Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep wegens nalaten ° Termijnen ° Verval van recht ° Mogelijkheid om zich op beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen te beroepen ° Voorwaarde
(EG-Verdrag, art. 175)
Samenvatting
Om zich op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen te kunnen beroepen teneinde te ontkomen aan het verval van recht dat het gevolg is van het overschrijden van de in artikel 175 van het Verdrag gestelde termijn voor het instellen van een beroep wegens nalaten, moet een verzoeker kunnen doen gelden, dat bij hem verwachtingen zijn verwekt door precieze toezeggingen van de communautaire administratie, hetgeen door een lid van de Commissie afgelegde publieke verklaringen van algemene aard en herhaalde contacten tussen de betrokkene en de Commissie na een ingebrekestelling van deze laatste niet zijn.
Partijen
In zaak T-195/95,
Guérin automobiles, vennootschap naar Frans recht in liquidatie, gevestigd te Alençon (Frankrijk), vertegenwoordigd door J.-C. Fourgoux, advocaat te Parijs en te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van P. Schiltz, advocaat aldaar, Rue Béatrix de Bourbon 4,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. E. González Díaz, lid van haar juridische dienst, en G. Charrier, bij deze dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot vaststelling dat de Commissie heeft nagelaten punten van bezwaar tegen Nissan France SA mee te delen en, subsidiair, tot schadevergoeding,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, B. Vesterdorf, C. W. Bellamy, A. Kalogeropoulos en A. Potocki, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De aan het geschil ten grondslag liggende feiten
1 Verzoekster, waarvan de werkzaamheid bestond in de aankoop en verkoop van motorvoertuigen en die bij vonnis van 22 mei 1995 failliet is verklaard, diende bij de Commissie een op 6 juni 1994 ingeschreven klacht in tegen Nissan France SA, importeur van Nissanvoertuigen en dochtermaatschappij van de Japanse constructeur.
2 In die klacht wees verzoekster erop, dat zij dealer was geweest van Nissan France, die begin 1991 de dealerovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd met ingang van begin 1992. Na deze opzegging zou Nissan France "zich op haar exclusieve distributiesysteem zijn blijven beroepen om Guérin elke schadeloosstelling te weigeren, op discriminerende wijze een andere dealer te bevoordelen en herhaaldelijk te weigeren aan haar te verkopen". Vervolgens betwistte verzoekster de verenigbaarheid van de door Nissan France toegepaste standaard-dealerovereenkomst met verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB 1985, L 15, blz. 16). Van mening dat de overeenkomst, gezien haar gevolgen, niet voor ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag in aanmerking komt, verklaarde verzoekster, "dat zij zich refereert aan het oordeel van de Commissie, die bevoegd is om zich over de praktijken van Nissan uit te spreken, aangezien artikel 10 van verordening nr. 123/85 haar toestaat de vrijstelling in te trekken". Met het oog daarop, sprak zij haar afkeuring uit over verschillende clausules van de standaard-dealerovereenkomst of daaruit voortvloeiende praktijken van Nissan France en verklaarde zij, haar klacht op schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag te baseren.
3 Bij brief van 30 juni 1994 zond de Commissie een kopie van de klacht toe aan Nissan France, met het verzoek haar standpunt ten opzichte van de gestelde feiten te bepalen; dezelfde dag bracht de Commissie verzoekster van die toezending op de hoogte. Twee maanden later zond Nissan France haar antwoord aan de Commissie, die het in september 1994 aan verzoekster meedeelde.
4 Bij brief van 21 februari 1995 gaf verzoekster de Commissie kennis van haar opmerkingen betreffende de antwoorden van Nissan France. Zij was onder meer van mening, dat "de tot staving van haar klacht aangevoerde bewijselementen, het onderzoek van de twee versies van de overeenkomst en het door Nissan gegeven antwoord, in hun onderlinge samenhang beschouwd, de Commissie reeds in staat zouden hebben gesteld om punten van bezwaar mee te delen". Na een omstandig commentaar op de antwoorden van Nissan France verklaarde verzoekster, dat zij "de Commissie opnieuw verzoekt, aan Nissan de punten van bezwaar te betekenen die bij onderzoek van de stukken duidelijk naar voren komen" en besloot zij met de formule "wij blijven tot uw beschikking".
5 Deze brief werd door de Commissie niet beantwoord.
Het procesverloop en de conclusies van partijen
6 In die omstandigheden heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld, dat op 17 oktober 1995 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven.
7 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 december 1995, heeft de Commissie op grond van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verzoekster heeft op 8 januari 1996 haar opmerkingen betreffende deze exceptie ingediend.
8 In haar verzoekschrift concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
° het nalaten van de Commissie vast te stellen;
° subsidiair, op basis van artikel 215 van het Verdrag, te verklaren dat de Commissie hierdoor extracontractueel aansprakelijk is jegens verzoekster en haar een op 1 577 188,53 FF begrote schadevergoeding verschuldigd is;
° de Commissie in de kosten te verwijzen.
9 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° verzoekster in de kosten te verwijzen.
10 In haar opmerkingen betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid is verzoekster van mening, dat het Gerecht zich na het verwerpen van de exceptie over de conclusies van het verzoekschrift betreffende het nalaten en tot schadevergoeding kan uitspreken.
De ontvankelijkheid van het beroep
Argumenten van partijen
De conclusies betreffende het nalaten
11 De Commissie acht het beroep niet ontvankelijk, aangezien het is ingesteld met miskenning van de voorwaarden en termijnen van artikel 175 EG-Verdrag. Verzoeksters brief van 21 februari 1995 zou immers niet als "een uitnodiging tot handelen" in de zin van die bepaling kunnen worden beschouwd, aangezien hij in hoofdzaak was bedoeld als repliek op de argumenten in het antwoord van Nissan France aan de Commissie. De brief zou zelfs een formule ° "wij blijven tot uw beschikking" ° hebben bevat, die aantoont dat het in verzoeksters bedoeling lag, de samenwerking met de diensten van de Commissie voort te zetten. De Commissie leidt daaruit af, dat uit de brief van 21 februari 1995 niet duidelijk bleek, dat zo niet binnen de gestelde termijn zou worden opgetreden, tegen haar een beroep wegens nalaten zou worden ingesteld.
12 De Commissie voegt daaraan toe, dat gesteld dat bedoelde brief als een ingebrekestelling zou kunnen worden beschouwd, het onderhavige beroep wegens nalaten in ieder geval eerst bijna acht maanden later is ingesteld. Uit artikel 175 van het Verdrag zou echter voortvloeien, dat ingeval de betrokken instelling twee maanden na de ingebrekestelling haar standpunt nog niet heeft bepaald ° hetgeen de Commissie in casu niet betwist °, slechts binnen een nieuwe termijn van twee maanden tegen bedoelde instelling een beroep wegens nalaten kan worden ingesteld. In de onderhavige zaak zou deze nieuwe termijn in april 1995 zijn verstreken en zou verzoekster geen toeval of overmacht in de zin van artikel 42, tweede alinea, juncto artikel 46, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG hebben aangetoond.
13 Verzoekster werpt tegen, dat artikel 175 van het Verdrag de uitnodiging tot handelen aan geen bijzondere vorm onderwerpt. Het zou volstaan dat die uitnodiging, waaraan niet ten kwade kan worden geduid dat zij hoffelijk is geformuleerd, voldoende duidelijk is opdat de Commissie zich niet in de draagwijdte ervan zou kunnen vergissen. In casu zou de Commissie er niet aan hebben kunnen twijfelen, dat het verzuim om een besluit te nemen, door verzoekster als een nalaten zou worden beschouwd en tot het instellen van een beroep zou kunnen leiden.
14 Met betrekking tot de gestelde niet-ontvankelijkheid wegens de datum waarop het beroep is ingeleid, wijst verzoekster erop, dat de veelvuldige contacten met de Commissie na de ingebrekestelling betekenen, dat geen beroep op termijnoverschrijding kan worden gedaan, aangezien verzoekster mocht aannemen dat het probleem dat zij aan de Commissie had voorgelegd, in positieve zin zou worden opgelost (zie arrest Hof van 16 februari 1993, zaak C-107/91, ENU, Jurispr. 1993, blz. I-599). Zij is van mening, dat krachtens het vertrouwensbeginsel de indiener van een klacht ertoe kan worden gebracht, het instellen van een beroep te verdagen, indien men hem doet geloven dat zijn dossier ten slotte zal worden behandeld wegens een in naam van de Commissie te kennen gegeven voornemen of wil. In dit verband verwijst zij naar herhaalde publieke verklaringen van K. Van Miert, het voor mededingingszaken bevoegde lid van de Commissie, onder meer aan het Journal de l' automobile van 13 januari 1995 ["ik ben vastbesloten snel en zonder falen doortastend op te treden. Er zal geen toegeeflijkheid worden getoond (...)"] of naar zijn standpunt in antwoord op de resolutie van het Parlement van 16 maart 1995 over het 23ste verslag over het mededingingsbeleid ("de versterking van de interne markt onderstelt dat de Commissie, zoals alle Lid-Staten zelf, zeer bijzondere aandacht schenkt aan de strikte inachtneming van de bestaande [mededingings]regels"). In casu zou de Commissie in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid hebben erkend, dat verzoekster van een geest van samenwerking blijk had gegeven en kon menen dat de samenwerking zou worden voortgezet op een wijze die haar dossier zou vooruithelpen, hetgeen haar afwachtende houding rechtvaardigde.
15 Verzoekster betoogt bovendien, dat het Gerecht in ieder geval kan aannemen dat de mededeling van het beroep door zijn griffie aan de Commissie de toezending vormt van een duidelijke uitnodiging tot handelen, waarmee de inleidende akte moet worden gelijkgesteld. Zij wijst er ten slotte op, dat aangezien de Commissie geenszins het voornemen te kennen gaf, haar verzuim te beëindigen, zij de Commissie ten overvloede bij brief van 2 januari 1996 een nieuwe ingebrekestelling deed toekomen, met het oog op een nieuw beroep wegens nalaten.
De conclusies tot schadevergoeding
16 De Commissie spreekt zich op dit punt niet uit. Verzoekster wijst erop, dat haar beroep tot schadevergoeding een vordering is die losstaat van het beroep wegens nalaten. Het beroep op de aansprakelijkheid van een instelling, inzonderheid de Commissie, zou het Gerecht rechtstreeks de mogelijkheid bieden, na juridische kwalificatie van de feiten, te oordelen dat zij een voldoende duidelijke fout opleveren om die aansprakelijkheid mee te brengen. Daar de Commissie niet betwist dat zij heeft nagelaten binnen de gestelde termijn haar standpunt te bepalen, zou zij duidelijk in haar verplichting om de klacht volledig en coherent te onderzoeken te kort zijn geschoten, door niet te motiveren waarom zij het dossier niet nauwkeurig heeft behandeld.
Beoordeling door het Gerecht
17 Om te beginnen herinnert het Gerecht eraan, dat ingevolge artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, wanneer door de verweerder een exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt opgeworpen, de verdere behandeling mondeling geschiedt, tenzij het Gerecht anders beslist. In casu acht het Gerecht zich, wat het beroep wegens nalaten betreft, voldoende voorgelicht door het onderzoek van de stukken van het dossier. Er zijn dus geen termen aanwezig om op dit punt tot de mondelinge behandeling over te gaan.
18 Wat de in artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag gestelde termijnen betreft, moet worden vastgesteld, dat de verzending door verzoekster van haar brief van 21 februari 1995 ° gesteld al dat deze als een uitnodiging tot handelen in de zin van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag kan worden beschouwd ° werd gevolgd door het verzuim van de Commissie, haar standpunt ten opzichte van verzoekster te bepalen, en wel tot de instelling van het onderhavige beroep op 17 oktober 1995. Het beroep wegens nalaten had echter krachtens artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de verzending van bedoelde brief, dus uiterlijk eind juni 1995 moeten worden ingesteld. Bijgevolg is die beroepstermijn kennelijk overschreden.
19 Ofschoon de Commissie in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid uitdrukkelijk op die mogelijkheid heeft gewezen, heeft verzoekster zich in haar opmerkingen betreffende de exceptie niet beroepen op toeval, overmacht of verschoonbare dwaling, die de termijnoverschrijding zouden hebben kunnen verklaren.
20 Voor zover verzoekster verwijst naar publieke verklaringen van de heer Van Miert of veelvuldige contacten met de Commissie na de ingebrekestelling, die haar gewettigd vertrouwen zouden hebben gerechtvaardigd, zodat zij zich gerechtigd had kunnen achten, de instelling van haar beroep te verdagen, zij eraan herinnerd, dat het begrip gewettigd vertrouwen veronderstelt, dat door precieze toezeggingen van de communautaire administratie bij de betrokkene verwachtingen zijn verwekt (arrest Gerecht van 19 mei 1994, zaak T-465/93, Consorzio gruppo di azione locale "Murgia Messapica", Jurispr. 1994, blz. II-361, r.o. 67). Gezien de algemene aard van de betrokken publieke verklaringen kan echter in casu geen sprake zijn van precieze toezeggingen van de Commissie met betrekking tot verzoeksters specifieke dossier, die de hierboven vastgestelde termijnoverschrijding zouden hebben kunnen rechtvaardigen. Bovendien sluiten eventuele contacten tussen verzoekster en de Commissie na een ingebrekestelling van deze laatste de inachtneming van de termijnen van artikel 175 van het Verdrag niet uit.
21 Met betrekking tot verzoeksters verwijzing naar het arrest ENU (reeds aangehaald, r.o. 23 en 24) volstaat het eraan te herinneren, dat het bij de "redelijke termijn" die in die zaak in het geding was, niet ging om de in artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag bedoelde beroepstermijn van vier maanden, die in die zaak stipt in acht was genomen, doch veeleer om de termijn waarbinnen de betrokken gemeenschapsinstelling moet worden aangesproken om geldig in gebreke te kunnen worden gesteld. Bijgevolg moet het argument dat verzoekster aan het arrest ENU probeert te ontlenen, als niet-steekhoudend worden beschouwd.
22 Voor zover verzoekster ten slotte betoogt, dat de mededeling van het beroep zelf een uitnodiging tot handelen vormt, zodat in casu aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 175 van het Verdrag is voldaan, moet worden opgemerkt, dat zowel de letter als de structuur van die bepaling zich tegen een dergelijke redenering verzetten. Daar de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep van openbare orde zijn, is het de gemeenschapsrechter niet toegestaan, een extensieve uitlegging in de door verzoekster gewenste zin te geven en een voortijdig beroep ontvankelijk te verklaren.
23 Uit het voorgaande volgt, dat de conclusies betreffende het nalaten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
24 Daarentegen zijn er termen aanwezig om de beslissing over de exceptie van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde te voegen, voor zover zij de conclusies van het verzoekschrift tot schadevergoeding betreft.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer ° uitgebreid)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het ertoe strekt een verzuim van de Commissie te doen vaststellen.
2) Wat de conclusies tot schadevergoeding betreft, wordt de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid met de zaak ten gronde gevoegd.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 11 maart 1996.
Full & Egal Universal Law Academy