Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 In de onderhavige zaak heeft het Tribunal de grande instance de Tours krachtens artikel 177 EG-Verdrag het Hof twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 4, 7, 10 en 12 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal(1) (hierna: "richtlijn 69/335").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Locamion SA en de directeur des services fiscaux d'Indre-et-Loire over de verenigbaarheid met richtlijn 69/335 van enkele bepalingen van de Franse Code général des impôts betreffende de heffing van een belasting op het opmaken van registratiecertificaten voor voertuigen, ingeval deze voertuigen reeds zijn ingebracht in het kader van een fusie bij wege van overname van de ene kapitaalvennootschap door de andere.
II - Het rechtskader
A - De nationale bepalingen
3 Het verwijzingsvonnis weidt niet uit over de in geding zijnde nationale bepalingen.
Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen vermeldt, dient volgens de artikelen R-110 tot en met R-119-1 van de Franse Code de la route de eigenaar van elk voertuig bij de prefectuur van het departement van zijn woonplaats een verklaring over te leggen met betrekking tot de datum waarop het voertuig voor het eerst in het verkeer is gebracht. De administratie geeft een registratiecertificaat voor het voertuig af, de zogenoemde "grijze kaart", waarop het registratienummer van dit voertuig is vermeld. In geval van eigendomsoverdracht van het voertuig moet de nieuwe eigenaar, indien hij dit voertuig in het verkeer wil houden, binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van eigendomsoverdracht een nieuw registratiecertificaat voor het voertuig op zijn naam laten opmaken (artikel R-113 van de Code de la route).
4 Voor de afgifte van de "grijze kaart" wordt enerzijds "registratiebelasting" geheven, die wordt geregeld door de artikelen 1599 quindecies tot en met novodecies van de Code général des impôts, en anderzijds een "parafiscale heffing", die wordt geregeld door de artikelen 339 tot en met 341 van bijlage II bij de Code général des impôts.
5 Blijkens de schriftelijke opmerkingen van partijen in het hoofdgeding bepaalt onderdeel III, "Zegelrechten", onder "II - Belasting op registratiecertificaten voor voertuigen", van de Code général des impôts als volgt:
"Artikel 1599 quindecies
Ten bate van de regio's wordt een hetzij evenredige, hetzij vaste belasting op registratiecertificaten voor voertuigen, die op hun grondgebied worden afgegeven, ingevoerd, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1599 sexdecies tot en met 1599 novodecies.
Deze belasting heeft dezelfde grondslag en wordt geïnd als een zegelrecht.
Artikel 1599 sexdecies
I.1. Bij de afgifte van registratiecertificaten voor auto's en voor alle andere motorvoertuigen moet een evenredige belasting worden betaald waarvan het eenheidstarief per paardenkracht, waartoe de regio heeft besloten, elk jaar wordt vastgesteld door besluit van de conseil régional.
2. Het onder 1 bedoelde eenheidstarief wordt gehalveerd voor:
1_ vrachtwagens met een toegestaan totaal laadvermogen van 3,5 ton en meer;
2_ trekkers voor andere dan landbouwdoeleinden;
3_ motoren.
3. De onder 1 en 2 bedoelde eenheidstarieven worden gehalveerd voor voertuigen van tien jaar en ouder.
(...)
Artikel 1599 octodecies
1. Bij de afgifte van:
1_ alle duplicaten van certificaten;
2_ originele certificaten in geval van wijziging van de burgerlijke staat of van eenvoudige wijziging van de handelsnaam, zonder dat een nieuwe rechtspersoon wordt opgericht, van de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar van het voertuig is, moet een vaste belasting worden betaald.
2. Het bedrag van de onder 1 bedoelde vaste belasting is gelijk aan:
a) het vierde deel van het in artikel 1599 sexdecies, onder I.1, bedoelde eenheidstarief voor bromfietsen en motoren met een cilinderinhoud niet groter dan 125 cm3;
b) dit eenheidstarief voor alle andere voertuigen.
3. Geen belasting is verschuldigd voor registratiecertificaten die worden afgegeven na wijziging van de echtelijke staat of van de woonplaats."
6 Wat voorts de "parafiscale heffing" betreft, bepaalt artikel 339 van bijlage II bij de Code général des impôts, dat naast de in artikel 1599 quindecies van deze code voorgeschreven belasting bij de afgifte van registratiecertificaten voor voertuigen voor goederenvervoer, trekkers voor gebruik op de weg en voertuigen voor gemeenschappelijk reizigersvervoer een belasting wordt geheven ten bate van derden, in casu de "Association pour le développement de la formation professionnelle [des travailleurs] dans les transports" [vereniging voor de ontwikkeling van het beroepsonderwijs (van werknemers) in de vervoersector].
Deze heffing is onder meer niet verschuldigd voor de afgifte van de in artikel 1599 octodecies van de code bedoelde certificaten.
Ten slotte wordt deze heffing ("parafiscale heffing") overeenkomstig artikel 341 van dezelfde bijlage bij de Code général des impôts geïnd volgens dezelfde regels en onder dezelfde voorwaarden als de in artikel 1599 quindecies van de code bedoelde belasting.
B - De gemeenschapsbepalingen
7 De bepalingen van richtlijn 69/335, zoals inzonderheid uitgelegd in de arresten van 20 april 1993, Ponente Carni en Cispadana Costruzioni(2); 13 februari 1996, Bautiaa en Société française maritime(3), en 11 juni 1996, Denkavit Internationaal e.a.(4), geven aanleiding tot de volgende overwegingen:
8 Zoals blijkt uit haar considerans, strekte richtlijn 69/335 tot bevordering van het vrije kapitaalverkeer, dat een fundamentele voorwaarde wordt geacht voor de verwezenlijking van een economische unie waarvan de kenmerken overeenkomen met die van een binnenlandse markt. Om dit doel te bereiken, moesten eerst, wat de fiscale regeling van het bijeenbrengen van kapitaal betreft, de in de Lid-Staten van kracht zijnde indirecte belastingen worden afgeschaft en vervangen door een eenmalig binnen de gemeenschappelijke markt geheven kapitaalrecht, waarvan de hoogte in alle Lid-Staten gelijk was.
9 Richtlijn 69/335 voorziet onder meer in de heffing van een kapitaalrecht op het bijeenbrengen van kapitaal en blijkens de zesde en de zevende overweging van de considerans dient dit recht, teneinde het kapitaalverkeer niet te verstoren, te worden geharmoniseerd binnen de gemeenschappelijke markt, zowel wat zijn structuur als wat zijn percentages betreft. Dit recht wordt geregeld door de bepalingen van de artikelen 2 tot en met 9 van de richtlijn.
10 Artikel 3 bepaalt, op welke kapitaalvennootschappen de bepalingen van richtlijn 69/335 van toepassing zijn. Tot deze kapitaalvennootschappen behoort onder meer de naamloze vennootschap naar Frans recht.
11 Artikel 4, artikel 8, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 tot wijziging van richtlijn 69/335(5), en artikel 9 noemen, onverminderd de bepalingen van artikel 7, de verrichtingen die aan het kapitaalrecht zijn onderworpen, alsmede bepaalde verrichtingen die door de Lid-Staten van dit recht kunnen worden uitgezonderd.
12 Meer in het bijzonder bepaalt artikel 4:
"1. Aan het kapitaalrecht zijn de volgende verrichtingen onderworpen:
(...)
c) de vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door inbreng van zaken van welke aard ook;
d) de vermeerdering van het vennootschappelijk vermogen van een kapitaalvennootschap door inbreng van zaken van welke aard ook, waarvoor geen rechten worden toegekend die een aandeel in het vennootschappelijk kapitaal of in het vennootschappelijk vermogen vertegenwoordigen, doch rechten van dezelfde aard als die van vennoten, zoals stemrecht, recht op een aandeel in de winst of in het liquidatie-overschot;
(...)
2. De volgende verrichtingen kunnen aan het kapitaalrecht worden onderworpen(6):
(...)
b) de vermeerdering van het vennootschappelijk vermogen van een kapitaalvennootschap door prestaties van een vennoot, die geen vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal met zich brengen, maar beloond worden met een wijziging van de aandeelhoudersrechten of de waarde van de aandelen kunnen verhogen;
(...)"
13 Artikel 5, zoals gewijzigd bij richtlijn 74/553/EEG van de Raad van 7 november 1974(7), bepaalt dat het kapitaalrecht, in grote lijnen, wordt geheven op de grondslag van de werkelijke of de nominale waarde, naar gelang van het geval, van de ingebrachte zaken.
14 Voorts was aanvankelijk in artikel 7 van richtlijn 69/335 een marge vastgesteld, waarbinnen de Lid-Staten de op hun grondgebied geldende tarieven vrij mochten vaststellen. Dat artikel voorzag tevens in de verplichte of facultatieve toepassing van verlaagde tarieven, al naar gelang de aard van de belaste verrichting.
15 Deze bepaling is gewijzigd bij richtlijn 73/79/EEG van de Raad (PB 1973, L 103, blz. 13), richtlijn 73/80/EEG van de Raad (PB 1973, L 103, blz. 15), alsmede bij de reeds aangehaalde richtlijn 85/303 van de Raad.
16 Zoals het Hof heeft overwogen bij de uitlegging van de bepalingen van artikel 7 met betrekking tot een registratierecht van 1,20 % op de inbreng van roerende zaken in het kader van fusies van vennootschappen (artikelen 810-1 en 816 van de Franse Code général des impôts):
"Waar het onderhavige registratierecht wordt toegepast op binnen de werkingssfeer van richtlijn 69/335 vallende verrichtingen met betrekking tot de inbreng van kapitaal, is het te beschouwen als een kapitaalrecht in de zin van deze richtlijn (...)
Gelet op de achtereenvolgende wijzigingen, blijkt dat in de periode van 1 januari 1976 tot en met 31 december 1985 de handhaving, door een Lid-Staat, van een kapitaalrecht als het in geding zijnde onverenigbaar was met artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 69/335, zoals dit was gewijzigd bij richtlijn 73/80, waarin werd bepaald dat de in artikel 7, lid 1, sub b, bedoelde verlaagde tarieven niet hoger mochten zijn dan 0,50 %."(8)
17 Richtlijn 69/335 voorziet eveneens, overeenkomstig de laatste overweging van haar considerans, in de afschaffing van andere indirecte belastingen die dezelfde kenmerken hebben als het kapitaalrecht of het zegelrecht op aandelen en waarvan handhaving de beoogde doelstellingen in gevaar zou kunnen brengen. Deze indirecte belastingen, waarvan de heffing verboden is, worden opgesomd in de artikelen 10 en 11 van de richtlijn.
18 Artikel 10, waar het in casu om gaat, bepaalt:
"Behoudens het kapitaalrecht heffen de Lid-Staten met betrekking tot de op het maken van winst gerichte vennootschappen, verenigingen of rechtspersonen geen enkele andere belasting, in welke vorm ook, ter zake van:
a) de in artikel 4 bedoelde verrichtingen;
b) de inbreng, de leningen of de prestaties, verricht binnen het kader van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen;
c) de inschrijving of elke andere formaliteit die een op het maken van winst gerichte vennootschap, vereniging of rechtspersoon vanwege haar rechtsvorm in acht moet nemen alvorens met haar werkzaamheden te kunnen beginnen."
19 In artikel 12, lid 1, van richtlijn 69/335 wordt een limitatieve opsomming gegeven van de rechten en heffingen, anders dan het kapitaalrecht, die in afwijking van de artikelen 10 en 11 aan kapitaalvennootschappen kunnen worden opgelegd wegens de uitvoering van de in deze artikelen genoemde verrichtingen. Artikel 12 van de richtlijn noemt, in lid 1, onder meer bepaalde overdrachtsrechten (sub a en b), alsmede rechten met het karakter van een vergoeding (sub e). Lid 2 van artikel 12 verbiedt bepaalde vormen van discriminatie ten aanzien van de rechten en heffingen genoemd in lid 1 van datzelfde artikel.
III - De feiten
20 Zoals uit het verwijzingsvonnis blijkt, had de vennootschap Locamion de directeur des services fiscaux d'Indre-et-Loire bij deurwaardersexploot van 22 april 1994 voor het Tribunal de grande instance de Tours gedaagd. Zij stelde:
- dat de vennootschap Locamion bij besluit van de buitengewone algemene vergadering van 30 juni 1992 bij wege van overname was gefuseerd met de vennootschap France Location;
- dat naar aanleiding van deze verrichting alle activa en passiva van de vennootschap France Location, waaronder het voertuigenpark van 1 698 stuks, aan Locamion waren overgedragen;
- dat de vennootschap Locamion als verkrijgster van deze voertuigen op 28 augustus 1992 de prefect van het departement van haar vestiging te Tours had verzocht om de 1 698 voertuigen die zij door bovenbedoelde fusie bij wege van overname had verkregen, op haar naam te registreren.
Voor deze registratiecertificaten, die tussen september en december 1992 werden afgegeven, moesten per verkregen voertuig de in artikel 1599 octodecies (of liever gezegd sexdecies) van de Code général des impôts bedoelde belasting op registratiecertificaten voor voertuigen en de bij artikel 339 van bijlage II bij deze code ingestelde parafiscale heffing worden betaald.
In totaal werden 1 698 grijze kaarten op deze wijze bewerkt, zodat de kosten voor wijziging van de registratie 2 391 761 FF bedroegen.
21 Bij bezwaarschrift van 15 juni 1993 verzocht de vennootschap Locamion om terugbetaling van dit bedrag, op grond dat de betaling van een belasting op registratiecertificaten en van een parafiscale heffing naar aanleiding van een fusie bij wege van overname in strijd was met richtlijn 69/335.
22 Bij beschikking van 26 januari 1994 wees de directeur des services fiscaux d'Indre-et-Loire bovenbedoeld bezwaarschrift af.
23 In het bij de verwijzende rechter ingestelde beroep vordert de vennootschap Locamion, dat de beschikking van de directeur des services fiscaux de Tours van 26 januari 1994 ongegrond wordt verklaard, op grond dat de heffing van een belasting op registratiecertificaten en van de parafiscale heffing naar aanleiding van een fusie niet in overeenstemming is met richtlijn 69/335.
Tot staving van haar vordering voert de vennootschap Locamion enerzijds aan, dat fusies bij wege van overname binnen de werkingssfeer van richtlijn 69/335 vallen, en anderzijds, dat, aangezien de over de registratiecertificaten geheven rechten tot de categorie van de indirecte belastingen behoren, de heffing van dergelijke rechten naar aanleiding van een fusie bij wege van overname in strijd is met artikel 10 van de richtlijn, dat elke belasting, in welke vorm ook, buiten het kapitaalrecht verbiedt.
24 Met betrekking tot de aard van de belasting op registratiecertificaten en de parafiscale heffing stelt de vennootschap Locamion, dat naar Frans recht de belasting op registratiecertificaten met de zegelrechten samenhangt door de plaats van de desbetreffende artikelen in de Code général des impôts en door de bepalingen zelf van artikel 1599 quindecies, tweede alinea, luidende: "deze belasting heeft dezelfde grondslag en wordt geïnd als een zegelrecht".
Locamion stelt eveneens, dat het stelsel van de parafiscale heffing is afgekeken van dat van de registratiecertificaten in overeenstemming met artikel 339 van bijlage II bij de Code général des impôts.
Derhalve - aldus deze vennootschap - valt, gelet op de algemene begrippen die gelden voor de toepassing van het gemeenschapsrecht, de belasting, die niet een inkomen, doch een verrichting treft, onder de zeer ruime categorie van de indirecte belastingen waartoe de registratie- en zegelrechten behoren.
25 Voor zijn besluit tot afwijzing voert de directeur des services fiscaux d'Indre-et-Loire voor de verwijzende rechter aan, dat de belasting op registratiecertificaten voor voertuigen, behoudens in de wet voorziene uitzonderingen, verschuldigd is telkens wanneer door de bevoegde administratieve diensten een "grijze kaart" wordt afgegeven, ongeacht de aard van de verrichting die tot deze afgifte aanleiding geeft (overdracht onder bezwarende titel, overdracht om niet, verdeling, fusie van vennootschappen) en de eigenaar van het voertuig (rechtspersoon of particulier), en dat derhalve die belastingen, die volstrekt geen verband houden met het begrip kapitaalrecht, niet binnen de werkingssfeer van de betrokken gemeenschapsrichtlijn vallen.
26 De vennootschap Locamion werpt tegen, dat in bepaalde gevallen, zoals wijziging van de naam, door de schatkist enkel een vast recht wordt geheven, dat het in artikel 12 van de richtlijn bedoelde karakter van een vergoeding heeft, en dat dus niet de afgifte van de "grijze kaart", doch de wijziging van eigenaar als gevolg van de fusie de evenredige belasting opeisbaar maakt.
27 Gelet op het voorafgaande overwoog de verwijzende rechter dat, voor zover de fusie bij wege van overname binnen de werkingssfeer van richtlijn 69/335 valt, de vraag rijst of deze richtlijn rechten verbiedt die niet wegens de fusie bij wege van overname, doch wegens de wijziging van eigenaar over bepaalde goederen worden geheven, waarbij de fusie bij wege van overname slechts de aanleiding is voor de wijziging van eigenaar.
Voor de verwijzende rechter maakt die vraag niet alleen de uitlegging noodzakelijk van artikel 10 van richtlijn 69/335, dat elke andere belasting dan het kapitaalrecht verbiedt, doch ook van artikel 12, dat voorziet in uitzonderingen op het verbod, inzonderheid wat overdrachtsrechten betreft.
IV - De prejudiciële vragen
28 Gelet op het voorafgaande achtte de nationale rechter het noodzakelijk het Hof van Justitie de volgende twee vragen voor te leggen:
"1) Moeten de artikelen 4 en 7 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 aldus worden uitgelegd, dat deze richtlijn van toepassing is op de fusies bij wege van overname, omschreven in de artikelen 371 tot en met 372-2 van wet nr. 66.537 van 24 juli 1966 op de handelsvennootschappen?
2) Is de heffing door de Franse Staat van een evenredige belasting voor het opmaken van registratiecertificaten na een fusie bij wege van overname verenigbaar met het in artikel 10 van de richtlijn neergelegde verbod en, zo neen, valt zij dan onder de voorschriften van artikel 12?"
V - De vragen
A - De eerste vraag
29 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een in de artikelen 371 tot en met 372-2 van de Franse wet op de handelsvennootschappen geregelde fusie bij wege van overname van vennootschappen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, binnen de werkingssfeer van de artikelen 4 en 7 van richtlijn 69/335 valt.
30 In haar schriftelijke opmerkingen stelt verzoekster in het hoofdgeding met een beroep op het reeds aangehaalde arrest Bautiaa en Société française maritime(9), dat de betrokken fusie bij wege van overname onder artikel 4, lid 1, sub c, van de richtlijn valt. De Commissie deelt deze zienswijze en voegt hieraan toe, dat verrichtingen als hierboven bedoeld krachtens artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, zoals gewijzigd, zijn vrijgesteld van het kapitaalrecht. Volgens de Franse regering ten slotte vallen de betrokken verrichtingen zonder enige twijfel onder de richtlijn.
31 Ik betwijfel, of de elementen die uit het verwijzingsvonnis en in het algemeen uit de stukken van de zaak kunnen worden afgeleid een antwoord op de eerste vraag mogelijk maken, en of dit antwoord nuttig is voor de oplossing van het geding waarover de verwijzende rechter uitspraak moet doen.
32 De verwijzende rechter zij vooraf eraan herinnerd, dat het wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, noodzakelijk is dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Bovendien moeten de in de verwijzingsbeschikkingen verstrekte inlichtingen en gestelde vragen niet enkel het Hof in staat stellen een nuttig antwoord te geven, doch ook de regeringen van de Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid bieden, overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG opmerkingen in te dienen.(10)
33 In casu vermeldt de verwijzende rechter, die slechts de respectieve verklaringen van partijen in het hoofdgeding heeft overgenomen, geen enkel concreet feit met betrekking tot de fusie bij wege van overname van France Location door Locamion. Voorts vermeldt hij evenmin de inhoud van de in de eerste prejudiciële vraag genoemde artikelen van de Franse wet op de naamloze vennootschappen(11), waardoor het Hof, zij het indirect, in staat zou zijn geweest om uit te maken om welke fusie bij wege van overname het in casu ging, met andere woorden, om kennis te nemen van de voorwaarden en gevolgen ervan.
34 De door Locamion bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen bevatten in elk geval in bijlage de notulen van de buitengewone algemene vergadering van 30 juni 1992 van deze vennootschap, die werden genoemd in het bezwaarschrift dat leidde tot de beschikking waartegen bij de verwijzende rechter beroep is ingesteld.(12)
Uit deze notulen kan worden afgeleid, dat de algemene vergadering besluiten heeft genomen met betrekking tot onder meer een fusie bij wege van overname van enerzijds de vennootschap France Location, die een naamloze vennootschap blijkt te zijn, en anderzijds twee dochtermaatschappijen van deze laatste vennootschap, te weten Sleco en Garage Michel SA. Wat de eerste fusie betreft, waar het in casu om gaat, vermelden deze notulen meer in het bijzonder, dat Locamion als gevolg van een inbreng reeds sinds 1991 eigenares was van alle aandelen van France Location. Gelet hierop - aldus deze notulen - heeft de inbreng van alle goederen, rechten en verplichtingen van France Location, waardoor de fusie bij wege van overname van deze vennootschap "definitief is geworden", geen vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van Locamion tot gevolg. Volgens deze notulen vond de fusie plaats op 1 januari 1992, doch wordt nergens melding gemaakt van een eventuele tegenprestatie voor de inbreng van de goederen, rechten en verplichtingen van France Location.(13)
35 Door het fragmentarische karakter van deze gegevens is het moeilijk om de betrokken inbreng-fusie van France Location onder een van de bovengenoemde, in artikel 4 van de richtlijn bedoelde situaties te brengen.
36 Aangezien de overdracht van de goederen van France Location (daaronder begrepen een voertuigenpark van 1 698 stuks, zoals blijkt uit het verwijzingsvonnis) geen vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van Locamion tot gevolg heeft gehad, zoals uitdrukkelijk wordt vermeld in deze notulen van de algemene vergadering, zie ik concreet niet in hoe deze verrichting onder artikel 4, lid 1, sub c, van de richtlijn zou kunnen vallen, welke bepaling spreekt van de vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door inbreng van zaken van welke aard ook. Bovendien moeten, zoals duidelijk wordt aangetoond wanneer sub c wordt uitgelegd in samenhang met het daaropvolgende sub d, voor de inbreng die een vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal tot gevolg heeft, rechten worden toegekend die een aandeel in het vennootschappelijk kapitaal vertegenwoordigen, hetgeen in casu niet duidelijk blijkt.(14)
37 Is men voorts van mening, dat de inbreng van de goederen van France Location en inzonderheid van het betrokken voertuigenpark het vennootschappelijk vermogen(15) van Locamion heeft vermeerderd, dan is de indeling van de betrokken situatie onder artikel 4, lid 1, sub d, van de richtlijn, net zo problematisch: deze bepaling vereist immers uitdrukkelijk, dat voor de inbreng rechten van dezelfde aard als die van vennoten worden toegekend (en geen rechten die een aandeel in het vennootschappelijk kapitaal of in het vennootschappelijk vermogen vertegenwoordigen), waarvan in casu niet duidelijk blijkt, of zulks is geschied.
38 Indeling van de onderhavige situatie onder artikel 4, lid 2, van de richtlijn zou nog discutabeler zijn: de in deze bepaling bedoelde vermeerdering van het vennootschappelijk vermogen, die in beginsel niet aan een kapitaalrecht is onderworpen, kan immers aan een dergelijk recht worden onderworpen, voor zover deze verrichting op 1 juli 1984 tegen het tarief van 1 %(16) werd belast, terwijl daarvoor enerzijds een inbreng door een persoon die reeds vennoot van de vennootschap is en anderzijds het bestaan van een tegenprestatie voor deze inbreng zijn vereist.
39 Met een beroep op de rechtsoverwegingen 34 tot en met 36 van het reeds aangehaalde arrest Bautiaa en Société française maritime stelt Locamion, zoals reeds gezegd, dat het vraagstuk van de indeling van fusies van kapitaalvennootschappen onder artikel 4, lid 1, sub c, van de richtlijn, is opgelost. De Franse regering en de Commissie delen deze zienswijze.
40 Opgemerkt zij, dat het in deze zaken ging om de vraag, of een kapitaalrecht op een fusie van vennootschappen, als bedoeld in de Franse Code général des impôts, al dan niet verenigbaar was met het gemeenschapsrecht. Zowel het juridisch kader als de feiten van de hoofdgedingen waren voldoende duidelijk om het Hof in staat te stellen te overwegen, dat verrichtingen als die welke in de hoofdgedingen aan de orde waren, binnen de werkingssfeer van richtlijn 69/335 vielen en moesten worden getoetst aan artikel 4, lid 1, sub c, van de richtlijn (vermeerdering van het kapitaal door inbreng van zaken van welke aard ook), met de gevolgen die hieruit voortvloeiden voor de toepassing van het tarief van het kapitaalrecht ingevolge artikel 7, lid 1, sub b (r.o. 38). Voorts overwoog het Hof in rechtsoverweging 36 van dit arrest, dat "de in de nationale bepaling gebezigde term $fusie' duidelijk [doelt] op een verrichting met betrekking tot het bijeenbrengen van kapitaal, die bestaat in de vermeerdering van het kapitaal van een vennootschap (...) door de inbreng door een andere vennootschap (...) van al haar activa. Bovendien heeft deze verrichting met betrekking tot het bijeenbrengen van kapitaal ten doel, een andere, reeds bestaande vennootschap - de overnemende vennootschap -, te versterken: het kapitaal van deze laatste vennootschap wordt vermeerderd met de inbreng door de aandeelhouders van de overgenomen vennootschap (...)".
41 Mijns inziens kan uit deze overwegingen niet worden afgeleid, dat volgens het arrest Bautiaa en Société française maritime elke soort van fusie of elke soort van inbreng van activa van een vennootschap in een andere vennootschap in het kader van een fusie zonder meer onder artikel 4, lid 1, sub c, van de richtlijn valt. Er kan enkel sprake zijn van een onder deze bepaling vallende fusie indien onder meer voor de inbreng van kapitaal rechten worden toegekend die een aandeel in het vennootschappelijk kapitaal vertegenwoordigen.
42 Hiermee bedoel ik uiteraard niet te zeggen, dat de fusie waarop de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft, niet onder artikel 4 van de richtlijn valt. Ik wil er enkel op wijzen, dat er niet voldoende elementen feitelijk en rechtens zijn om deze fusie met zekerheid onder een van de in artikel 4 van de richtlijn genoemde situaties te kunnen brengen.
43 Eventueel zou kunnen worden aangenomen, dat de inbreng waarop het besluit van de algemene vergadering van verzoekster in het hoofdgeding betrekking heeft, niet meer dan een "modaliteit"(17) was van de gehele procedure met betrekking tot de fusie bij wege van overname van France Location door Locamion, die was begonnen met de "inbreng" van de aandelen van de eerste vennootschap in de tweede in het voorafgaande jaar (1991) en dat deze fusie bij wege van overname paste in het kader van een vermeerdering van het kapitaal van Locamion, dat wil zeggen van een hergroepering van het kapitaal alsmede van de versterking van het economisch potentieel van de overgenomen vennootschap in de zin van de richtlijn. In dat geval zou op de eerste vraag kunnen worden geantwoord, dat een dergelijke fusie onder artikel 4, lid 1, sub c, van de richtlijn kan vallen, met de gevolgen die hieruit voortvloeien voor het ingevolge artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn toepasselijke tarief.
44 Mijns inziens is een dergelijk antwoord evenwel niet nodig voor de oplossing van het geding waarover de verwijzende rechter uitspraak moet doen. Aan dit geding ligt niet de heffing van een kapitaalrecht over een inbreng of een fusie bij wege van overname ten grondslag, in welk geval de vraag zou moeten worden gesteld, of de fusie onder artikel 4 valt, laat staan dat de vraag moet worden gesteld hoe het ingevolge artikel 7 van de richtlijn toepasselijke tarief van het kapitaalrecht wordt vastgesteld.(18) Het geding spruit voort uit de heffing van een andere belasting, en wel die ter zake van de afgifte van registratiecertificaten voor voertuigen die per definitie deel uitmaakten van het vennootschappelijk vermogen van een vennootschap die door verzoekster is overgenomen, en heeft betrekking op de vraag, of de belasting op deze verrichting onder de richtlijn valt. Zoals hierna zal worden uiteengezet, heeft de richtlijn en zeker artikel 10 ervan geen betrekking op de in geding zijnde belasting ter zake van de afgifte van registratiecertificaten voor voertuigen, aangezien zij volstrekt geen verband houdt met het kapitaalrecht, ongeacht of de fusie in het kader waarvan de voertuigen zijn ingebracht al dan niet onder artikel 4 van deze richtlijn valt.
45 Aangezien de indeling van de betrokken fusie bij wege van overname onder artikel 4 van de richtlijn hoe dan ook een feitelijke hypothese vormt, zal ik deze voor het antwoord op de tweede vraag als gegeven beschouwen.
B - De tweede vraag
46 Met het eerste onderdeel van deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of een registratiebelasting op voertuigen als die welke in casu wordt geheven, in overeenstemming is met artikel 10 van de richtlijn, ingeval deze voertuigen zijn ingebracht in het kader van een fusie bij wege van overname van vennootschappen die onder artikel 4 van de richtlijn valt.
Met het tweede onderdeel van deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ingeval het eerste onderdeel van de vraag ontkennend wordt beantwoord, de heffing van deze belasting is toegestaan op grond van artikel 12 van de richtlijn.
47 Vooraf zij opgemerkt, dat het verwijzingsvonnis in het kader van de uiteenzetting van de feiten van de zaak slechts zuiver incidenteel vermeldt, dat in casu eveneens een "parafiscale" heffing was opgelegd. Voorts beperkt de tweede prejudiciële vraag zich uitdrukkelijk tot de vraag naar de verenigbaarheid van de evenredige belasting met de richtlijn. Voor zover de schriftelijke opmerkingen van Locamion en de Commissie eveneens betrekking hebben op de vraag naar de verenigbaarheid van de "parafiscale" heffing met het gemeenschapsrecht, kan hiermee derhalve geen rekening worden gehouden, omdat deze opmerkingen het voorwerp van de prejudiciële vraag ten onrechte uitbreiden.(19) Deze conclusie geldt ongetwijfeld te meer wanneer, zoals in casu, een van de partijen in het hoofdgeding het Hof verzoekt een vraag te onderzoeken die voor de nationale rechter is opgeworpen, doch naar aanleiding waarvan deze rechter, zij het impliciet, heeft geweigerd een prejudiciële vraag te stellen.(20)
Het eerste onderdeel van de tweede vraag
48 Voor het antwoord op het eerste onderdeel van de tweede vraag moet worden nagegaan, of de in geding zijnde belasting binnen de werkingssfeer van artikel 10 van de richtlijn valt. Daartoe moet om te beginnen dit artikel worden uitgelegd en vervolgens de in geding zijnde belasting worden gekarakteriseerd in het licht van de richtlijn.
49 Tevoren zij eraan herinnerd, dat volgens het Hof "artikel 10 van richtlijn 69/335, gelezen met inachtneming van haar laatste overweging, (...) met name indirecte belastingen [verbiedt] die dezelfde kenmerken vertonen als het kapitaalrecht".(21)
Bedoeld zijn in de eerste plaats de belastingen die, in welke vorm ook, verschuldigd zijn voor de in artikel 4 van de richtlijn opgesomde verrichtingen (artikel 10, sub a), dat wil zeggen, onder meer, "voor de oprichting of vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap".(22)
Bedoeld zijn in de tweede plaats de belastingen die verschuldigd zijn voor inbreng, leningen of prestaties, verricht binnen het kader van de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde verrichtingen (artikel 10, sub b), dat wil zeggen, zoals moet worden toegegeven, voor verrichtingen die bijdragen tot de oprichting van een kapitaalvennootschap of tot de vermeerdering van haar kapitaal etc. of die onontbeerlijk zijn met het oog op de verwezenlijking of de voltooiing van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen.
Bedoeld is in de derde plaats elke belasting ter zake van de inschrijving of elke andere formaliteit die een vennootschap vanwege haar rechtsvorm in acht moet nemen alvorens met haar werkzaamheden te kunnen beginnen (artikel 10, sub c). Zoals het Hof in het arrest Denkavit Internationaal onder verwijzing naar punt 44 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij dit arrest heeft erkend, "wordt dit laatste verbod gerechtvaardigd door het feit dat hoewel de betrokken belastingen niet worden geheven over de inbreng van kapitaal als zodanig, zij niettemin worden geheven ter zake van formaliteiten die verband houden met de rechtsvorm van de vennootschap, dat wil zeggen het medium dat voor het bijeenbrengen van kapitaal wordt gebruikt, zodat de handhaving van deze belastingen eveneens de doelstellingen van de richtlijn zou dreigen te doorkruisen".(23)
50 Uit het voorgaande kan worden afgeleid, dat dit laatste verbod niet doelt op elke soort van inschrijving of formaliteit die nodig is voor de uitoefening van de werkzaamheden van de vennootschap. De richtlijn en inzonderheid haar artikel 10 hadden niet tot doel, de vennootschappen in het algemeen vrij te stellen van elke indirecte belasting op grond dat zij zich bezighielden met het bijeenbrengen van kapitaal. Voor het in artikel 10 bedoelde geval is bovendien uitdrukkelijk vereist, dat de vennootschap de inschrijving of de betrokken formaliteit in acht neemt vanwege haar rechtsvorm, dat wil zeggen in haar hoedanigheid als kapitaalvennootschap.
51 De inschrijving of deze formaliteiten omvatten noodzakelijkerwijs openbaarheidsformaliteiten en inzonderheid de verplichte registratie in de vennootschapsregisters waarin de fundamentele wijzigingen die de vennootschap ondergaat worden ingeschreven (en waarop de overheid dankzij deze registers toezicht houdt), zoals haar oprichting, de vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal, statutenwijzigingen, etc., welke formaliteiten zijn opgelegd in het openbaar belang, in het belang van de medecontractanten van de vennootschappen en voorts in het belang van de vennoten zelf. Bovendien wordt het bijhouden van deze registers en de inachtneming van dergelijke openbaarheidsformaliteiten sinds richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968(24) eveneens voorgeschreven door het gemeenschapsrecht (zie de artikelen 1 en 2 van deze richtlijn).
52 Om uit te maken, of de in de artikelen 1599 quindecies en volgende van de Franse Code général des impôts voorgeschreven registratiebelasting op voertuigen onder artikel 10 van de richtlijn valt, moet, zoals reeds gezegd, worden vastgesteld of het belastbare feit, dat wil zeggen de registratie van het voertuig, hetzij aanvankelijk, hetzij later, onder een van de in artikel 10 van de richtlijn opgesomde situaties valt.
53 Er zij aan herinnerd, dat het Hof in het arrest Ponente Carni en Cispadana Costruzioni, onder verwijzing naar het verbod om over het hergroeperen van kapitaal andere indirecte belastingen dan het kapitaalrecht te heffen (laatste overweging van de considerans van richtlijn 69/335), heeft overwogen: "Deze indirecte belastingen, waarvan de heffing verboden is, worden opgesomd in de artikelen 10 en 11 van de richtlijn."(25) Deze artikelen, en inzonderheid artikel 10, waar het in casu om gaat, bepalen de fundamentele kenmerken van de verboden heffingen, dat wil zeggen bepalen welke verrichtingen worden belast en wie belastingplichtig zijn. De opsomming moet dus worden geacht limitatief en niet indicatief te zijn: de artikelen 10 en 11 concretiseren immers de laatste overweging van de considerans van de richtlijn. Hieruit volgt, dat een heffing die niet de kenmerken van de in de artikelen 10 en 11 bedoelde heffingen vertoont, niet onder de richtlijn valt (en derhalve is toegestaan), zonder dat behoeft te worden nagegaan, of zij niet eventueel andere, met het kapitaalrecht en het zegelrecht vergelijkbare kenmerken vertoont, dat wil zeggen of zij niet eventueel, gelet op de laatste overweging van de considerans, onder de richtlijn valt.
54 Jammer genoeg bevatten noch het verwijzingsvonnis, noch de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen meer gegevens betreffende de artikelen R-110 tot en met R-119-1 van de Franse Code de la route, die volgens de Commissie de registratie regelen van de voertuigen waar het in casu om gaat. Uit de beschikbare gegevens kan het volgende worden afgeleid: alle auto's moeten worden geregistreerd in een specifiek register wanneer zij voor het eerst of door een nieuwe eigenaar opnieuw in het verkeer worden gebracht. Daartoe legt de oude of de nieuwe eigenaar een verklaring over aan de administratie, die een registratiecertificaat afgeeft, waarvoor de in geding zijnde evenredige belasting in de vorm van een zegelrecht moet worden betaald. De memorie die de direction générale des impôts in het kader van de procedure in het hoofdgeding bij de verwijzende rechter heeft neergelegd, bevat in bijlage een van de aan Locamion afgegeven registratiecertificaten. Dit certificaat vermeldt de naam van de nieuwe eigenaar, het nummer en de datum waarop het voertuig voor het eerst in het verkeer is gebracht, alsmede de technische karakteristieken van het voertuig, zoals het type voertuig, het merk, het model, het motor- en chassisnummer, het gewicht, het vermogen in pk etc. Ten slotte is er een vak waarin de technische controles van het voertuig moeten worden geregistreerd en de datum van de volgende technische controle moet worden vermeld.
55 Uit deze gegevens blijkt duidelijk, dat de doelstelling van de autoregistratie niet alleen het toezicht op de wijzigingen van eigenaar is, doch ook het regelmatige toezicht door middel van de technische controles op de technische staat van het voertuig om voor de hand liggende redenen van openbaar belang, zoals de veiligheid van de weggebruikers en van het publiek. Ook kan logischerwijs worden aangenomen, dat de inschrijving en de periodieke controle van de identificatiegegevens van het voertuig erop zijn gericht, een eventuele vervalsing van deze gegevens gedurende de periode waarin deze voertuigen aan het verkeer deelnemen of naar aanleiding van de wijziging van eigenaar op te sporen.
56 Gelet hierop, is het mijns inziens duidelijk, dat in casu de registratie van een voertuig, waarover de in geding zijnde evenredige belasting wordt geheven, noch onder het eerste, noch onder het tweede, noch zelfs onder het derde lid van artikel 10 van de richtlijn valt. In casu is immers aan geen van de voorwaarden van deze laatste bepaling voldaan. Juist de inschrijving of elke andere formaliteit in de zin van deze laatste bepaling is gericht op de hierboven (zie punt 45) vermelde doelstellingen, die volstrekt verschillen van de doelstellingen die worden nagestreefd met de registratie waarom het in casu gaat. In het geval van de richtlijn gaat het om formaliteiten die uitsluitend door op winst gerichte rechtspersonen in acht moeten worden genomen, terwijl in casu, zoals de Franse regering terecht opmerkt in haar schriftelijke opmerkingen, elke eigenaar van een voertuig, ongeacht of het een natuurlijke dan wel rechtspersoon betreft en ongeacht of hij al dan niet op winst is gericht, in het bezit van een registratiecertificaat dient te zijn. De in artikel 10, sub c, van de richtlijn bedoelde inschrijving en andere formaliteiten hebben betrekking op wijzigingen als gevolg van de inbreng van welke vermogensbestanddelen ook, terwijl de registratie waarvan in casu sprake is, enkel betrekking heeft op voertuigen. Ten slotte dient in geval van de richtlijn de rechtspersoon de inschrijving of elke andere formaliteit enkel vanwege zijn rechtsvorm in acht te nemen, terwijl dit criterium irrelevant is waar het om de registratie van een voertuig gaat.
57 Uit het voorgaande volgt, dat de in geding zijnde heffing met betrekking tot twee van de fundamentele kenmerken van fiscale heffingen in het algemeen, dat wil zeggen de belastingplichtige en het belastbare feit, verschilt van de krachtens artikel 10 van de richtlijn verboden heffingen. Zoals de Franse regering terecht stelt, volstaat deze omstandigheid om de in geding zijnde belasting van de werkingssfeer van dit artikel uit te sluiten.
58 Hieraan zij, zij het ten overvloede, toegevoegd, dat volgens de nationale bepalingen de evenredige belasting wordt berekend op basis van het in paardenkracht uitgedrukte vermogen van het voertuig, terwijl de kapitaalrechten (en uiteraard de daarmee krachtens artikel 10 gelijkgestelde rechten) worden berekend op de grondslag van de werkelijke of de nominale waarde, naar gelang van het geval, van de ingebrachte zaken (zie artikel 5 van de richtlijn, punt 13 hierboven).
Voorts wordt volgens bovengenoemde bepalingen van de Code général des impôts het tarief van de in geding zijnde evenredige belasting in verschillende gevallen (inzonderheid op grond van de leeftijd, de aard, het gewicht, etc. van het voertuig) verlaagd, waaruit blijkt, dat de belasting uitsluitend betrekking heeft op motorvoertuigen en niet noodzakelijkerwijs op in het kader van een fusie bij wege van overname ingebrachte zaken of in het algemeen op een verrichting met betrekking tot het bijeenbrengen van kapitaal. Derhalve houdt, gelet op de vorm en structuur ervan, de in geding zijnde registratiebelasting op voertuigen geen verband met de in de richtlijn bedoelde heffingen.
59 De door Locamion en de Commissie aangevoerde tegenargumenten zijn niet overtuigend. Ik zal een aantal van deze argumenten kort de revue laten passeren.
60 Het argument dat de in geding zijnde belasting onder artikel 10 van de richtlijn valt, dat alle indirecte belastingen met uitzondering van het kapitaalrecht verbiedt, is gebaseerd op een onjuiste hypothese: zoals reeds gezegd, is het in het betrokken artikel neergelegde verbod immers beperkt tot de indirecte belastingen die dezelfde kenmerken als het kapitaalrecht vertonen en die betrekking hebben op de in artikel 10, sub a tot en met c, opgesomde verrichtingen. Aan deze voorwaarden wordt in casu evenwel niet voldaan.
61 Om dezelfde reden is het argument van de Commissie, dat de in geding zijnde belasting een "financiële last" voor de onderneming vormt op grond dat de heffing ervan de verrichting met betrekking tot het bijeenbrengen van kapitaal belast, niet ter zake dienend: de richtlijn heeft immers uitsluitend tot doel, de fiscale en financiële lasten in het algemeen die dezelfde kenmerken als het kapitaalrecht vertonen af te schaffen en niet de ingebrachte goederen van elke andere fiscale last vrij te stellen.
62 Ten slotte is gesteld, dat overeenkomstig artikel 1599 octodecies van de Code général des impôts voor de afgifte van een "grijze kaart" na wijziging van de echtelijke of burgerlijke staat (in geval van natuurlijke personen) of na eenvoudige wijziging van de handelsnaam (in geval van rechtspersonen) niet een evenredige, doch een vaste belasting werd geheven. Hieruit is getracht af te leiden, dat de evenredige belasting wegens eigendomsovergang (in casu van het voertuig) was verschuldigd en derhalve onder de richtlijn viel.
Deze argumenten kunnen niet worden aanvaard. Om te beginnen is de in geding zijnde belasting verschuldigd wegens het in het verkeer brengen of het opnieuw in het verkeer brengen van het voertuig door hetzij de eigenaar zelf, hetzij de nieuwe eigenaar, en niet uitsluitend in geval van overdracht van voertuigen. Het feit van de eigendomsoverdracht is op zichzelf hoe dan ook niet bepalend voor de indeling van de in geding zijnde belasting onder de richtlijn. Het spreekt vanzelf, dat voor elke inbreng een eigendomsoverdracht is vereist. De richtlijn ziet evenwel niet op elke eigendomsoverdracht; met andere woorden, zij heeft geen betrekking op de harmonisatie van overdrachtsrechten. Zij heeft betrekking op een bijzondere vorm van eigendomsoverdracht, in casu de inbreng van kapitaal en andere vermogensbestanddelen ter wille van het hergroeperen van kapitaal door kapitaalvennootschappen. Dit doel verschilt van het oogmerk waarmee een overdracht van voertuigen plaatsvindt (verkoop, schenking, erfenis, etc.).
Hieruit volgt, dat het kapitaalrecht (en de daarmee gelijkgestelde rechten) in de zin van de richtlijn en de registratiebelasting op voertuigen, beschouwd aan de hand van hun objectieve kenmerken en niet van incidentele criteria(26), naar hun aard verschillen en geen enkel verband met elkaar houden.
Aangezien voorts de in geding zijnde registratiebelasting, gelet op haar objectieve kenmerken, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, doch tot de bevoegdheid van de nationale wetgever behoort, volstaat het feit, dat deze laatste een aantal speciale gevallen van voertuigenregistratie (zoals in geval van wijziging van de burgerlijke staat of gezinssituatie van natuurlijke personen of in geval van eenvoudige wijziging van de handelsnaam van een rechtspersoon) fiscaal gunstiger behandelt, op zich niet om de aard van deze belasting te wijzigen en haar binnen de werkingssfeer van de richtlijn te doen vallen.
Het tweede onderdeel van de tweede vraag
63 Het Hof heeft overwogen, dat "in artikel 12, lid 1, van richtlijn 69/335 (...) een limitatieve opsomming [wordt] gegeven van de heffingen en rechten, anders dan het kapitaalrecht, die in afwijking van de artikelen 10 en 11 aan kapitaalvennootschappen kunnen worden opgelegd naar aanleiding van de verrichtingen bedoeld in deze artikelen".(27) Derhalve staat artikel 12 belastingen toe die in beginsel verboden zijn, met andere woorden belastingen die in beginsel binnen de werkingssfeer van de artikelen 10 en 11 vallen.
64 Aangezien de in geding zijnde belasting niet binnen de werkingssfeer van artikel 10 valt en geen verband houdt met het voorwerp van artikel 11(28), is zij niet in strijd met de richtlijn. Er behoeft dus niet te worden nagegaan, of deze belasting al dan niet binnen de werkingssfeer van artikel 12 valt, zodat het tweede onderdeel van de tweede prejudiciële vraag niet behoeft te worden beantwoord.
VI - Conclusie
Gezien het voorgaande geef ik in overweging, op het eerste onderdeel van de tweede vraag te antwoorden als volgt:
"Artikel 10 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, moet aldus worden uitgelegd, dat de richtlijn niet verbiedt, dat voor rekening van een kapitaalvennootschap een evenredige belasting op de registratie van motorvoertuigen als die waarom het in het hoofdgeding gaat, wordt geheven, ook wanneer deze voertuigen tevoren deel uitmaakten van de activa van een andere kapitaalvennootschap die na de inbreng van al haar activa en passiva door eerstgenoemde vennootschap is overgenomen."
(1) - PB 1969, L 249, blz. 25.
(2) - Gevoegde zaken C-71/91 en C-178/91, Jurispr. 1993, blz. I-1915, r.o 19 e.v.
(3) - Gevoegde zaken C-197/94 en C-252/94, Jurispr. 1996, blz. I-505, r.o. 6 e.v.
(4) - Zaak C-2/94, Jurispr. 1996, blz. I-2827, r.o. 16 e.v.
(5) - PB 1985, L 156, blz. 23.
(6) - Artikel 4, lid 2, aanhef, is krachtens richtlijn 85/303 vervangen door: "2. Voor zover zij op 1 juli 1984 tegen het tarief van 1 % werden belast, mogen de volgende verrichtingen aan het kapitaalrecht onderworpen blijven."
(7) - PB 1974, L 303, blz. 9.
(8) - Zie arrest Bautiaa en Société française maritime, reeds aangehaald, r.o. 40 en 41.
(9) - Zie voetnoot 3 hierboven.
(10) - Zie, onder meer, beschikkingen van 2 februari 1996 (zaak C-257/95, Bresle, Jurispr. 1996, blz. I-233, r.o. 16 respectievelijk r.o. 19), en 21 december 1995 (zaak C-307/95, Max Mara, Jurispr. 1995, blz. I-5083, r.o. 6 respectievelijk r.o. 7).
(11) - In haar schriftelijke opmerkingen noemt de Commissie het volgende fragment van artikel 371 van de Franse Code de commerce (wet nr. 88.17 van 15 januari 1988): "Een of meer vennootschappen kunnen bij wege van fusie hun vermogen overdragen aan een bestaande vennootschap of aan een door hen op te richten nieuwe vennootschap." Ik veronderstel, dat het hier gaat om een bepaling van de, in 1988 gewijzigde, wet van 24 juli 1966 die in de Code de commerce is opgenomen. Zelfs in dit geval kan evenwel niet worden aangenomen, dat het wettelijk kader waarvan de eerste vraag deel uitmaakt, bekend is, aangezien op zijn minst de drie andere aldaar genoemde artikelen ontbreken.
(12) - Opgemerkt zij, dat de aan het Hof overgelegde stukken van de zaak de betrokken notulen niet bevatten. Derhalve is onbekend, of de verwijzende rechter hiervan kennis heeft genomen.
(13) - Deze notulen vermelden daarentegen uitdrukkelijk, dat de fusie van de dochtermaatschappijen Sleco en Garage Michel (die als gevolg van de eerste fusie dochtermaatschappijen van Locamion zijn geworden) de vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van Locamion tot gevolg had, alsook de emissie van nieuwe aandelen die, als tegenprestatie voor de inbreng, ter beschikking van de andere aandeelhouders van de twee dochtermaatschappijen moesten worden gesteld.
(14) - Zie punt 22 en voetnoot 16 van mijn conclusie bij het arrest Bautiaa en Société française maritime, reeds aangehaald.
(15) - Het vennootschappelijk vermogen, een economisch gegeven dat zich onderscheidt van het vennootschappelijk kapitaal, is onderhevig aan fluctuaties, die eventueel, doch niet noodzakelijkerwijs, een vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal tot gevolg kunnen hebben.
(16) - Zie voetnoot 6 hierboven.
(17) - Zie arrest Bautiaa en Société française maritime, reeds aangehaald, r.o. 37.
(18) - Opgemerkt zij, dat uit geen enkel element kan worden opgemaakt, of de fusie aan het kapitaalrecht is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld.
(19) - Zie arresten van 9 december 1965 (zaak 44/65, Hessische Knappschaft, Jurispr. 1965, blz. 1147); 15 juni 1972 (zaak 5/72, Grassi, Jurispr. 1972, blz. 443, r.o. 4); 15 juli 1982 (zaak 270/81, Felicitas, Jurispr. 1982, blz. 2771, r.o. 9); 3 oktober 1985 (zaak 311/84, CBEM, Jurispr. 1985, blz. 3261, r.o. 10); 14 november 1985 (zaak 299/84, Neumann, Jurispr. 1985, blz. 3663, r.o. 11 en 12); 5 oktober 1988 (zaak 247/86, Alsatel, Jurispr. 1988, blz. 5987, r.o. 7 en 8); 9 januari 1990 (zaak C-337/88, SAFA, Jurispr. 1990, blz. I-1, r.o. 20); 11 oktober 1990 (zaak C-196/89, Nespoli en Crippa, Jurispr. 1990, blz. I-3647, r.o. 23); 24 maart 1992 (zaak C-381/89, Syndesmos Melon tis Eleftheras Evangelikis Ekklisias e.a., Jurispr. 1992, blz. I-2111, r.o. 18 en 19); 12 november 1992 (gevoegde zaken C-134/91 et C-135/91, Kerafina - Keramische und Finanz-Holding en Vioktimatiki, Jurispr. 1992, blz. I-5699, r.o. 16), en 2 juni 1994 (zaak C-30/93, AC-ATEL Electronics Vertriebs, Jurispr. 1994, blz. I-2305, r.o. 18 en 19). Vergelijk eveneens arrest van 21 mei 1987 (zaak 97/85, Deutsche Lebensmittelwerke, Jurispr. 1987, blz. 2265, r.o. 12).
(20) - Zie arresten Alsatel (r.o. 8) en AC-ATEL Electronics Vertriebs (r.o. 19), beide reeds aangehaald in de vorige voetnoot.
(21) - Zie arrest Denkavit Internationaal, reeds aangehaald in voetnoot 4, r.o. 23.
(22) - Ibidem.
(23) - Ibidem.
(24) - PB 1968, L 65, blz. 8. Zie, in deze zin, de conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij het arrest Ponente Carni en Cispadana Costruzioni, reeds aangehaald, punt 10 e.v.
(25) - R.o. 23.
(26) - Zie arrest Bautiaa en Société française maritime, reeds aangehaald, r.o. 39.
(27) - Zie arrest Denkavit Internationaal, reeds aangehaald in voetnoot 4, r.o. 21. Zie eveneens arrest van 2 februari 1988 (zaak 36/86, Dansk Sparinvest, Jurispr. 1988, blz. 409, r.o. 9).
(28) - Het verbod van belastingheffing over aandelen, deelbewijzen, leningen of andere soortgelijke verhandelbare effecten.
Full & Egal Universal Law Academy