Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure ° Termijnen ° Interventie ° Verval van recht ° Toeval of overmacht ° Begrip
(' s Hofs Statuut-EG, art. 42, tweede alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 115, lid 1)
Samenvatting
De termijn voor het indienen van een verzoek tot tussenkomst, die volgens artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht drie maanden na de publikatie van de mededeling van de indiening van het verzoekschrift in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bedraagt, is een dwingende termijn, waarvan de inachtneming, evenals die van de procestermijnen in het algemeen, een punt van openbare orde is, dat het Gerecht ambtshalve moet opwerpen.
Toeval of overmacht in de zin van artikel 42, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG, op grond waarvan het verval van recht kan worden vermeden, vereist het bestaan van abnormale moeilijkheden, die onafhankelijk zijn van de wil van de betrokkene en die ondanks alle dienstige voorzorgsmaatregelen onvermijdelijk blijken te zijn. De ingewikkeldheid van de procedures noch de traagheid van de interne communicatie binnen een instelling leveren dergelijke omstandigheden op. Inzonderheid kan een partij zich niet op het gebrekkig functioneren van haar eigen diensten beroepen.
Partijen
In zaak T-194/95 intv II,
Area Cova SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo (Spanje),
Armadora José Pereira SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Armadores Pesqueros de Aldán SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Centropesca SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Chymar SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Eloymar SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Estribela (Spanje),
Exfaumar SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Bueu (Spanje),
Farpespan SL, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Moaña (Spanje),
Freiremar SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Hermanos Gandón SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Cangas (Spanje),
Heroya SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Hiopesca SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
José Pereira e Hijos SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
J. Oya Pérez, wonende te Vigo,
M. Nores González, wonende te Marín (Spanje),
Moradiña SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Cangas,
Navales Cerdeiras SL, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Camariñas (Spanje),
Nugago Pesca SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Bueu,
Pesquera Austral SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Pescaberbés SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Pesquerías Bígaro Narval SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Pesquera Cíes SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Pesca Herculina SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Pesquera Inter SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Cangas,
Pesquerías Marinenses SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Marín,
Pesquerías Tara SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Cangas,
Pesquera Vaqueiro SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Sotelo Dios SA, vennootschap naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Asociación Nacional de Armadores de Buques Congeladores de Pesca de Merluza (Anamer), vereniging naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Asociación Nacional de Armadores de Buques Congeladores de Pesquerías Varias (Anavar), vereniging naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
Asociación de Sociedades Pesqueras Españolas (ASPE), vereniging naar Spaans recht, gevestigd te Vigo,
vertegenwoordigd door A. Creus Carreras en X. Ruiz Calzado, advocaten te Barcelona, en door B. García Porras, advocaat te Salamanca, van het kantoor Cuatrecasas, Oudergemlaan 78, Brussel,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Carbery, juridisch adviseur, en G.-L. Ramos Ruano, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1761/95 van de Raad van 29 juni 1995 houdende tweede wijziging van verordening (EG) nr. 3366/94 tot vaststelling, voor 1995, van bepaalde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het gereglementeerde gebied zoals omschreven in het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB 1995, L 171, blz. 1), voor zover daarin de vangstquota voor zwarte heilbot voor de communautaire vloot worden vastgesteld,
geeft
DE PRESIDENT VAN DE VIJFDE KAMER VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, per telefax ter griffie van het Gerecht neergelegd op 27 februari 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn, juridisch adviseur, en B. Vilá Costa, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg, verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige zaak ter ondersteuning van de conclusies van verweerder. Het ondertekende origineel van het verzoekschrift is op 28 februari 1996 ter griffie ingekomen.
2 Allereerst zij eraan herinnerd, dat het verzoek tot tussenkomst krachtens artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet worden gedaan "binnen een termijn van drie maanden na de publikatie van de mededeling bedoeld in artikel 24, lid 6". Dit is een dwingende termijn, waarvan de inachtneming, evenals die van de procestermijnen in het algemeen, een punt van openbare orde is, dat het Gerecht ambtshalve moet opwerpen.
3 In casu stelt het Gerecht vast, dat de in artikel 24, lid 6, bedoelde mededeling betreffende de neerlegging van het verzoekschrift is gepubliceerd op 25 november 1995 (PB 1995, C 315, blz. 22). De termijn van drie maanden, die krachtens artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt verlengd met een termijn wegens afstand van twee dagen, is op 27 februari 1996 verstreken. Het ondertekende origineel van het verzoek tot tussenkomst is dus na de in artikel 115, lid 1, gestelde termijn ter griffie ingekomen.
4 Wat het vóór het verstrijken van de termijn per telefax ter griffie ingekomen verzoek tot tussenkomst betreft, moet worden vastgesteld, dat volgens artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering het origineel van elk processtuk moet zijn ondertekend door de gemachtigde of de advocaat van de partij. Aan dit vereiste is dus slechts voldaan wanneer het ondertekende origineel daadwerkelijk ter griffie is ingekomen. De ontvangst van een kopie of een telefaxbericht door de griffie kan daartoe niet volstaan. Derhalve dient de griffier krachtens artikel 6, lid 3, van de instructies voor de griffier van 3 maart 1994 (PB 1994, L 78, blz. 32), slechts de stukken te accepteren die de originele handtekening van de advocaat of gemachtigde van de partij dragen, en accepteert hij een per telefax binnengekomen stuk krachtens artikel 10, lid 3, slechts als binnen de termijn te zijn neergelegd, wanneer het gaat om een termijn die kan worden verlengd en het origineel van dat stuk vervolgens met de vereiste spoed wordt neergelegd. Daar de in het Reglement voor de procesvoering gestelde termijn voor tussenkomst krachtens artikel 115, noch artikel 103 van het Reglement voor de procesvoering kan worden verlengd, bepaalt artikel 10, lid 3, tweede alinea, van de instructies voor de griffier uitdrukkelijk, dat verzoeken tot interventie niet per telefax kunnen worden ingediend.
5 Op de vraag welke redenen de laattijdige indiening van haar verzoek kunnen rechtvaardigen, heeft de Commissie gewezen op de vertraging waarmee, wegens haar ingewikkelde interne procedures en de trage communicatie binnen de instelling, de juridische dienst toestemming heeft gekregen om te interveniëren. Zij heeft verzocht tot interventie te worden toegelaten, op grond dat zij verweerster is in de samenhangende zaak T-12/96 (Area Cova e.a./Raad en Commissie), alsmede op grond van haar betrokkenheid bij de feiten van de onderhavige zaak en haar beheersbevoegdheid op het vlak van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
6 In dit verband zij eraan herinnerd, dat toeval of overmacht in de zin van artikel 42, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG het bestaan vereist van abnormale moeilijkheden, die onafhankelijk zijn van de wil van de betrokkene en die ondanks alle dienstige voorzorgsmaatregelen onvermijdelijk blijken te zijn. De ingewikkeldheid van de procedures noch de traagheid van de interne communicatie leveren dergelijke omstandigheden op. Inzonderheid kan een partij zich niet op het gebrekkig functioneren van haar eigen diensten beroepen (zie arrest Hof van 15 december 1994, zaak C-195/91 P, Bayer, Jurispr. 1994, blz. I-5629, r.o. 30-34).
7 Ofschoon de overige door de Commissie aangevoerde omstandigheden stellig verklaren waarom zij er belang bij heeft om in deze zaak aanwezig te zijn, kunnen zij geen excuus vormen voor de niet-inachtneming van de termijn, noch een afwijking van de toepassing van artikel 115, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN DE VIJFDE KAMER VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om toelating tot interventie in zaak T-194/95 ter ondersteuning van de conclusies van verweerder, wordt afgewezen.
2) De Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 14 mei 1996.
Full & Egal Universal Law Academy