Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Kort geding ° Verzoek om interpretatieve verklaring ° Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 168 A, lid 1, 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104)
2. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Opschorting van tenuitvoerlegging van verordening waarbij bepaalde importen worden verboden ° Voorwaarden ° Uitzonderlijke omstandigheden op niveau van zowel spoedeisendheid als "fumus boni juris"
(EG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 3254/91 van de Raad)
Samenvatting
1. Een verzoek in kort geding dat strekt tot verkrijging van een interpretatieve verklaring, moet niet-ontvankelijk worden verklaard, daar het onverenigbaar is met het specifieke karakter van de procedure in kort geding en, meer in het algemeen, met het stelsel van rechtspraak waarvan deze procedure deel uitmaakt.
Het EG-Verdrag maakt immers onderscheid tussen enerzijds procedures waarbij een rechtstreeks beroep bij de gemeenschapsrechter wordt ingesteld, en anderzijds de prejudiciële procedure van artikel 177 van dit Verdrag. Enkel in het kader van laatstgenoemde procedure kan een uitspraak van de gemeenschapsrechter worden verkregen, waarvan het dictum zelf specifiek betrekking heeft op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht. Een dergelijke beslissing kan bijgevolg niet worden verkregen in het kader van een procedure in kort geding, die noodzakelijkerwijs accessoir is aan een rechtstreeks beroep. Bovendien wordt een dergelijk verzoek, wanneer het betrekking heeft op een regeling die niet door de gemeenschapsinstellingen, maar door de autoriteiten van de Lid-Staten wordt toegepast, door geen enkel wettig belang gerechtvaardigd, daar de werking van een eventuele beschikking waarbij in dat verzoek wordt bewilligd, op het eerste gezicht beperkt zou zijn tot de partijen bij de procedure in kort geding, te weten de verzoeker en de verwerende gemeenschapsinstelling, terwijl een uitlegging van het Hof, die krachtens een beslissing van de nationale rechter van toepassing zou zijn in de betrekkingen tussen de verzoeker en de nationale autoriteiten, zou kunnen worden verkregen in het kader van een procedure voor de nationale rechter.
2. De toewijzing van het door een onderneming uit de bontsector ingediende verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 3254/91 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen, zou, zolang de beschikking in kort geding haar gelding behoudt, het door die verordening vastgestelde verbod op onherstelbare wijze buiten werking stellen, al naar gelang verzoekster of enige andere importeur in die verordening bedoelde goederen in de Gemeenschap in het vrije verkeer zou brengen. Een dergelijke opschorting kan derhalve enkel worden gelast in uitzonderlijke omstandigheden, die, in weerwil van het effect dat zij zou teweegbrengen, de conclusie zouden rechtvaardigen, dat het onevenredig is verzoeksters verzoek af te wijzen.
Van dergelijke omstandigheden is geen sprake, wanneer de onderneming niet in staat is geweest aan te tonen, dat de bevoorradingsmoeilijkheden die zij als gevolg van de toepassing van de verordening zou kunnen ondervinden, voor haar een serieuze en actuele dreiging van een faillissement opleveren, noch dat de verordening en de houding van de gemeenschapsinstellingen kennelijk onwettig zijn.
Partijen
In zaak T-228/95 R,
S. Lehrfreund Ltd, vennootschap naar Engels recht, gevestigd te Londen, vertegenwoordigd door N. Forwood, QC, en M. Hoskins, Barrister, leden van de balie van Engeland en Wales, domicilie gekozen hebbende te Brussel bij Brick Court Chambers, Blijde Inkomstlaan 8,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Huber en G. Houttuin, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur F. Benyon en L. Gussetti, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
betreffende een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PB 1991, L 308, blz. 1),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Bij op 15 december 1995 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster, een in Londen gevestigde vennootschap die zich sedert 1963 bezighoudt met de aankoop, bewerking en verkoop van pelzen, het Gerecht verzocht de Raad en de Commissie te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan haar. Zij heeft hiertoe grieven aangevoerd die verband houden met zowel de vaststelling van verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PB 1991, L 308, blz. 1), als de wijze waarop de verwerende instellingen zich na die vaststelling hebben gedragen.
2 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster krachtens de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag de president van het Gerecht verzocht, de opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 3254/91 te gelasten, alsmede zodanige andere voorlopige maatregelen als hij zou vermenen te behoren.
3 Het rechtskader en de feiten die aan het beroep ten principale en het verzoek in kort geding ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt.
4 Verordening nr. 3254/91, die met ingang van 1 januari 1995 in de Gemeenschap het gebruik van de wildklem, zoals gedefinieerd in artikel 1, verbiedt (artikel 2), bepaalt in artikel 3:
"1. Met ingang van 1 januari 1995 is het verboden de pelzen van de in bijlage I genoemde diersoorten en de andere in bijlage II genoemde goederen, voor zover die pelzen van de in bijlage I genoemde diersoorten bevatten, in de Gemeenschap binnen te brengen tenzij de Commissie volgens de procedure van artikel 5 heeft vastgesteld dat in het land waaruit de pelzen afkomstig zijn:
° afdoende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van kracht zijn om het gebruik van de wildklem te verbieden, of
° de methoden voor de vangst van de in bijlage I vermelde diersoorten met behulp van vallen, voldoen aan de internationaal overeengekomen normen voor humane vangst.
De Commissie maakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen de lijst bekend van de landen die ten minste aan één van de in de eerste alinea genoemde voorwaarden voldoen.
2. Het in lid 1 bedoelde verbod wordt door de Commissie opgeschort voor een termijn van één jaar die op 31 december 1995 verstrijkt, indien zij volgens de procedure van artikel 5 op grond van een onderzoek dat in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de betrokken landen wordt ingesteld, vóór 1 juli 1994 vaststelt dat op het grondgebied van die landen voldoende vooruitgang is geboekt bij de ontwikkeling van humane methoden voor de vangst met behulp van vallen."
5 Artikel 4 van de verordening bepaalt, dat na 1 januari 1995 voor de uitvoer of heruitvoer naar de Gemeenschap van de in bijlage II genoemde goederen een verklaring van oorsprong vereist is, waarvan de passende vorm door de Commissie moet worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 5.
6 Bijlage I, waarnaar artikel 3, lid 1, verwijst, vermeldt in totaal dertien diersoorten, waaronder de muskusrat.
7 Gebruik makend van de haar bij artikel 3, lid 2, verleende bevoegdheid, stelde de Commissie op 19 juli 1994 verordening (EG) nr. 1771/94 vast, houdende bepalingen inzake het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten (PB 1994, L 184, blz. 3). Artikel 1 van deze verordening bepaalt:
"1. Het verbod op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen van de in bijlage I van verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad opgesomde diersoorten en de andere, in bijlage II van die verordening opgesomde goederen, treedt in werking op 1 januari 1996.
2. Overeenkomstig de procedure van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad bepaalt de Commissie vóór 1 september 1995:
a) welke landen aan de in artikel 3, lid 1, van die verordening genoemde voorwaarde voldoen, en
b) welke de passende vorm is van de in artikel 4 van die verordening bedoelde verklaring."
8 Na te hebben onderzocht, hoe in de verschillende betrokken derde landen de situatie op het gebied van de vangst met vallen was, diende de Commissie een voorstel voor een verordening in, dat een lijst bevatte van de landen die aan de in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3254/91 genoemde voorwaarden voldeden, en voorts de passende vorm van de in artikel 4 van die verordening bedoelde verklaring bepaalde. Een herziene versie ("rev5") van dit voorstel, gedateerd 28 september 1995, is door verzoekster overgelegd (bijlage 1 bij het verzoek in kort geding). Blijkens de toelichting bij dit voorstel zijn de in artikel 3 van verordening nr. 3254/91 bedoelde internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen tot dusver nog niet ontwikkeld. In het voorstel zelf komen verschillende landen, waaronder de Verenigde Staten en Canada, niet voor op de lijst van landen waarvan de produkten in de Gemeenschap mogen worden ingevoerd, daar zij het gebruik van de wildklem niet verbieden. Aan het voorstel is echter tot op heden geen gevolg gegeven.
9 Bij schrijven van 8 december 1995 deelde de Commissie de Lid-Staten mee, dat naar haar oordeel op dat moment nog geen uitvoering kon worden gegeven aan het invoerverbod van verordening nr. 3254/91. Zij verzocht hun derhalve te verzekeren, dat hun bevoegde autoriteiten zich ook na 31 december 1995 zouden onthouden van douanemaatregelen waardoor de handel in de betrokken goederen zou kunnen worden verstoord. In diezelfde brief gaf de Commissie kennis van haar besluit om bij de Raad een voorstel tot wijziging van genoemde verordening in te dienen.
10 Dat voorstel, dat op 15 december 1995 werd ingediend [document COM(95) 737 def.], strekt ertoe, de bepalingen van artikel 3 van verordening nr. 3254/91 te vervangen door het volgende systeem. De Gemeenschap vat met derde landen onderhandelingen aan of zet deze voort teneinde een kaderovereenkomst, voorzien van een tijdschema voor de uitvoering ervan, tot stand te brengen over normen inzake de humane vangst van dieren met behulp van vallen, met name ten aanzien van de in bijlage I bij de verordening genoemde diersoorten (het nieuwe artikel 3). Na uiterlijk tegen 31 december 1996 te hebben geëvalueerd, welke vooruitgang bij die onderhandelingen is geboekt, stelt de Commissie voor elk van de betrokken soorten regelmatig een lijst vast van de landen die niet aan bepaalde voorwaarden op het gebied van de vangst met vallen voldoen. Indien geen kaderovereenkomst tot stand komt, stelt de Commissie een lijst vast van de landen die ofwel individueel onvoldoende vooruitgang hebben geboekt bij de ontwikkeling van humane vangmethoden, ofwel het gebruik van de wildklem niet hebben verboden. Indien een dergelijke overeenkomst wél tot stand komt, vermeldt de lijst de landen die ofwel zich niet formeel ertoe hebben verbonden, die overeenkomst binnen een afgesproken termijn ten uitvoer te leggen, ofwel het gebruik van de wildklem niet hebben verboden. Het binnenbrengen in de Gemeenschap van de betrokken goederen is verboden, indien deze van oorsprong zijn uit een land dat is geplaatst op de lijst die in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt (het nieuwe artikel 4, leden 1 en 2). Het nieuwe systeem voorziet bovendien in bepaalde uitzonderingen op dat verbod en in bepalingen op grond waarvan rekening kan worden gehouden met op "subfederaal" niveau vastgestelde wettelijke regelingen (het nieuwe artikel 4, leden 3 tot en met 6).
11 De verwerende instellingen hebben op 8 januari 1996 hun schriftelijke opmerkingen naar aanleiding van het onderhavige verzoek in kort geding ingediend. Zij hebben geconcludeerd tot afwijzing van dit verzoek als zijnde niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond. De Raad heeft het Gerecht bovendien verzocht om "een verklaring betreffende de uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3254/91, volgens welke ° bij gebreke van door de Commissie krachtens de artikelen 3, lid 1, en 4 van verordening nr. 3254/91 vastgestelde uitvoeringsbepalingen ° de verordening de Lid-Staten niet ertoe verplicht, op grond van artikel 3, lid 1, beperkingen te stellen aan de invoer".
12 Partijen zijn op 19 januari 1996 in hun mondelinge uiteenzettingen gehoord. Tijdens die terechtzitting heeft verzoekster laten weten, dat een verklaring als de Raad voor ogen heeft (zie supra, r.o. 11), de door haar verlangde verduidelijking van de rechtssituatie zou verschaffen, voor zover de in die verklaring besloten liggende uitlegging voortaan door beide verweerders zou worden gedeeld. Zij heeft evenwel ook te kennen gegeven, dat ingeval de rechter in kort geding van oordeel zou zijn, dat hij een dergelijke verklaring niet kan afleggen, zij haar verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging handhaaft. De Raad heeft verklaard, dat hij weliswaar in zijn schriftelijke opmerkingen de mogelijkheid van een dergelijke verklaring heeft geopperd, maar dat dit geen formeel verzoek om voorlopige maatregelen, doch enkel een voorstel is.
In rechte
13 Ingevolge de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag, juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB 1993, L 144, blz. 21) en bij besluit 94/149/EGKS, EG van de Raad van 7 maart 1994 (PB 1994, L 66, blz. 29), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
14 Volgens artikel 104, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling slechts worden ontvangen, indien de verzoeker tegen die handeling beroep heeft ingesteld bij het Gerecht. Luidens artikel 104, lid 2, moeten de in de artikelen 185 en 186 van het Verdrag bedoelde verzoeken om voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen dienen een voorlopig karakter te hebben, in die zin dat zij niet vooruit mogen lopen op de beslissing in de hoofdzaak (zie beschikking president Gerecht van 12 december 1995, zaak T-203/95 R, Connolly, Jurispr. 1995, blz. II-2919, r.o. 16).
Argumenten van partijen
De ontvankelijkheid
15 Volgens de Raad is het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 3254/91 niet-ontvankelijk. In strijd met de in de rechtspraak geformuleerde vereisten (beschikking president Gerecht van 15 maart 1995, zaak T-6/95 R, Cantine dei colli Berici, Jurispr. 1995, blz. II-647, r.o. 30), zou die opschorting het kader van de definitieve uitspraak die het Gerecht in de hoofdzaak kan doen, te buiten gaan, daar deze betrekking heeft op vergoeding van de schade die aan verzoekster zou zijn toegebracht. Waar het beroep ten principale niet strekt tot nietigverklaring van verordening nr. 3254/91 overeenkomstig artikel 173 EG-Verdrag, doch uitsluitend tot toekenning van schadevergoeding, zal het door het Gerecht te wijzen arrest enkel tussen partijen werken. Bovendien kan een verzoek om voorlopige maatregelen dat een regeling dreigt lam te leggen, enkel worden ontvangen indien de verzoeker op zeer duidelijke wijze aantoont, dat hij rechtstreeks en individueel door die regeling wordt geraakt (zie beschikking president Hof van 28 mei 1975, zaak 44/75 R, Koenecke, Jurispr. 1975, blz. 637, r.o. 3).
16 Het verzoek dat strekt tot vaststelling van zodanige andere voorlopige maatregelen als de rechter in kort geding zou vermenen te behoren, is volgens de Raad eveneens niet-ontvankelijk, daar het in strijd met het bepaalde in artikel 44, lid 1, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, niet "de conclusies van de verzoeker" preciseert.
17 Ook de Commissie is van mening, dat de twee in het verzoek in kort geding geformuleerde conclusies niet-ontvankelijk zijn.
18 Het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging voldoet niet aan het vereiste van artikel 104, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, daar verzoekster met haar bij het Gerecht ingestelde beroep niet verordening nr. 3254/91 heeft aangevochten, doch uitsluitend schadevergoeding heeft gevorderd. Een eventueel door verzoekster ingesteld beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 3254/91 zou overigens niet-ontvankelijk zijn, in de eerste plaats wegens het verstrijken van de in artikel 173, vijfde alinea, EG-Verdrag gestelde termijn, en in de tweede plaats omdat verzoekster niet individueel door die verordening wordt geraakt, zoals de vierde alinea van artikel 173 verlangt (beschikking Hof van 21 juni 1993, zaak C-257/93, Van Parijs e.a., Jurispr. 1993, blz. I-3335). Zo het onderhavige verzoek om opschorting ontvankelijk werd geacht, zou verzoekster in voorkomend geval een resultaat kunnen bereiken dat vergelijkbaar is met dat van een dergelijk beroep, daar, zij het gedurende een beperkte periode, de opschorting, die erga omnes werkt, gevolgen zou hebben die vergelijkbaar zijn met die van een nietigverklaring. Waar het gaat om de heel andere gevolgen van een arrest waarbij schadevergoeding wordt toegekend, deelt de Commissie het standpunt van de Raad. Zij voegt daaraan nog toe, dat in de beschikking in de zaak Koenecke (reeds aangehaald) door de rechter in kort geding een vergelijkbare kanttekening werd geplaatst.
19 Met betrekking tot het verzoek dat strekt tot vaststelling van eventuele andere noodzakelijk geachte voorlopige maatregelen, deelt de Commissie het standpunt van de Raad (zie supra, r.o. 16).
De fumus boni juris van het beroep ten principale en de spoedeisendheid
a) Preliminaire argumenten betreffende de uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 3254/91
20 Ten aanzien van de vraag, wat de gevolgen zijn indien op 1 januari 1996 nog geen uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 1, lid 2, sub a, van verordening nr. 1771/94 zijn vastgesteld (zie supra, r.o. 7), zijn volgens verzoekster twee uitleggingen mogelijk.
Volgens de ene uitlegging treedt alsdan op genoemde datum voor alle derde landen een algeheel verbod op de invoer van alle betrokken soorten in werking, ongeacht of het betrokken land al dan niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3254/91 ("absoluut verbod").
Volgens de andere uitlegging treedt bij ontbreken van uitvoeringsmaatregelen geen invoerverbod in werking. Een dergelijk verbod zal slechts in werking treden, wanneer de Commissie de voorziene maatregelen heeft vastgesteld, dat wil zeggen wanneer zij heeft bepaald uit welke landen de invoer is toegestaan, en het zal enkel van toepassing zijn op andere dan die landen ("uitgesteld verbod").
21 Volgens verzoekster zijn er sterke argumenten vóór de opvatting, dat de tweede uitlegging de juiste is. Zoals uit de bewoordingen en de algemene opzet van de verordening blijkt, beoogt deze een systeem in te voeren waarbij de invoer van de betrokken produkten niet absoluut verboden is, doch integendeel is toegestaan wanneer die produkten afkomstig zijn uit landen die de Commissie aan de hand van de criteria van artikel 3, lid 1, van de verordening heeft aangewezen.
22 Verzoekster erkent evenwel, dat dit haar persoonlijke uitlegging is. Gelet op de rechtsonzekerheid die onbetwistbaar op dit punt bestaat, valt onmogelijk te voorzien, welke benadering de autoriteiten van de Lid-Staten, belast met de toepassing van de betrokken bepaling, zullen volgen. Ter terechtzitting heeft verzoekster in dit verband gepreciseerd, dat het Verenigd Koninkrijk weliswaar nog onlangs verklaarde, dat op 1 januari 1996 een absoluut verbod in werking zou treden (zie het tijdschrift European Report van 22 november 1995), doch dat het zich na die datum lijkt te hebben aangesloten bij de door verzoekster voorgestane uitlegging (zie het weekblad The Observer van 14 januari 1996). Verzoekster is dan ook van oordeel, dat zij niet het risico kan nemen aanzienlijke hoeveelheden pelzen in te kopen, zonder dat de rechter in kort geding de rechtssituatie heeft verduidelijkt.
23 Na erop te hebben gewezen, dat bij de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht onder meer rekening moet worden gehouden met de context en de doelstellingen van die bepaling (zie arrest Hof van 17 november 1983, zaak 292/82, Merck, Jurispr. 1983, blz. 3781, r.o. 12), merkt de Raad op, dat er "overtuigende redenen" zijn om de door verzoekster verdedigde uitlegging te volgen, daar deze het "meest waarschijnlijk" is. De uitlegging volgens welke in artikel 3, lid 1, een absoluut verbod moet worden gelezen, zou in strijd zijn met de door de Raad nagestreefde doelstelling, zoals deze uit zowel de considerans als de bepalingen van de verordening naar voren komt, om aan de hand van de in die bepaling geformuleerde criteria ten aanzien van derde landen verschillende regelingen toe te passen.
24 Ook de Commissie is van mening, dat verordening nr. 3254/91 slechts in een uitgesteld verbod voorziet. Zij voert in dit verband grotendeels dezelfde argumenten aan als de Raad. Zij verwijst meer in het bijzonder naar de tweede en de vierde overweging van de considerans van de verordening en merkt voorts op, dat de uitlegging volgens welke de betrokken bepaling een absoluut verbod behelst, ook onverenigbaar zou zijn met de interne instandhoudingsmaatregelen die zijn voorgeschreven bij artikel 2 van de verordening, dat niet verbiedt pelzen op de gemeenschapsmarkt te brengen. Die uitlegging zou bovendien zowel de tweede alinea van artikel 3, lid 1, die de Commissie verplicht een lijst bekend te maken van landen die ten minste aan één van de in de eerste alinea genoemde voorwaarden voldoen, als artikel 4, dat de afgifte van verklaringen van oorsprong verlangt, overbodig maken.
b) De fumus boni juris
25 Teneinde de fumus boni juris van haar beroep ten principale aan te tonen, herinnert verzoekster eraan, dat zij de Raad verwijt, het invoerverbod van verordening nr. 3254/91 onrechtmatig te hebben vastgesteld, de Commissie het verwijt maakt, geen maatregelen tot uitvoering van die verordening te hebben getroffen, en beide instellingen aanwrijft, geen einde te hebben gemaakt aan de door hen gecreëerde situatie van rechtsonzekerheid.
26 In het kader van haar grief betreffende de onrechtmatige vaststelling van het invoerverbod van verordening nr. 3254/91 stelt verzoekster om te beginnen, dat de Raad niet bevoegd was te handelen op basis van de in die verordening genoemde rechtsgrondslagen.
De verwijzing naar artikel 130 S EG-Verdrag heeft in feite slechts betrekking op het verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap. De beoogde bescherming van dieren in derde landen is in elk geval op zichzelf niet een doel dat door dit artikel wordt gedekt.
Wat artikel 113 EG-Verdrag betreft, blijkt uit een aantal elementen, dat het invoerverbod niet is ingegeven door de noodzaak, de externe handelsmaatregelen te harmoniseren, doch uitsluitend door het andere in de derde overweging van de considerans van de verordening geformuleerde oogmerk, te weten de bescherming van in het wild levende diersoorten tegen inhumaan geachte behandelingen. Die bescherming nu is geen autonome doelstelling van de Gemeenschap.
Het in de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3254/91 genoemde Verdrag van Bern kan evenmin als rechtsgrondslag voor dat verbod dienen, daar het slechts geldt voor twee van de dertien in de verordening bedoelde diersoorten en enkel betrekking heeft op eventuele maatregelen tot instandhouding van die soorten op het grondgebied van elk van de verdragsluitende partijen. Het Verdrag van Washington, dat op de Gemeenschap van toepassing is ingevolge verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten (PB 1982, L 384, blz. 1; aangehaald in de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 3254/91), heeft slechts betrekking op vier van die dertien diersoorten, waaronder niet de muskusrat. De muskusrat wordt in veel landen als een schadelijk dier beschouwd en de handel in muskusratpelzen vormt een wezenlijk bestanddeel van verzoeksters bedrijf.
27 In de tweede plaats is de bestreden invoerregeling in meer dan één opzicht in strijd met het evenredigheidsbeginsel, daar zij geen rekening houdt met verboden op het gebruik van de wildklem, die beperkt zijn tot bepaalde diersoorten, noch met eventuele door ter zake bevoegde regionale of lokale autoriteiten vastgestelde regelingen. Zij is zelfs van toepassing op pelzen van gefokte dieren, die per definitie niet met vallen worden gevangen. Bovendien is het invoerverbod, gesteld dat het een absoluut karakter heeft, zelfs van toepassing op de invoer uit landen ten aanzien waarvan de Commissie reeds heeft verklaard, dat zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 3 van verordening nr. 3254/91. In elk geval hadden de met het bestreden verbod nagestreefde doelstellingen kunnen worden bereikt door een vergunningstelsel als dat van het Verdrag van Washington.
28 In de derde plaats is het bestreden verbod onverenigbaar met artikel XI van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT) van 1947, die een integrerend bestanddeel vormt van de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) [besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-ronde (1986°1994) voortvloeiende overeenkomsten; PB 1994, L 336, blz. 1]. Aangezien het verbod is gericht op de bescherming van dieren buiten het grondgebied van de Gemeenschap, is het niet gerechtvaardigd uit hoofde van artikel XX, sub b of g, van het GATT. Verzoekster acht zich gerechtigd een beroep te doen op de bepalingen van het GATT, daar als gevolg van de bepalingen van de WTO-overeenkomst die betrekking hebben op vrijwaringsmaatregelen en de beslechting van geschillen, de door het Hof aangevoerde grond om aan het GATT rechtstreekse werking te ontzeggen, is weggevallen. Aan dit recht kan niet worden afgedaan door de laatste overweging van de considerans van besluit 94/800.
29 In het kader van haar grief betreffende het ontbreken van maatregelen tot uitvoering van verordening nr. 3254/91 betoogt verzoekster, dat de Commissie noch heeft bepaald vanuit welke landen de invoer van pelzen is toegestaan, noch de passende vorm van de verklaringen van oorsprong heeft vastgesteld, ofschoon de artikelen 3 en 4 van die verordening haar daartoe verplichten en zij zich daartoe heeft verbonden in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1771/94.
30 Met haar derde grief stelt verzoekster, dat door het in verordening nr. 3254/91 vervatte verbod en het ontbreken van uitvoeringsmaatregelen een situatie van rechtsonzekerheid is gecreëerd, als gevolg waarvan zij orders is misgelopen en nog steeds misloopt. Geen van de verwerende instellingen komt haar ° op een algemeen beginsel gebaseerde ° verplichting na, aan die onzekerheid een einde te maken.
31 Verzoekster is bovendien van mening, dat de in het arrest van het Hof van 2 december 1971 (zaak 5/71, Zuckerfabrik Schoeppenstedt, Jurispr. 1971, blz. 975) geformuleerde beginselen in casu de toekenning van schadevergoeding niet in de weg staan, daar de in geding zijnde regeling geen economische beleidskeuzen impliceert en het betrokken gebied niet wordt gekenmerkt door de uitoefening van een ruime discretionaire bevoegdheid (arrest Hof van 25 mei 1978, gevoegde zaken 83/76, 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, HNL, Jurispr. 1978, blz. 1209). Hoe dan ook hebben de Raad en de Commissie zich schuldig gemaakt aan een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel.
32 Volgens de Raad is het beroep ten principale ongegrond. Voor zover dit beroep tegen hemzelf is gericht, is het hoofdzakelijk gebaseerd op de ° door hem weerlegde (zie supra, r.o. 23) ° hypothese van een "absoluut" invoerverbod. Bovendien kan uit het verwijt aan de Commissie, dat deze instelling heeft nagelaten maatregelen tot uitvoering van verordening nr. 3254/91 te treffen, worden afgeleid, dat verzoekster dat verbod rechtmatig acht, voor zover het betrekking heeft op Canada en de Verenigde Staten.
33 Wat de hypothese van een "uitgesteld verbod" betreft, is de Raad van mening, dat de enkele mogelijkheid dat de Commissie uitvoeringsmaatregelen zal vaststellen, niet volstaat om een verzoek in kort geding te rechtvaardigen (beschikking president Gerecht van 22 november 1995, zaak T-395/94 R II, Atlantic Container e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2893). Hij weerlegt bovendien de door verzoekster aangevoerde middelen, die naar zijn oordeel moeten worden onderzocht in het licht van de in het arrest Zuckerfabrik Schoeppenstedt geformuleerde beginselen, daar hij heeft gehandeld in het kader van de uitoefening van een ruime discretionaire bevoegdheid.
34 In antwoord op het middel betreffende zijn onbevoegdheid voert de Raad aan, dat de keuze voor artikel 113 van het Verdrag als rechtsgrondslag van de betrokken invoerregeling niet kan worden betwist op de enkele grond, dat bij de vaststelling van die regeling milieuoverwegingen een rol hebben gespeeld (zie artikel 130 R, lid 2, EG-Verdrag en arrest Hof van 29 maart 1990, zaak C-62/88, Griekenland/Raad, Jurispr. 1990, blz. I-1527).
35 Met betrekking tot de beweerde schending van het evenredigheidsbeginsel voert de Raad aan, dat, gelet op de ruime discretionaire bevoegdheid waarover hij op het betrokken gebied beschikt, aan de wettigheid van de betrokken maatregel slechts afbreuk kan worden gedaan, indien deze kennelijk ongeschikt is om het nagestreefde doel te bereiken.
36 De bepalingen van het GATT kunnen evenmin worden ingeroepen om de fumus boni juris van het beroep ten principale aan te tonen, daar de bestreden handeling niet is vastgesteld ter uitvoering van een in het kader van het GATT aangegane verplichting, noch naar deze overeenkomst verwijst (zie inzonderheid arrest Hof van 5 oktober 1994, zaak C-280/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-4973).
37 Met betrekking tot de grief, dat hij heeft nagelaten een situatie van rechtsonzekerheid te beëindigen, is de Raad van mening, dat de enige onregelmatigheid die hem in dit verband kan worden aangewreven, is dat hij niet krachtens artikel 175 EG-Verdrag een beroep wegens nalaten tegen de Commissie heeft ingesteld. Deze grief kan echter noch in het kader van een beroep tot schadevergoeding noch in het kader van een verzoek in kort geding worden aangevoerd. Verzoekster stelt hoe dan ook niet, dat met betrekking tot deze grief is voldaan aan de in het arrest Zuckerfabrik Schoeppenstedt geformuleerde voorwaarden.
38 De Raad betwist ten slotte het bestaan van een rechtstreeks causaal verband tussen het uitgestelde verbod van verordening nr. 3254/91 en de door verzoekster gestelde schade. In de eerste plaats kan het mislopen van orders ofwel worden toegeschreven aan campagnes in de pers, waardoor de betrokken economische sector wordt geschaad, ofwel aan de in die sector bestaande concurrentie. In de tweede plaats kan het gedrag van verzoekster, die ondanks het bestaan van alternatieve bevoorradingsbronnen afhankelijk blijft van importen uit landen die niet aan ten minste één van de voorwaarden van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3254/91 voldoen, niet worden beschouwd als het normale gedrag van een verstandig handelaar. Verzoekster kan hoe dan ook altijd op die bronnen terugvallen, ook al zouden de importen uit de Verenigde Staten en Canada door eventuele uitvoeringsmaatregelen van de Commissie worden verboden.
39 Ook de Commissie acht de argumenten die zijn aangevoerd tot staving van het beroep ten principale ongegrond, in het bijzonder die welke gericht zijn tegen verordening nr. 3254/91, die zij onderzoekt uit het oogpunt van een uitgesteld invoerverbod.
40 Met betrekking tot het middel, dat de Raad niet bevoegd was de bestreden invoerregeling vast te stellen, deelt de Commissie het standpunt van de Raad. Zij voegt hieraan nog toe, dat waar het bij het doel en de inhoud van die regeling zowel om de bescherming van het milieu als om de handel met derde landen gaat, de artikelen 113 en 130 S EG-Verdrag gelijktijdig moeten worden toegepast.
41 In antwoord op het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel merkt de Commissie op, dat de maatregelen die zij op grond van artikel 3 van verordening nr. 3254/91 mag vaststellen, niet verder gaan dan noodzakelijk is om het met die bepaling nagestreefde doel te bereiken, in het bijzonder waar het gaat om de datum van inwerkingtreding van die maatregelen en om de mogelijkheid van de betrokken derde landen om te kiezen voor een andere oplossing dan een algeheel verbod op het gebruik van de wildklem.
42 De Commissie betwist ook, dat de bepalingen van het GATT rechtstreeks van toepassing zijn. Naar haar oordeel is aan de eerder aangehaalde rechtspraak, volgens welke die rechtstreekse toepasselijkheid is uitgesloten, de grondslag komen te ontvallen door de nieuwe elementen die de WTO-overeenkomst heeft ingevoerd. Bovendien heeft zowel de Commissie, die de onderhandelingen over de WTO-overeenkomst heeft gevoerd, als de gemeenschapswetgever ingestemd met de op deze kwestie betrekking hebbende precisering in de considerans van besluit 94/800.
43 Volgens de Commissie is in casu niet voldaan aan de in het arrest Zuckerfabrik Schoeppenstedt geformuleerde voorwaarden. Een invoerverbod, dat door zijn algemene toepasselijkheid een normatieve handeling is, impliceert een keuze van economisch beleid, te weten een handelspolitieke keuze. Door de met de bescherming van dieren verband houdende belangen en de belangen van de bonthandel tegen elkaar af te wegen, heeft de Gemeenschap de grenzen die het evenredigheidsbeginsel aan de uitoefening van de aan dat beleid inherente discretionaire bevoegdheid stelt, niet klaarblijkelijk of ernstig miskend. Bovendien kan uit de rechtspraak niet worden afgeleid, dat de keuze voor een onjuiste grondslag een schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel oplevert.
44 Het gestelde ontbreken van maatregelen tot uitvoering van verordening nr. 3254/91 kan volgens de Commissie niet de opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 3 van die verordening rechtvaardigen, vooral waar een en ander verzoekster niet belet, uit de gebruikelijke landen te blijven importeren zolang die maatregelen niet zijn vastgesteld.
45 Zonder dat zij erkent daartoe verplicht te zijn, merkt de Commissie op, dat zij de nodige maatregelen heeft getroffen om aan de door verzoekster gehekelde rechtsonzekerheid een einde te maken. Zij noemt in dit verband de brief van 8 december 1995 (zie supra, r.o. 9), een verklaring die het met milieuaangelegenheden belaste lid van de Commissie onlangs heeft afgelegd ten overstaan van het Europees Parlement (zie het weekblad European Voice van 14-20 december 1995), en het voorstel tot wijziging van verordening nr. 3254/91 (zie supra, r.o. 10).
46 Naar het oordeel van de Commissie is verzoekster er niet in geslaagd op het eerste gezicht aan te tonen, dat er een causaal verband bestaat tussen het gewraakte gedrag van de Commissie en de gestelde schade. Wat de huidige schade betreft (het mislopen van orders), deelt de Commissie in grote lijnen het standpunt van de Raad. Zolang de Commissie geen maatregelen tot uitvoering van verordening nr. 3254/91 heeft getroffen, heeft de gestelde toekomstige schade slechts een hypothetisch karakter. Zelfs indien de Commissie te zijner tijd zou verbieden de in die verordening bedoelde goederen te importeren uit de Verenigde Staten en Canada, zou verzoekster hoe dan ook haar muskusratpelzen elders kunnen betrekken. De overige schade, die verband houdt met verzoeksters commissiehandel in Noord-Amerika, voor zover de betrokken goederen in de Gemeenschap worden ingevoerd, overschrijdt niet de omvang van de risico' s die aan een dergelijke activiteit inherent zijn (zie arrest HNL, reeds aangehaald).
c) De spoedeisendheid
47 Verzoekster stelt, dat zij in het geval van een absoluut verbod 75 à 80 % van haar bedrijf zou verliezen, wat hoogstwaarschijnlijk tot haar faillissement zou leiden. Dit percentage vertegenwoordigt twee van de drie activiteiten, die te zamen de kern van haar bedrijf vormen. Die twee activiteiten zijn de invoer en bewerking van muskusratpelzen en de commissiehandel in Noord-Amerika. De derde activiteit is de commissiehandel in Europa.
48 Eerstgenoemde activiteit bestaat hierin, dat in de Verenigde Staten en Canada op veilingen (die in 1996 op 16 februari beginnen) pelzen worden gekocht, die vervolgens worden getransporteerd naar fabrieken in Duitsland, België en Italië, waar zij worden bewerkt en gelooid alvorens zij, met name in verzoeksters bedrijf, verdere bewerkingen ondergaan. De eindprodukten worden vervolgens in verschillende landen, zowel in als buiten de Gemeenschap, verkocht. Een en ander heeft verzoekster over een periode van twaalf maanden (1994/1995) een winst van ongeveer 150 000 UKL opgeleverd. Daarnaast heeft verzoekster over die periode nog 45 000 UKL winst gemaakt door de aankoop en bewerking van muskusratpelzen voor rekening van een andere vennootschap. Bovendien zou verzoekster, zo zij de betrokken activiteit als gevolg van een invoerverbod moest staken, haar gekwalificeerde personeel verliezen, waardoor het twijfelachtig is of zij die activiteit weer zou kunnen hervatten na een eventuele onwettigverklaring van het invoerverbod door het Gerecht.
49 De commissiehandel in Noord-Amerika heeft verzoekster ongeveer 45 500 UKL aan inkomsten opgeleverd over een vergelijkbare periode. Ter terechtzitting heeft verzoekster gepreciseerd, dat zij die activiteit uitsluitend verricht voor rekening van in de Gemeenschap gevestigde kopers en dat zij derhalve afhankelijk is van de mogelijkheid, de betrokken pelzen daar te kunnen invoeren.
50 Met betrekking tot de commissiehandel in Europa zet verzoekster uiteen, dat zij voor rekening van derden pelzen aankoopt in de Scandinavische landen, waaronder Noorwegen. In het seizoen 1994/1995 heeft dit haar ongeveer 58 800 UKL aan inkomsten opgeleverd.
51 Zelfs in de hypothese van een uitgesteld invoerverbod zal verzoekster haar eerste twee activiteiten kwijtraken, daar, zoals uit het voorstel voor maatregelen tot uitvoering van verordening nr. 3254/91 blijkt, naar het oordeel van de Commissie noch de Verenigde Staten noch Canada aan de voorwaarden van artikel 3 van de verordening voldoen. Die maatregelen zullen waarschijnlijk spoedig in werking treden. Gezien de gemiddelde duur van de procedures voor het Gerecht is het nagenoeg zeker, dat verzoekster al failliet zal zijn voordat de geleden financiële verliezen door middel van de toekenning van schadevergoeding kunnen worden gedekt.
52 Volgens de Raad is in casu niet voldaan aan de voorwaarde van spoedeisendheid. De verliezen die verzoekster stelt te lijden als gevolg van de door haar gehekelde rechtsonzekerheid, kunnen niet door een voorlopige maatregel worden voorkomen. Wat de door haar gevreesde toekomstige schade betreft, gaat verzoekster uit van een scenario dat, gelet op de door de Raad verdedigde uitlegging van verordening nr. 3254/91 (zie supra, r.o. 23), volkomen hypothetisch is. Het uitgestelde invoerverbod van artikel 3 van die verordening leidt momenteel niet tot een situatie van spoedeisendheid. De Raad herinnert ten slotte aan zijn standpunt, dat verzoekster haar pelzen zo nodig elders kan betrekken (zie supra, r.o. 38).
53 Met betrekking tot de mogelijkheid om, ingeval het Gerecht de betrokken bepaling onwettig zou verklaren, gekwalificeerd personeel aan te trekken, wijst de Raad erop, dat verzoekster die mogelijkheid enkel in twijfel trekt. Dit probleem speelt hoe dan ook uitsluitend in verband met de activiteit die bestaat in de invoer en bewerking van muskusratpelzen.
54 Ook de Commissie bestrijdt, dat verzoekster het gevaar van ernstige en onherstelbare schade en daarmee het spoedeisend karakter van het onderhavige verzoek in kort geding heeft aangetoond. Wat de huidige schade betreft, deelt zij het standpunt van de Raad, waaraan zij nog toevoegt dat verzoekster deze schade niet als onherstelbaar heeft aangemerkt. De door verzoekster gestelde toekomstige schade, meer in het bijzonder die welke, in voorkomend geval, zal voortvloeien uit het teloorgaan van de commissiehandel in Noord-Amerika (zie supra, r.o. 46), is een zuiver financiële schade. Een dergelijke schade wordt in beginsel niet als ernstig en onherstelbaar beschouwd (beschikking president Hof van 26 september 1988, zaak 229/88 R, Cargill, Jurispr. 1988, blz. 5183). Dat de onderhavige zaak een uitzondering op dit beginsel vormt, wordt niet aangetoond door verzoeksters bewering, dat de winstderving hoogstwaarschijnlijk tot haar faillissement zal leiden. Verzoekster zou die consequentie namelijk kunnen vermijden, door zich toe te leggen op haar commissiehandel in Europa en door haar pelzen elders te betrekken. Bovendien kan op grond van de verstrekte gegevens en documenten betreffende het jaar 1994 niet worden beoordeeld, hoe verzoeksters bedrijf zich in de toekomst zal ontwikkelen, daar die ontwikkeling kan worden beïnvloed door factoren die losstaan van de in de onderhavige procedure in kort geding opgeworpen problemen. Daar verzoekster geen balans heeft overgelegd, is het ten slotte onmogelijk te beoordelen, of haar activa, in het bijzonder haar pelsvoorraden, en een omschakeling van haar activiteiten haar in staat zouden kunnen stellen, de uitkomst van haar beroep tot schadevergoeding af te wachten.
De belangenafweging
55 Ter terechtzitting heeft verzoekster betoogd, dat de verwerende instellingen niet hebben aangetoond, dat de Gemeenschap belang heeft bij de toepassing van een absoluut invoerverbod. Op grond van hun argumenten kan integendeel worden geconcludeerd, dat een dergelijk verbod onwettig zou zijn.
56 De Raad herinnert aan zijn standpunt, dat de bestreden regeling slechts een uitgesteld invoerverbod behelst en dat dit verbod verzoekster geen ernstige en onherstelbare schade berokkent. Daar het gevaar van een dergelijke schade het eerste element in de belangenafweging is, is naar het oordeel van de Raad een opschorting van de tenuitvoerlegging niet aan de orde, vooral waar bij de vaststelling van het invoerverbod rekening is gehouden met de inspanningen die alle betrokken kringen zich reeds hadden getroost, en waar een dergelijke opschorting tot gevolg zou kunnen hebben, dat de bontexporterende landen geen verdere stappen meer ondernemen om de wildklem af te schaffen en/of humane vangmethoden met behulp van vallen te ontwikkelen.
57 Zelfs indien verzoekster het spoedeisend karakter van haar verzoek in kort geding had aangetoond, zou naar het oordeel van de Commissie een opschorting erga omnes van de tenuitvoerlegging van het bestreden verbod een onevenredige maatregel zijn, gelet op de aard van het beroep ten principale en de verschillende op het spel staande belangen. Met betrekking tot dit laatste punt voert de Commissie aan, dat bij de met derde landen gevoerde discussies en bij de aanpassingen die handelaren in de Gemeenschap hebben aangebracht, is uitgegaan van het beginsel, de geldigheid van verordening nr. 3254/91. In de Gemeenschap is het gebruik van de wildklem sinds uiterlijk 1 januari 1995 verboden en alle betrokkenen hebben dienovereenkomstig gehandeld. Ten slotte zou de gevraagde opschorting de pogingen van de Gemeenschap om te verzekeren, dat derde landen aan de in artikel 3, lid 1, van de verordening geformuleerde invoervoorwaarden voldoen, frustreren.
Beoordeling door de rechter in kort geding
De conclusies van partijen
58 Blijkens hetgeen zij ter terechtzitting heeft verklaard, verzoekt verzoekster thans primair om een beschikking waarin, kort gezegd, wordt verklaard, dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3254/91 aldus moet worden uitgelegd, dat het een "uitgesteld verbod" behelst. Subsidiair handhaaft zij haar verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging. Gelet op de in het verzoek in kort geding (inzonderheid in punt 2) aangevoerde argumenten en gelet op hetgeen ter terechtzitting is verklaard, moet dit laatste verzoek aldus worden verstaan, dat het uitsluitend betrekking heeft op artikel 3, lid 1, van de verordening, voor zover dit de invoer van bepaalde pelzen en bewerkte produkten in de erin omschreven omstandigheden verbiedt. Voorts heeft verzoekster, door haar conclusies aldus te herformuleren, afgezien van haar oorspronkelijke verzoek aan de rechter in kort geding, zodanige andere voorlopige maatregelen te gelasten als hij zou vermenen te behoren. In elk geval zou een dergelijk verzoek, nu het voorwerp ervan niet nader is gepreciseerd, niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 44, lid 1, sub d, van het Reglement voor de procesvoering (zie artikel 104, lid 3, van dit Reglement), zodat het niet-ontvankelijk zou zijn.
59 Gelet op hetgeen de Raad ter terechtzitting heeft verklaard (zie supra, r.o. 12), moet worden vastgesteld, dat hij in de onderhavige procedure in kort geding enkel concludeert tot afwijzing van verzoeksters verzoek.
Verzoeksters verzoek om een interpretatieve verklaring
60 Naar het oordeel van de rechter in kort geding moet dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, daar het onverenigbaar is met het specifieke karakter van de procedure in kort geding en, meer in het algemeen, met het stelsel van rechtspraak waarvan deze procedure deel uitmaakt.
61 Het EG-Verdrag maakt immers onderscheid tussen enerzijds procedures waarbij een rechtstreeks beroep bij de gemeenschapsrechter wordt ingesteld, en anderzijds de prejudiciële procedure van artikel 177 van dit Verdrag. Enkel in het kader van laatstgenoemde procedure kan een uitspraak van de gemeenschapsrechter worden verkregen, waarvan het dictum zelf specifiek betrekking heeft op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht. Een dergelijke beslissing kan bijgevolg niet worden verkregen in het kader van een procedure in kort geding, die noodzakelijkerwijs accessoir is aan een rechtstreeks beroep (zie de artikelen 185 en 186 van het Verdrag en artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht; zie ook artikel 168 A, lid 1, EG-Verdrag). Bovendien wordt de in geding zijnde regeling, wat de door verzoekster voorgenomen importen betreft, niet door verweerders, maar door de autoriteiten van de Lid-Staten toegepast. Dit betekent, dat verzoeksters primaire verzoek door geen enkel wettig belang wordt gerechtvaardigd, daar de werking van een eventuele beschikking waarbij in dat verzoek wordt bewilligd, op het eerste gezicht beperkt zou zijn tot de partijen bij de onderhavige procedure in kort geding. Daarentegen zou een uitlegging van het Hof, die krachtens een beslissing van de nationale rechter van toepassing zou zijn in de betrekkingen tussen verzoekster en een nationale autoriteit die een op het bestreden verbod gebaseerd besluit heeft genomen, kunnen worden verkregen in het kader van een procedure voor de nationale rechter.
Het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 3254/91
62 In het verzoek in kort geding worden verschillende soorten schade genoemd, die verzoekster zou hebben geleden of zou dreigen te lijden.
63 Wat in de eerste plaats de schade betreft, die verzoekster zou hebben geleden of zou dreigen te lijden als gevolg van de door haar gehekelde rechtsonzekerheid, moet worden vastgesteld, dat verzoekster deze niet heeft aangemerkt als schade die ernstig en onherstelbaar is en dus een situatie van spoedeisendheid oplevert, die het treffen van voorlopige maatregelen vóór de uitspraak in de hoofdzaak noodzakelijk maakt (zie de beschikking in de zaak Connolly, reeds aangehaald, r.o. 41). Hoe dan ook kan de verzochte opschorting reeds geleden schade niet ongedaan maken. Bedoelde schade kan derhalve een dergelijke voorlopige maatregel niet rechtvaardigen.
64 Wat in de tweede plaats de toekomstige schade betreft, die verzoekster stelt te zullen lijden doordat het bestreden verbod haar zal beletten bepaalde produkten in te voeren, moet, zoals verzoekster zelf op basis van de twee mogelijke uitleggingen van dat verbod heeft verklaard, onderscheid worden gemaakt tussen de hypothese van een absoluut verbod en die van een uitgesteld verbod (zie supra, r.o. 20 en 47-51).
65 Alle partijen bij de onderhavige procedure in kort geding verstaan de betrokken bepaling aldus, dat zij slechts een uitgesteld verbod behelst. De tot staving van deze uitlegging aangevoerde argumenten lijken op het eerste gezicht niet ongegrond. Zoals verzoekster echter zelf in de punten 3 en 120 van haar verzoekschrift in de hoofdzaak vaststelt, zou een analyse naar de letter van artikel 3 van verordening nr. 3254/91 tot de conclusie kunnen leiden, dat het verbod een absoluut karakter heeft. In deze omstandigheden kan de rechter in kort geding zich niet over dit complexe vraagstuk uitspreken zonder vooruit te lopen op de beslissing van het Gerecht in de hoofdzaak, en kan hij in het bijzonder niet de door partijen voorgestane uitlegging als vaststaand aannemen. Die uitlegging kan hem hoe dan ook niet binden, evenmin als die welke door de autoriteiten van de Lid-Staten wordt voorgestaan. In de onderhavige omstandigheden lijkt het derhalve opportuun, bij de beoordeling van de relevante feitelijke en rechtselementen eerst van de ene en vervolgens van de andere mogelijke uitlegging uit te gaan.
66 Indien artikel 3, lid 1, moet worden geacht in een uitgesteld verbod te voorzien, kan deze bepaling in beginsel op zichzelf niet een situatie van spoedeisendheid voor verzoekster opleveren, zolang de Commissie niet de voorgeschreven uitvoeringsmaatregelen heeft vastgesteld. Verzoekster heeft geen elementen aangevoerd op basis waarvan op het eerste gezicht kan worden geconcludeerd, dat de inwerkingtreding van dergelijke maatregelen ° waarvan de inhoud noodzakelijkerwijs afhankelijk zal zijn van de stand van de op de betrokken derde landen toepasselijke nationale en internationale regelingen ten tijde van hun vaststelling ° onmiddellijk onomkeerbare gevolgen zou teweegbrengen, nog voordat een rechterlijke maatregel kan worden verkregen (voor een vergelijkbaar geval, zie de beschikking in de zaak Atlantic Container, reeds aangehaald, r.o. 49). Zelfs indien was aangetoond, dat een dergelijke situatie dreigde te ontstaan, dan nog zou dit hoe dan ook niet de opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 3, lid 1, als rechtsgrondslag van die uitvoeringsbepalingen, rechtvaardigen, doch hooguit de vaststelling van voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de uitvoering van die bepalingen zelf.
67 Voor het geval artikel 3, lid 1, aldus zou moeten worden uitgelegd, dat het een absoluut verbod behelst, moet om te beginnen het effect van een eventuele opschorting van de tenuitvoerlegging van deze bepaling worden onderzocht, teneinde de voorwaarden rechtens waarvan de toewijzing van het verzoek tot opschorting afhankelijk is, nauwkeuriger te kunnen bepalen. Die opschorting zou, zolang de beschikking in kort geding haar gelding behoudt, het bestreden verbod op onherstelbare wijze buiten werking stellen, al naar gelang verzoekster of enige andere importeur in verordening nr. 3254/91 bedoelde goederen in de Gemeenschap in het vrije verkeer zou brengen. Een dergelijke opschorting kan derhalve enkel worden gelast in uitzonderlijke omstandigheden, die, in weerwil van het bovenomschreven effect, de conclusie zouden rechtvaardigen, dat het onevenredig is verzoeksters verzoek af te wijzen. Ongeacht of in de onderhavige omstandigheden een dergelijke conclusie gerechtvaardigd is op grond van verzoeksters specifieke situatie alleen, stelt de rechter in kort geding vast, dat de elementen van het dossier hoe dan ook die conclusie niet rechtvaardigen. Dit geldt zowel voor hetgeen verzoekster heeft aangevoerd teneinde het spoedeisend karakter van haar verzoek in kort geding aan te tonen, als voor de fumus boni juris van haar beroep ten principale.
68 Ten aanzien van het eerste punt merkt verzoekster op, dat de toepassing van het bestreden verbod 75 à 80 % van haar bedrijf (te weten de invoer en bewerking van muskusratpelzen en de commissiehandel in Noord-Amerika) zou raken en "hoogstwaarschijnlijk" tot haar faillissement zou leiden. Voorts hebben verzoeksters boekhouders in een door haar overgelegd document van 15 januari 1996 verklaard, dat zij niet langer op de markt actief zou kunnen zijn, indien zij 60 % van al haar activiteiten ° het percentage dat overeenkomt met de activiteit die bestaat in de invoer en bewerking van muskusratpelzen ° zou kwijtraken. Ten slotte heeft verzoekster een afschrift overgelegd van een door de Belgische Bontfederatie aan de International Fur Trade Federation gerichte brief van 16 januari 1996, waarin melding wordt gemaakt van de muskusratvangsten in verschillende Lid-Staten van de Gemeenschap en waarin in twijfel wordt getrokken, of de "behoeften" wel kunnen worden gedekt zonder leveringen uit de Verenigde Staten en Canada [Rusland, dat ook wordt genoemd, speelt momenteel geen wezenlijke rol bij de voorziening van de gemeenschapsmarkt (door verzoekster overgelegde brief van het Copenhagen Fur Centre van 11 januari 1996)]. Zonder dat in deze fase die boekhoudkundige en technische beoordelingen behoeven te worden geanalyseerd, is de rechter in kort geding evenwel van mening, dat het gevaar van een faillissement vóór de uitspraak in de hoofdzaak niet rechtens genoegzaam is aangetoond.
69 In de eerste plaats is, al aangenomen dat in de periode waarnaar verzoekster verwijst (1994/1995), een zeker percentage van bovenbedoelde activiteiten de invoer impliceerde van pelzen die, wegens de betrokken soorten of de gewenste hoeveelheden, door verzoekster met geen mogelijkheid in de Gemeenschap hadden kunnen zijn verkregen, in deze fase geenszins de mogelijkheid uitgesloten, dat de desbetreffende vraag zich verlegt naar in de Gemeenschap beschikbare bontprodukten. Deze redenering gaat in het bijzonder op voor de vraag van de consumenten in de Gemeenschap, die kennelijk bepalend is voor een deel van verzoeksters activiteit op het gebied van de invoer en bewerking van muskusratpelzen en voor haar commissiehandel in Noord-Amerika in zijn totaliteit. In het geval van een absoluut verbod zouden die consumenten immers geen toegang hebben tot andere produkten. Geen enkel element van het dossier nu rechtvaardigt de conclusie, dat verzoekster, die beschikt over gekwalificeerd personeel en sedert meer dan dertig jaar in de betrokken sector werkzaam is, niet in staat zou zijn op passende wijze op een dergelijke verandering te reageren. In dit verband moet worden bedacht, dat de handelaren in die sector sedert de vaststelling van verordening nr. 3254/91 werden geacht te weten, dat het betrekken van pelzen uit derde landen, althans uit die welke het gebruik van de wildklem niet verbieden (waaronder de Verenigde Staten en Canada), uiterlijk vanaf 1 januari 1996 onmogelijk dreigde te worden.
70 In de tweede plaats zou, indien het voorstel tot wijziging van verordening nr. 3254/91 (zie supra, r.o. 10) werd goedgekeurd, de nieuwe regeling ter vervanging van het huidige artikel 3 niet het karakter van een absoluut, maar van een uitgesteld verbod hebben, voor zover importen niet verboden zouden zijn, tenzij de Commissie daartoe een aparte maatregel zou nemen, namelijk door het betrokken land van oorsprong te plaatsen op de voor de betrokken diersoort geldende lijst. Bij een dergelijke regeling zouden de handelaren in de betrokken sector nooit in een situatie van spoedeisendheid kunnen komen te verkeren (zie supra, r.o. 66). Bovendien heeft de Commissie ter terechtzitting te kennen gegeven, dat het voorstel binnen negen maanden zou kunnen worden goedgekeurd.
71 Nu meer gedetailleerde gegevens over verzoeksters economische en financiële situatie ontbreken, kan bijgevolg in deze fase niet worden geconcludeerd, dat de dreiging van een faillissement dermate serieus en actueel is, dat zij bij wijze van uitzondering de toewijzing van de gevraagde maatregel zou kunnen rechtvaardigen.
72 Uit de tot staving van het beroep ten principale aangevoerde middelen en argumenten blijkt evenmin het bestaan van een uitzonderlijke situatie, die de toewijzing van de gevraagde maatregel kan rechtvaardigen. Uit die middelen en argumenten kunnen immers in deze procedure in kort geding geen duidelijke conclusies worden getrokken met betrekking tot de wettigheid van de betrokken handeling en de aansprakelijkheid van de Gemeenschap. Vooral de argumenten betreffende de keuze van de rechtsgrondslag en de beweerde rechtstreekse werking van de bepalingen van het GATT werpen ingewikkelde vragen op, die in de onderhavige procedure niet kunnen worden onderzocht zonder vooruit te lopen op de uitspraak van het Gerecht in de hoofdzaak. Soortgelijke overwegingen gelden voor de argumenten met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel, daar deze de toepassing van dit beginsel op een handeling van de gemeenschapswetgever impliceren, en daar nauwkeurig moet worden nagegaan, in hoeverre elk van de gestelde schendingen van dit beginsel verzoeksters situatie ongunstig kan beïnvloeden. Deze laatste opmerking geldt ook voor zover verzoekster, kennelijk uitgaande van de hypothese dat in de huidige rechtssituatie een absoluut verbod geldt, de Commissie verwijt te hebben nagelaten, bepalingen tot toepassing van verordening nr. 3254/91 vast te stellen. In dit verband kan uit hetgeen verzoekster heeft gezegd over spoedeisendheid in het geval van een uitgesteld verbod, worden afgeleid, dat na de vaststelling van dergelijke bepalingen overeenkomstig het door de Commissie ingediende voorstel, dat verbod voor verzoekster zeker dezelfde gevolgen zou hebben als een absoluut verbod, daar het in de weg zou staan aan importen uit de Verenigde Staten en Canada (zie supra, r.o. 51). Bij gebreke van specifieke informatie op basis waarvan kan worden geconcludeerd, dat de Commissie op grond van de huidige tekst van verordening nr. 3254/91 importen uit die landen had moeten toestaan, ook al stellen zij geen verbod op het gebruik van de wildklem en zijn tot dusver geen internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen ontwikkeld, kan in deze procedure in kort geding niet worden uitgemaakt, hoe het beweerde nalaten van de Commissie verzoekster heeft kunnen raken.
73 Zonder dat de door de verwerende instellingen opgeworpen ontvankelijkheidsvraag behoeft te worden onderzocht, moet in deze omstandigheden het onderhavige verzoek in kort geding worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 12 februari 1996.
Full & Egal Universal Law Academy