Conclusie van de advocaat generaal
I - De onderhavige prejudiciële vragen en hun normatief en feitelijk kader
1 De thans voor ons liggende vijf prejudiciële vragen zijn gesteld door de High Court of Justice in Northern Ireland, Queen's Bench Division (hierna: "High Court"), in een aldaar aanhangig geding tussen twee Noord-Ierse producentenorganisaties - de Northern Ireland Fish Producers' Organisation (samen met de daarbij aangesloten individuele vissers) en de Northern Ireland Fishermen's Federation - en het Department of Agriculture for Northern Ireland.
Met deze vragen verzoekt de High Court het Hof om uitlegging van artikel 5 EG-Verdrag (hierna: "Verdrag") en om een uitspraak over de geldigheid van twee maatregelen van de Raad inzake de exploitatie van de visbestanden.
Meer bepaald gaan de vragen van de nationale rechter in op de hierna nader besproken aspecten van: i) de geldigheid van bijlage VII bij de resolutie van de Raad van 3 november 1976 (hierna: "resolutie van Den Haag"), ii) de geldigheid van verordening (EG) nr. 3362/94 van de Raad van 20 december 1994 inzake de vaststelling van de voor 1995 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften(1) (hierna: "verordening nr. 3362/94"), en iii) de uitlegging van het beginsel van de aansprakelijkheid van de lidstaten voor door schending van het gemeenschapsrecht aan particulieren berokkende schade:
"1) Hangt de geldigheid van de toewijzing aan het Verenigd Koninkrijk van kabeljauw- en wijtingquota in zone VIIa krachtens artikel 3 van verordening (EG) nr. 3362/94 af van de regelmatigheid van de vaststelling van bijlage VII bij de resolutie van de Raad van 3 november 1976?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is bijlage VII dan regelmatig vastgesteld?
3) Is het geheime karakter van bijlage VII, die niet is bekendgemaakt of op een andere wijze ter beschikking van partijen is gesteld, van invloed op de antwoorden op de eerste twee vragen?
4) Was de vaststelling van deze quota door de Raad, gelet op al de andere omstandigheden, verenigbaar met:
i) het gemeenschappelijk visserijbeleid en met name verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad,
ii) het evenredigheidsbeginsel?
5) Indien de vaststelling van deze quota bij verordening (EG) nr. 3362/94 van de Raad ongeldig is, zijn verzoeksters dan gerechtigd schadevergoeding te vorderen van verweerder, en zo ja, wat zijn de voorwaarden voor aansprakelijkheid?"
2 Alvorens op de vragen van de High Court in te gaan is het dienstig de gemeenschapsregeling inzake de exploitatie van visbestanden en de feiten van het hoofdgeding in herinnering te brengen.
3 Krachtens het Verdrag ressorteert de visserij onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid.(2) Zoals bekend werd de uitwerking en uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening voor producten van deze sector in zekere zin tot het einde van de overgangsperiode "opgeschort". Dat is te verklaren door de bijzondere aard van een aantal belangrijke praktische aspecten van de visserij in verband waarmee diep gewortelde en uiteenlopende tradities en belangen in de lidstaten bestonden - men denke aan de historische visserijrechten in de territoriale wateren en aan de andere bij het internationaal zeerecht geregelde bevoegdheden van de kuststaten - die zowel op gemeenschapsniveau als op internationaal niveau aanleiding tot ingewikkelde problemen kunnen geven.
4 Meer bepaald wat betreft de zeevisserij, veruit de belangrijkste activiteit, werd voor het eerst op een historisch ogenblik, gekenmerkt door een ernstige economische crisis van de sector, aan de gemeenschappelijke ordening der markten (hierna: "GOM") uitvoering gegeven: niet alleen was het technische concurrentievermogen van de Europese visserij-industrie achteruit gegaan tegenover een stijgend concurrentievermogen op wereldniveau, maar de vangsten waren ook gedaald als gevolg van de intensieve exploitatie van de visbestanden die te danken was aan de in een gunstig economisch klimaat in de loop van het decennium 1958-1968 gedane aanzienlijke investeringen.
Het was zaak de voorwaarden voor een rationeel beheer te herstellen en een sociaal aanvaardbare overgang van de nationale marktordeningen naar de communautaire marktordening te verzekeren. Zoals voor andere "landbouwproducten" in enge zin (dat wil zeggen producten uit akkerbouw en veeteelt) werden met het oog daarop twee normatieve initiatieven genomen.
5 Een regeling voor het in de handel brengen is ingesteld om de stabiliteit van de prijzen van de producten die van wezenlijk belang zijn voor de op de visserij aangewezen kustbevolking, te verzoenen met de door de moderne industriële en commerciële structuren van de sector vereiste liberalisering van het handelsverkeer (de zogenaamde GOM voor de visserijproducten).(3)
Tegelijk daarmee is een regeling voor de vangst en de toegang tot de visbestanden vastgesteld, waaronder de instandhoudings- en beheersmaatregelen die nodig zijn voor de exploitatie van deze visbestanden op duurzame basis (gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector).(4)
6 Precies op het ogenblik waarop de Gemeenschap op het punt stond de interne regeling voor de zeevisserij vast te stellen, veranderde de internationale juridische context evenwel volledig, doordat IJsland (in 1975) en andere derde landen met aanzienlijke visserijzones in de Noordzee en de Noord-Atlantische Oceaan (zoals Noorwegen en Canada in 1977) hun respectieve exclusieve visserijzone tot 200 zeemijl van de kustlijn hebben uitgebreid.
Deze uitbreiding bedreigde plotseling het recht van de communautaire marktdeelnemers op toegang tot de visserijzones en de natuurlijke rijkdommen waarvoor vanouds de vrijheden van de volle zee golden, hetgeen aanleiding gaf tot ernstige bezorgdheid bij de regeringen van de belanghebbende lidstaten.(5)
7 Bij de resolutie van Den Haag (reeds aangehaald) bepaalde de Raad in november 1976 een aantal principiële richtsnoeren voor de toekomstige ontwikkeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Deze resolutie werd niet in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt. Ter verklaring daarvan wees de Raad erop, dat het bij de vaststelling van de resolutie niet aangewezen leek bepaalde bijlagen bekend te maken, omdat zij vertrouwelijke gegevens bevatten betreffende de door de Raad aan de Commissie gegeven richtsnoeren voor de toekomstige onderhandelingen van de Gemeenschap met derde landen en internationale organisaties.(6)
8 In antwoord op de uitbreiding door een aantal derde landen van hun exclusieve visserijzone tot 200 zeemijl van de kustlijn stelde de Haagse resolutie, dat de lidstaten met ingang van 1 januari 1977 - in onderling overleg en unaniem - hun respectieve visserijzones (die tot dusver tot 12 mijl van de kustlijn reikten) ook tot 200 zeemijl uit de kust van de Noordzee en van de Noord-Atlantische Oceaan zouden uitbreiden.(7)
9 Bij de resolutie van Den Haag hoorden acht bijlagen. Alleen de eerste werd in het Publicatieblad bekendgemaakt, zij het meer dan vier jaar na de vaststelling ervan (intussen was zij evenwel in de aflevering 1976 van International Legal Materials bekendgemaakt).(8)
In het kader van de onderhavige conclusie zijn bijlage VII - die in de verwijzingsbeschikking volledig is weergegeven en waarop de drie prejudiciële vragen van de High Court niet zonder reden betrekking hebben - met als titel "Ontwerpresolutie van de Raad inzake bepaalde aspecten van de interne regeling voor de visserij", en in het bijzonder de derde en de vierde paragraaf daarvan, van bijzonder belang.
Wegens het belang van de visserij voor de Ierse economie in haar geheel lag het volgens bijlage VII bij de resolutie van Den Haag (hierna: "bijlage VII") met name in het voornemen van de Raad om de bepalingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid - aangepast om rekening te houden met de uitbreiding van de territoriale wateren tot 200 zeemijl uit de kustlijn - zo toe te passen, dat een gestadige en geleidelijke ontwikkeling van de Ierse visserij-industrie wordt verzekerd op basis van het Visserijontwikkelingsprogramma van de Ierse regering voor de ontwikkeling van de kustvisserij (Fisheries Development Programme for Coastal Fisheries 1976-1979).
In bijlage VII erkende de Raad bovendien de noodzaak bij de toepassing van het gemeenschappelijk visserijbeleid ook rekening te houden met de bijzondere vitale behoeften van andere economisch benadeelde kustgebieden, waar de plaatselijke bevolking in hoge mate op de visserij en aanverwante industrieën is aangewezen, dat wil zeggen "de noordelijke delen van het Verenigd Koninkrijk"(9), en Groenland (waarop het Verdrag sinds 1 februari 1985 evenwel niet meer van toepassing is). De aan deze gebieden om de net aangegeven redenen verleende gunstige behandeling wordt kortweg "Haagse preferentie" genoemd.(10)
10 Terloops wordt naar bijlage VII verwezen in de verklaring van de Raad van 30 mei 1980 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid(11) waarin de Raad de grondslagen - in het bijzonder en voor zover hier relevant inzake de billijke verdeling van de vangsten - heeft bekendgemaakt waarop de vóór 1 januari 1981 aan te nemen besluiten moesten worden gebaseerd "waardoor de totstandkoming van een algemeen gemeenschappelijk beleid in de visserijsector (...) wordt verzekerd".(12)
11 In de mededeling van de Commissie aan de Raad van 12 juni 1980(13) (hierna: "mededeling van 1980") met een voorstel van "quota 1980", door de Raad in voormelde verklaring uitdrukkelijk verlangd, stelde de Commissie (in bijlage III) voor het eerst voor kwantitatieve parameters voor de berekening van de Haagse preferentie vast te stellen.
Daartoe legde zij bijlage VII aldus uit, dat ter voorziening in de vitale behoeften van economisch benadeelde kustgebieden, de noordelijke delen van het Verenigd Koninkrijk - per visbestand - vangsten gelijk aan de aanvoer in 1975 door vaartuigen van minder dan 24 meter moest worden gegarandeerd. Volgens de Commissie was de aanvoer in Schotland, Noord-Ierland en op het eiland Man door vaartuigen van minder dan 24 meter de hoeveelheid "die nodig is om in de vitale behoeften te voorzien."(14)
Daarentegen impliceerde de toekenning van de Haagse preferentie aan Ierland volgens de Commissie de toewijzing van vangsten ten bedrage van het dubbele van de aanvoer in 1975.(15) Dienaangaande is opgemerkt, dat de door de Gemeenschap aan het Verenigd Koninkrijk toegekende preferentie was gebaseerd op hoeveelheden die als waarborg werden vastgesteld, terwijl Ierland een absolute preferentie werd toegekend.(16)
12 Meer bepaald wat de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde visbestanden betreft, gaven voormelde parameters de volgende hoeveelheden: voor Ierland 6 954 ton per jaar voor kabeljauw en 7 196 ton per jaar voor wijting; voor het Verenigd Koninkrijk 1 223 ton per jaar voor kabeljauw en 2 334 ton per jaar voor wijting.
13 Bijlage VII wordt andermaal uitdrukkelijk vermeld in de zesde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 170/83(17) (hierna: "verordening nr. 170/83"). De vaststelling van deze verordening was de bekroning van de inspanningen van de Gemeenschap om tot een algemeen visserijbeleid te komen, zij het na afloop van de termijn van 1 januari 1981 (zie punt 10 supra).(18)
De "met het oog op de bescherming van de visgronden, de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee en een duurzame en evenwichtige exploitatie daarvan onder verantwoorde economische en sociale omstandigheden" (artikel 1 van verordening nr. 170/83) ingestelde nieuwe regeling voerde een belangrijke afwijking op het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit in(19), dat de toegang regelt tot de visbestanden in de territoriale wateren van de lidstaten en (voor zover bilaterale internationale overeenkomsten het toestaan) tot de aan de jurisdictie van derde landen onderworpen visserijzones.(20) Precies aan dat beginsel was de overexploitatie van de visbestanden overigens vermoedelijk te wijten.
Om voormelde doelstellingen te bereiken voorzag verordening nr. 170/83 in de mogelijkheid passende instandhoudingsmaatregelen - naar gelang van het geval - voor individuele vissoorten of groepen vissoorten te nemen. Die maatregelen moesten uitgaan van het beschikbaar wetenschappelijk advies, in het bijzonder van de rapporten van het door de Commissie ingestelde Wetenschappelijk en Technisch Comité voor de visserij (zie de artikelen 2, lid 1, en 12, van verordening nr. 170/83).(21)
Een van deze instandhoudingsmaatregelen was de beperking van de visserijactiviteiten, met name door vangstbeperking (artikel 2, lid 2, sub d, van verordening nr. 170/83).
14 Krachtens artikel 3 wordt, wanneer het noodzakelijk blijkt de vangsten te beperken, elk jaar overgegaan tot de vaststelling in het licht van de beschikbare wetenschappelijke kennis van i) het totale quotum dat per bestand of groep bestanden mag worden gevangen (hierna: "TAC"), en ii) het gedeelte daarvan dat voor de Gemeenschap beschikbaar is krachtens overeenkomsten met derde landen.
Het volume van de voor de Gemeenschap beschikbare vangsten werd op zijn beurt zo over de lidstaten verdeeld "dat elke lidstaat een relatieve stabiliteit wordt gewaarborgd in de visserijactiviteiten met betrekking tot elk van de betrokken bestanden" (artikel 4 van verordening nr. 170/83; cursivering van mij).
15 Precies met het openlijke doel het begrip "nagestreefde relatieve stabiliteit" te helpen uitleggen, drukte de Raad zich in de preambule van verordening nr. 170/83 uit als volgt:
"de instandhouding en het beheer van de visbestanden moeten bijdragen tot een grotere stabiliteit van de visserij en (...) voor de beoordeling daarvan moet worden uitgegaan van een basisverdeling die in overeenstemming is met de beleidslijnen van de Raad;
(...) in het kader van deze stabiliteit, [moet] gelet op de biologische situatie van de bestanden van het moment [rekening] worden gehouden met de bijzondere behoeften van de gebieden waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante industrieën, zoals die door de Raad zijn aangegeven in de resolutie van Den Haag, en meer in het bijzonder in bijlage VII;
(...) de nagestreefde relatieve stabiliteit [moet derhalve] in deze zin (...) worden begrepen" (vijfde, zesde en zevende overweging van de considerans).
16 Krachtens artikel 5 van verordening nr. 170/83 mogen de lidstaten, mits de Commissie daarvan vooraf in kennis is gesteld, quota voor een soort of een groep soorten die hun zijn toegekend, geheel of gedeeltelijk uitwisselen.
Voor het gebruik door de lidstaten van de hun toegekende quota en de verdere verdeling daarvan over de verschillende delen van de respectieve nationale vloot bepaalt (voormeld) artikel 5 alleen, dat deze verrichtingen "in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen" geschieden.
17 Verordening (EEG) nr. 172/83 van de Raad van dezelfde dag(22) stelde de TAC voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden in de visserijzone van de lidstaten, waaronder kabeljauw en wijting, en het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte daarvan voor 1982 vast.
Bij verordening nr. 172/83 verdeelde de Raad dit gedeelte ook voor het eerst over de lidstaten door per visbestand en geografische regio "verdeelsleutels" in te stellen.
18 Meer bepaald bestond het stelsel van verdeelsleutels erin de verschillende lidstaten in ton uitgedrukte absolute hoeveelheden toe te kennen die met percentages van het gemeenschapsgedeelte van de TAC overeenkwamen.
Deze verdeelsleutels waren het resultaat van de gelijktijdige inaanmerkingneming van de reeds door de Raad in zijn voormelde verklaring van 30 mei 1980 en door de Commissie in haar mededeling van 1980 (zie de punten 10 en 11 supra) veel uitvoeriger opgegeven factoren(23), namelijk:
i) de traditionele visserijactiviteit (bepaald op basis van de gemiddelde vangsten door elke lidstaat in de periode 1973-1978)(24),
ii) de bijzondere behoeften van de gebieden waar de plaatselijke bevolking sterk afhankelijk is van de visserij en aanverwante industrieën (bepaald op basis van de Haagse preferentie, zoals door de Commissie in haar mededeling van 1980 is gekwantificeerd(25)), en
iii) het verlies van de vangstmogelijkheden in de wateren van derde landen (berekend voor de referentieperiode 1973-1976).(26)
Meer bepaald voor de door de International Council for the Exploration of the Sea - ICES(27) - bepaalde visserijzone VIIa en voor de twee lidstaten waarop de onderhavige conclusie betrekking heeft, was de verdeelsleutel - die bij bijlage II bij verordening nr. 172/83 was bepaald en voortvloeide uit de verhouding tussen de respectieve quota voor 1982 en het gemeenschapsaandeel van de TAC - voor Ierland 46,67 % voor kabeljauw en 39,625 % voor wijting; het Verenigd Koninkrijk had recht op 42,67 % van de beschikbare kabeljauwbestanden en 52,83 % van die voor wijting.(28)
19 De bij verordening nr. 172/83 ingevoerde verdeelsleutels - waarvan de geldigheid en regelmatige toepassing in het hoofdgeding niet worden betwist - zijn in de daaropvolgende jaren nooit gewijzigd.
De reden daarvoor moet waarschijnlijk worden gezocht in een verklaring van de Commissie van 1984. Enerzijds "aangezien op 25 januari 1983, na lange en moeizame onderhandelingen, overeenstemming is bereikt over een gemeenschappelijk visserijbeleid, acht de Commissie het momenteel niet dienstig aan de Raad een nieuwe verdeelsleutel voor te stellen". Anderzijds heeft de Raad "ter uitvoering van [artikel 4 van verordening nr. 170/83, betreffende de instandhouding van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten als criterium ter verdeling van de gemeenschapsvangsten onder de lidstaten (zie punt 14 supra)] (...) besloten, dat de verdeling van de quota over de lidstaten, die (...) is vastgesteld [bij verordening nr. 172/83], als verdeelsleutel zou gelden voor 1983 en de daaropvolgende jaren".(29)
20 De bij (voormelde) verordening nr. 170/83 ingevoerde (vorenomschreven) gemeenschapsregeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden is - met (overigens in het kader van de onderhavige conclusie irrelevante) wijzigingen tot verbetering en uitbreiding van de voorheen geldende instandhoudingsmaatregelen gelet op de aanhoudende achteruitgang van een aantal bestanden zowel binnen als buiten de communautaire wateren - overgenomen door de thans geldende verordening nr. 3760/92(30) tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur.
Het is geen toeval dat de twaalfde, de dertiende en de veertiende overweging van de considerans van de betrokken verordening in wezen de tekst van de vijfde, de zesde en de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 170/83 weergeeft (zie punt 15 supra).
21 Blijkens de verwijzingsbeschikking is de TAC voor kabeljauw en wijting voor de periode tot 1989 op een voldoende hoog niveau vastgesteld om Ierland en het Verenigd Koninkrijk (op basis van de verdeelsleutels berekende) quota te garanderen die niet lager zijn dan die welke met de Haagse preferentie overeenkomen.
Volgens de High Court lagen de door de Raad vastgestelde TAC voor deze twee visbestanden in zone VIIa gedurende de periode 1983-1989 veruit boven de volumes van de desbetreffende door ICES genoteerde "historische" internationale vangsten. Volgens deze organisatie laat het maximumrendement dat voor de twee betrokken visbestanden kan worden gedoogd, eigenlijk een TAC toe, ruim beneden die welke nodig zijn om een beroep op de Haagse preferentie te voorkomen.
22 Deze situatie veranderde - voor wijting en kabeljauw - vanaf 1990 respectievelijk 1991. Bijgevolg hebben de twee lidstaten zich vervolgens elk jaar op het mechanisme van de Haagse preferentie beroepen, zij het in de gewijzigde versie voortvloeiend uit het "politieke compromis van 1988".(31)
Aldus zijn aan Ierland en het Verenigd Koninkrijk jaarlijkse quota toegekend die zijn berekend op het gemiddelde tussen:
i) de theoretische quota die uit de toepassing van de verdeelsleutels alleen voortvloeien, en
ii) de fictieve quota gelijk aan die welke theoretisch uit de toepassing van de Haagse preferentie voortvloeien (of indien de som van deze fictieve quota hoger was dan het totale volume van de voor de Gemeenschap beschikbare vangsten, de quota die voortvloeien uit de verdeling van dit volume over de rechthebbende lidstaten naar verhouding van de door de respectievelijke Haagse preferentie uitgedrukte percentages van het gemeenschapstotaal).
23 Voorts blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat terwijl de Britse vloot sinds 1990 nagenoeg haar volledige kabeljauw- en wijtingquota in zone VIIa heeft opgebruikt, de Ierse visserijvloot slechts ongeveer 30 % daarvan heeft opgebruikt en het overschot voor quotaruil met andere lidstaten heeft gebruikt (zie de punten 16 en 20 supra).
24 De High Court wijst er ook op, dat het beroep door het Verenigd Koninkrijk op het mechanisme van de Haagse preferentie - gelet ook op de andere bijkomende visbestanden dan de twee hier besprokene - voor de vloot van dat land alles bij elkaar vrij gunstig is uitgevallen.
Dit mechanisme gaf voor de periode 1989-1995 een totale winst van 13 700 ton (tegenover de theoretische quota waarop de Britse vloot op basis van de verdeelsleutels alleen recht had gehad), zij het dat voor de twee litigieuze visbestanden met een totaal verlies voor het Verenigd Koninkrijk van ongeveer 23 % (4 225 ton) voor kabeljauw en van ongeveer 22 % (7 130 ton) voor wijting de zaken net andersom liggen.(32)
25 In december 1994 verdeelde de Raad in het kader van zijn bevoegdheden krachtens artikel 8, lid 4, van verordening nr. 3760/92(33) het voor de Gemeenschap voor 1995 beschikbare TAC-gedeelte over de lidstaten door de vaststelling van voormelde verordening nr. 3362/94 (zie punt 1), waarvan het Hof wordt verzocht haar geldigheid te toetsen.
In het kader van de onderhavige conclusie is meer bepaald van belang, dat het - overeenkomstig verordening nr. 3362/94 bepaalde en aan 5 800 respectievelijk 8 000 ton gelijke - in zone VIIa voor de Gemeenschap beschikbare (aan 100 % gelijke) TAC-gedeelte voor kabeljauw en wijting ontoereikend bleek om Ierland en het Verenigd Koninkrijk quota te garanderen die niet beneden de respectieve Haagse preferentie lagen.(34)
Overeenkomstig de vorenomschreven (zie punt 22) uit het "politiek compromis van 1988" voortvloeiende berekeningsmethode, wees verordening nr. 3362/94 Ierland dus definitieve quota van 3 820 ton kabeljauw en 4 605 ton wijting en het Verenigd Koninkrijk definitieve quota van 1 670 ton kabeljauw en 3 095 ton wijting toe.(35)
Na de vaststelling van verordening nr. 3362/94 was er evenwel een verhoging(36) van de quota van het Verenigd Koninkrijk door ruil door de regering van het Verenigd Koninkrijk met Ierland en Nederland overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 3760/92.
26 Op 5 mei 1995, betekende het Department of Agriculture for Northern Ireland aan Northern Ireland Fish Producers' Organisation (hierna: "NIFPO") de beschikking houdende vaststelling van de vangstquota voor 1995 in zone VIIa, waartegen het beroep in het hoofdgeding is gericht.
II - De argumenten van partijen in het hoofdgeding, de nationale regeringen en de instellingen die bij het Hof opmerkingen hebben gemaakt
27 Het door NIFPO ingestelde beroep strekt niet tot betwisting van de geldigheid van de door de Britse administratie gehanteerde methode voor de verdere verdeling van de nationale kabeljauw- en wijtingquota, maar wel van de handeling die de premisse voor deze toekenning is, namelijk verordening nr. 3362/94.
28 Volgens NIFPO hangt de geldigheid van de krachtens het mechanisme van de Haagse preferentie door de litigieuze verordening verrichte quotaverdeling over de belanghebbende lidstaten af van de regelmatige vaststelling van bijlage VII die de beginselen tot regeling van dit mechanisme bepaalt en er de enige rechtsgrondslag van vormt.
Blijkens de verwijzingsbeschikking wees de Raad in juni 1995 het verzoek van NIFPO om toegang tot bijlage VII krachtens besluit 93/731/EG(37) af. In zijn afwijzend besluit wees de Raad erop, dat de resolutie en al haar bijlagen bij hun vaststelling formeel als geheim werden aangemerkt en voegde eraan toe, dat bijlage VII formeel als een onderdeel van de resolutie van Den Haag op basis van een regelmatige schriftelijke procedure was vastgesteld.(38)
Voorts wees het Hof het in het kader van de onderhavige procedure krachtens artikel 45 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof door NIFPO ingediende verzoek om maatregelen van instructie betreffende de overlegging door de Raad en/of de Commissie van het "als [bijlage VII] bekende document en van alle andere documenten betreffende deze bijlage en haar vaststelling" af.
29 NIFPO beklemtoonde evenwel, dat bijlage VII - anders dan bijlage VI bij de resolutie van Den Haag(39) - de titel had "Ontwerpresolutie van de Raad (...)"(40) en op de eerste bladzijde geen enkele melding van de instemming van de Raad maakte. Doordat zij geen toegang tot het betrokken document kreeg, kon NIFPO evenmin nagaan of het voldeed aan de bij artikel 11 van het reglement voor de procedure van de Raad (ondertekening door de toenmalige president en de secretaris-generaal) gestelde vormvoorschriften. Ten slotte werd nooit voldaan aan de dwingende voorwaarden die de Duitse en de Ierse regering voor de goedkeuring van bijlage VII in hun daarbij gevoegde eenzijdige verklaringen hadden gesteld, waardoor er geen toestemming van deze twee lidstaten in de Raad was.
Gelet op het voorgaande heeft de Raad volgens NIFPO bijlage VII nooit formeel vastgesteld.
Bijgevolg kon hij ze - overigens in afwijking van de fundamentele beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid(41) - bij de vaststelling van verordening nr. 3362/94 niet geldig toepassen. Bovendien wordt in strijd met het algemeen rechtszekerheidsbeginsel krachtens hetwelk niet-bekendgemaakte handelingen geen rechtsgevolgen kunnen sorteren jegens particulieren wier rechtspositie daardoor wordt geraakt, in de preambule van de basisverordening (verordening nr. 3760/92) met zoveel woorden naar het betrokken document verwezen.
30 Bovendien, ook al werd bijlage VII regelmatig vastgesteld, is zij volgens NIFPO ongeldig, waardoor ook verordening nr. 3362/94 ongeldig is.
Allereerst benadeelde de Haagse preferentie in strijd met haar openlijke doelstellingen de Noord-Ierse vissersbevolking aanzienlijk, te meer daar de Noord-Ierse vloot economisch afhankelijk is van de kabeljauw- en wijtingvangsten.(42)
De concrete werking van deze regeling verarmde de plaatselijke vissers wegens haar negatieve uitwerking op de relatieve stabiliteit van hun visserijactiviteit in strijd met het bepaalde in verordening nr. 3760/92 en inzonderheid in artikel 8, lid 4, punt ii, dat de Raad de vangstmogelijkheden van de Gemeenschap op een zodanige wijze verdeelt "dat elke lidstaat verzekerd is van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk betrokken bestand" (cursivering van mij).
31 Bovendien is de Haagse preferentie volgens NIFPO onverenigbaar met het gemeenschappelijk visserijbeleid en de fundamentele doelstellingen van verordening nr. 3760/92, voor zover de effecten op lange termijn van de onbeperkte verlenging van de preferentie in strijd zijn met het uitdrukkelijk tijdelijke karakter van de afwijking op dit beleid waarvan bijlage VII de invoering toestond, en met deze doelstellingen.
Volgens NIFPO was de toekenning aan Ierland en aan de noordelijke gebieden van het Verenigd Koninkrijk van gegarandeerde minimumquota van visbestanden, zonder rekening te houden met de wetenschappelijke gegevens betreffende de toestand van de betrokken visbestanden, in strijd met de doelstelling de handhaving van de beschikbare en toegankelijke bestanden en hun rationele en verantwoorde exploitatie op een bestendige basis te garanderen.(43)
32 In het bijzonder is de discriminatie wat het bedrag en de parameters van de preferentie betreft, tussen de Ierse en de Noord-Ierse vissers - dat wil zeggen tussen identieke categorieën producenten - volgens NIFPO volstrekt ongerechtvaardigd.
Onlogisch is ook, dat de Ierse vloot ondanks de beëindiging in 1979 (in welk jaar alle vangsten in zone VIIa niet hoger waren dan die van 1975) van het programma voor de ontwikkeling van de kustvisserij van de Ierse regering - waarop de Haagse preferentie wat Ierland betreft is gebaseerd - twintig jaar nadien nog quota ten bedrage van het dubbele van die van 1975 kon genieten.
De stijging van de vangstcapaciteit (omvang van de vloot) waartoe de Haagse preferentie Ierland in staat stelde(44), is ook in strijd met de algemene doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Vooral hield de bij voormeld ontwikkelingsprogramma beoogde stijging van de omvang van de vloot historisch verband met de instelling van de visserijzone van de Gemeenschap: volgens NIFPO kan dit evenwel niet als reden worden aangevoerd in het geval van de Ierse Zee, waar de uitbreiding van de territoriale wateren tot 200 zeemijl van de kustlijn fysiek onmogelijk was.
33 Ten slotte is volgens NIFPO met de bijzondere behoeften van de gebieden die op de visserij zijn aangewezen (op basis van de gegevens bepaald krachtens de Haagse preferentie en gebaseerd op de door de Commissie in de mededeling van 1980 gegeven parameters) bij de vaststelling van de verdeelsleutels bij verordening nr. 172/83 reeds rekening gehouden (zie de punten 17 en 18 supra).(45)
Door de toepassing van de Haagse preferentie in situaties waarin de TAC daalt - waarbij op de belanghebbende lidstaten een discriminerende behandeling wordt toegepast die verder gaat dan die welke in "normale" situaties reeds door deze sleutels is toegestaan - was er dus dubbele telling van de preferentie zelf.
34 Volgens NIFPO is de op basis van bijlage VII ingestelde Haagse preferentie ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Allereerst heeft de toepassing van deze preferentie de vermindering van de quota voor de Noord-Ierse vissers wegens de algemene achteruitgang van de betrokken visbestanden verergerd. Het is geen toeval, dat de aan het Verenigd Koninkrijk in zijn geheel voor de Ierse Zee toegekende quota (zonder rekening te houden met de ruil met andere lidstaten) na 1989 meer zijn gedaald dan alle TAC (of juister het gedeelte van de TAC van de Gemeenschap) voor deze bestanden.(46)
35 Bovendien laat Ierland - dat de laatste jaren slechts 30 % van zijn quota vermeerderd met de Haagse preferentie heeft opgebruikt (dat wil zeggen hoeveelheden beneden de quota die voortvloeien uit de verdeelsleutels) - door de ruil met andere lidstaten andere categorieën vissers dan die voor wie de preferentie is bedoeld van de preferentie profiteren, zulks ten nadele van de relatieve stabiliteit en van de traditionele visserij in de rechtstreeks en oorspronkelijk begunstigde zones.
Volgens NIFPO heeft de door het Verenigd Koninkrijk verrichte quotaruil - die vrijwillig is en als zodanig niet gegarandeerd kan worden geacht - slechts gedeeltelijk het door de betrokken bevolking in zone VIIa geleden verlies beperkt. Bovendien lijken dergelijke ruilmogelijkheden in de toekomst zeer beperkt - in het bijzonder indien de TAC in de toekomst blijven dalen - daar het Verenigd Koninkrijk nagenoeg 100 % van zijn quota vermeerderd met de Haagse preferentie reeds heeft opgebruikt.
36 Uit de onwettigheid (daar zij in strijd is gebleken met het evenredigheids- en non-discriminatiebeginsel, alsook met de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid) van de verdeling van de vangstmogelijkheden over de lidstaten bij verordening nr. 3362/94 volgt volgens NIFPO haar recht op vergoeding van de geleden schade door de Britse administratie overeenkomstig 's Hofs arrest Francovich e.a.(47)
De onrechtmatige vermindering (ten gevolge van de Haagse preferentie) van de quota die de Noord-Ierse vissers normaliter toekomen, dwong deze laatsten naast het eruit voortvloeiende verlies van aanzienlijke vangstmogelijkheden in de loop van de jaren 1991-1995 de omvang van hun vloot te verminderen en de tot dusver voor kabeljauw- en wijtingvangst gebruikte vaartuigen om te bouwen voor de vangst van andere soorten die niet onder de preferentie vielen.
37 Volgens de verzoekende organisaties moet de bestreden interne handeling worden geacht een richtlijn om te zetten, aangezien verordening nr. 3362/94 bij de vaststelling van de quota van het Verenigd Koninkrijk voor de litigieuze soorten het Verenigd Koninkrijk geen enkele beoordelingsmarge heeft gelaten voor de verdere verdeling over de nationale marktdeelnemers.
Aan het door het Hof in het arrest Francovich e.a. gehanteerde criterium is huns inziens voldaan, omdat voor de producenten die van de verzoekende organisaties deel uitmaken, uit de geschonden gemeenschapsnormen inhoudelijk gemakkelijk te identificeren rechten voortvloeien; bovendien bestaat een causaal verband tussen de door het deze producenten geleden schade en de door het Department of Agriculture for Northern Ireland begane schending.
38 Volgens de Britse administratie, verweerster in het hoofdgeding (ondersteund door de Deense regering, de Raad en de Commissie), daarentegen zijn resoluties - die niet behoren tot de in artikel 189 van het Verdrag bedoelde handelingen met rechtsgevolgen - alleen een uiting van de politieke wil van de Raad. Als zodanig zijn zij niet verbindend en sorteren zij geen rechtsgevolgen die de regelgevende bevoegdheid van de instelling als zodanig kunnen beperken.
Het voorafgaande sluit evenwel niet de discretionaire bevoegdheid van de Raad uit om bij de vaststelling van een bindende handeling zoals een verordening rekening te houden met de in een resolutie gestelde beginselen.
39 Onder bijzondere verwijzing naar de resolutie van Den Haag beklemtonen de Deense regering en de Commissie dat, daar deze (zoals de daarbij ingestelde preferentie) een autonome wettelijke status ontbeert, de Raad bij de vaststelling van de nationale quota juridisch niet gehouden is om een verzoek om toepassing van de Haagse preferentie in te willigen.
Bovendien werd het niveau van de aan Ierland en het Verenigd Koninkrijk toe te kennen Haagse preferentie niet bij bijlage VII, maar wel bij de meermaals vermelde mededeling van 1980 (zie punt 11 supra) vastgesteld.
40 De Ierse regering huldigt een ander standpunt: haars inziens volgt uit de rechtspraak van het Hof, dat de resolutie van Den Haag verbindend is, daar zij een uitvoering is van de voor de lidstaten uit artikel 5 van het Verdrag voortvloeiende samenwerkingsplicht (zie voetnoot 39 supra).
Daar de Raad zich door het aannemen van deze resolutie beperkingen heeft opgelegd en steeds dienovereenkomstig heeft gehandeld, staan de beginselen van de bescherming van het gewettigd vertrouwen en van de volledige handhaving van het "acquis communautaire" eraan in de weg, dat de Raad zonder toestemming van Ierland van de resolutie van Den Haag afwijkt. Aangezien de litigieuze resolutie eigenlijk neerkomt op een door de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid gegeven onderhandelingsopdracht, staat zij (alsmede haar bijlage VII) impliciet gelijk met een verdragsrechtelijk beginsel dat bij de uitwerking van de instrumenten betreffende dit beleid in acht moet worden genomen.
41 In elk geval geeft ook de Ierse regering toe, dat de criteria van bijlage VII zijn opgenomen in het beginsel van de relatieve stabiliteit dat in een aantal latere dwingende rechtshandelingen (zoals de verordeningen nrs. 170/83 en 3760/92: zie de punten 13-15 en 20 supra) is vervat.
42 Bovendien, zoals de juridische dienst van de Raad formeel verklaart, is bijlage VII enerzijds geldig vastgesteld, ook al werd zij gearchiveerd in de versie en vorm waarin zij zich op het tijdstip van haar vaststelling bevond, met name met de titel "Ontwerpresolutie van de Raad".
43 Anderzijds valt niet te bekennen, waarom aan de niet-bekendmaking van een niet-dwingende handeling waarvoor als zodanig geen publicatieplicht geldt, het belang moet worden toegekend dat NIFPO daaraan hecht.
Voorts kan er volgens de Ierse regering bij de verzoekende organisaties geen rechtsonzekerheid hebben bestaan door de niet-bekendmaking, daar het Verenigd Koninkrijk en niet de Noord-Ierse vissers en producentenorganisaties adressaat van bijlage VII is.
44 De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt ook - nogmaals met de steun van de Deense en de Ierse regering alsook van de Raad en de Commissie - dat gelet op alle relevante omstandigheden de toekenning van de nationale quota bij verordening nr. 3362/94 verenigbaar is met verordening nr. 3760/92, de algemene beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en het evenredigheidsbeginsel.
De ruime discretionaire bevoegdheid van de Raad bij de vaststelling van maatregelen krachtens artikel 40 van het Verdrag betreft in feite niet alleen de aard en strekking van de vast te stellen maatregelen, doch ook - in zekere mate en behoudens kennelijke vergissing en misbruik of overschrijding van bevoegdheid - de vaststelling van de basisgegevens.
45 De Deense en de Ierse regering en de Raad verwijzen in het bijzonder naar de ruime beoordelingsbevoegdheid krachtens artikel 8, lid 4, sub ii, van verordening nr. 3760/92 waarover de Raad beschikt, wanneer hij met inachtneming van de uit het beginsel van de relatieve stabiliteit voortvloeiende grenzen (waarvan de bijzondere behoeften van de in bijlage VII vermelde gebieden integrerend deel uitmaken) de nationale quota met het oog op een algemeen evenwicht per geval marginaal aanpast.
Zonder door de Haagse preferentie wettelijk gebonden te zijn moet de Raad de betrokken criteria alleen bij zijn beoordeling betrekken om een evenwichtige oplossing te vinden die rekening houdt met het belang van alle lidstaten.
46 Anderzijds kan NIFPO niet duidelijk opgeven, welke kennelijke vergissingen, overschrijding of misbruik van bevoegdheid de Raad bij de vaststelling van de betrokken verordening zou hebben begaan.
47 Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk opmerkte, wordt in het bijzonder het argument, dat verordening nr. 3362/94 de Haagse preferentie ongeacht het wetenschappelijk onderzoek heeft toegepast, weersproken doordat het beroep op deze preferentie geen verhoging van de TAC voor de betrokken visbestanden heeft meegebracht.
48 Evenmin steekhoudend - doch de Deense regering deelt deze beoordeling niet(48) - wordt het argument van de verzoekende organisaties geacht, dat met de bijzondere behoeften van de op de visserij aangewezen gebieden waarvoor de Haagse preferentie is bedoeld, reeds bij de vaststelling van de verdeelsleutels rekening was gehouden. Het mechanisme van de preferentie heeft in feite tot doel een bijkomende bescherming te bieden tegen de eventuele daling van de TAC voor de betrokken soorten en dus kan het beroep op dit mechanisme geenszins leiden tot dubbele telling.
49 De Haagse preferentie is een wezenlijk element van het door de Raad nagestreefde algemene evenwicht tussen de diverse conflicterende belangen. Bijgevolg moet haar invloed algemeen en niet door verwijzing naar een bijzondere groep marktdeelnemers of visbestanden worden geëvalueerd: in het kader van het hoofdgeding moet de invloed van de preferentie bijvoorbeeld worden geëvalueerd ten aanzien van de vissers van alle noordelijke gebieden van het Verenigd Koninkrijk (veeleer dan van de Noord-Ierse vissers) en van alle visbestanden (veeleer dan alleen van kabeljauw en wijting).
Onder bijzondere verwijzing naar de twee litigieuze visbestanden zijn in 1995 aan het Verenigd Koninkrijk - door de werking van het mechanisme van de Haagse preferentie in haar gewijzigde versie ten gevolge van het "politiek compromis van 1988" (zie punt 22 supra) - in elk geval hogere quota (zonder rekening te houden met de ruil met andere lidstaten) toegekend dan de aanvoer van 1975 (dat wil zeggen precies op het niveau dat door de preferentie voor het Verenigd Koninkrijk als parameter was genomen: zie punt 11 supra). Dit mechanisme strekte dus de plaatselijke bevolking die sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante industrieën in de noordelijke gebieden van het Verenigd Koninkrijk, tot voordeel. Daarentegen was de situatie in Ierland net andersom (voor 1995 lagere kabeljauw- en wijtingquota dan het dubbele van de aanvoer in 1975).
In die zin kunnen de door de Raad aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota - ofschoon zij lager zijn dan die welke aan Ierland zijn toegekend - niet kennelijk onevenredig worden geacht aan de doelstelling van relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor alle communautaire marktdeelnemers.
50 Zoals de Ierse regering opmerkt, heeft de Raad, anders dan NIFPO stelt, bij de kwantificering van de TAC van de litigieuze visbestanden bovendien rekening gehouden met de tijdelijke biologische situatie van de visbestanden. Dienaangaande kan de Haagse preferentie van generlei invloed zijn, aangezien zij alleen de verdeling van de TAC over de lidstaten betreft.
51 In het licht van het voorafgaande komt het Verenigd Koninkrijk tot de slotsom, dat - aangezien de quotatoewijzing krachtens verordening nr. 3362/94 perfect regelmatig was en NIFPO niet heeft gesteld, dat de verwerende administratie in strijd met het gemeenschapsrecht heeft gehandeld - de verzoekende organisaties geen enkele rechtmatige aanspraak op schadevergoeding kunnen laten gelden.
52 Anderzijds blijft deze conclusie (onder het voorbehoud dat NIFPO in rechte het beroep krachtens de artikelen 178 en 215 van het Verdrag kan instellen) gelden, ook al werd de litigieuze verordening onwettig verklaard. De reden daarvoor is dat: i) het Verenigd Koninkrijk deze wegens de vermoedelijke geldigheid ervan moest toepassen; ii) de toekenning van de litigieuze quota aan het Verenigd Koninkrijk niet aan verweerder kon worden toegeschreven, en iii) NIFPO geen causaal verband heeft aangetoond tussen de gestelde schade en de werking van de Haagse preferentie, daar - in het bijzonder - niet alle problemen van de Noord-Ierse vloot aan de preferentie zijn te wijten.
III - Beantwoording van de eerste, de tweede en de derde prejudiciële vraag
53 Mijns inziens kunnen de eerste drie vragen van de High Court - betreffende het eventuele verband tussen enerzijds de (gestelde) onregelmatige vaststelling en de niet-bekendmaking van bijlage VII en anderzijds de geldigheid van de toewijzing aan het Verenigd Koninkrijk van de twee litigieuze quota overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 3362/94 - samen worden geanalyseerd en opgelost.
54 Het is licht te begrijpen, dat een marktdeelnemer in een soortgelijke rechtspositie als de verzoekende organisaties of als de daarin verenigde marktdeelnemers zich - bij de uitlegging van rechtshandelingen die jegens hen rechtsgevolgen, zij het indirecte, sorteren - tekortgedaan voelen, wanneer de relevante normatieve bronnen herhaaldelijk verwijzen naar een andere handeling die niet toegankelijk is, omdat zij onder de geheimhoudingsplicht valt.
Ik zal niet ingaan op de vraag, of de weigering van de Raad in juni 1995 om toegang tot bijlage VII te verlenen (zie punt 28 supra) al dan niet strookt met de criteria van voormeld besluit 93/731. Ik kan mij in elk geval alleen maar verbaasd tonen over de door de Raad in mei 1981 toegestane bekendmaking van bijlage I bij de resolutie van Den Haag; indien deze bijlage niet onder de geheimhoudingsplicht viel, die daarentegen in de weg stond aan de bekendmaking van de resolutie en haar andere bijlagen, waarom werd zij dan meer dan vier jaar na haar vaststelling bekendgemaakt? Andersom, indien de bekendmaking van bijlage I op die datum mogelijk was geworden, precies omdat de redenen voor de vertrouwelijkheid van de toentertijd aan de Commissie gegeven richtsnoeren met het oog op de toekomstige onderhandelingen met de belanghebbende derde landen wegvielen, waarom werden de resolutie en haar andere bijlagen dan ook niet in 1981 bekendgemaakt?
55 Ondanks deze verbazing kunnen de door NIFPO aangevoerde redenen ter betwisting van de regelmatigheid van de vaststelling van de resolutie van Den Haag (waaronder haar bijlage VII) die voor de Raad daarentegen buiten kijf staat, mij niet echt overtuigen.
De door de verzoekende organisaties in het hoofdgeding op dit punt gewenste en door het Hof geweigerde maatregelen van instructie (zie punt 28 supra) deden zelfs denken aan wat in de processtelsels van common law - vergeef mij de woordspeling - een "fishing expedition" heet.
56 Anderzijds kan de niet-bekendmaking van de resolutie van Den Haag mijns inziens geen invloed op de geldigheid van deze handeling hebben gehad. Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Deense regering, de Raad en de Commissie opmerken, maken de resoluties geen deel uit van de juridisch verbindende handelingen(49) die volgens artikel 191 van het Verdrag in het Publicatieblad moeten worden bekendgemaakt om in werking te treden.(50)
Een resolutie is daarentegen een van die (niet minder belangrijke) atypische handelingen waarbij de Raad en de Commissie - zij het in het kader van een toenemende integratie van de rechtsordes van de lidstaten - bij gelegenheid hun politieke wil uitdrukken, en de in deze instellingen gesloten beginselakkoorden nader omschrijven om latere betwisting van deze akkoorden te voorkomen.
Bij resoluties (vooral die van de Raad) gaat het met andere woorden in beginsel slechts om politieke verplichtingen die naar verwachting in de toekomst in de bij artikel 189 van het Verdrag bedoelde juridisch werkzame vormen hun beslag zullen krijgen.(51) De oorsprong van verschillende politieken van de Gemeenschap ligt precies in resoluties.(52)
57 Wat ik net heb gezegd, sluit niet uit, dat ook resoluties naar inhoud en omstandigheden(53) juridisch verbindend kunnen zijn. Het moet evenwel gaan om besluiten omtrent vragen die de Raad in het kader van zijn bevoegdheid door standpuntbepaling, veeleer dan in de vorm en door middel van een van de bij artikel 189 van het Verdrag bedoelde besluiten definitief moet oplossen.
Zoals NIFPO eraan herinnert, volgt zulks uit het arrest van het Hof in de zaak Frankrijk/Verenigd Koninkrijk(54), die precies de resolutie van Den Haag betrof. In dit arrest verklaarde het Hof, dat bijlage VI bij voormelde resolutie op het bijzondere gebied van de instandhouding van de biologische zeerijkdommen een specifieke en concrete uitdrukking vormt van de verplichting tot samenwerking die in algemene termen in artikel 5 van het Verdrag is neergelegd. Met andere woorden maken ook de resoluties volgens de rechtspraak van het Hof abstract deel uit van de "handelingen van de gemeenschapsinstellingen" waaruit krachtens voormeld artikel 5 van het Verdrag verplichtingen voor de lidstaten kunnen voortvloeien.
58 Het beginsel dat ik zonet in herinnering bracht, geldt evenwel niet voor bijlage VII. Op dit punt wijkt mijn standpunt af van dat van de Ierse regering en van de verzoekende organisaties in het hoofdgeding.
Bijlage VI bij de resolutie van Den Haag betrof eigenlijk een procedure waarmee de Commissie eventuele nationale instandhoudingsmaatregelen inhoudelijk op juridische moeilijkheden kan onderzoeken. Door de goedkeuring van de Commissie te verlangen en de machtigingsbevoegdheid van deze instelling te beperken tot nationale niet-discriminerende instandhoudingsmaatregelen loste voormelde bijlage VI voorgoed de vraag van de uitoefening van de bevoegdheden van de lidstaten met betrekking tot de interne visserijregeling op en sorteerde zij derhalve ongetwijfeld verbindende rechtsgevolgen.
Bijlage VII heeft een heel andere inhoud: zij bereidt alleen de latere beslissingen voor en geeft alleen het voornemen van de Raad weer (de bepalingen van het toekomstig gemeenschappelijk visserijbeleid zo toe te passen dat een gestadige ontwikkeling van de Ierse visserij-industrie wordt verzekerd en rekening te houden met de specifieke vitale behoefte van de op de visserij aangewezen bevolking in Groenland en de noordelijke delen van het Verenigd Koninkrijk). Ik zie gewoonweg niet hoe deze eenvoudige intentieverklaring een concrete en specifieke toepassing kan zijn van de algemene verplichting van de lidstaten samen te werken en zich te onthouden van alles wat de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kan brengen.
59 Van belang daarentegen is wat later gebeurde: de in bijlage VII door de Raad op politiek vlak aangegane - en in de verklaring van 30 mei 1980 met specifieke verwijzingen naar zijn eigen normatieve richtsnoeren inzake de billijke verdeling van de vangsten (zie punt 10 supra) door hem herhaalde - verbintenissen kregen hun beslag in een juridisch dwingende vorm in de verordeningen nrs. 170/83, 172/83 en 3760/92.
In deze verordeningen is met name het beginsel van de vrijwaring van de relatieve stabiliteit van de uitgeoefende activiteiten - waaronder de specifieke behoefte van de gebieden waar de bevolking sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante industrieën - als criterium voor de verdeling over de lidstaten van het volume van de voor de Gemeenschap beschikbare vangsten neergelegd.
Het betrokken beginsel hoefde evenwel niet in voorbereidende resoluties te worden bepaald, alvorens het in verbindende handelingen werd neergelegd. De verordeningen nrs. 170/83, 172/83 en 3760/92 hadden het criterium van de vrijwaring van de relatieve stabiliteit van de uitgeoefende activiteiten derhalve kunnen stellen - en in die context de aan Ierland en het Verenigd Koninkrijk toegekende preferentiële rechten kunnen omzetten in cijfers gelijk aan die welke de Commissie in haar mededeling van 1980 had gesuggereerd (zie punt 11 supra) - ook al was de resolutie van Den Haag nooit aangenomen (of mutatis mutandis, onregelmatig aangenomen).
60 Weliswaar verwijst de considerans van verordening nr. 3760/92, op artikel 8, lid 4, waarvan de betrokken verordening is gebaseerd - zoals destijds de considerans van verordening nr. 170/83 - uitdrukkelijk naar bijlage VII, wat de definitie van de door de doelstelling van de stabiliteit van de visserijactiviteiten beschermde behoeften betreft (zie punten 15 en 20 supra), doch dit is gewoon een gebruikelijke en zuiver formele verwijzing die had kunnen worden weggelaten, zonder enig praktisch gevolg voor de regeling in verordening nr. 3362/94 en in de latere jaarlijkse toepassingsverordeningen.
Al was de quotatoewijzing aan het Verenigd Koninkrijk betreffende de litigieuze visbestanden voor 1995 het resultaat van een ingewikkelde berekening die althans gedeeltelijk op de Haagse preferentie was gebaseerd(55), is het dus evenzeer waar, dat de Raad niet ter uitvoering van de beweerdelijk uit bijlage VII voortvloeiende verplichtingen (welke verplichtingen in feite niet bestaan), doch ter uitvoering van het door hem in artikel 8, lid 4, sub ii, van verordening nr. 3760/92 gestelde beginsel van de vrijwaring van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten tot deze toewijzing is overgegaan.
61 In dat geval gaat het mijns inziens niet op om zoals NIFPO te stellen, dat de geldigheid van de toewijzing aan het Verenigd Koninkrijk van zijn kabeljauw- en wijtingquota in zone VIIa voor 1995 krachtens verordening nr. 3362/94 afhangt van de regelmatige vaststelling van bijlage VII.
62 Mitsdien geef ik het Hof in overweging de eerste en de derde vraag van de verwijzende rechter ontkennend te beantwoorden en te verklaren, dat de tweede vraag gezien het antwoord op de eerste niet behoeft te worden beantwoord.
IV - Beantwoording van de vierde prejudiciële vraag
63 Met de vierde prejudiciële vraag raakt de High Court de kern van het door de verzoekende organisaties in het hoofdgeding gestelde probleem inzake de aan de discretionaire bevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen gestelde beperkingen.
64 Als wetgever moet de Raad ingewikkelde politieke en economische keuzes maken die het algemene gemeenschapsbelang (en de met name door de verschillende situaties van de lidstaten veelal onderling strijdige algemene belangen) en de individuele belangen van de marktdeelnemers verzoenen.
Voor die keuzes beschikt de Raad over een ruime beoordelingsmarge. Meer bepaald hangen de diverse vormen voor de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid af van de verschillende aan deze instelling voorbehouden bevoegdheden.(56)
65 Deze bevoegdheden zijn trouwens onderworpen aan de toetsing van het Hof ter verificatie of de Raad deze niet arbitrair of in strijd met de verdragsbepalingen of de algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, heeft gebruikt.(57) In het bijzonder heeft de rechtspraak van het Hof reeds lang de criteria bepaald voor de rechterlijke toetsing van de wettigheid van de maatregelen van de gemeenschapsadministratie inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Bij de toetsing van schendingen van rechtsregels zoals het evenredigheids- en het non-discriminatiebeginsel moet het Hof ermee rekening houden, dat "de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een discretionaire bevoegdheid [beschikt], in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 en 43 EEG-Verdrag toegekende politieke verantwoordelijkheid. Derhalve kan aan de wettigheid van een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts afbreuk worden gedaan, wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel."(58)
Steeds volgens de rechtspraak van het Hof geldt "wanneer de Raad bij de uitvoering van het landbouwbeleid der Gemeenschap een complexe economische situatie heeft te evalueren, geldt zijn discretionaire bevoegdheid niet slechts de aard en draagwijdte der vast te stellen bepalingen, doch tot op zekere hoogte ook de vaststelling der basisgegevens, onder meer in dier voege dat de Raad in voorkomende gevallen zijn oordeel op globale vaststellingen mag baseren. Bij zijn controle op de uitoefening van zulk een bevoegdheid, mag de rechter alleen nagaan of daarbij geen kennelijke dwaling of misbruik is begaan en of het betrokken gezagsorgaan zich niet kennelijk heeft begeven buiten de grenzen, aan zijn appreciatieve bevoegdheid gesteld."(59)
Ten slotte preciseerde het Hof, dat "de wettigheid van een gemeenschapshandeling [niet kan] afhangen van overwegingen die men achteraf met betrekking tot de doeltreffendheid van zodanige handeling kan doen gelden (...). Wanneer de gemeenschapswetgever met het oog op de vaststelling van een regeling de toekomstige gevolgen ervan dient te beoordelen en die gevolgen niet met zekerheid zijn te voorzien, kan zijn beoordeling slechts worden afgekeurd indien zij, gelet op de gegevens waarover de wetgever ten tijde van de vaststelling van de regeling beschikte, kennelijk onjuist is."(60)
66 In feite betwist NIFPO niet de rechtmatigheid van voormelde met de bestreden verordening door de Raad nagestreefde doelstellingen.
Daarentegen zijn de ter bereiking van deze doelstellingen aangewende middelen volgens NIFPO onrechtmatig, onlogisch en ongeschikt: verordening nr. 3362/94 is ongeldig, omdat zij in strijd is met de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (waaronder het verbod van discriminatie tussen de producenten en de consumenten van de Gemeenschap) en het evenredigheidsbeginsel (zie punten 30-35 supra).
In het bijzonder - wat ter terechtzitting ook door de regering van het Verenigd Koninkrijk is opgemerkt - betwist NIFPO veeleer de voorwaarden waaronder de regionale preferentie aan Ierland in vergelijking met het Verenigd Koninkrijk is toegekend, dan het beginsel zelf van deze preferentie en betreurt de daaruit voortvloeiende discriminerende behandeling van gelijke situaties.
In 1994 had de Raad dus moeten afzien van toepassing van de Haagse preferentie en zich tot de berekening van de nationale quota op basis van de verdeelsleutels (waarin de preferentie reeds was verwerkt) moeten beperken of had hij de 14 jaar eerder vastgestelde Haagse preferentie die de bijzondere behoeften van de beschermde vissersbevolking dus thans niet meer weerspiegelt, hoe dan ook moeten herberekenen.
67 Er is iets te zeggen voor de argumenten van de verzoekende organisaties in het hoofdgeding. Zij zetten aan tot nadenken over de werkelijke invloed van de betrokken ingewikkelde regeling op de "levensstandaard van de (Noord-Ierse) landbouwbevolking". Zoals gezegd is deze regeling na lange en moeizame politieke onderhandelingen opgesteld en was zij waarschijnlijk al achterhaald toen zij werd vastgesteld.(61) Bovendien bleef zij van kracht na 1992, dat wil zeggen na het verstrijken van de aanvankelijk door de Raad gestelde termijn voor het onderzoek van eventuele voorstellen tot herziening.(62) Deze handhaving van het status quo is waarschijnlijk ingegeven door de wetenschap dat het aanvatten van onderhandelingen voor het sluiten van een nieuwe overeenkomst de "doos van Pandora" van de verschillende en uiteenlopende nationale aanspraken opnieuw zou openen en op vrijwel onoverkomelijke moeilijkheden zou stuiten.
68 Anderzijds betreft de toetsing door het Hof de wettigheid en niet de opportuniteit van de maatregelen waarvan de geldigheid wordt betwist(63): in die zin moet de verwijzing in de rechtspraak van het Hof naar de overeenstemming van de discretionaire bevoegdheid van de Raad en de hem bij het Verdrag op landbouwgebied toegekende politieke verantwoordelijkheden mijns inziens worden verstaan.
De politieke beslissing van de Raad om - in weerwil van de voorbijgegane jaren, de wijzigingen in de samenstelling van de visbestanden en de onvermijdelijke ontwikkeling van de sociaal-economische situatie in de verschillende lidstaten - het in 1983 vastgestelde systeem van verdeling van de voor de Gemeenschap beschikbare vangsten ongewijzigd te handhaven, blijft dus noodzakelijkerwijs buiten de controle van het Hof.
69 Wat daarentegen de wettigheid van verordening nr. 3362/94 en haar geschiktheid om de door de Raad nagestreefde doelstellingen te bereiken, herinner ik aan de hierboven geciteerde rechtspraak. Het enkele feit dat de betrokken verordening tot op zekere hoogte concreet een verschil in behandeling tussen de gemeenschapsproducenten meebrengt of de belanghebbende marktdeelnemers zware lasten in verhouding tot de nagestreefde doelstellingen oplegt, volstaat niet om de ongeldigheid ervan vast te stellen.(64)
De rechtspraak ontwikkelde een ingewikkelder criterium: de Raad is in casu politiek verantwoordelijk en gaat zijn discretionaire bevoegdheid slechts te buiten indien de discriminerende of in strijd met het evenredigheidsbeginsel specifiek vastgestelde bepalingen te wijten zijn aan een kennelijke vergissing van deze instelling omtrent de evaluatie van de gevolgen van de verordening ten tijde van de vaststelling. Dan wordt de maatregel onwettig, omdat hij reeds in abstracto ongeschikt blijkt ter bereiking van de doelstellingen die de vaststelling ervan moeten rechtvaardigen.
Mijns inziens moet in casu evenwel worden afgezien van toetsing, of verordening nr. 3362/94 onwettig is, omdat de maatregel in abstracto ongeschikt zou zijn ter bereiking van de door de gemeenschapswetgever nagestreefde doelstellingen. In casu gaat het namelijk om een verordening die zelfs in concreto in geen geval het evenredigheids- of het non-discriminatiebeginsel schendt, zoals ik hierna zal uitleggen.
70 In de eerste plaats creëert de betrokken verordening mijns inziens geen arbitraire verschillen in de behandeling van de Noord-Ierse vissers (volgens de door NIFPO gebezigde formulering of juister van die van de noordelijke delen van het Verenigd Koninkrijk) en de Ierse vissers.
Vanuit dit oogpunt kritiseert NIFPO de - in de verordeningen nrs. 3760/92 en 3362/94 althans impliciet opgenomen - Haagse preferentie en betwist de rechtvaardiging van twee daarin bepaalde verschillende kwantitatieve parameters die volgens de Commissie en de Raad in acht moeten worden genomen om te voldoen aan de vitale behoefte van de betrokken bevolking.
Volgens NIFPO wordt de gestelde discriminatie tussen de vissersbevolking van de twee lidstaten bovendien verergerd, doordat de Haagse preferentie in situaties waar de TAC daalt, twee keer speelt, daar de bij verordening nr. 172/83 vastgestelde verdeelsleutels haars inziens reeds rekening houden met de bijzondere behoeften van de op de visserij aangewezen gebieden.
71 Nader bekeken lijkt de hier besproken grief mij op een geenszins bewezen uitgangspunt te berusten, namelijk dat de situaties van de op de visserij aangewezen bevolking in Ierland en in de noordelijke delen van het Verenigd Koninkrijk kunnen worden vergeleken. Blijkens de tekst van bijlage VII lag het in het voornemen van de Raad de bepalingen van het te voeren gemeenschappelijk visserijbeleid in de eerste plaats zo toe te passen, dat de ontwikkeling van de Ierse visserij-industrie wordt verzekerd en slechts in de tweede plaats ook rekening te houden met de specifieke vitale behoeften van andere economisch achtergebleven kustgebieden. De gemeenschapswetgever achtte de economische afhankelijkheid van de visserij in de twee lidstaten dus niet identiek. Gelet daarop konden verschillende preferentiële rechten rechtmatig worden toegekend.
Deze conclusie - waardoor het overbodig wordt na te gaan of de bijzondere behoeften van de op de visserij aangewezen gebieden (Haagse preferentie) zoals is gesteld, in de verdeelsleutels zijn opgenomen(65) - wordt gedeeld door de regering van het Verenigd Koninkrijk en door gezaghebbende rechtsleer.(66) Mijns inziens moeten de op het discriminerende karakter van de TAC voor 1995 gebaseerde argumenten van de verzoekende organisaties in het hoofdgeding derhalve worden verworpen.
72 Aangaande de gestelde schending van het evenredigheidsbeginsel moet allereerst worden nagegaan, of de bepalingen van de litigieuze verordening geschikt en noodzakelijk zijn ter bereiking van de doelstelling van rationele en verantwoorde exploitatie van de visbestanden.
Het argument van NIFPO dat de Raad - door te aanvaarden dat Ierland (en het Verenigd Koninkrijk defensief en met het oogmerk de zaak te blokkeren) zich voor de twee betrokken visbestanden op de Haagse preferentie beroept - in de praktijk aan deze twee staten uiteindelijk gegarandeerde minimumquota van visbestanden heeft toegestaan zonder rekening te houden met de wetenschappelijke gegevens betreffende de toestand van de betrokken fauna, legt mijns inziens geen enkel gewicht in de schaal.
De waarheid is, dat de toepassing van de Haagse preferentie in verordening nr. 3362/94 zoals de twee belanghebbende regeringen hebben opgemerkt, niet heeft geleid tot een arbitraire verhoging van de TAC voor deze twee visbestanden, wat volstrekt logisch is. Het mechanisme van de preferentie veronderstelt veeleer, dat het TAC-gedeelte van de Gemeenschap lager is dan de "vrijwaringsniveaus"; daarvan afgezien betreft het hoe dan ook alleen de fase van de verdeling over de lidstaten van een vooraf bepaalde TAC.
Ter vrijwaring van de Haagse preferentie hebben de gemeenschapsinstellingen bovendien geen reden meer om de TAC meer te verhogen dan het door wetenschappelijk onderzoek aanbevolen niveau (voor zover zij zulks in het verleden hebben gedaan). Daarbij hebben zij geen enkel belang meer sinds het (meermaals hierboven aangehaalde) politieke compromis van 1988(67), waarin de oplossing besloten ligt van de toepasselijkheid van de preferentie ongeacht het niveau van de jaarlijkse TAC voor het betrokken visbestand (dat wil zeggen ook al ligt het voor de Gemeenschap beschikbare volume onder de som van de preferentie in absolute waarde).
73 Rest dus na te gaan, of verordening nr. 3362/94 als naar behoort, evenredig is ter bereiking van het doel van relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten. Zoals het Hof verklaarde (met verwijzing naar verordening nr. 170/83) houdt "dit vereiste van relatieve stabiliteit (...) in, dat elke lidstaat bij deze verdeling steeds een vast percentage krijgt"(68), "dat voornamelijk wordt vastgesteld aan de hand van de vangsten die vóór de invoering van het quotastelsel ten goede zijn gekomen aan de traditionele visserij, de plaatselijke bevolking die sterk afhankelijk is van de visserij, en de aanverwante industrieën van die lidstaat".(69)
Voorts moeten volgens artikel 8, lid 4, van verordening nr. 3760/92 de jaarlijkse vangstmogelijkheden van de Gemeenschap worden verdeeld overeenkomstig criteria die elke lidstaat voor elk betrokken bestand de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten kunnen garanderen.
74 In het kader van het hoofdgeding moet de invloed van de Haagse preferentie op de vaststelling van de twee litigieuze visbestanden door de Raad dus worden beoordeeld ten aanzien van de marktdeelnemers van alle noordelijke delen van het Verenigd Koninkrijk en niet alleen - zoals NIFPO stelt - ten aanzien van de Noord-Ierse marktdeelnemers ondanks hun sterke afhankelijkheid van de kabeljauw- of wijtingvangst.
75 Er is meer: om te kunnen stellen dat verordening nr. 3362/94 niet voldeed aan het vereiste van relatieve stabiliteit, moest worden aangetoond, dat zij de betrokken lidstaat niet de handhaving van het door de Raad vastgestelde vaste percentage voor elk van deze twee bestanden (ongeacht de plaats waar wordt gevist) heeft gegarandeerd.
De stelling van de verzoekende organisaties in het hoofdgeding, dat aan de doelstelling van relatieve stabiliteit ook op het niveau van de verschillende geografische ICES-zones moet zijn voldaan, vindt daarentegen geen steun in verordening nr. 3760/92 of in de rechtspraak van het Hof.
Daarom lijkt het mij irrelevant, dat de aan het Verenigd Koninkrijk in zijn geheel toegekende quota voor de visbestanden in de Ierse Zee (waaronder in het bijzonder kabeljauw en wijting) na 1989 meer zijn gedaald dan het totale TAC-gedeelte van de Gemeenschap voor deze visbestanden, zoals NIFPO heeft opgemerkt. Om de gestelde schending van de parameter van de relatieve stabiliteit aan te tonen had NIFPO daarentegen moeten bewijzen, dat de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende totale kabeljauw- en wijtingquota voor alle door zijn nationale vloot beviste geografische zones meer waren gedaald dan het TAC-gedeelte van de Gemeenschap.
76 Subsidiair stelt NIFPO, dat de hier besproken verordening niet strookt met het evenredigheidsbeginsel, ook omdat Ierland de laatste jaren de visbestanden waarvoor het de toepassing van de Haagse preferentie heeft aangevraagd en verkregen, niet volledig heeft opgebruikt en deze quota vervolgens zoals toegestaan bij artikel 9 van verordening nr. 3760/92, met andere lidstaten heeft geruild. Aldus werden de voordelen waarop de Ierse regering zich beroept - naar NIFPO stelt - ongerechtvaardigd tot andere categorieën dan de oorspronkelijk beschermde marktdeelnemers uitgebreid.
Dit argument houdt evenwel geen steek. Bij de bedoelde ruil worden vangstvolumes tegen andere visbestanden afgestaan. Anderzijds is de Haagse preferentie - ofschoon zij de omvang van het gemeenschapsgedeelte van de jaarlijkse TAC voor de individuele visbestanden specifiek beïnvloedt - niet aan de individuele visbestanden gebonden. Stel dus dat de Ierse vloot haar jaarlijks wijtingquotum voor zone VIIa - waarvoor zij, nemen wij aan, de preferentie heeft aangevraagd en verkregen - niet direct opgebruikt en dit indirect gebruikt als wisselgeld voor hoeveelheden haring in zone VIIk, bovenop het haar door de Raad toegekende quotum. In dat geval zijn het mijns inziens onmiskenbaar nog steeds de Ierse vissersbevolking in zijn geheel die ondanks de ruil, jazelfs dankzij deze, de preferentie genieten. De andere lidstaten die aan de ruil deelnemen, zullen uiteindelijk geheel of gedeeltelijk van andere quota hebben moeten afzien.
Mijns inziens is eigenlijk net het tegendeel van het betoog van de verzoekende organisaties waar. De ruil krachtens artikel 9 van verordening nr. 3760/92 kan zelfs een grotere relatieve stabiliteit van de visserij bevorderen door de lidstaten een bepaalde vrijheid te laten voor de optimale definitieve verdeling van de visserij-inspanning over de nationale vloot voor het betrokken jaar op basis van de concrete vereisten van de sector. De ruil vormt aldus een "veiligheidsklep" van het stelsel waardoor het een zekere flexibiliteit krijgt.(70)
Ook kan hetzelfde worden gezegd van de bevoegdheid van de Raad om bij de vaststelling van de jaarlijkse quota "per geval de voorwaarden [vast te stellen] voor de jaarlijkse aanpassing van de beschikbare vangsten" alsmede op verzoek van de rechtstreeks betrokken lidstaten "de ontwikkeling van de miniquota en regelmatige quotaswaps sinds 1983 in aanmerking [te nemen] waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het algemene evenwicht van de verdeling" (zie artikel 8, lid 4, sub ii en iv, van verordening nr. 3760/92).
Mijns inziens is verordening nr. 3362/94 wettig en beantwoordt zij volledig aan de door de Raad nagestreefde doelstelling.
77 Mitsdien geef ik in overweging op de vierde prejudiciële vraag te antwoorden, dat de vaststelling van de kabeljauw- en wijtingquota van het Verenigd Koninkrijk in zone VIIa bij artikel 3 van verordening nr. 3362/94 verenigbaar was met het gemeenschappelijk visserijbeleid, waaronder de bij verordening nr. 3760/92 ingevoerde regeling, en met het evenredigheidsbeginsel.
V - Beantwoording van de vijfde prejudiciële vraag
78 Gelet op het bevestigende antwoord op de vierde vraag behoeft de vijfde prejudiciële vraag van de High Court niet te worden beantwoord.
VI - Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de High Court te beantwoorden als volgt:
"1) De geldigheid van de toewijzing aan het Verenigd Koninkrijk van zijn kabeljauw- en wijtingquota in zone VIIa voor 1995 krachtens artikel 3 van verordening (EG) nr. 3362/94 van de Raad van 20 december 1994 inzake de vaststelling van de voor 1995 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften hangt niet af van de regelmatigheid van de vaststelling van bijlage VII bij de resolutie van de Raad van 3 november 1976.
2) Gelet op het ontkennende antwoord op de eerste vraag behoeft de tweede vraag betreffende de regelmatigheid van de vaststelling van voormelde bijlage VII niet te worden beantwoord.
3) Dat bijlage VII als geheim document is aangemerkt, niet is bekendgemaakt en partijen er geen toegang toe hadden, laat het antwoord op de eerste vraag onverlet.
4) Gelet op alle andere omstandigheden was de vaststelling door de Raad van voormelde quota verenigbaar met het gemeenschappelijk visserijbeleid, en met name met verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur, en met het evenredigheidsbeginsel.
5) Gelet op het bevestigende antwoord op de vierde vraag, behoeft de vijfde vraag betreffende het bestaan van en de voorwaarden voor het recht van verzoekers om bij ongeldigheid van de vaststelling van voormelde quota bij verordening nr. 3362/94 schadevergoeding van de verwerende nationale administratie te vorderen, niet te worden beantwoord."
(1) - PB L 363, blz. 1.
(2) - Zie artikel 38, lid 1, van het Verdrag (dat onder landbouwproducten de voortbrengselen van visserij verstaat) en bijlage II daarbij (volgens welke het gemeenschappelijk landbouwbeleid de visserij omvat).
(3) - Gebaseerd op een gemeenschappelijk prijsstelsel, gemeenschappelijke handelsnormen (strekkende tot verbetering van de kwaliteit van de producten), de aansporing tot het oprichten van producentenorganisaties, het recht op gelijke toegang tot elke gemeenschapshaven voor het aanvoeren van vis en een regeling voor het handelsverkeer met derde landen: zie verordening (EEG) nr. 2142/70 van de Raad van 20 oktober 1970 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten (PB L 236, blz. 5) - met ingang van 1 februari 1976 naar aanleiding van de uitbreiding van de Gemeenschap - ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 100/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten (PB L 20, blz. 1). Thans wordt de GOM in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur geregeld bij verordening (EEG) nr. 3759/92 van de Raad van 17 december 1992 (PB L 388, blz. 1), zoals later gewijzigd.
(4) - Zie verordening (EEG) nr. 2141/70 van de Raad van 20 oktober 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB L 236, blz. 1) - met ingang van 1 februari 1976 naar aanleiding van de uitbreiding van de Gemeenschap - ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 101/76 van 19 januari 1976 (PB L 20, blz. 19). Met het gemeenschappelijk structuurbeleid dat gebaseerd is op het beginsel van gelijke toegang voor de visserijvaartuigen van een lidstaat tot de maritieme zones van de andere gemeenschapslanden, wilde de Raad de coördinatie van eenvormige nationale beleidsbeslissingen en het verlenen van financiële steun voor de rationalisatie van de nationale visserijvloten bevorderen.
(5) - In het kader van de onderhavige conclusie kan nu al worden opgemerkt, dat Ierland, wiens vloot niet voldoende ontwikkeld was om in de wateren van derde landen werkzaam te zijn, geen enkel rechtstreeks nadeel ondervond van het verlies van vangstmogelijkheden in die wateren ten gevolge van de eenzijdige uitbreiding door derde landen van de exclusieve visserijzones tot 200 mijl van de kustlijn.
(6) - Zie voetnoot 7 hierna en het overeenkomstige gedeelte van de tekst.
(7) - Zie de eerste overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB L 24, blz. 1), met ingang van 1 januari 1993 ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB L 389, blz. 1). Binnen deze zone van 200 mijl was de Gemeenschap volgens de Haagse preferentie bevoegd voor het nemen van alle eventueel noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen. Daar onderhandelingen aan de gang waren voor het invoeren van een gemeenschappelijk visserijstelsel waarin deze maatregelen zouden zijn opgenomen, liet de Haagse preferentie de bevoegdheid van de individuele lidstaten onverlet om eenzijdig - op non-discriminerende grondslag en mits goedgekeurd door de Commissie - overgangsmaatregelen te nemen ter bescherming van de visbestanden in de voor hun kust gelegen respectieve visserijzones (zie voetnoot 39 hierna). In deze zones die onder de jurisdictie van de lidstaten ressorteren, zou het vissen door vaartuigen van derde landen (zie voetnoot 19 hierna) voorts worden geregeld bij overeenkomsten tussen de Gemeenschap, optredend als een enkele soevereine entiteit, en de betrokken derde landen. Tegelijkertijd werd de Commissie bij de resolutie van Den Haag opgedragen namens de Gemeenschap met sommige derde landen te onderhandelen over overeenkomsten betreffende de toegang van vaartuigen van de lidstaten tot de territoriale wateren van deze landen.
(8) - Zie International Legal Materials, deel XV (1976), blz. 1425, en PB 1981, C 105 van 7 mei 1981, met de tekst van het document getiteld "Resolutie van de Raad van 3 november 1976 inzake bepaalde externe aspecten van het instellen in de Gemeenschap, met ingang van 1 januari 1977, van een visserijzone van 200 mijl". Blijkens de opmerkingen van de Raad in de onderhavige zaak vormt het betrokken document bijlage I bij de resolutie van Den Haag.
(9) - Blijkens het dossier van de onderhavige zaak omvatten de "noordelijke delen van het Verenigd Koninkrijk" in het kader van de Haagse preferentie Schotland, Noord-Ierland, het eiland Man en het gedeelte van Engeland tussen de havens van Bridlington en Berwick.
(10) - Volgens de Commissie werd de bijzondere behoefte van de sterk op de visserij aangewezen plaatselijke bevolking geacht te zijn vertegenwoordigd door de aangevoerde hoeveelheden vis die voor deze bevolking van significant belang is en de "Haagse preferentie" is precies op deze hoeveelheden van toepassing: zie het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Haagse preferentie", SEC(95) 1666, van 9 oktober 1995, blz. 1.
(11) - PB 1980, C 158, blz. 2.
(12) - Punt 2 van voormelde verklaring luidt:
"Met inachtneming van de verdragen moet dit beleid in overeenstemming met de resolutie van de Raad van 3 november 1976 (akkoord van Den Haag) op de volgende grondslagen berusten: (...) b) rechtvaardige verdeling van de vangsten waarbij zeer in het bijzonder rekening wordt gehouden met de traditionele visserij, met de speciale behoeften van die gebieden waar de plaatselijke bevolking bijzonder afhankelijk is van de visserij en van daarmee verwante industrieën [voetnoot in het origineel: $zie paragraaf 3 en 4 van bijlage VII (...)'], en met het verlies van het vangstpotentieel in de wateren van derde landen [ten gevolge van de algemene uitbreiding van de territoriale wateren tot 200 zeemijl uit de kust]."
(13) - Zie de mededeling van de Commissie aan de Raad van 12 juni 1980 over de methode voor de verdeling onder de lidstaten van de totale vangstmogelijkheden die in 1980 voor de Gemeenschap beschikbaar zijn en over de richtsnoeren voor een structuurbeleid in de visserijsector COM(80) 338 def.
(14) - Ibidem, bijlage III.
(15) - De voor Ierland aangenomen gunstiger parameter moet kennelijk in verband worden gebracht met de verdubbeling van de nationale vangsten (van 75 000 ton in 1975 tot 150 000 ton in 1979) - alsmede blijkbaar met de gestegen omvang van de vloot (met ongeveer 300 vaartuigen) - waarin was voorzien in de context van de uitbreiding van de territoriale wateren van de lidstaten tot 200 zeemijl uit de kustlijn door voormeld programma voor de ontwikkeling van de kustvisserij van de Ierse regering op basis waarvan de Raad in bijlage VII verklaarde de gestadige ontwikkeling van de Ierse visserij-industrie tot doel te hebben. Zie R. Wallace, Special Economic Dependency and Preferential Rights in Respect of Fisheries: Characterization and Articulation within the European Communities, C.M.L.R. 1984, blz. 525, inzonderheid blz. 532. Deze gunstiger parameter is door de Commissie ook gebruikt in haar jaarlijkse quotavoorstellen na 1979 (zie voetnoot 61 hierna en overeenkomstig tekstgedeelte).
(16) - Zie R. Wallace, op. cit. in voetnoot 15, blz. 532.
(17) - Geciteerd in voetnoot 7 supra. De tekst van de zesde overweging van de considerans waarnaar wordt verwezen, wordt weergegeven in punt 15 hierna.
(18) - "In de periode tot 1983 werd de visserij binnen de 200-mijlgrens van de Gemeenschap geregeld door een complex van communautaire instandhoudingsmaatregelen op korte termijn [bijvoorbeeld verordening (EEG) nr. 754/80 van de Raad van 26 maart 1980 betreffende de vaststelling voor 1980, voor bepaalde visbestanden in de visserijzone van de Gemeenschap, van de totale toegelaten vangsten, het beschikbaar gedeelte voor de Gemeenschap en visserijvoorschriften (PB L 84, blz. 36)], een aantal injuncties van de Raad aan de lidstaten om voor hun visserijactiviteiten de voorstellen van de Commissie inzake totaal toegestane vangsten in acht te nemen, en een aantal door de lidstaten genomen instandhoudingsmaatregelen" (vertaling): zie R. R. Churchill, EEC Fisheries Law, Dordrecht, 1987, blz. 19, voetnoot 23.
(19) - Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, dat duidelijk volgt uit de artikelen 6 (vroeger 7) en 40, lid 3, van het Verdrag wordt in de onderhavige materie bevestigd bij artikel 2, lid 1, van de in voetnoot 4 aangehaalde verordening nr. 101/76. Krachtens dit beginsel "dienen de lidstaten [met name] te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der lidstaten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven, gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden [in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt]".
(20) - Onder voorbehoud van de bijzondere afwijkende regeling van de artikelen 100 tot en met 102 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden tot de Europese Gemeenschappen van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de aanpassing der Verdragen (PB 1972, L 73) waarbij de lidstaten tot en met 31 december 1982 waren gemachtigd de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt, en binnen een grens van 6 zeemijlen, berekend vanaf de laagwaterlijn van de aan de kust gelegen lidstaat (of sommige kustgebieden van de drie nieuwe lidstaten en Frankrijk binnen een grens van 12 zeemijlen), ligt, te beperken tot de schepen waarvan de visserijactiviteit van oudsher in dat gedeelte der zee en vanuit de havens in het geografische kustgebied wordt uitgeoefend. Later is deze afwijking zowel in de tijd (tot en met 31 december 1992 en vervolgens tot en met 31 december 2002) als in ruimte (binnen een algemene grens van 12 zeemijlen) uitgebreid; zie artikel 6, lid 1, van verordening nr. 170/83 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3760/92 (reeds aangehaald in voetnoot 7 supra).
(21) - Zie besluit 79/572/EEG van de Commissie van 8 juni 1979 (PB L 156, blz. 29) en laatstelijk besluit 93/619/EG van de Commissie van 19 november 1993 betreffende de instelling van een Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (PB L 297, blz. 25).
(22) - Verordening van 25 januari 1983 inzake de vaststelling van de voor 1982 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden in de visserijzone van de Gemeenschap en het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte van deze vangsten, de verdeling van dit gedeelte over de lidstaten en de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften (PB L 24, blz. 30). Anders dan de latere jaarlijkse verordeningen strekte verordening nr. 172/83 dus tot quotatoewijzing voor het vorige jaar veeleer dan voor het volgende jaar.
(23) - Zie de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 172/83.
(24) - 1978 was het laatste jaar waarover de Commissie toen zij haar mededeling van 1980 opstelde, over volledige informatie beschikte.
(25) - Zie punt 11 supra.
(26) - De verwijzing naar 1976 (in plaats van 1978) kan worden verklaard doordat de algemene uitbreiding door niet-lidstaten van hun exclusieve visserijzone tot 200 zeemijl vanuit de kust terugging tot dat jaar.
(27) - Visserijzone VIIa ligt in de Ierse Zee, tussen Groot-Brittannië en Ierland.
(28) - Het feit dat het totaal van de verdeelsleutels voor de twee lidstaten voor zone VIIa en voor elk van de twee aangegeven bestanden, minder dan 100 % bedraagt kan worden verklaard doordat quota in deze zone en voor dezelfde bestanden ook aan België, Frankrijk en Nederland waren toegekend.
(29) - Zie het antwoord van Kontogeorgis namens de Commissie (9 januari 1984) op schriftelijke vraag nr. 1077/83 van S. Le Roux (84/C 38/07) (PB C 38, blz. 4). Voor een verwijzing naar "het voornemen van de Raad om deze in moeizame onderhandelingen vastgestelde [verdeelsleutel van 1983] gedurende tien jaar aan te houden", zie ook de conclusie van advocaat-generaal Lenz bij het arrest van 16 juni 1987, Romkes (46/86, Jurispr. blz. 2671, en inzonderheid blz. 2679).
(30) - Reeds aangehaald in voetnoot 7 supra.
(31) - Op de Raad van ministers van de Visserij in december 1988 heeft de regering van het Verenigd Koninkrijk zich op de Haagse preferentie beroepen voor schelvis uit de Noordzee - uit hoofde van deze preferentie dacht het Verenigd Koninkrijk recht te hebben op een quotum van 60 000 ton voor 1989 - omdat het krachtens de toepasselijke verdeelsleutel slechts een quotum van 48 760 ton (vergeleken bij het aan het Verenigd Koninkrijk het jaar ervoor toegekende quotum van 157 560 ton) voor het betrokken visbestand had. Tegen deze aanspraak van het Verenigd Koninkrijk rees evenwel verzet van de andere lidstaten die zich op het standpunt stelden, dat de factoren die aan de Haagse preferentie ten grondslag liggen, voor eens en altijd in de bij verordening nr. 172/83 ingestelde verdeelsleutels opgenomen waren. De toepassing van de preferentie op het Verenigd Koninkrijk voor schelvis uit de Noordzee had dus een dubbele belasting voor de andere lidstaten meegebracht. Op voorstel van de Commissie aanvaardde de Raad uiteindelijk de politieke oplossing het Verenigd Koninkrijk een quotum van 54 380 ton toe te wijzen, blijkbaar het gemiddelde tussen het cijfer dat met de Haagse preferentie overeenkomt en dat welk met de verdeelsleutel overeenkomt. Deze compromisoplossing werd later gevolgd in verschillende gevallen: zie het in voetnoot 10 supra aangehaalde werkdocument van de diensten van de Commissie, blz. 2 en 3, en A. E. Munir, Fisheries after Factortame, Londen, 1991, blz. 65.
(32) - Blijkens de verwijzingsbeschikking worden de in de tekst aangegeven verliezen grotendeels gecompenseerd door quotaruil door het Verenigd Koninkrijk, waardoor hun definitieve waarde 1 370 ton voor kabeljauw en 3 450 ton voor wijting bedraagt.
(33) - Artikel 8, lid 4, van verordening nr. 3760/92 luidt als volgt: "De Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en op voorstel van de Commissie: i) stelt zonodig voor meer jaren, voor elke visserijtak of groep van visserijtakken per geval de totaal toegestane vangst en/of de totaal toegestane visserij-inspanning vast. Deze dienen gebaseerd te zijn op de beheersdoelstellingen en -strategieën die overeenkomstig lid 3 zijn vastgesteld; ii) verdeelt de vangstmogelijkheden op een zodanige wijze over de lidstaten dat elke lidstaat verzekerd is van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk betrokken bestand; op verzoek van de rechtstreeks betrokken lidstaten kan echter de ontwikkeling van de miniquota en regelmatige quotaswaps sinds 1983 in aanmerking worden genomen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het algemene evenwicht van de verdeling; (...) iv) kan tevens per geval de voorwaarden vaststellen voor de jaarlijkse aanpassing van de beschikbare vangsten; v) kan op basis van wetenschappelijke adviezen, alle nodige tussentijdse aanpassingen van de beheersdoelstellingen en -strategieën vaststellen."
(34) - Dat wil zeggen voor kabeljauw, 6 954 ton per jaar voor Ierland en 1 223 ton per jaar voor het Verenigd Koninkrijk en voor wijting, 7 196 ton per jaar voor Ierland en 2 334 ton per jaar voor het Verenigd Koninkrijk: zie punt 12 supra.
(35) - De in de tekst aangegeven waarden zijn het resultaat van de volgende berekening 1) Uit de toepassing van de verdeelsleutels voortvloeiende theoretische quota: Ierland = 5 800 ton x 46,67 % = 2 705 ton kabeljauw, 8 000 ton x 39,63 % = 3 170 ton wijting, Verenigd Koninkrijk = 5 800 ton x 42,67 % = 2 475 ton kabeljauw, 8 000 ton x 52,83 % = 4 225 ton wijting; 2) Uit de toepassing van de Haagse preferentie voortvloeiende fictieve quota, gewijzigd om rekening te houden met het feit dat de som van de preferentie in absolute waarde (gelijk aan 8 177 ton kabeljauw en 9 530 ton wijting) hoger zou zijn dan het voor deze twee soorten beschikbare totale gemeenschapsvolume: Ierland = 5 800 ton x 85 % = 4 930 ton kabeljauw, 8 000 ton x 75,5 % = 6 040 ton wijting, Verenigd Koninkrijk = 5 800 ton x 15 % = 870 ton kabeljauw, 8 000 ton x 24,5 % = 1 960 ton wijting; 3) (Afgeronde) gemiddelde waarden tussen 1 en 2: Ierland = 3 817,5 ton kabeljauw, 4 605 ton wijting, Verenigd Koninkrijk = 1 672,5 ton kabeljauw, 3 092,5 ton wijting.
(36) - Op 5 mei 1995 werden voor kabeljauw respectievelijk wijting waarden van 2 440 en 3 350 ton bereikt, toen het Verenigd Koninkrijk de nationale quota voorlopig heeft verdeeld over de producentenorganisaties en de onafhankelijke Britse vissersvaartuigen. Na verdere ruil bedroegen de quota van het Verenigd Koninkrijk voor zone VIIa op 1 september 1995 2 575 respectievelijk 3 950 ton.
(37) - Besluit van de Raad van 20 december 1993 betreffende toegang van het publiek tot documenten van de Raad (PB L 340, blz. 43), later gewijzigd bij besluit 96/705/Euratom, EGKS, EG van de Raad van 6 december 1996 (PB L 325, blz. 19).
(38) - Zie ook de brief van 15 september 1995 van de juridische dienst van de Raad aan de permanente vertegenwoordiging van het Verenigd Koninkrijk bij de Europese Unie, die de verwerende administratie bij de door haar bij het Hof ingediende opmerkingen heeft gevoegd.
(39) - Volgens bijlage VI bij de resolutie van Den Haag kunnen de lidstaten in afwachting van de tenuitvoerlegging van passende gemeenschapsmaatregelen bij wijze van overgangsmaatregel na voorafgaand overleg met de Commissie en haar goedkeuring unilateraal maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden nemen. In zijn arrest van 4 oktober 1979, Frankrijk/Verenigd Koninkrijk (141/78, Jurispr. blz. 2923) onderzocht het Hof deze bijlage en verklaarde, dat de Haagse resolutie "op het bijzondere gebied waarvoor zij geldt een toepassing vormt van de verplichtingen tot samenwerking die de lidstaten ingevolge artikel 5 van het Verdrag op zich hebben genomen", zodat alle door de lidstaten genomen instandhoudingsmaatregelen - wegens het ontbreken van een gemeenschappelijk beleid voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee - "onderworpen [zijn] aan de voorschriften neergelegd in bijlage VI" (zie punten 8 en 9). Zie ook de arresten van 10 juli 1980, Commissie/Verenigd Koninkrijk (32/79, Jurispr. blz. 2403, punten 11, 28 en 56-58); 5 mei 1981, Commissie/Verenigd Koninkrijk (804/79, Jurispr. blz. 1045, punten 26-38); 30 november 1982, Noble Kerr (287/81, Jurispr. blz. 4053, punten 16-29), en 14 februari 1984, Gewiese en Mehlich (24/83, Jurispr. blz. 817, punten 7-13).
(40) - Cursivering van mij. NIFPO merkt ook op, dat bijlage I bij de resolutie van Den Haag, hoewel getiteld "ontwerp" in de oorspronkelijke stukken vervolgens onder de titel "Resolutie van de Raad van 3 november 1976 (...)" is bekendgemaakt: zie voetnoot 8 supra.
(41) - Volgens NIFPO voerde de Haagse preferentie een op de onbestendige biologische situatie van de visbestanden gebaseerde afwijking op de gewone regels voor de quotaverdeling in (zie dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 3760/92).
(42) - Blijkens de verwijzingsbeschikking zijn kabeljauw en wijting voor de Noord-Ierse vloot de tweede en de derde belangrijkste soorten na scampi. Het is geen toeval, dat de Noord-Ierse vloot 60 % respectievelijk 75 % van alle door de Britse vloot in haar geheel gevangen kabeljauw en wijting vangt.
(43) - De diensten van de Commissie lijken zich aan te sluiten bij de stelling van NIFPO, dat de problemen in verband met de toepassing van het mechanisme van de Haagse preferentie tot 1988 zijn omzeild door de TAC voor de betrokken visbestanden technisch op hogere niveaus vast te stellen dan die welke door de wetenschappers geschikt werden geacht: zie het in voetnoot 10 supra aangehaalde werkdocument van de Commissie, blz. 2. Ook volgens R. R. Churchill (aangehaald in voetnoot 18 supra, blz. 113-115) was de Commissie bij overexploitatie van visbestanden niet steeds bereid het TAC-niveau in de mate en het tempo, gewenst bij wetenschappelijk onderzoek, te verlagen zulks om de uiteenlopende doelstellingen te verzoenen snel biologisch voordeel op lange termijn te boeken en de sociaal-economische kosten op korte termijn te beperken. Toch is het de verdienste van de Raad de door de Commissie voorgestelde totaal toegestane vangsten slechts uitzonderlijk te hebben verhoogd ter voldoening van verzoeken van lidstaten. Zie ook het arrest Romkes (reeds aangehaald in voetnoot 29; hierna geanalyseerd in voetnoot 70 en het overeenkomstige tekstgedeelte, punt 19).
(44) - Zie beschikking 92/594/EEG van de Commissie van 21 december 1992 betreffende het meerjarig oriëntatieprogramma voor de vissersvloot van Ierland voor de periode 1993-1996, overeenkomstig verordening (EEG) nr. 4028/86 van de Raad (PB L 401, blz. 39).
(45) - Het in de tekst uiteengezette argument van NIFPO lijkt te worden gedeeld door sommige lidstaten, maar niet door het Verenigd Koninkrijk en Ierland (ook al zagen deze twee staten er soms van af zich op hun uitlegging van de procedure voor de preferentie te beroepen): zie voetnoot 48 hierna en overeenkomstig tekstgedeelte. Daarentegen nemen de diensten van de Commissie op dit punt een volstrekt "agnostisch" standpunt in ["De Commissie heeft geen kennis van gezaghebbende en/of definitieve verklaringen tot bevestiging of ontkenning dat de aan de Haagse preferentie ten grondslag liggende overwegingen eens en voor altijd in 1983 in acht zijn genomen" (vertaling)]: zie werkdocument van de diensten van de Commissie, aangehaald in voetnoot 10 supra, blz. 1-3. Volgens R. Wallace (aangehaald supra in voetnoot 15, blz. 533), "is de Haagse preferentie, uitgedrukt in ton, onverenigbaar [met de verdeelsleutels, daar zij] niet langer afzonderlijk wordt geïdentificeerd in [de jaarlijkse verordeningen betreffende de] quotaverdeling over de lidstaten" (vertaling; voetnoten weggelaten).
(46) - Volgens NIFPO daalde de TAC voor kabeljauw voor zone VIIa tijdens de betrokken zeven jaar met 61,3 %, wat een lager percentage is dan de vermindering voor het overeenkomstige quotum van het Verenigd Koninkrijk (73,9 %); bovendien daalde de TAC voor wijting met 56 % tegenover een daling met 67,8 % voor het Britse quotum. Uit de in de verwijzingsbeschikking verstrekte gegevens leid ik af, dat het kabeljauwquotum van het Verenigd Koninkrijk met 33,55 % van de TAC in 1991 en met 28,8 % in 1995 overeenkomt; die voor wijting met 49,2 % in 1990 en met 38,7 % in 1995.
(47) - Zie arrest van 19 november 1991 (C-6/90 en C-9/90, Jurispr. blz. I-5357).
(48) - Volgens de Deense regering volgt uit de elfde, de twaalfde en de dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 3760/92, dat verordening nr. 172/83 de Haagse preferentie definitief in het gemeenschappelijk visserijbeleid en meer bepaald in het beginsel van de relatieve stabiliteit heeft opgenomen. Derhalve kan sinds 1983 geen sprake meer zijn van autonome toepassing van de resolutie van Den Haag en van de daaruit voortvloeiende preferentie. Zie ook voetnoot 45 supra en het overeenkomstige tekstgedeelte.
(49) - Zij zijn niet verschillend van aanbevelingen en adviezen die volgens artikel 189 van het Verdrag "niet-verbindend" zijn.
(50) - De verwijzing door NIFPO naar de beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van het gewettigd vertrouwen van de particulieren wat de op hen toegepaste overheidsmaatregelen betreft, is dus evenmin steekhoudend.
(51) - Bij niet-naleving door de Raad van de termijn voor het nemen van een latere beslissing die deze instelling zich in een resolutie zelf heeft gesteld, is er dus geen verdragsschending, omdat uit de benaming en de vorm van de door de Raad gekozen maatregel blijkt van zijn voornemen een ander soort termijn dan in het Verdrag te stellen: zie arrest van 13 november 1964, Commissie/Luxemburg en België (90/63, Jurispr. blz. 1277, inzonderheid blz. 1292 en 1293).
(52) - Men denke bijvoorbeeld aan de talrijke sinds 1974 door de Raad genomen resoluties inzake informatietechnologie, telecommunicatie en informatica. Zie ook de resolutie van de Raad van 16 september 1986 betreffende nieuwe doelstellingen inzake het energiebeleid van de Gemeenschap voor 1995 en de convergentie van het beleid van de lidstaten (PB C 241, blz. 1); de verklaring van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in de Raad bijeen, van 22 november 1973 betreffende een actieprogramma van de Europese Gemeenschappen op gebied van milieu (PB C 112, blz. 1); de resolutie van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van 22 maart 1971 betreffende de verwezenlijking in etappes van de economische en monetaire unie in de Gemeenschap (PB C 28, blz. 1).
(53) - Zie arrest van 24 oktober 1973, Schlüter (9/73, Jurispr. blz. 1135, r.o. 40).
(54) - Zie voetnoot 39 supra en overeenkomstig tekstgedeelte.
(55) - Zie voetnoot 35 supra en het overeenkomstige tekstgedeelte.
(56) - Zie J. L. Dewost: "Les pouvoirs discrétionnaires du Conseil des ministres", in Discretionary Powers of the Member States in the Field of Economic Policies and their Limits under the EEC Treaty (J. Schwarze, uitgever), Baden-Baden, 1988, blz. 165, inzonderheid blz. 166.
(57) - Zie de conclusie van advocaat-generaal Lagrange bij het arrest van 12 februari 1960, Société métallurgique de Knutange/Hoge Autoriteit EGKS, 15/59 en 29/59, Jurispr. blz. 9, inzonderheid blz. 36).
(58) - Arrest van 5 oktober 1994, Crispoltoni e.a. (C-133/93, C-300/93 en C-362/93, Jurispr. blz. I-4863, punt 42; cursivering van mij). Zie ook arresten van 7 februari 1973, Schröder (40/72, Jurispr. blz. 125, punt 14); 21 februari 1979, Stölting (138/78, Jurispr. blz. 713, punt 7); 9 juli 1985, Bozzetti (179/84, Jurispr. blz. 2301, punt 30); 11 juli 1989, Schräder (265/87, Jurispr. blz. 2237, punt 22); 14 februari 1990, Delacre e.a./Commissie (C-350/88, Jurispr. blz. I-395, punt 32), en 13 november 1990, Fedesa e.a. (C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, punt 14).
(59) - Arrest van 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad (138/79, Jurispr. blz. 3333, punt 25; cursivering van mij). Zie ook arresten van 12 juli 1979, Italië/Raad (166/78, Jurispr. blz. 2575), en 26 februari 1996, Commissie/Raad (C-122/94, Jurispr. blz. I-881, punt 18).
(60) - Arrest Crispoltoni e.a. (reeds aangehaald in voetnoot 58 supra, punt 43). Zie ook arrest van 21 februari 1990, Wuidart e.a. (C-267/88-C-285/88, Jurispr. blz. I-435, punt 1).
(61) - Dienaangaande bedenke men, dat het programma voor de ontwikkeling van de kustvisserij van de Ierse regering op basis waarvan de Haagse preferentie voor de gestadige en geleidelijke ontwikkeling van de visserij-industrie in Ierland moest zorgen, in 1979 werd beëindigd. Na die datum zijn zowel de Commissie (in haar mededeling van 1980 en in de quotavoorstellen voor de daaraanvolgende jaren) als de Raad (door de vaststelling van de verordeningen nrs. 170/83 en 3760/92 alsmede van de jaarlijkse verordeningen vanaf verordening nr. 172/83 tot de hier in het geding zijnde) evenwel in wezen de parameter van de verdubbeling van de visvangsten van 1975 (die het voormeld programma tot zijn eigen doelstelling maakte) blijven volgen.
(62) - Zie voetnoot 29 supra en het overeenkomstige tekstgedeelte.
(63) - Zie M. Waelbroeck en D. Waelbroeck: "Article 173", in J.-V. Louis, G. Vandersanden, D. Waelbroeck en M. Waelbroeck, La Cour de justice. Les actes des institutions, Brussel, 1993, tweede uitgave, deel 10, blz. 97, inzonderheid blz. 166.
(64) - Zie arrest Crispoltoni e.a. (reeds aangehaald in voetnoot 58 supra, punten 44-46).
(65) - Zodra de Haagse preferentie niet in strijd met het verbod van discriminatie tussen de gemeenschapsproducenten wordt geacht, wordt zij uiteraard niet discriminerend wegens het beroep erop en de toepassing ervan bovenop de verdeelsleutels, waarvan de geldigheid en juiste toepassing door NIFPO niet worden betwist (zie punt 19 supra).
(66) - Volgens J. Farnell en J. Elles, ambtenaren van de Europese Commissie "ligt de reden voor de verschillende behandeling van de betrokken gebieden - nagenoeg een blanco cheque voor Groenland, een beoogde groei voor Ierland en een gegarandeerd minimum voor de noordelijke delen van het Verenigd Koninkrijk - in de verschillende ontwikkelingsstadia die hun respectieve visserij-industrieën hadden bereikt enerzijds, en in de gevolgen die het toekennen van de preferentie telkens heeft voor andere gemeenschapsvissers anderzijds. De Schotse visserij-industrie was al lang gevestigd, zeer goed ontwikkeld en leed volgens sommigen al aan ernstige overcapaciteit; de Ierse industrie was veel recenter en kende nog altijd een aanzienlijke expansie; die in Groenland stond in de kinderschoenen, doch was al een belangrijke bron van het plaatselijke inkomen. Belangrijker evenwel was, dat elke preferentie relatief ongeschikt was. Globaal gesproken hadden de aan Groenland geboden waarborgen alleen ernstige gevolgen voor de Duitse diepzeevloot en de aan Ierland geboden waarborgen had gevolgen voor onderdelen van de Franse, de Nederlandse en de Britse vloot. Met een soortelijke behandeling van de noordelijke delen van het Verenigd Koninkrijk, in het bijzonder langs de oostkust, zouden de visvangstvooruitzichten van de meeste lidstaten van de Gemeenschap, in het bijzonder die van Frankrijk en Denemarken, de twee belangrijkste rivalen van het Verenigd Koninkrijk in termen van visvangst, anderzijds aanzienlijk zijn gewijzigd. Een dergelijke revolutie was ondenkbaar, wilde men een ernstige poging wagen om tot een gemeenschapsregeling van de vangstquota te komen" (vertaling): The search for a common fisheries policy, Aldershot, 1984, blz. 109 en 110. Zie ook Wallace, reeds aangehaald in voetnoot 15, blz. 532 en 533.
(67) - Zie voetnoot 31 supra en het overeenkomstige tekstgedeelte.
(68) - Zie arrest Romkes (reeds aangehaald in voetnoot 43, punt 17).
(69) - Arresten van 14 december 1989, Agegate (C-3/87, Jurispr. blz. 4459, punt 24), en Jaderow (C-216/87, Jurispr. blz. 4509, punt 23).
(70) - Zie arrest Romkes (reeds aangehaald in voetnoot 43 supra, punt 18). Door de afwijzing van het argument van Romkes - een Nederlandse visser, verzoeker in het hoofdgeding - dat de Raad het vereiste van de relatieve stabiliteit had geschonden door andere lidstaten te grote quota in het betrokken visbestand toe te wijzen, die vervolgens slechts ten dele werden opgebruikt, sloot het Hof zich aan bij de opmerkingen van de Commissie, dat de door Romkes betwiste TAC op een veel hoger niveau dan gerechtvaardigd vanuit biologisch oogpunt was vastgesteld, precies om de vangstmogelijkheden van de Nederlandse vissers te verhogen, daar gemakkelijk was te voorzien dat bepaalde staten hun quota niet zouden opgebruiken en ruilen.
Full & Egal Universal Law Academy