen of besluiten die in een uit verscheidene fasen bestaande procedure tot stand komen, zijn slechts voor beroep vatbaar, wanneer het maatregelen betreft die aan het einde van die procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen; hiertoe behoren dus niet voorlopige maatregelen ter voorbereiding van de eindbeschikking (arrest IBM, reeds aangehaald, r.o. 8 e.v.; arresten Gerecht van 10 juli 1990, zaak T-64/89, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367, r.o. 42; 18 december 1992, Cimenteries CBR, reeds aangehaald, r.o. 28, en 27 juni 1995, zaak T-186/94, Guérin automobiles, Jurispr. 1995, blz. II-1753, r.o. 39).
21 Het Gerecht dient derhalve te beoordelen, of de bestreden handeling op zich rechtsgevolgen kan teweegbrengen die verzoeksters in hun belangen kunnen schaden, dan wel of het slechts een voorbereidende maatregel betreft, tegen de onwettigheid waarvan een beroep tegen de eindbeslissing hun voldoende bescherming zou bieden (arrest Hof van 24 juni 1986, zaak 53/85, Akzo Chemie, Jurispr. 1986, blz. 1965, r.o. 19, en arrest Cimenteries CBR, reeds aangehaald, r.o. 31). Enkel in het geval van handelingen die de rechtspositie van de betrokken ondernemingen onmiddellijk en onherroepelijk aantasten, kan een beroep tot nietigverklaring reeds vóór de beëindiging van de administratieve procedure ontvankelijk worden geacht (arrest Cimenteries CBR, reeds aangehaald, r.o. 42).
22 Blijkens de bepalingen van verordening nr. 3283/94 is het de taak van de Commissie, anti-dumpingonderzoeken in te stellen en op basis daarvan te beslissen om de procedure af te sluiten dan wel deze voortzetten door voorlopige maatregelen te nemen en de Raad voorstellen te doen met betrekking tot definitieve maatregelen. De eindbeslissing ligt echter bij de Raad, die zich kan onthouden van een besluit indien hij met de Commissie van mening verschilt, of juist op basis van haar voorstellen een besluit kan nemen.
23 Aangezien derhalve de rol van de Commissie een integrerend deel van het besluitvormingsproces van de Raad vormt (beschikkingen Hof van 8 mei 1985, zaak 256/84, Koyo Seiko, Jurispr. 1985, blz. 1351, r.o. 3; 15 oktober 1986, zaak 299/85, Tokyo Juki Industrial, Jurispr. 1986, blz. 2965, 2967; 11 november 1987, zaak 150/87, Nashua Corporation, Jurispr. 1987, blz. 4421, r.o. 6, en arrest Hof van 14 maart 1990, zaak C-156/87, Gestetner Holdings, Jurispr. 1990, blz. I-781, r.o. 7), is het "besluit" van de Commissie tot inleiding van een anti-dumpingprocedure een zuiver voorbereidende handeling die de rechtspositie van verzoeksters niet onmiddellijk en onherroepelijk kan aantasten.
24 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de rechtspraak inzake verificatiebeschikkingen van de Commissie krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 of besluiten tot inleiding van een procedure ex artikel 93, lid 2, van het Verdrag inzake staatssteun.
25 Wat in de eerste plaats de verificatiebeschikkingen betreft, is in artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17, uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid van beroep; voorts heeft de Commissie volgens verordening nr. 3283/94 niet zoals in verordening nr. 17 de bevoegdheid om de ondernemingen te dwingen zich aan de verificaties te onderwerpen. Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, anders dan een verificatiebeschikking krachtens artikel 14 van verordening nr. 17, een "besluit" van de Commissie tot inleiding van een procedure wegens een inbreuk op artikel 85 en/of artikel 86 van het Verdrag geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 173 van het Verdrag is (arrest IBM, reeds aangehaald, r.o. 21).
26 Wat in de tweede plaats de inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag betreft, heeft het Hof uitgemaakt, dat een desbetreffend besluit een keuze inhoudt ten aanzien van de kwalificatie van de steun en de toe te passen procedureregels en derhalve rechtsgevolgen teweegbrengt, onder meer bestaande in opschorting van de uitbetaling van de voorgenomen steun (arresten Hof, Spanje/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 24, en Italië/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 30). Een latere beschikking waarbij de verenigbaarheid van de steunmaatregel met het Verdrag wordt vastgesteld, kan evenmin als een beroep tegen een beschikking houdende vaststelling van de onverenigbaarheid van die steunmaatregel de onomkeerbare gevolgen uitwissen van de verlate uitbetaling van de steun (arresten Hof, Spanje/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 22 en 23, en Italië/Commissie, reeds aangehaald, r.o. 28 en 29; arrest Gerecht, Cimenteries CBR, reeds aangehaald, r.o. 46).
27 Anders dan in de bovenbedoelde situaties leidt de inleiding van een anti-dumpingprocedure niet tot een onmiddellijke en onherroepelijke aantasting van de rechtspositie van de betrokken ondernemingen. Zoals hierboven is opgemerkt, brengt de inleiding van een procedure niet automatisch de oplegging van anti-dumpingrechten met zich; de procedure kan immers worden beëindigd zonder dat maatregelen worden getroffen (artikel 9 van verordening nr. 3283/94). Voorts zijn de bij een anti-dumpingonderzoek betrokken ondernemingen geenszins verplicht om als gevolg van de inleiding van de procedure hun handelspraktijken te wijzigen, en kunnen zij, anders dan in een procedure krachtens verordening nr. 17 betreffende een inbreuk op artikel 85 en/of artikel 86 van het Verdrag, niet worden gedwongen aan het onderzoek mee te werken.
28 De inleiding van een anti-dumpingprocedure is derhalve naar haar aard en gevolgen niet te beschouwen als een beschikking in de zin van artikel 173 van het Verdrag, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat.
29 Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat behoeft te worden beslist, of verzoeksters rechtstreeks en individueel worden geraakt door de bestreden handeling.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer ° uitgebreid)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeksters worden verwezen in de kosten van het geding.
Luxemburg, 14 maart 1996.
Full & Egal Universal Law Academy