Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding ° Voorwaarden voor ontvankelijkheid ° Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak ° Irrelevantie ° Grenzen
(EGKS-Verdrag, art. 157 en 158; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
De vraag of het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is, moet in beginsel niet in het kader van een procedure in kort geding worden onderzocht, teneinde niet vooruit te lopen op de beslissing van het Gerecht in de hoofdzaak. Zij dient te worden aangehouden tot het onderzoek van het beroep in de hoofdzaak, tenzij dit op het eerste gezicht kennelijk niet-ontvankelijk voorkomt. Wanneer dit het geval is, bij voorbeeld omdat de verzoeker via een beroep tot nietigverklaring opkomt tegen een beschikking die is gericht tot een Lid-Staat en die op het eerste gezicht niet kan worden geacht hem individueel te raken, moet het beroep in kort geding worden verworpen.
Partijen
In zaak T-219/95 R,
M.-T. Danielsson, P. Largenteau en E. Haoa, alle drie woonachtig op Tahiti, Frans Polynesië, vertegenwoordigd door P. van den Biesen, advocaat te Amsterdam, en D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, tijdens de schriftelijke procedure bijgestaan door G. Betlem en S. Deimann, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Déi Gréng, Grand-Rue 31,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright, juridisch hoofdadviseur, en T. Cusack, juridisch adviseur, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door C. de Salins, adjunct-directeur van de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, M. Fonbaustier en J.-F. Dobelle als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een verzoek om voorlopige maatregelen, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 oktober 1995 betreffende Franse kernproeven, tevens ertoe strekkende dat de Commissie wordt gelast, alle maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om verzoekers' rechten uit hoofde van het EGA-Verdrag veilig te stellen en te beschermen,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 De atollen Mururoa en Fangataufa maken deel uit van Frans Polynesië. De hoofdstad van Frans Polynesië is Papeete, gelegen op het eiland Tahiti, ongeveer 1 200 km ten westnoordwesten van Mururoa en Fangataufa. Het eiland Pitcairn, het dichtst bij het grondgebied van een andere Lid-Staat gelegen, bevindt zich op ongeveer 800 km in oostzuidoostelijke richting.
2 Mururoa en Fangataufa werden door de Franse autoriteiten voor kernproeven gebruikt tussen 1966 en 1991, in welk jaar de proefnemingen krachtens een vrijwillig moratorium werden stopgezet. Proefnemingen in de lucht vonden plaats tot 1974; na die datum vonden enkel proefnemingen onder de grond plaats.
3 Op 13 juni 1995 kondigden de Franse autoriteiten aan, dat zij voornemens waren op Mururoa een aanvullende reeks kernproeven uit te voeren. Op 28 juli 1995 verzocht het Europees Parlement de Commissie, ervoor te zorgen dat de artikelen 34 en 35 EGA-Verdrag (hierna: "Verdrag") nauwgezet zouden worden nageleefd (Europe nr. 6532 van 29 juli 1995).
4 Artikel 34 van het Verdrag luidt als volgt:
"Elke Lid-Staat op wiens grondgebied bijzonder gevaarlijke proefnemingen moeten plaatsvinden, is verplicht aanvullende maatregelen te treffen voor de bescherming van de gezondheid, omtrent welke hij vooraf het advies van de Commissie inwint.
De instemming van de Commissie is noodzakelijk, indien de gevolgen van deze proefnemingen zich kunnen doen gevoelen op het grondgebied van de andere Lid-Staten."
5 Ingevolge artikel 35 dienen de Lid-Staten de nodige installaties op te richten om een voortdurende controle uit te oefenen op de radioactiviteit van de lucht, het water en de bodem, evenals om controle uit te oefenen op de inachtneming van de basisnormen. Zij dienen de Commissie toegang tot deze installaties te verschaffen, opdat deze de werking en de doeltreffendheid ervan kan nagaan.
6 Op 11 augustus 1995 stemde de Commissie ermee in, dat een bijeenkomst van Franse deskundigen en deskundigen van de Commissie zou worden georganiseerd, welke bijeenkomst plaatsvond op 25 augustus 1995, en dat de Commissie een onderzoeksteam naar de plaats van de proefnemingen zou sturen.
7 Op 5 september 1995 werd de eerste proef op Mururoa uitgevoerd.
8 Op 6 september 1995 deelde de voorzitter van de Commissie, Santer, het Europees Parlement mee, dat de Commissie zich niet kon uitspreken over de toepasselijkheid van artikel 34; hij bevestigde evenwel het voornemen van de Commissie, deel te nemen aan een wetenschappelijk onderzoek ter plaatse.
9 Van 18 tot en met 29 september 1995 vond een inspectie in het kader van artikel 35 van het Verdrag plaats. Het controleteam, bestaande uit drie ambtenaren van de Commissie, bracht op 3 oktober 1995 zijn verslag uit. Het kwam tot de conclusie, dat de geïnspecteerde controle-installaties en de ontvangen inlichtingen aantoonden, dat de situatie over het geheel genomen bevredigend was wat de basisnormen ter bescherming van de veiligheid betrof, maar wees er niettemin op, dat het tot bepaalde installaties geen toegang had kunnen krijgen en dat sommige inlichtingen haar niet waren verstrekt.
10 De tweede kernproef van de reeks vond plaats op 1 oktober 1995.
11 Op 23 oktober 1995, vier dagen voor de derde proef, nam de Commissie een definitief standpunt in over de vraag of artikel 34 van het Verdrag op de betrokken kernproeven van toepassing was. Dit standpunt, dat wordt weergegeven in de bij het dossier gevoegde notulen van de 1 266e vergadering van de Commissie, gehouden te Brussel op 23 oktober 1995, werd de volgende dag door de voorzitter van de Commissie aan de vergadering van het Europees Parlement overgelegd (Europees Parlement, volledig verslag, 24 oktober 1995, blz. 32 en 33).
12 Zakelijk weergegeven komt het door Santer uiteengezette standpunt van de Commissie erop neer, dat artikel 34 zowel voor militaire als voor civiele proefnemingen geldt en dat een proefneming als bijzonder gevaarlijk in de zin van dat artikel moet worden beschouwd, indien zij een waarneembaar gevaar voor aanmerkelijke blootstelling van de werknemers of de bevolking aan de ioniserende straling oplevert. Een proefneming waarbij een kernwapenexplosie plaatsvindt, kan een dergelijk gevaar meebrengen en kan derhalve onder bepaalde omstandigheden als "bijzonder gevaarlijk" worden beschouwd.
13 Op basis van deze gegevens, en na van de Franse autoriteiten desgevraagd aanvullende inlichtingen te hebben ontvangen, kwam de Commissie tot de conclusie, dat de proefnemingen in Frans Polynesië geen waarneembaar gevaar voor aanmerkelijke blootstelling van de werknemers of de bevolking opleverden. Een wetenschappelijke schatting had aangetoond dat, zelfs in het ergste geval, de basisnormen zouden worden nageleefd. De Commissie concludeerde, dat artikel 34 derhalve niet van toepassing was.
14 Dit standpunt is de handeling waarvan drie particulieren, Danielsson, Largenteau en Haoa, woonachtig op Tahiti, in hun beroep in de hoofdzaak (zaak T-219/95) nietigverklaring vorderen en waarvan zij in het kader van het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen (zaak T-219/95 R) opschorting van de tenuitvoerlegging verlangen. Beide verzoekschriften zijn op 2 december 1995 ter griffie van het Gerecht ingeschreven.
15 In kort geding vorderen verzoekers:
° opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie van 23 oktober 1995 betreffende Franse kernproeven, totdat het Gerecht zich zal hebben uitgesproken over het beroep in de hoofdzaak of totdat de Commissie een nieuwe beschikking op basis van artikel 34 van het Verdrag zal hebben gegeven, met inachtneming van de toepasselijke voorschriften en haar algemene wettelijke verplichtingen;
° een bevel aan de Commissie om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om verzoekers' rechten uit hoofde van het Verdrag veilig te stellen en te beschermen, daaronder begrepen maatregelen waarmee zal worden gewaarborgd, dat de Franse Republiek de bepalingen van het Verdrag ten volle zal eerbiedigen totdat het Gerecht zich zal hebben uitgesproken over het beroep in de hoofdzaak of totdat de Commissie een nieuw standpunt zal hebben ingenomen op basis van artikel 34 van het Verdrag;
° onmiddellijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie van 23 oktober 1995, nog voordat de Commissie haar opmerkingen zal hebben ingediend, totdat de president van het Gerecht zal hebben beslist op het verzoek om voorlopige maatregelen;
° de Commissie in de kosten van de procedure in kort geding te veroordelen.
16 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 december 1995, heeft de Franse Republiek een verzoek om interventie tot ondersteuning van de conclusies van de Commissie ingediend.
17 Partijen zijn op 15 december 1995 in hun mondelinge opmerkingen gehoord.
In rechte
18 Ingevolge de artikelen 157 en 158 van het Verdrag juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten of de noodzakelijke andere voorlopige maatregelen gelasten.
19 Artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat verzoeken tot verkrijging van voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving moeten bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen moeten een voorlopig karakter hebben, in die zin dat zij niet mogen vooruitlopen op de beslissing ten gronde (zie beschikking van de president van het Gerecht van 7 november 1995, zaak T-168/95 R, Eridania e.a., Jurispr. 1995, blz. II-0000, r.o. 14).
Argumenten van partijen
Ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak
20 Verzoekers betogen in de eerste plaats, dat het bij de bestreden handeling gaat om een beschikking van de Commissie, waarbij deze ofwel haar instemming in de zin van artikel 34, tweede alinea, heeft gegeven met betrekking tot de Franse kernproeven op Mururoa, ofwel heeft geweigerd vast te stellen dat artikel 34 op die proefnemingen van toepassing is. In beide gevallen betreft het een definitieve handeling krachtens de bepalingen van het Verdrag, die rechtsgevolgen heeft.
21 Verzoekers betogen dat, anders dan het in artikel 34, eerste alinea, bedoelde advies, de in de tweede alinea bedoelde instemming noodzakelijk is opdat de betrokken Lid-Staat haar proefnemingen kan uitvoeren. In casu blijkt uit wetenschappelijke gegevens, dat de gevolgen van de proefnemingen zich kunnen doen gevoelen op het grondgebied van een andere Lid-Staat, te weten het eiland Pitcairn, zodat ingevolge het Verdrag de instemming van de Commissie vereist is. Deze instemming is een aanvechtbare handeling, net als een beschikking van de Commissie waarbij staatssteun wordt toegestaan.
22 Subsidiair, voor het geval de bestreden handeling een weigering vormt om artikel 34 van het Verdrag toe te passen, betogen verzoekers, dat die weigering op dezelfde wijze kan worden aangevochten als de handeling die de betrokken instelling heeft geweigerd te verrichten (arrest Hof van 23 februari 1961, zaak 30/59, Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg, Jurispr. 1961, blz. 1).
23 In de tweede plaats betogen verzoeksters, dat zij door de bestreden beschikking individueel worden geraakt in de zin van artikel 146, vierde alinea, van het Verdrag.
24 Na een onderzoek van de recente rechtspraak van het Hof en het Gerecht (inzonderheid arresten Hof van 16 mei 1991, zaak C-358/89, Extramet Industrie, Jurispr. 1991, blz. I-2501, en 18 mei 1994, zaak C-309/89, Codorníu, Jurispr. 1994, blz. I-1853; arrest Gerecht van 14 september 1995, gevoegde zaken T-480/93 en T-480/93, Antillean Rice Mills e.a., Jurispr. 1995, blz. II-0000), zijn verzoekers van oordeel, dat zij door de beschikking van de Commissie individueel worden geraakt daar deze hen bijzonder ernstig treft, voor zover de Commissie daarin heeft nagelaten, naar behoren rekening te houden met de ernst van de gevolgen die de kernproeven voor hun gezondheid zouden kunnen hebben.
25 Verzoekers zijn inzonderheid van oordeel, dat zij deel uitmaken van de bevolking, voor de bescherming waarvan artikel 30 van het Verdrag in de vaststelling van de in hoofdstuk 3 bedoelde basisnormen voorziet en waaraan daarmee een subjectief recht is verleend. Huns inziens vallen zij derhalve onder de definitie neergelegd in rechtsoverweging 67 van het arrest Antillean Rice Mills e.a., reeds aangehaald, volgens welke "het feit dat specifieke bepalingen de Commissie verplichten rekening te houden met de gevolgen die de door haar voorgenomen handeling voor de situatie van bepaalde particulieren kan hebben, deze laatsten kan individualiseren". Zij betogen dat hun zaak verschilt van de zaak Greenpeace (beschikking van 9 augustus 1995, zaak T-585/93, Jurispr. 1995, blz. II-2205), waarin de verzoekende partijen zich niet konden beroepen op schending van een bepaling die hun een werkelijk subjectief recht op bescherming verleende. Het is ontoelaatbaar, dat een persoon wiens subjectieve rechten worden bedreigd of aangetast, niet de mogelijkheid heeft beroep tot nietigverklaring in te stellen krachtens artikel 146 van het Verdrag.
26 Tot staving van hun stelling, dat zij door de bestreden handeling individueel worden geraakt, betogen verzoekers voorts, dat deze beschikking niet vatbaar is voor beroep bij de nationale rechter, zodat een van de voornaamste redenen waarom particulieren de mogelijkheid rechtstreeks beroep in te stellen kan worden ontzegd, op hun geval derhalve niet van toepassing is. Zij verwijzen naar de zaak Les Verts (arrest van 23 april 1986, zaak 294/83, Jurispr. 1986, blz. 1339, r.o. 23), waarin het Hof heeft gewezen op de noodzaak van een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures, waarin het Hof toezicht kan uitoefenen op de wettigheid van handelingen van de instellingen. In dit verband betogen verzoekers ten slotte, dat in de rechtsstelsels van de Lid-Staten in de regel beroep kan worden ingesteld tegen handelingen van algemene of individuele aard van de nationale autoriteiten, indien iemand daar rechtstreeks en persoonlijk belang bij heeft. Huns inziens zou het gemeenschapsrecht zoveel mogelijk overeenkomstig die algemene beginselen, die de rechtsorden van de Lid-Staten gemeen hebben, moeten worden uitgelegd.
27 Door verzoekers het recht om een dergelijk beroep in te stellen te ontzeggen, zou bovendien inbreuk worden gemaakt op de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, volgens welke de persoon wiens door dit Verdrag erkende rechten of vrijheden zijn geschonden, een fundamenteel recht op toegang tot de rechter en recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel heeft.
28 In de derde plaats betogen verzoekers, dat de bestreden beschikking hen rechtstreeks raakt in de zin van artikel 146 van het Verdrag, aangezien zij de Franse Republiek toestaat de proefnemingen voort te zetten en de kans dat de Franse Republiek van mening verandert, zuiver theoretisch is (zie arrest van 27 april 1995, zaak T-442/93, AAC e.a., Jurispr. 1995, blz. II-1329, r.o. 45 en 46). De maatregel die verzoekers trachten te verkrijgen, te weten de weigering van de Commissie, met de proefnemingen in te stemmen, raakt hen bovendien rechtstreeks, aangezien zij de Franse Republiek geen andere keuze zou laten dan haar proeven stop te zetten (zie arrest van 16 juni 1970, zaak 69/69, Alcan, Jurispr. 1970, blz. 385).
29 Gelet op bovenstaande argumenten zijn verzoekers van oordeel, dat hun beroep in de hoofdzaak in ieder geval niet kennelijk niet-ontvankelijk is.
30 Wat het rechtskarakter van de bestreden handeling betreft, verklaart de Commissie dat zij bij het innemen van haar standpunt niet met de proefnemingen heeft ingestemd, maar enkel heeft geconcludeerd dat artikel 34 van het Verdrag niet van toepassing was. Na dit te hebben vastgesteld, kon zij de in artikel 34, tweede alinea, bedoelde instemming geven noch weigeren. Zelfs indien zij tot de tegenovergestelde conclusie was gekomen, zou zij enkel op basis van de eerste alinea een niet-bindend advies hebben kunnen geven, aangezien de ioniserende straling zich niet op het grondgebied van een andere Lid-Staat kon doen gevoelen. Noch een niet-bindend advies noch, a fortiori, een besluit om een dergelijk advies niet uit te brengen, zijn vatbaar voor beroep bij het Gerecht.
31 De Commissie bestrijdt voorts, dat verzoekers door de bestreden handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt. Als bewoners van Tahiti kunnen verzoekers alleen worden geraakt door een advies over de in artikel 34, eerste alinea, bedoelde aanvullende maatregelen voor de bescherming van de gezondheid, tegen welk advies geen beroep openstaat. De kwestie van de in de tweede alinea bedoelde instemming rijst slechts, indien de gevolgen van proefnemingen zich op het grondgebied van een andere Lid-Staat kunnen doen gevoelen. Een beschikking die ertoe strekt, die instemming te geven of te weigeren, zou derhalve alleen de bewoners van een dergelijk grondgebied, in casu Pitcairn, en niet Tahiti, rechtstreeks en individueel kunnen raken.
32 Voor zover verzoekers zich beroepen op het recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel ingevolge het Europees Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens, voert de Commissie bovendien aan, dat dit argument niet ter zake dienend is, daar van bedoelde rechten slechts sprake kan zijn, wanneer er een door de rechter te beschermen subjectief recht bestaat. Zij bestrijdt tevens, dat verzoeksters geen beroep kunnen instellen bij de nationale rechter, en voegt hieraan toe, dat artikel 150 van het Verdrag in laatste instantie de mogelijkheid biedt, zich via een verzoek om een prejudiciële beslissing tot de communautaire rechter te wenden.
33 De Franse regering heeft ter terechtzitting betoogd, dat de bepalingen van hoofdstuk 3 van het Verdrag niet van toepassing zijn op militaire activiteiten op het gebied van de kernenergie. Voor het overige bestrijdt zij, dat het litigieuze standpunt van de Commissie, ingenomen op basis van artikel 34 van het Verdrag, een beschikking vormt.
De fumus boni juris
34 Om aan te tonen aan welke gevaren zij als gevolg van de betrokken proefnemingen kunnen worden blootgesteld, citeren verzoekers een aantal openbare wetenschappelijke rapporten. Zij maken onderscheid tussen de gevaren die verbonden zijn met de gevolgen op korte termijn en die welke met de gevolgen op lange termijn verband houden.
35 Als gevolgen op korte termijn vermelden zij de aantasting van de geologische structuur en het vrijkomen van vluchtige en gasvormige splijtingsprodukten in de biosfeer. Zij verklaren dat kernproeven tot aardverschuivingen kunnen leiden en inderdaad een grote onderzeese verschuiving bij Mururoa hebben veroorzaakt in 1979, toen een kernprojectiel halverwege in de schacht blokkeerde en tot ontploffing kwam. Aangezien de geologische structuur van Mururoa als gevolg van door eerdere proefnemingen veroorzaakte aanzienlijke scheuren reeds instabiel is, zijn nieuwe grote aardverschuivingen waarschijnlijk. Die verschuivingen kunnen aanleiding geven, en hebben reeds aanleiding gegeven, tot tsunamis, vloedgolven waarvan de gevolgen zich zelfs kunnen doen gevoelen op Pitcairn en Tahiti en die een gevaar opleveren voor woningen als die van Danielsson. Het kan ook gebeuren dat radioactieve stoffen in zee terechtkomen, met catastrofale gevolgen voor de voedselketen in een gebied als Frans Polynesië, waar vis een belangrijke plaats inneemt als levensmiddel.
36 Van afvalstoffen afkomstige splijtingsprodukten kunnen per ongeluk in de biosfeer terechtkomen door scheuren als gevolg van de explosies. In 1987 kwam volgens een van de aangehaalde onderzoeken een kleine hoeveelheid radioactief gas vrij na een Russische kernproef op het eiland Nova Zembla; na dit ongeluk werd een besmetting van de lucht en de melk vastgesteld tot een afstand van 2 000 km, meer dan de afstand tussen Mururoa en Pitcairn of Tahiti.
37 Als gevolg op lange termijn wijzen verzoekers op het geleidelijk ontsnappen van radioactieve stoffen die afkomstig zijn van proefnemingen en/of opgeslagen afval, via natuurlijke of andere scheuren. Op Mururoa ontsnappen op die manier reeds hoeveelheden die volgens wetenschappers groter zijn dan door de Franse autoriteiten wordt beweerd. De geologische structuur van het eiland leent zich slecht voor het veilig opslaan van afvallen. Het ontsnappen van radioactieve stoffen, dat door meteorologische factoren als cyclonen wordt verergerd, kan het plaatselijke zeemilieu aantasten en de ontsnapte stoffen kunnen in de voedselketen doordringen.
38 Verzoekers citeren voorts statistieken betreffende sterftegevallen ten gevolge van kanker in Frans Polynesië en in andere gebieden van de Stille Zuidzee, waaruit zou blijken dat de gebieden in de naaste omgeving van Mururoa de hoogste cijfers kennen, zonder dat men een verband heeft kunnen leggen tussen die kankergevallen en de leefgewoonten.
39 Zij beklemtonen, dat zowel voor de gevolgen op korte termijn als voor die op lange termijn, de risico' s met iedere proefneming toenemen.
40 Wat deze feitelijke beweringen betreft geeft de Commissie te kennen, dat de documenten waaruit verzoekers citeren, geen afdoende bewijs op wetenschappelijk niveau vormen en dat de condities die zij eraan verbinden, zuiver hypothetische extrapolaties vormen.
41 Ten betoge dat hun vorderingen aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen, voeren verzoekers zes middelen rechtens aan: i) schending van artikel 34 van het Verdrag; ii) schending van richtlijn 80/836/Euratom van de Raad van 15 juli 1980 houdende wijziging van de richtlijnen tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de ioniserende straling verbonden gevaren (PB 1880, L 246, blz. 1); iii) schending van het voorzorgsbeginsel; iv) schending van internationaal gewoonterecht; v) schending van mensenrechten; vi) schending van artikel 162 van het Verdrag.
42 Tot staving van hun eerste middel betogen verzoekers in hoofdzaak, dat de Commissie artikel 34 van het Verdrag heeft geschonden door het begrip "bijzonder gevaarlijke proefnemingen" verkeerd uit te leggen. Door die proefnemingen te omschrijven als die welke een "waarneembaar gevaar voor aanmerkelijke blootstelling van de bevolking en de werknemers aan ioniserende straling" opleveren, heeft zij een onvoldoende definitie gegeven en de risico' s van indirecte schade als gevolg van besmetting van de lucht, het water of de grond, buiten beschouwing gelaten.
43 In het kader van hun tweede middel betogen verzoekers, dat de Commissie niet naar behoren rekening heeft gehouden met de beginselen neergelegd in artikel 6 van richtlijn 80/836 (reeds aangehaald), betreffende de in hoofdstuk 3 van het Verdrag bedoelde basisnormen. Het gaat daarbij om drie beginselen: elke activiteit die blootstelling meebrengt, mag alleen plaatsvinden indien zij nut heeft; elke blootstelling moet zo beperkt worden gehouden als redelijkerwijs mogelijk is; de limietdoses mogen niet worden overschreden. De Commissie heeft alleen laatstgenoemd beginsel toegepast. Door de Franse Republiek niet te verplichten, het nut van de betrokken activiteiten aan te tonen en een onderzoek in te stellen naar de invloed op het milieu teneinde na te gaan, of de blootstelling zo beperkt was als redelijkerwijs mogelijk was, heeft de Commissie de krachtens de eerste twee beginselen op haar rustende verplichtingen geschonden. Door de Franse Republiek bovendien niet te verplichten, volledige medische gegevens over Frans Polynesië te verstrekken, heeft de Commissie geen juiste uitvoering gegeven aan de artikelen 41 en 42 van de richtlijn, betreffende de verplichtingen van de Lid-Staten op het gebied van operationele bescherming van de bevolking.
44 In het kader van hun derde middel beroepen verzoekers zich op het in artikel 130 R, lid 2, EG-Verdrag neergelegde voorzorgsbeginsel, dat huns inziens in het kader van artikel 34 EGA-Verdrag relevant is, maar door de Commissie onjuist is toegepast. Ingevolge dit beginsel is preventief handelen vereist, zodra er een gegronde reden bestaat om te vrezen voor een potentieel gevaar voor de gezondheid en het milieu; derhalve had een onafhankelijke overheidsinstantie een onderzoek moeten instellen naar de gevolgen voor de gezondheid en het milieu, met inachtneming van het door verzoekers in hun uiteenzetting van de feiten genoemde deskundigenrapport.
45 In het kader van hun vierde middel betogen verzoekers, dat het een vereiste van internationaal gewoonterecht is geworden, dat een onderzoek plaatsvindt naar de gevolgen voor het milieu en/of een schatting van de veiligheid met betrekking tot geplande kerncentrales, opslagplaatsen voor afval en activiteiten die het milieu kunnen aantasten. Zij verwijzen inzonderheid naar artikel 206 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 10 december 1982 over het zeerecht, artikel 2 van de overeenkomst van 25 februari 1991 over milieu-effectbeoordeling in een grensoverschrijdende context (nog niet in werking getreden) en beginsel 17 van de Verklaring van Rio over milieu en ontwikkeling van 14 juni 1992, drie verdragen die de Gemeenschap en de Franse Republiek hebben ondertekend. Door dit onderzoek achterwege te laten, heeft de Commissie de krachtens internationaal recht op haar rustende verplichtingen veronachtzaamd.
46 In het kader van hun vijfde middel betogen verzoekers, dat de Commissie, door hen niet afdoende te beschermen tegen de gevaren die voor hun gezondheid voortvloeien uit een eventuele bestraling en tegen de gevaren, voor hun leven, van mogelijke vloedgolven, hun recht op het leven heeft aangetast dat zij ontlenen aan artikel 2 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en artikel 6 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten.
47 Ten slotte betogen verzoekers, dat de motivering die de Commissie voor de bestreden handeling heeft gegeven, niet afdoende is, omdat daarin geen rekening is gehouden met gemakkelijk verkrijgbare wetenschappelijke gegevens betreffende straling als gevolg van activiteiten op het gebied van kernenergie of methoden ter vaststelling van die straling.
48 In haar opmerkingen over het verzoek om voorlopige maatregelen merkt de Commissie op, dat artikel 34 van het Verdrag is opgenomen in hoofdstuk 3 van het Verdrag, betreffende de "bescherming van de gezondheid", dat luidens artikel 30 tot doel heeft, de gezondheid der bevolking en der werknemers te beschermen tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren. Volgens de Commissie moet geen rekening worden gehouden met potentiële aantastingen van het milieu, zoals aardverschuivingen of vloedgolven, die geen enkel radiologisch gevolg hebben. Bovendien heeft het door de Commissie krachtens artikel 34, eerste alinea, uit te brengen advies geen betrekking op de proefnemingen zelf, maar op de aanvullende maatregelen ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid. De uitdrukking "bijzonder gevaarlijke proefnemingen" moet worden gelezen in die context, evenals het in de tweede alinea gebruikte begrip proefnemingen waarvan de gevolgen zich kunnen doen gevoelen op het grondgebied van de andere Lid-Staten, welk begrip zich enkel uitstrekt tot de gevolgen van ioniserende straling voor de gezondheid van op dat grondgebied wonende personen.
49 De Commissie is hoe dan ook van oordeel, dat zij een diepgaand onderzoek heeft ingesteld op basis van een uitgebreide reeks informatie, daaronder begrepen het verslag van het controlebezoek en documentatie afkomstig van de Franse autoriteiten of van onafhankelijke bron. Op 17 oktober 1995 heeft de Commissie van de Franse autoriteiten nadere informatie ontvangen, die is bevestigd door het Institut fuer Transurane te Karlsruhe. Zij heeft haar beschikking van 23 oktober 1995 op al die informatie gebaseerd.
50 De Franse regering ontkent het bestaan van de door verzoekers gestelde gevaren.
De spoedeisendheid
51 Verzoekers betogen, dat de schade die zij zullen lijden in geval van onmiddellijke voortzetting van de kernproeven, wellicht onherstelbaar zal zijn. De gevaren voor hun gezondheid en veiligheid zijn aanzienlijk en nemen met iedere nieuwe proef toe. De uitspraak in de hoofdzaak kan niet worden afgewacht, aangezien de volgende proefneming vanaf 15 december 1995 zal plaatsvinden.
52 Meer in het bijzonder met betrekking tot hun verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling betogen verzoekers, zakelijk weergegeven, dat zolang de Commissie geen geldige beschikking heeft gegeven, en zeker zolang geen behoorlijk onderzoek is ingesteld naar de gevolgen van de proefnemingen voor de bevolking en het milieu, zij er niet zeker van kunnen zijn, dat zij geen ernstige, onherstelbare schade zullen lijden.
53 Aangaande hun verzoek om een bevel aan de Commissie, betogen verzoekers dat de enkele opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling onvoldoende zou zijn, aangezien de Franse regering in het verleden niet de instemming van de Commissie heeft afgewacht om proefnemingen uit te voeren.
54 De Commissie, ondersteund door de Franse regering, ontkent dat verzoekers ernstige en onherstelbare schade kunnen lijden indien de uitvoering van de bestreden handeling niet wordt opgeschort.
De belangenafweging
55 Volgens verzoekers legt de verlangde maatregel op de Commissie of de betrokken Lid-Staat geen bedreiging voor ernstige onherstelbare schade of een belasting die verder gaat dan noodzakelijk is ter verzekering van de bescherming waarop verzoekers recht hebben. Zij zou de Commissie en Frankrijk enkel verplichten, de uitspraak van het Hof in de hoofdzaak of een geldig vastgestelde beschikking van de Commissie af te wachten, terwijl verzoekers' belangen hun gezondheid en zelfs hun leven betreffen.
56 De Commissie betoogt niet, dat de verlangde maatregel haar een onredelijke last zou opleggen, maar beklemtoont dat opschorting van de tenuitvoerlegging of nietigverklaring van de bestreden handeling haar alleen maar zou kunnen verplichten, opnieuw te onderzoeken of artikel 34 van het Verdrag van toepassing zou kunnen zijn; zij zou de Commissie niet de bevoegdheid kunnen geven, haar instemming met de proefnemingen te weigeren, aangezien zij die bevoegdheid niet bezit.
57 De Franse regering betoogt dat, aangezien zij plechtig heeft beloofd na mei 1996 geen kernproeven meer uit te voeren, opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling definitief een einde zou maken aan de voortzetting van de in geding zijnde proefnemingen, aangezien het arrest van het Hof in de hoofdzaak zeker niet vóór die datum zal worden uitgesproken.
Beoordeling door de rechter in kort geding
De gestelde kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak
58 Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is, in beginsel niet in het kader van een procedure in kort geding worden onderzocht, teneinde niet vooruit te lopen op de beslissing van het Gerecht in de hoofdzaak. Zij dient te worden aangehouden tot het onderzoek van het beroep in de hoofdzaak, tenzij dit op het eerste gezicht kennelijk niet-ontvankelijk voorkomt (zie beschikking van de president van het Hof van 27 juni 1991, zaak C-117/91 R, Bosman, Jurispr. 1991, blz. I-3353, r.o. 7, en, laatstelijk, beschikking van de president van het Gerecht van 7 november 1995, Eridania e.a., reeds aangehaald, r.o. 27).
59 In casu dient de rechter in kort geding derhalve te onderzoeken of, gelijk de Commissie, gesteund door de Franse Republiek, betoogt, het beroep in de hoofdzaak, strekkende tot nietigverklaring van de standpuntbepaling van deze instelling van 23 oktober 1995, waarin zij concludeert dat de bepalingen van artikel 34 EGA-Verdrag geen toepassing dienen te vinden op de huidige kernproeven in Frans Polynesië, op het eerste gezicht kennelijk niet-ontvankelijk moet worden geacht.
60 Wat de materiële vormgeving van de bestreden handeling betreft zij opgemerkt, dat het definitieve standpunt van de Commissie, weergegeven in de bij het dossier gevoegde notulen van de 1 266e vergadering van deze instelling te Brussel op 23 oktober 1995, door de voorzitter van de Commissie op 24 oktober 1995 aan de vergadering van het Europees Parlement is voorgelegd (volledig verslag, blz. 32 en 33) en tegelijkertijd ter kennis is gebracht van de Franse autoriteiten, gelijk partijen ter terechtzitting hebben bevestigd.
61 Wat het voorwerp van de bestreden handeling betreft, blijkt uitdrukkelijk uit de notulen en uit de door de voorzitter van de Commissie voor het Parlement afgelegde verklaringen, dat de bestreden handeling de toepassing van artikel 34 van het Verdrag, dat de betrokken Lid-Staat bepaalde verplichtingen oplegt, op het onderhavige geval uitsluit op grond dat de betrokken kernproeven niet aan de voorwaarden voor toepassing van die bepaling voldoen, daar zij volgens de beoordeling door de Commissie niet bijzonder gevaarlijk zijn.
62 Er zijn geen termen aanwezig om eerst, in het kader van de onderhavige procedure in kort geding, een uitspraak te doen over de vraag of, overeenkomstig de ° door de Franse regering ter terechtzitting bestreden ° uitlegging van de Commissie, hoofdstuk 3 van het Verdrag, betreffende de bescherming van de gezondheid, en met name artikel 34, van toepassing is op militaire activiteiten op het gebied van de kernenergie. Deze vraag moet bij de beoordeling van de zaak ten gronde worden onderzocht.
63 Thans moet worden nagegaan, of het in de hoofdzaak ingediende verzoek om nietigverklaring op het eerste gezicht kan worden geacht te voldoen aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid, zowel wat de aard van de bestreden handeling betreft als met betrekking tot verzoekers' procesbevoegdheid.
64 Wat om te beginnen de aard van de bestreden handeling van de Commissie betreft, blijkt op het eerste gezicht uit de teneur van die handeling en uit de juridische en de feitelijke context waarin zij tot stand is gekomen, dat zij met een zekere mate van waarschijnlijkheid overeenkomstig vaste rechtspraak kan worden aangemerkt als een beschikking, aangezien zij een definitief standpunt van de Commissie bevat dat bedoeld is rechtsgevolgen teweeg te brengen (zie arrest Hof van 31 maart 1971, zaak 22/70, Commissie/Raad, Jurispr. 1971, blz. 263, r.o. 38-42), voor zover zij in ieder geval leidt tot uitsluiting van de toepassing van artikel 34 van het Verdrag, dat de betrokken Lid-Staat verplicht, aanvullende maatregelen voor de bescherming van de gezondheid te treffen, omtrent welke hij vooraf het advies van de Commissie inwint.
65 Hieruit volgt, dat de bestreden handeling op het eerste gezicht kan worden geacht een beschikking te vormen.
66 Wat in de tweede plaats verzoekers' procesbevoegdheid betreft, zij eraan herinnerd dat ingevolge artikel 146, vierde alinea, van het Verdrag iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in artikel 146, eerste alinea, bedoelde voorwaarden beroep kan instellen tegen tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.
67 In casu is de bestreden beschikking niet tot verzoekers gericht, maar tot de Franse regering. Derhalve moet worden onderzocht, of verzoekers er niettemin rechtstreeks en individueel door worden geraakt.
68 Wat om te beginnen de vraag betreft, of verzoekers door de bestreden beschikking individueel worden geraakt, is het vaste rechtspraak, dat "derden door een tot een ander gerichte beschikking slechts individueel worden geraakt indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve op soortgelijke wijze individualiseert als de adressaat" (zie arresten Hof van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 205, en 2 februari 1988, gevoegde zaken 67/85, 68/85 en 70/85, Van der Kooy, Jurispr. 1988, blz. 219, r.o. 14, en arrest Gerecht van 6 juli 1995, gevoegde zaken T-447/93, T-448/93 en T-449/93, AITEC e.a., Jurispr. 1995, blz. II-1971, r.o. 34).
69 In casu betogen verzoekers dat zij aan bovenbedoelde voorwaarde voldoen, aangezien, zakelijk weergegeven, de bestreden beschikking hen bijzonder ernstig treft en niet naar behoren rekening houdt met de schadelijke gevolgen van de betrokken kernproeven voor hun gezondheid, en zij deel uitmaken van de in artikel 30 van het Verdrag bedoelde bevolking, waarvan de gezondheid onder meer overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag moet worden beschermd.
70 Dit standpunt kan niet worden aanvaard, daar de bestreden beschikking verzoekers op het eerste gezicht enkel raakt in hun objectieve hoedanigheid van bewoners van Tahiti, op dezelfde wijze als iedere andere bewoner van Polynesië.
71 Gesteld al dat verzoekers persoonlijke schade zouden kunnen lijden in verband met de gestelde schadelijke gevolgen van de betrokken kernproeven voor het milieu en de volksgezondheid, deze omstandigheid volstaat niet om hen op soortgelijke wijze te individualiseren als de adressaat van de bestreden beschikking, zoals voorgeschreven in artikel 146, vierde alinea, van het Verdrag, voor zover schade van de door hen aangevoerde aard op dezelfde manier iedere bewoner van het betrokken gebied zou kunnen treffen (zie beschikking Greenpeace, reeds aangehaald, r.o. 49-55).
72 Verzoekers hebben geen enkel gegeven aangevoerd ten bewijze dat de bestreden beschikking hen op het eerste gezicht raakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie. Voor het overige hebben zij niet gesteld, dat door deze beschikking een specifiek recht wordt aangetast dat hen, wat de bestreden beschikking betreft, karakteriseert ten opzichte van iedere andere bewoner van Polynesië (zie arrest Codorníu, reeds aangehaald, r.o. 20-22, en beschikking van 23 november 1995, zaak C-10/95 P, Asocarne, Jurispr. 1995, blz. I-0000, r.o. 43).
73 In de juridische context van het onderhavige geding moet inzonderheid verzoekers' betoog worden verworpen, dat de Commissie krachtens sommige specifieke bepalingen van het Verdrag gehouden was, rekening te houden met de gevolgen voor hun situatie van de handeling die zij voornemens was te verrichten, en dat zij dus individueel worden geraakt overeenkomstig vaste rechtspraak (zie arresten Hof van 17 januari 1985, zaak 11/82, Piraiki-Patraiki, Jurispr. 1985, blz. 207, r.o. 28 e.v., en 26 juni 1990, zaak C-152/88, Sofimport, Jurispr. 1990, blz. I-2477, r.o. 11 en 12, alsmede arrest Antillean Rice Mills e.a., reeds aangehaald, r.o. 67).
74 Op het eerste gezicht vloeit een dergelijke verplichting niet voort uit de door verzoekers ingeroepen bepalingen van het Verdrag. Bij onderzoek van de relevante bepalingen van hoofdstuk 3 van het Verdrag blijkt juist duidelijk, dat de Commissie in het kader van artikel 34 gehouden is, te beoordelen welke gevolgen de omstreden kernproeven kunnen hebben voor de betrokken leden van de bevolking en de betrokken werknemers. Uitgelegd binnen het systeem van hoofdstuk 3, inzonderheid in samenhang met artikel 30, dat specifiek betrekking heeft op "de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers", verplicht artikel 34 de Commissie, de vraag of door een Lid-Staat voorgenomen proefnemingen gevaarlijk zijn, te beoordelen in het kader van de algemene doelstelling, de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers te verzekeren door middel van een op overwegingen van algemeen belang gebaseerd algemeen preventief handelen. Bij dat handelen kan van de Commissie niet worden verwacht, dat zij rekening houdt met de bijzondere situatie van elk der bewoners en werknemers binnen het bij een bepaalde proefneming betrokken geografisch gebied, tenzij specifieke factoren een dergelijke individuele benadering gelet op de betrokken doelstellingen rechtvaardigen.
75 In het onderhavige geval was de Commissie op het eerste gezicht derhalve niet gehouden, verzoekers' situatie ten opzichte van die van de overige bewoners van Polynesië individueel in beschouwing te nemen, toen zij de aan de betrokken kernproeven verbonden risico' s beoordeelde om te bepalen, of die proefnemingen bijzonder gevaarlijk waren in de zin van artikel 34 van het Verdrag.
76 In die omstandigheden kunnen verzoekers op het eerste gezicht niet worden geacht, door de bestreden beschikking individueel te worden geraakt. Het beroep in de hoofdzaak is derhalve op het eerste gezicht kennelijk niet-ontvankelijk, zonder dat hoeft te worden onderzocht of verzoekers voldoen aan de andere voorwaarde voor ontvankelijkheid die artikel 146, vierde alinea, van het Verdrag stelt, te weten dat de betrokken beschikking hen rechtstreeks raakt.
77 Anders dan verzoekers stellen, is deze conclusie niet onverenigbaar met het recht op toegang tot de rechter, daar de rechterlijke bescherming van particulieren in het communautair stelsel van geschillenbeslechting niet alleen wordt verzekerd door de verschillende mogelijkheden van rechtstreeks beroep op de communautaire rechter, onder de door het Verdrag vastgestelde voorwaarden, maar ook door het mechanisme van prejudiciële verwijzing krachtens artikel 150 van het Verdrag, in het kader van beroepen ingesteld bij de nationale rechter, de gewone gemeenschapsrechter.
78 Bijgevolg moet het onderhavige beroep in kort geding worden verworpen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) De Franse Republiek wordt toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
2) Het beroep in kort geding wordt verworpen.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 22 december 1995.
Full & Egal Universal Law Academy