Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Kort geding ° Voorwaarden voor ontvankelijkheid ° Beoordeling in geval van verzoek om bescherming tegen toekomstige schade die ernstig en onherstelbaar karakter kan hebben
2. Kort geding ° Bevoegdheid van rechter in kort geding ° Bevelen met voorlopig karakter ° Verzoek om inachtneming van bestaande regels
(EG-Verdrag, art. 186; 's Hofs Statuut-EEG, art. 36)
3. Kort geding ° Voorlopige maatregelen ° Voorwaarden ° "Fumus boni juris" ° Ernstige en onherstelbare schade ° Achtbaarheid en beroepsreputatie van ambtenaar in geding als gevolg van door collega' s verspreide informatie zonder passende reactie van betrokken instelling ° Verzoek om deze verspreiding te doen ophouden van rechter in kort geding aan betrokken instelling ° Dwangsom ° Uitgesloten
(Reglement voor procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
1. Een door een ambtenaar ingediend verzoek om voorlopige maatregelen uit hoofde van artikel 186 van het Verdrag, dat verband houdt met een autonome vordering van de schade die hij stelt te hebben geleden door handelingen die op het eerste gezicht niet vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring en dat toekomstige schade beoogt te voorkomen, behoeft door de rechter in kort geding niet als niet-ontvankelijk te worden afgewezen, zelfs al kunnen er twijfels bestaan over de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak, wegens het ontbreken van een precontentieuze procedure overeenkomstig de voorschriften van het Ambtenarenstatuut.
De eventuele niet-inachtneming van de precontentieuze administratieve procedure kan de betrokkene immers in geen geval de mogelijkheid ontnemen, een maatregel te verkrijgen die ertoe strekt een toekomstige schade, die ernstig en onherstelbaar zou kunnen zijn, te voorkomen, want de procedure in kort geding heeft in het kader van het communautaire beroepsstelsel juist tot doel, de onmiddellijke vaststelling van door dringende noodzaak gerechtvaardigde voorlopige maatregelen mogelijk te maken, hetgeen wordt bevestigd door de door artikel 91, lid 4, van het Ambtenarenstatuut geboden mogelijkheid om beroep in te stellen zonder dat de precontentieuze procedure is beëindigd, wanneer bij dit beroep een verzoek in kort geding wordt gevoegd.
2. Artikel 186 van het Verdrag verleent de gemeenschapsrechter de bevoegdheid de noodzakelijke voorlopige maatregelen te treffen, waarvoor hij gebruik kan maken van verschillende vormen van interventie om het hoofd te bieden aan de specifieke vereisten van het concrete geval.
Op grond van artikel 36 van 's Hofs Statuut-EG omvat die bevoegdheid, de bevoegdheid om bevelen te geven die een voorlopig karakter hebben en op geen enkele wijze vooruitlopen op de beslissing van de rechter die uitspraak doet in de hoofdzaak, maar ook de bevoegdheid om te verzoeken om de inachtneming van de bestaande regels, aangezien een dergelijk verzoek een geschikt middel kan vormen, dat in overeenstemming is met de beginselen die de procedure in kort geding beheersen, en tijdelijk een adequate bescherming van de rechten van de verzoeker kan verzekeren.
3. In een situatie waarin vaststaat dat, in de eerste plaats, in de pers verschillende commentaren en mededelingen zijn verschenen van ambtenaren wier identiteit in beginsel niet bekend is, en dat deze commentaren en mededelingen betrekking hebben op de persoonlijkheid, de gezondheid en de beroepskwalificaties van één van hun collega' s, en, in de tweede plaats, de betrokken instelling nog geen passende maatregel heeft getroffen ter voorkoming van een dergelijk informatielek, dient de rechter in kort geding, wanneer dergelijke commentaren, doordat zij schade toebrengen aan de achtbaarheid en de beroepsreputatie van de betrokkene, die niet enkel ernstig, maar eveneens onherstelbaar kan zijn, de instelling te verzoeken de nodige maatregelen te nemen opdat haar personeel in het kader van contacten met de pers of op een andere wijze enige mededeling doet over de loopbaan van de betrokkene, zijn persoonlijkheid, zijn opvattingen of zijn gezondheid, die rechtstreeks of indirect schade kan toebrengen aan zijn achtbaarheid en zijn beroepsreputatie.
Bij gebreke van enig vermoeden, dat de instelling haar verplichtingen jegens de betrokkene niet overeenkomstig de bepalingen van de beschikking in kort geding zal nakomen, is het beroep op een dwangsom, die is bedoeld om druk uit te oefenen op de instelling, uitgesloten.
Partijen
In zaak T-203/95 R,
B. Connolly, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Everberg (België), vertegenwoordigd door J. Sambon en P.-P. van Gehuchten, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Schiltz, Rue du Fort Reinsheim 2,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valsesia, juridisch hoofdadviseur, en J. Currall, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om voorlopige maatregelen ertoe strekkende, in de eerste plaats, de Commissie te verbieden, gedurende de periode waarin de tegen verzoeker ingeleide tuchtprocedure aanhangig is, de pers inlichtingen te verstrekken over deze procedure, alsmede over diens loopbaan, persoonlijkheid, opvattingen of gezondheid, en haar te gelasten alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te voorkomen dat deze informatie publiek wordt, en in de tweede plaats, de Commissie te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een dwangsom van 100 000 BFR voor elke inbreuk die wordt begaan na de datum van deze beschikking in kort geding.
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Bij een op 27 oktober 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker krachtens artikel 91, lid 4, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") een beroep ingesteld strekkende, in de eerste plaats, tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van respectievelijk 6 september 1995, 27 september 1995 en 4 oktober 1995 om een tuchtprocedure tegen hem in te leiden, hem te schorsen en de zaak aan de tuchtraad voor te leggen, en in de tweede plaats, tot veroordeling van de Commissie om hem een schadevergoeding van 750 000 BFR te betalen. Voorts verzoekt hij het Gerecht, te gelasten dat het dictum van het arrest op kosten van de Commissie in drie dagbladen wordt gepubliceerd.
2 Bij een eveneens op 27 oktober 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker krachtens artikel 91, lid 4, van het Statuut een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, ertoe strekkende, in de eerste plaats, de Commissie te verbieden, gedurende de periode waarin de tegen verzoeker ingeleide tuchtprocedure aanhangig is, de pers inlichtingen te verstrekken over deze procedure, alsmede over diens loopbaan, persoonlijkheid, opvattingen of gezondheid, en haar te gelasten alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te voorkomen dat deze informatie publiek wordt, en in de tweede plaats, de Commissie te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een dwangsom van 100 000 BFR voor elke inbreuk die wordt begaan na de datum van deze beschikking.
3 De Commissie heeft op 9 november 1995 haar opmerkingen over dit verzoek in kort geding ingediend.
4 Alvorens de gegrondheid van dit verzoek in kort geding te onderzoeken, moet worden herinnerd aan de feiten van het geding, zoals deze blijken uit de door partijen ingediende memories.
5 Verzoeker, ambtenaar van de Commissie in de rang A 4, salaristrap 4, is hoofd van de eenheid "EMS, communautair en nationaal monetair beleid" binnen het directoraat D "Monetaire aangelegenheden" van het directoraat-generaal Economische en financiële zaken.
6 Op 24 april 1995 verzocht Connolly om verlof om redenen van persoonlijke aard voor een periode van drie maanden. Hij gaf daarvoor de volgende redenen op: a) zijn kind tijdens de schoolvakantie helpen zich voor te bereiden om aan een universiteit in het Verenigd Koninkrijk te gaan studeren, b) zijn vader in de gelegenheid stellen enige tijd met hen door te brengen, c) over wat tijd beschikken om na te denken over onderwerpen van politieke en economische theorie en "zijn relatie met de literatuur herstellen". Bij besluit van 2 juni 1995 kende de Commissie hem dit verlof toe.
7 Bij brief van 18 augustus 1995 verzocht Connolly om na afloop van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard te worden herplaatst bij de Commissie. Bij besluit van 27 september 1995 heeft de Commissie hem per 4 oktober 1995 in zijn ambt herplaatst.
8 Tijdens zijn verlof om redenen van persoonlijke aard publiceerde Connolly een boek met de titel The rotten heart of Europe. The dirty war for Europe' s money, zonder daarvoor de voorafgaande machtiging bedoeld in artikel 17, tweede alinea, van het Statuut te vragen.
9 Begin september, met name van 4 tot en met 10 september 1995, verschenen in de Europese en vooral de Engelse pers een aantal artikelen over dit boek.
10 Bij brief van 6 september 1995 deelde De Koster, directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, verzoeker mee, dat een tuchtprocedure tegen hem zou worden ingeleid wegens een mogelijke schending van de artikelen 11, 12 en 17 van het Statuut.
11 Het tot aanstelling bevoegd gezag nodigde verzoeker uit voor twee hoorzittingen in de zin van artikel 87, eerste alinea, van het Statuut. Deze vonden plaats op 12 respectievelijk 26 september 1995. Tijdens deze twee hoorzittingen legde verzoeker een schriftelijke verklaring af en weigerde hij te antwoorden op de hem gestelde vragen.
12 Bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 27 september 1995 werd Connolly per 3 oktober 1995 geschorst.
13 De zaak is op 4 oktober 1995 aan de tuchtraad voorgelegd.
14 Bij brief van 18 oktober 1995 diende verzoeker bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen de besluiten van deze instelling om een tuchtprocedure in te leiden en de zaak aan de tuchtraad voor te leggen, alsmede tegen genoemd besluit van 27 september 1995 waarbij hij was geschorst. In diezelfde brief klaagde verzoeker ook over de in de pers bekendgemaakte verklaringen over zijn achtbaarheid, zijn gezondheid en zijn beroepsreputatie en stelde hij, dat de tuchtprocedure tegen hem was ingeleid "in een klimaat dat de Commissie op grond van artikel 24 van het Statuut juist moet vermijden". Hij verzocht deze instelling daarom, hem "bijstand te verlenen bij de rechtsvervolgingen tegen degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen of smaad, gedragingen die onverenigbaar zijn met elk initiatief van een redelijke, actieve administratie".
In rechte
15 Ingevolge de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21) en bij besluit 94/149/EGKS, EG van de Raad van 7 maart 1994 (PB 1994, L 66, blz. 29), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
16 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat de verzoeken om voorlopige maatregelen bedoeld in de artikelen 185 en 186 van het Verdrag, een duidelijke omschrijving moeten bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen moeten een voorlopig karakter hebben in die zin, dat zij niet mogen vooruitlopen op de beslissing ten gronde (zie, laatstelijk, beschikking van de president van het Gerecht van 7 november 1995, zaak T-168/95 R, Eridania e.a., Jurispr. 1995, blz. II-0000, r.o. 14).
° De ontvankelijkheid
17 De Commissie stelt primair, dat het verzoek in kort geding niet-ontvankelijk is. Dienaangaande voert zij in de eerste plaats aan, dat dit verzoek verband houdt met bepaalde conclusies van het beroep in de hoofdzaak die kennelijk niet-ontvankelijk zijn, en in de tweede plaats, dat de aangezochte rechter onbevoegd is.
18 Aangaande het middel betreffende het verband tussen het beroep in de hoofdzaak en het verzoek in kort geding merkt verweerster op, dat verzoekers beroep in de hoofdzaak gedeeltelijk niet-ontvankelijk is, aangezien het strekt tot nietigverklaring van drie besluiten van de Commissie, waarvan er twee ° te weten die vervat in de nota' s van 6 september 1995 en 4 oktober 1995 ° een voorlopig karakter hebben en daarom niet vatbaar zijn voor beroep. Het beroep in de hoofdzaak zou daarom enkel ontvankelijk zijn ter zake van de conclusie tot nietigverklaring van het besluit van 27 september 1995 waarbij verzoeker is geschorst. Het onderhavige verzoek in kort geding zou derhalve niet-ontvankelijk zijn, aangezien het volgens de Commissie op geen enkele wijze verband houdt met de vordering tot nietigverklaring van het schorsingsbesluit, maar veeleer verwijst naar de andere conclusies van het beroep in de hoofdzaak, die zelf kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
19 De rechter in kort geding stelt vast, dat een deel van de in het beroep in de hoofdzaak geformuleerde conclusies tot nietigverklaring op het eerste gezicht kennelijk niet-ontvankelijk is. Het enige bezwarende besluit dat verzoeker in het kader van dit beroep betwist, is immers het schorsingsbesluit van 27 september 1995, een besluit dat overigens niet wordt genoemd in het verzoek om voorlopige maatregelen. De andere besluiten van de Commissie waarvan verzoeker in het beroep in de hoofdzaak de nietigverklaring vordert, te weten het besluit om een tuchtprocedure tegen hem in te leiden en het besluit om de zaak aan de tuchtraad voor te leggen, van 6 september 1995 respectievelijk 4 oktober 1995, zijn voorbereidende handelingen in het kader van een tuchtprocedure en om die reden op het eerste gezicht niet vatbaar voor beroep (zie in dit verband onder meer arrest Gerecht van 22 juni 1990, gevoegde zaken T-32/89 en T-39/89, Marcopoulos, Jurispr. 1990, blz. II-281, r.o. 21). Hieruit volgt, dat het verzoek in kort geding, voor zover het verband houdt met de conclusies tot nietigverklaring van laatstgenoemde besluiten, moet worden afgewezen.
20 In casu stelt de rechter in kort geding evenwel vast, dat het verzoek om voorlopige maatregelen verband houdt met de vordering tot schadevergoeding die Connolly eveneens in het kader van het beroep in de hoofdzaak heeft ingediend. Evenals het verzoek in kort geding heeft de vordering tot schadevergoeding immers betrekking op materiële en immateriële schade die Connolly zou hebben geleden doordat in de pers diverse mededelingen en verklaringen zijn verschenen, niet alleen over de tegen hem ingeleide tuchtprocedure, maar eveneens over zijn persoon, zijn gezondheid en zijn beroepskwaliteiten.
21 Opgemerkt zij, dat aan de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering tot schadevergoeding eveneens kan worden getwijfeld. Volgens vaste rechtspraak is het beroep tot schadevergoeding waarbij een ambtenaar vergoeding vordert van de schade die hij meent te hebben geleden door bepaalde handelingen van een instelling die geen bezwarende besluiten vormen, immers slechts ontvankelijk indien het wordt voorafgegaan door een administratieve procedure in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut, die uit twee etappes bestaat, namelijk eerst een verzoek en vervolgens een klacht tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing van dit verzoek (zie onder meer arrest Gerecht van 8 oktober 1992, zaak T-84/91, Meskens, Jurispr. 1992, blz. II-2335, r.o. 33).
22 In casu verwijst verzoeker in zijn vordering tot schadevergoeding in de eerste plaats naar toegestane en niet-toegestane verklaringen van de Commissie en haar ambtenaren die schadelijk zouden zijn voor zijn achtbaarheid en beroepsreputatie, en stelt hij in de tweede plaats, dat de in artikel 24 van het Statuut neergelegde bijstandsplicht niet is nagekomen. Op het eerste gezicht heeft verzoeker evenwel, alvorens deze vordering tot schadevergoeding aan het Gerecht voor te leggen, de Commissie niet overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut uitdrukkelijk verzocht hem te vergoeden voor de schade die hij meent te hebben geleden of zou kunnen leiden door bovengenoemde verklaringen. In de brief die hij op 18 oktober 1995 aan de Commissie heeft gezonden, heeft hij deze instelling immers enkel uitdrukkelijk gevraagd, hem overeenkomstig artikel 24 van het Statuut bij te staan bij de rechtsvervolgingen tegen degenen die die verklaringen hadden afgelegd of die zich schuldig hadden gemaakt aan gedragingen die met name onverenigbaar waren met het beginsel van goed bestuur. Wat meer in het bijzonder de vraag van de schadevergoeding betreft, blijkt uit het dossier, dat Connolly die schade enkel ter sprake heeft gebracht in zijn brief van 18 oktober 1995, waarin hij opmerkte dat de in de pers verschenen mededelingen "zijn zelfachting, zijn gezondheid en zijn beroepsreputatie raken". In deze brief stelde hij enkel, dat dergelijke gedragingen "zeer schadelijk" zijn, en behield hij zich het recht voor, later een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Welke twijfel er ook moge bestaan omtrent de ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding, een punt dat door de rechter in de hoofdzaak zal worden beslecht, die vordering lijkt in het kader van het onderhavige geding op het eerste gezicht niet kennelijk niet-ontvankelijk. Mitsdien kan het verzoek in kort geding niet om die reden worden afgewezen.
23 Gezien de specifieke context van de onderhavige zaak, lijkt het in elk geval redelijk, te erkennen dat verzoeker er een rechtmatig belang bij heeft zijn verzoek om voorlopige maatregelen door de rechter in kort geding te laten onderzoeken, aangezien dit verzoek enerzijds verband houdt met een autonome vordering tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden door handelingen die op het eerste gezicht niet vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring, en anderzijds toekomstige schade beoogt te voorkomen. In casu kan de eventuele niet-inachtneming van de precontentieuze administratieve procedure verzoeker immers in geen geval de mogelijkheid ontnemen, een maatregel te verkrijgen die ertoe strekt een toekomstige schade, die ernstig en onherstelbaar zou kunnen zijn, te voorkomen. In dit verband moet worden beklemtoond, dat de procedure in kort geding in het kader van het communautaire beroepsstelsel juist tot doel heeft, de onmiddellijke vaststelling van door dringende noodzaak gerechtvaardigde voorlopige maatregelen mogelijk te maken. Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 91, lid 4, van het Statuut, dat uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van afwijking van de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep, wat de inachtneming van de precontentieuze procedure betreft, doordat het de ambtenaren toestaat onmiddellijk na de indiening van een klacht bij het tot aanstelling bevoegd gezag, beroep in te stellen bij de gemeenschapsrechter, mits bij dit beroep een verzoek in kort geding wordt gevoegd.
24 Wat het tweede middel van niet-ontvankelijkheid betreft, betoogt de Commissie, dat het verzoek in kort geding neerkomt op een verzoek om een rechterlijk bevel, en derhalve op zich niet-ontvankelijk is, omdat het Gerecht niet bevoegd is een gemeenschapsinstelling bevelen te geven. Bovendien betreffen de gevraagde voorlopige maatregelen de verplichting om het beroepsgeheim te eerbiedigen, een verplichting die reeds in het Statuut is opgenomen, en kunnen zij derhalve geen inhoud hebben die losstaat van de reeds bestaande verplichting.
25 Dit tweede middel moet eveneens worden afgewezen. Artikel 186 van het Verdrag verleent de gemeenschapsrechter immers de bevoegdheid de noodzakelijke voorlopige maatregelen te treffen, en volgens artikel 36 van 's Hofs Statuut-EG omvat een dergelijke bevoegdheid, de bevoegdheid om bevelen te geven die een voorlopig karakter hebben en op geen enkele wijze vooruitlopen op de beslissing van de rechter die uitspraak doet in de hoofdzaak.
Anders dan de Commissie stelt, impliceert het feit dat verzoeker zich ter verdediging van zijn rechten beroept op de eerbiediging door de administratie van de krachtens de geldende relevante regels op deze laatste rustende verplichtingen (zoals de eerbiediging, op ieder niveau, van de verplichting om geen vertrouwelijke informatie over het personeel te verspreiden), niet dat de gevraagde maatregel kan worden aangemerkt als een "bevel" in de strikte zin van het woord en daarom moet worden geacht buiten de bevoegdheid van de gemeenschapsrechter te vallen. Het gaat immers slechts om een aanmaning tot inachtneming van rechtsregels, die als zodanig niet als een vorm van bevel kan worden beschouwd, aangezien het feit dat de administratie haar gedrag aanpast aan de relevante regels, het normale actiepatroon vormt.
In dit verband zij opgemerkt, dat de rechter in kort geding niet alleen gebruik kan maken van verschillende vormen van interventie om het hoofd te bieden aan de specifieke vereisten van het concrete geval, maar ook gewoon om inachtneming van de bestaande regels kan verzoeken. Een dergelijk verzoek kan immers een geschikt middel vormen, dat in overeenstemming is met de beginselen die de procedure in kort geding beheersen, en tijdelijk een adequate bescherming van de rechten van verzoeker kan verzekeren.
° De fumus boni juris en het spoedeisende karakter
Argumenten van partijen
26 Verzoeker voert tot staving van zijn verzoek om voorlopige maatregelen één enkel middel aan, te weten schending van de artikelen 24 en 87, tweede alinea, van het Statuut, van de bepalingen van bijlage IX, en met name artikel 8, tweede alinea, ervan, en van de beginselen, neergelegd in de nota van 24 november 1983 van de voorzitter en het voor personeelsaangelegenheden bevoegde lid van de Commissie betreffende het tuchtbeleid van de Commissie, omdat volgens al deze bepalingen de tuchtprocedure een vertrouwelijk karakter heeft.
27 In casu zou de Commissie, enerzijds, verzoekers verklaring van 12 september 1995 binnen de instelling hebben verspreid, en, anderzijds, de pers op de hoogte hebben gesteld van alle etappes van de tuchtprocedure. Preciezer gezegd, de woordvoerder van de Commissie zou hebben verklaard, dat in het kader van de tuchtprocedure een besluit zou worden genomen jegens verzoeker, nadat de tuchtraad zijn advies zou hebben uitgebracht. Bovendien zou hij hebben verklaard, dat "the question must be asked whether you have a place in this institution" en dat "if I had all these fears, I would hand in my resignation this afternoon". Voorts herinnert Connolly eraan, dat de voorzitter van de Commissie volgens het dagblad The Times van 8 september 1995 zou hebben verklaard, dat "there was no place in his organisation for senior employees who were so vehemently opposed to everything the Union stood for". Verzoeker legt bovendien een kopie over van het weekblad European Voice van 5 oktober 1995, waarin een kort artikel is opgenomen, dat bepaalde verklaringen van het voor personeelsaangelegenheden bevoegde lid van de Commissie overneemt. Deze laatste verklaart, dat hij de inhoud van Connolly' s boek schadelijk acht voor de belangen van de Gemeenschap, doch beklemtoont, dat dit een verklaring is die hij op persoonlijke titel aflegt. Hij voegt hier evenwel aan toe, dat de Commissie als instelling geen partij mag kiezen in de discussies die de publikatie van het betrokken boek heeft uitgelokt, aangezien Connolly' s gedrag moet worden onderzocht in het kader van een tuchtprocedure.
Volgens verzoeker zou verweerster ook geen enkele maatregel hebben genomen om te voorkomen dat haar personeel een aantal verklaringen, niet alleen over de tuchtprocedure, maar eveneens over zijn persoon, gezondheid en beroepsreputatie verspreidt en publiceert.
28 Door een dergelijke handelwijze zou de Commissie verzoeker ernstige schade hebben berokkend. Enerzijds zouden zowel bovengenoemde mededelingen als andere in de pers verschenen inlichtingen over verzoeker diens achtbaarheid en reputatie, zowel op persoonlijk als op professioneel vlak, ernstig in geding hebben gebracht. Anderzijds zou een dergelijke perscampagne de beoordelingsvrijheid van de tuchtraad verminderen en deze ertoe aanzetten hem te veroordelen.
29 De reeds geleden schade zou volgens Connolly aanzienlijk toenemen, indien deze perscampagne voortduurt. Het spoedeisende karakter van de gevraagde maatregelen volgt derhalve uit de noodzaak ernstige en onherstelbare schade te voorkomen, met name gelet op het feit dat de tegen hem ingeleide tuchtprocedure nog niet is beëindigd.
30 De Commissie voert hiertegen aan, dat de "perscampagne" waarover verzoeker het heeft, in feite slechts bestaat uit drie verklaringen, die werden afgelegd door respectievelijk de voorzitter, het voor personeelsaangelegenheden bevoegde lid en de woordvoerder van de Commissie, en die bovendien geen officieel karakter hadden.
Wat de verklaringen van de woordvoerder van de Commissie betreft, merkt verweerster op, dat daarin enerzijds enkel wordt gepreciseerd, dat het aan de Commissie staat om na advies van de tuchtraad een beslissing te nemen over een tuchtmaatregel, en dat daarin anderzijds enkel wordt gesproken van de mogelijkheid, dat er jegens Connolly tuchtmaatregelen worden genomen. Dat de woordvoerder heeft verklaard, dat het in het betrokken boek ingenomen standpunt niet verenigbaar is met het beleid van de Commissie, zou uit het oogpunt van de tuchtprocedure van geen belang zijn. Aangaande de in het dagblad The Times van 8 september 1995 verschenen verklaring van de voorzitter van de Commissie, merkt de Commissie op, dat deze enkel wilde beklemtonen, dat iemand die fundamenteel van mening verschilt met zijn werkgever en hiervan in het openbaar melding maakt, moet overwegen, of het niet beter is ontslag te nemen. In het interview dat het voor personeelsaangelegenheden bevoegde lid van de Commissie aan de European Voice heeft toegestaan, zou deze de nadruk hebben gelegd op het verschil tussen zijn persoonlijke opvatting en het standpunt van de Commissie in de aanhangige tuchtprocedure.
31 Verweerster beklemtoont voorts, dat alle andere verklaringen die de reputatie van Connolly zouden kunnen schaden, niet-toegestane verklaringen zijn, waarvoor de Commissie op geen enkele wijze verantwoordelijk is.
32 Wat het spoedeisende karakter van de gevraagde maatregelen betreft, merkt de Commissie op, dat Connolly, anders dan hij zelf stelt, tot op heden geen enkele schade heeft geleden. Enerzijds konden genoemde verklaringen als externe verklaringen geen invloed hebben op de tuchtprocedure, die binnen de Commissie wordt gevoerd buiten haar louter politieke activiteit om. Anderzijds kunnen de verklaringen met een zogenoemde lasterlijke inhoud, niet worden aangemerkt als verklaringen van de Commissie, en er kan daarom geen noodzaak bestaan onverwijld te gelasten, dat zij worden stopgezet. Gelet op een en ander merkt de Commissie op, dat niets wijst op een gevaar voor een ernstige en onherstelbare schade, en dat er dus geen grond bestaat om de gevraagde voorlopige maatregelen te treffen.
Beoordeling door de rechter in kort geding
33 Verzoeker voert in wezen twee grieven aan, te weten het vertrouwelijke karakter van de tuchtprocedure en niet-nakoming van de bijstandsplicht.
34 Vaststaat, dat de statutaire bepalingen en de in de nota van 24 november 1983 genoemde beginselen, waarop verzoeker zich beroept, de administratie op het eerste gezicht niet verbieden, de pers te informeren over de inleiding van een tuchtprocedure of over een voorgenomen schorsing.
35 Opgemerkt zij evenwel, dat de in artikel 17, eerste alinea, van het Statuut geformuleerde verplichting om het beroepsgeheim te eerbiedigen elke ambtenaar verplicht "tot de meest strikte geheimhouding met betrekking tot alle feitelijke gegevens en inlichtingen welke in de uitoefening van zijn functie of ter gelegenheid daarvan te zijner kennis komen". Voorts dient de betrokken instelling op grond van haar zorgplicht en het beginsel van goed bestuur te vermijden, dat over een ambtenaar verklaringen worden afgelegd die schadelijk kunnen zijn voor zijn beroepseer (arrest Hof van 11 juli 1974, zaak 53/72, Guillot, Jurispr. 1974, blz. 791, r.o. 5). Hieruit volgt in beginsel, dat de administratie enerzijds moet vermijden dat aan de pers informatie over een tuchtprocedure wordt verstrekt die schadelijk zou kunnen zijn voor de ambtenaar tegen wie die procedure is ingeleid, en anderzijds de nodige maatregelen moet nemen om binnen de instelling elke verspreiding van informatie die de ambtenaar in opspraak zou kunnen brengen, te voorkomen.
36 In casu heeft Connolly geen enkele schade geleden door de mededeling aan de pers van de besluiten om een tuchtprocedure tegen hem in te leiden en hem te schorsen, aangezien het aan deze procedure ten grondslag liggende gedrag van de betrokkene bestond in de publikatie van het boek The rotten heart of Europe. The dirty war for Europe' s money, zonder dat hij daarvoor de door artikel 17, tweede alinea, van het Statuut voorgeschreven voorafgaande machtiging had gekregen. Een dergelijk gedrag is ongetwijfeld een algemeen bekend feit en de mededeling ervan aan de pers kan voor verzoeker dus geen schadelijke gevolgen hebben gehad. De verklaringen van de voorzitter, het voor personeelsaangelegenheden bevoegde lid en de woordvoerder van de Commissie vormen immers een reactie van de instelling op een publieke gedraging van een ambtenaar. De mededelingen en verklaringen die in de persberichten en de kranteartikelen tussen aanhalingstekens staan en worden toegeschreven aan de voorzitter, het voor personeelsaangelegenheden bevoegde lid en de woordvoerder van de Commissie, kunnen derhalve niet als lasterlijk worden aangemerkt, aangezien zij betrekking hebben op een openlijk en bekend meningsverschil tussen verzoeker en de Commissie, met name aangaande het monetaire beleid van de Unie. Aangezien deze verklaringen dus geen betrekking hebben op de persoonlijkheid van Connolly en diens zedelijk gedrag en beroepskwalificaties, kunnen zij dus geen schade toebrengen aan zijn image buiten de Commissie.
37 Het enkele feit dat men de mogelijkheid van het treffen van de zwaarste tuchtmaatregel, namelijk verbreking van het dienstverband, liet uitschijnen, kan de eer en het beroepsaanzien van de ambtenaar evenmin aantasten, aangezien deze hypothese niet meer dan een in de relevante bepalingen voorzien gevolg van het verweten verzuim is.
38 Bovendien kunnen deze verklaringen evenmin de regelmatigheid van de tuchtprocedure aantasten, waarin het in elk geval de administratie is die het initiatief neemt. Enerzijds kent de tuchtraad het standpunt van de administratie immers uit veel uitvoeriger stukken dan die verklaringen aan de pers, en anderzijds staat het aan de administratie zelf, na een contradictoire procedure waarin de betrokken ambtenaar in elk geval zijn standpunt kan voordragen, vast te stellen, of Connolly zijn plichten heeft verzuimd, en in voorkomend geval een tuchtmaatregel te treffen.
39 Aangaande de andere verklaringen waarnaar verzoeker verwijst, blijkt uit de in deze zaak overgelegde stukken, dat in de pers verschillende commentaren zijn verschenen over de persoonlijkheid, de beroepskwalificaties en de gezondheid van Connolly, en dat deze commentaren met name zijn toegeschreven aan ambtenaren wier identiteit niet is onthuld. Ook al kan de rechter in kort geding op basis van dit beknopte onderzoek de Commissie niet verantwoordelijk stellen voor een dergelijk gedrag, toch moet worden opgemerkt, dat het ontbreken van enige maatregel om dergelijke verklaringen te verhinderen, of de vaststelling van maatregelen die de nodige uitwerking missen, een schending oplevert van de zorgplicht en van het beginsel van goed bestuur, volgens welke de instelling dient te vermijden, dat over een ambtenaar verklaringen worden afgelegd die diens achtbaarheid en beroepsreputatie kunnen aantasten.
40 Nu is vastgesteld, dat dit verzoek in kort geding ten dele een fumus boni juris heeft, moet worden onderzocht, of de andere voorwaarde voor het treffen van een voorlopige maatregel, te weten het risico van ernstige en onherstelbare schade, is vervuld.
41 Volgens vaste rechtspraak moet het spoedeisende karakter van een verzoek in kort geding worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt. Deze partij dient dus aan te tonen dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder schade met ernstige en onherstelbare gevolgen te lijden (zie, laatstelijk, beschikking Eridania e.a., reeds aangehaald, r.o. 33).
42 Verzoeker heeft in deze zaak onder meer aangevoerd, dat verschillende in de pers verschenen verklaringen zijn achtbaarheid en beroepsreputatie hebben geschaad. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat indien de gestelde schade inderdaad zou intreden, zij, gelijk verzoeker stelt, niet enkel ernstig, maar eveneens onherstelbaar zou zijn. Een dergelijke schade kan naar haar aard immers niet echt worden hersteld, aangezien de betrokkene moeilijk kan worden herplaatst in een zelfde situatie als die waarin hij zich bevond vóór de verspreiding van de vermeende lasterlijke informatie. De gestelde schade kan enkel worden gecompenseerd door schadevergoeding.
43 Uit de door verzoeker overgelegde stukken en de door partijen ter terechtzitting afgelegde verklaringen blijkt evenwel, dat in de pers verschillende commentaren en mededelingen zijn verschenen van ambtenaren wier identiteit formeel niet bekend is, en dat deze commentaren en mededelingen betrekking hebben op de persoonlijkheid, de gezondheid en de beroepskwalificaties van Connolly. Uit het dossier blijkt eveneens, dat de Commissie nog geen passende maatregel heeft getroffen ter voorkoming van een dergelijk informatielek, dat verzoeker ernstige en onherstelbare schade kan berokkenen.
44 Aangezien in deze omstandigheden het gevaar voor nieuwe verklaringen, die onherstelbare schade zouden toebrengen aan de achtbaarheid en de beroepsreputatie van Connolly, niet kan worden uitgesloten, moet de Commissie worden verzocht de nodige maatregelen te nemen opdat geen enkele mededeling meer wordt gedaan over de loopbaan van de betrokkene, zijn persoonlijkheid, zijn opvattingen of zijn gezondheid, die rechtstreeks of indirect schade kan toebrengen aan diens achtbaarheid en diens beroepsreputatie.
45 Verzoekers vordering om de Commissie een dwangsom van 100 000 BFR op te leggen voor elke met de zorgplicht jegens haar ambtenaren strijdige verspreiding van informatie over hem, kan niet worden toegewezen. Zonder dat behoeft te worden nagegaan, of de rechter in kort geding bevoegd is om een instelling een dwangsom op te leggen, kan immers worden volstaan met de vaststelling, dat niets laat vermoeden, dat de Commissie haar verplichtingen jegens verzoeker niet overeenkomstig de bepalingen van deze beschikking zal nakomen. Het verzoek om vaststelling van een maatregel als het opleggen van een dwangsom, die is bedoeld om de betrokken instelling ertoe aan te zetten haar verplichtingen na te komen, mist derhalve elke grondslag en moet worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) De Commissie wordt verzocht de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat haar personeel in het kader van contacten met de pers of op een andere wijze enige mededeling doet over de loopbaan, de persoonlijkheid, de opvattingen of de gezondheid van Connolly, die rechtstreeks of indirect schade kan toebrengen aan diens achtbaarheid en beroepsreputatie.
2) Het verzoek om voorlopige maatregelen wordt voor het overige afgewezen.
3) De beslissing over de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 12 december 1995.
Full & Egal Universal Law Academy