Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 De onderhavige prejudiciële verwijzing betreft richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten(1) (hierna: "televisierichtlijn"). Het gaat daarbij in wezen om vragen waarmee het Hof zich in twee arresten van 10 september 1996 reeds bezig heeft gehouden. Deze arresten zijn gewezen in niet-nakomingszaken, waarin de Commissie beroep heeft ingesteld tegen het Verenigd Koninkrijk(2) en tegen het Koninkrijk België.(3)
Toepasselijke gemeenschapsbepalingen
2 De voor de onderhavige zaak relevante bepalingen van de televisierichtlijn zijn opgenomen in artikel 2 daarvan. Deze bepaling luidt als volgt:
"1. Elke Lid-Staat ziet erop toe dat alle televisie-uitzendingen
- van televisie-omroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen of
- van televisie-omroeporganisaties die van een door hem verleende frequentie of capaciteit van een satelliet of een in deze Lid-Staat gelegen verbinding naar een satelliet toe gebruik maken, maar niet onder de bevoegdheid van een van de Lid-Staten vallen,
voldoen aan de wettelijke voorschriften voor uitzendingen die bestemd zijn voor het publiek in die Lid-Staat.
2. De Lid-Staten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren niet de doorgifte op hun grondgebied van televisie-uitzendingen uit andere Lid-Staten om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen. De Lid-Staten mogen de doorgifte van televisie-uitzendingen voorlopig schorsen indien:
a) een televisie-uitzending uit een andere Lid-Staat een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk vormt op artikel 22;
b) de omroeporganisatie in de twaalf voorgaande maanden al ten minste tweemaal inbreuk heeft gemaakt op dezelfde bepaling;
c) de betrokken Lid-Staat de omroeporganisatie en de Commissie schriftelijk kennis heeft gegeven van de ten laste gelegde inbreuken en van zijn voornemen beperkingen aan de doorgifte op te leggen indien nogmaals zo'n inbreuk wordt gemaakt;
d) overleg met de uitzendende Staat en de Commissie niet binnen 15 dagen te rekenen vanaf de onder c) bedoelde kennisgeving tot een minnelijke schikking heeft geleid, en de ten laste gelegde inbreuk blijft doorgaan.
De Commissie ziet erop toe dat de schorsing verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Zij kan de betrokken Lid-Staat verzoeken een schorsing die strijdig is met het gemeenschapsrecht onmiddellijk ongedaan te maken. Deze bepaling vormt in de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan de betrokken omroeporganisatie valt geen beletsel om ongeacht welke procedure, maatregel of sanctie op de betrokken inbreuken toe te passen.
3. Deze richtlijn is niet van toepassing op televisie-uitzendingen die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst in andere landen dan de Lid-Staten en die niet direct of indirect in een of meer Lid-Staten worden ontvangen."
3 Volgens artikel 3, lid 2, van de televisierichtlijn zien de Lid-Staten er "met passende middelen in het kader van hun wetgeving op toe dat de onder hun bevoegheid vallende televisie-omroeporganisaties zich houden aan de bepalingen van deze richtlijn".
4 Hoofdstuk III ("Bevordering van de verspreiding en produktie van televisieprogramma's") bevat in de artikelen 4 tot en met 9 bepalingen die bedoeld zijn om er voor te zorgen dat "Europese produkties het grootste aandeel krijgen in de televisieprogramma's van alle Lid-Staten".(4) Bovendien moet het ontstaan van "nieuwe bronnen van televisieprodukties"(5) in de Gemeenschap worden bevorderd, door een bepaald percentage van de programma's of van de financiële middelen van de omroeporganisaties te reserveren voor onafhankelijke producenten.
5 Daarom bepaalt artikel 4 van de richtlijn, dat de Lid-Staten "voor zover mogelijk [en] met passende middelen" er op toezien, dat de omroeporganisaties het grootste deel van hun niet aan informatie, sport, spel, reclame of teletekst gewijde tijd reserveren voor Europese producties(6) (lid 1). Kan dit gedeelte niet worden bereikt, dan mag het in ieder geval niet geringer zijn dan het gedeelte dat in 1988, respectievelijk 1990, in de betrokken Lid-Staat is vastgesteld (lid 2).
Artikel 5 bepaalt, dat de Lid-Staten "telkens wanneer dat mogelijk is, (...) er met passende middelen op toezien" dat de omroeporganisaties ten minste 10 % van hun zendtijd of 10 % van hun programmabudget reserveren voor Europese producties van producenten die onafhankelijk zijn van de televisie-omroeporganisaties.
6 Artikel 22 is bedoeld ter bescherming van minderjarigen. Ingevolge deze bepaling nemen de Lid-Staten passende maatregelen om er voor te zorgen dat in de televisie-uitzendingen van de onder hun bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisaties geen programma's voorkomen "die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, inzonderheid programma's met pornografische scènes of met nodeloos geweld".
De feiten van het hoofdgeding
7 Het Amerikaanse Turner-concern, een belangrijke onderneming op de televisiemarkt in de Verenigde Staten, heeft een dochteronderneming in het Verenigd Koninkrijk, Turner Entertainment Network International Ltd, gevestigd te Londen. Deze onderneming is 100 % aandeelhouder van twee andere vennootschappen - The Cartoon Network Ltd en Turner Network Television Ltd - die in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd en televisieprogramma's uitzenden. Het gaat daarbij om respectievelijk de programma's "TNT" en "Cartoon Network". De programma's worden verkocht door een andere onderneming van dezelfde groep, Turner International Network Sales Ltd, eveneens gevestigd te Londen. De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben voor de uitzending van deze programma's een zogeheten "non-domestic satellite service licence" afgegeven.(7) Deze programma's worden via de satelliet uitgezonden. De betrokken ondernemingen doen daarvoor een beroep op de aan het Groothertogdom Luxemburg toegekende zendcapaciteit van een satelliet.
De Belgische regering is van mening, dat deze programma's niet voldoen aan de eisen van de artikelen 4 en 5 van de televisierichtlijn.
8 Op 17 september 1993 heeft Turner International Network Sales Ltd een overeenkomst gesloten met Coditel Brabant NV (hierna: "Coditel") een Belgische kabeltelevisiemaatschappij. Ingevolge deze overeenkomst verbindt Coditel zich ertoe de eerdervermelde programma's via haar teledistributienet in het gebied Brussel-Hoofdstad door te geven.
9 Volgens de door de verwijzende rechter meegedeelde informatie ontbrak destijds een juridische regeling inzake kabeldistributie in het gebied Brussel-Hoofdstad. Deze leemte is verholpen door het koninklijk besluit van 16 september 1993, dat er volgens de verwijzende rechter toe strekte "bepaalde televisieketens" die voornemens waren van deze leemte te profiteren, de weg te versperren. Op basis van dat koninklijk besluit hebben twee Belgische federale ministers bij besluit van 17 september 1993 Coditel verbod opgelegd de programma's "TNT" en "Cartoon Network" via haar teledistributienet van het gebied Brussel-Hoofdstad te verdelen.
10 Daarop heeft Turner International Network Sales Ltd de Rechtbank van koophandel te Brussel verzocht Coditel bij voorlopige maatregel te gelasten de overeenkomst van 17 september 1993 uit te voeren. Dit verzoek werd op 26 oktober 1993 toegewezen. Coditel heeft zich naar deze beslissing gevoegd en heeft een aanvang gemaakt met de uitzending van de litigieuze programma's.
11 In juni 1994 deed de Belgische Staat derdenverzet tegen de beschikking van 26 oktober 1993. Daarop heeft de Rechtbank van koophandel te Brussel op 29 november 1994 een nieuwe beschikking gegeven, waarbij zij het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over drie vragen (zaak C-316/94). Tevens werd Coditel gelast in afwachting van de uitspraak de litigieuze programma's niet langer door te geven.
12 In hoger beroep is deze beschikking van 29 november 1994 bij arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 6 april 1995 vernietigd, behoudens voor zover het derdenverzet ontvankelijk werd verklaard. De appèlrechter heeft bijgevolg de bestreden beschikking aldus gewijzigd, dat het derdenverzet van de Belgische Staat ongegrond werd verklaard. Aangezien ingevolge het arrest van het Hof van Beroep de prejudiciële verwijzing was vervallen, heeft het Hof van Justitie bij beschikking van 1 december 1995 zaak C-316/94 in zijn register doorgehaald.
13 Inmiddels hebben de Belgische autoriteiten voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel een strafzaak ingeleid tegen P. Denuit, het met het dagelijks bestuur belaste lid van de raad van bestuur van Coditel. Denuit wordt verweten, dat Coditel in weerwil van het verbod neergelegd in het ministerieel besluit van 17 september 1993, de programma's "TNT" en "Cartoon Network" via haar teledistributienet in het gebied Brussel-Hoofdstad heeft doorgegeven. Bovendien wordt hem verweten, dat Coditel in de door haar doorgegeven programma's, commerciële reclame heeft opgenomen, zonder hiervoor te beschikken over de vereiste toelating van de Belgische autoriteiten.
14 Van oordeel dat voor haar uitspraak een uitlegging van bepaalde gemeenschapsrechtelijke bepalingen noodzakelijk was, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 EG-Verdrag om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
"1) Onder welke voorwaarden wordt een televisie-omroeporganisatie geacht onder de bevoegdheid van een Lid-Staat te vallen in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989? In hoeverre is de niet-Europese herkomst van een relatief groot deel van de uitgezonden programma's van belang, indien de nationale rechter vaststelt dat de betrokken organisatie haar zetel op het grondgebied van deze Lid-Staat heeft en dat aldaar daadwerkelijk regie-, samenstellings- of montagewerkzaamheden voor het programma worden verricht?
2) Gesteld dat uitzendingen van een televisie-omroeporganisatie die een vergunning heeft van een Lid-Staat, niet moeten worden beschouwd als uitzendingen van een televisie-omroeporganisatie die onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt in de zin van deze richtlijn, kan een andere Lid-Staat dan de doorgifte van de uitzendingen op een grondgebied verbieden of beperken, en zo ja, onder welke voorwaarden, in het bijzonder gelet op de artikelen 59 en volgende van het Verdrag?
3) Moet artikel 2 van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat, indien een televisie-omroeporganisatie onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt, een andere Lid-Staat zich niet tegen de doorgifte op zijn grondgebied van televisie-uitzendingen van die omroeporganisatie kan verzetten, zelfs niet wanneer de voorschriften van de artikelen 4 en 5 van die richtlijn niet worden nageleefd?"
B - Standpuntbepaling
De eerste prejudiciële vraag
15 Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, onder welke voorwaarden een televisie-omroeporganisatie in de zin van artikel 2, lid 1, van de televisierichtlijn onder de "bevoegdheid" van een Lid-Staat valt. Deze vraag betreft meer in het bijzonder artikel 2, lid 1, eerste gedachtenstreepje.
16 Het Hof heeft zich in zaak C-222/94 reeds met deze vraag moeten bezighouden. In zijn arrest in die zaak heeft het Hof beslist, dat een televisie-omroeporganisatie onder de bevoegdheid valt van de Lid-Staat waarin zij is gevestigd.(8)
17 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, dat het begrip "vestiging" in de zin van het EG-Verdrag inhoudt, "dat daadwerkelijk een economische activiteit wordt uitgeoefend door middel van een duurzame vestiging voor onbepaalde tijd in een andere Lid-Staat".(9)
18 Het Hof heeft in zijn arrest in zaak C-222/94 erkend, dat het vestigingscriterium tot problemen kan leiden. Deze problemen hebben hiermee te maken, dat een televisie-omroeporganisatie meer dan één vestiging in de Gemeenschap kan hebben.(10) Voor deze moeilijkheden kan wel een oplossing worden gevonden. Zoals het Hof in zijn arrest vaststelde, heeft de Commissie in die zaak verklaard, dat de oplossing hierin kan bestaan, dat de Lid-Staten "dit criterium uitleggen als de plaats waar de omroeporganisatie het centrum van haar activiteiten heeft, met name de plaats waar de beslissingen betreffende het programmeringsbeleid en de definitieve samenstelling van de uit te zenden programma's worden genomen". Het Hof tekende hierbij aan, dat de verwerende partij in die zaak, het Verenigd Koninkrijk, deze zienswijze niet heeft tegengesproken.(11)
19 Partijen in de onderhavige zaak hebben - voor zover zij op deze vraag zijn ingegaan - een soortgelijk standpunt ingenomen. Volgens Denuit is uit te gaan van de werkelijke vestiging, dit wil zeggen de plaats van vestiging van de directie en de hoofdactiviteiten. In casu is de werkelijke plaats van vestiging gelegen in het Verenigd Koninkrijk. De Belgische regering vertrekt van dezelfde grondslag, doch komt tot een volledig ander resultaat. Volgens haar bevindt de werkelijke vestigingsplaats zich in casu in de Verenigde Staten, waar de controle op en de verantwoordelijkheid voor de programma's wordt uitgeoefend. De vestiging in het Verenigd Koninkrijk heeft een louter formeel karakter; bovendien is daar geen belangrijk deel van het personeel van Turner tewerkgesteld. De Franse regering plaatst zich op het standpunt, dat de bevoegde Lid-Staat van geval tot geval moet worden vastgesteld aan de hand van een aantal aanwijzingen, zoals onder meer het toezicht op de samenstelling van de programma's, de vestiging van de onderneming en het aantal medewerkers die in de betrokken Lid-Staat met televisie-omroepactiviteiten zijn belast. De Griekse regering gaat als criterium kennelijk uit van de belangrijkste en feitelijke vestigingsplaats van de televisie-omroeporganisatie.
20 Mijns inziens behoeft evenwel op de desbetreffende vragen in de onderhavige(12) zaak niet nader te worden ingegaan. Zoals reeds gezegd, rijzen deze vragen alleen ingeval de televisie-omroeporganisatie in meer dan een Lid-Staat is gevestigd. Dit is hier kennelijk niet het geval. Alleen dan rijst namelijk de vraag, welke vestiging in het licht van de hierboven uiteengezette criteria beslissend is voor de bevoegdheid van een Lid-Staat ten aanzien van de betrokken televisie-omroeporganisatie. De enige vraag die in de onderhavige zaak aan de orde is, is of de betrokken omroeporganisatie überhaupt een vestiging in de Gemeenschap heeft. In laatste instantie staat het aan de verwijzende rechter om over deze vraag uitspraak te doen. Er kan evenwel geen twijfel bestaan over het antwoord op die vraag. De Franse regering wijst erop, dat het in de onderhavige zaak gaat om een vennootschap naar Engels recht, gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, waar ingevolge de eerste prejudiciële vraag daadwerkelijk leiding wordt gegeven aan de activiteiten van de omroeporganisatie. De Commissie zet uiteen, dat de betrokken televisie-omroeporganisatie haar statutaire zetel in het Verenigd Koninkrijk heeft, waar de beslissingen over de samenstelling van de programma's worden genomen. Ten slotte zijn in het Verenigd Koninkrijk een aanzienlijk aantal van de met de televisie-omroepactiviteiten belaste medewerkers tewerkgesteld. Ook het Verenigd Koninkrijk is de mening toegedaan, dat de televisie-omroeporganisatie op zijn grondgebied is gevestigd.
21 Tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof heeft de Belgische regering erop gewezen, dat het Hof de destijds in het Verenigd Koninkrijk geldende wettelijke regeling inzake de bevoegdheid ten aanzien van televisie-omroeporganisaties in strijd met het gemeenschapsrecht had verklaard, op grond dat die wettelijke regeling niet was gebaseerd op het vestigingscriterium. De Belgische regering leidt hieruit af, dat de op grond van die bepalingen afgegeven vergunningen eveneens onregelmatig zijn, zodat niet kan worden gesteld dat de betrokken televisie-omroeporganisaties onder de bevoegdheid van het Verenigd Koninkrijk vielen. Ik kan mij evenwel bij deze zienswijze niet aansluiten. Het arrest van het Hof in bedoelde zaak bevestigt integendeel, dat de bevoegdheid over een televisie-omroeporganisatie bij die Lid-Staat ligt, op het grondgebied waarvan deze organisatie gevestigd is. De vraag van de geldigheid van de door het Verenigd Koninkrijk afgegeven vergunningen is in zoverre irrelevant.
22 Wel moet hier nog worden ingegaan op de andere vraag die de nationale rechter in deze context stelt. Het gaat om de vraag, welk belang moet worden toegekend aan de oorsprong van de uitgezonden programma's. Er zij aan herinnerd, dat de litigieuze programma's volgens de Belgische regering niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 4 en 5 van de televisierichtlijn. De Belgische regering stelt zich op het standpunt, dat deze programma's dus niet onder de bevoegdheid vallen van het Verenigd Koninkrijk, aangezien zij niet voldoen aan de voorschriften van deze Lid-Staat en evenmin aan die van de televisierichtlijn.
23 Ik kan mij bij deze zienswijze niet aansluiten. De bevoegdheid van een Lid-Staat hangt ingevolge artikel 2, lid 1, van de televisierichtlijn niet af van de aard van de uitgezonden programma's. Beslissend is alleen, of de televisie-omroeporganisatie onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt, en zo niet, of zij voldoet aan een der in artikel 2, lid 1, tweede gedachtenstreepje, vermelde technische criteria. De omstandigheid dat de door een dergelijke televisie-omroeporganisatie uitgezonden programma's eventueel niet voldoen aan de artikelen 4 en 5 van de richtlijn, doet niet af aan de in artikel 2, lid 1, vastgestelde bevoegdheidsverdeling. Deze zienswijze komt overigens overeen met die van alle andere partijen bij de procedure.
24 Op de eerste prejudiciële vraag dient derhalve te worden geantwoord, dat een televisie-omroeporganisatie onderworpen is aan de bevoegdheid van de Lid-Staat waarin zij is gevestigd. In het kader van de vraag welke Lid-Staat ingevolge de televisierichtlijn bevoegd is ten aanzien van de televisie-omroeporganisatie, is de oorsprong van de door haar uitgezonden programma's irrelevant.
De tweede prejudiciële vraag
25 De tweede prejudiciële vraag betreft de situatie van een televisie-omroeporganisatie die een vergunning heeft gekregen van een Lid-Staat, doch niet onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt "in de zin van deze richtlijn". Hoewel in deze vraag sprake is van de "bevoegdheid" van een Lid-Staat, moet de vraag logischerwijs aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking heeft op een televisie-omroeporganisatie die noch ingevolge het eerste, noch ingevolge het tweede gedachtenstreepje van artikel 2, lid 1, van de televisierichtlijn onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt. Zoals de Duitse regering terecht heeft uiteengezet, is niet duidelijk op basis van welke criteria van nationaal recht een televisie-omroeporganisatie een vergunning zou moeten krijgen, wanneer zij niet in de betrokken Lid-Staat is gevestigd (en dus niet onder artikel 2, lid 1, eerste gedachtenstreepje, van de richtlijn valt), en evenmin gebruik maakt van een door die Lid-Staat verleende frequentie, satellietcapaciteit of een in deze Lid-Staat gelegen verbinding naar een satelliet toe (in welk geval zij niet onder artikel 2, lid 1, tweede gedachtenstreepje, valt). Dit is dus een situatie die in de praktijk uitgesloten lijkt.
26 Denuit heeft er overigens terecht op gewezen, dat het in een dergelijk geval moeilijk om een intracommunautaire feitelijk situatie kan gaan, die tot de toepassing van het gemeenschapsrecht zou leiden.
27 In ieder geval is ervan uit te gaan, dat een dergelijke situatie zich in casu niet voordoet. Zoals gezegd, wijst alles erop, dat de televisie-omroeporganisatie waarover het in de onderhavige zaak gaat, in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd. Zelfs indien zij evenwel niet in het Verenigd Koninkrijk (of in een andere Lid-Staat) gevestigd zou zijn, doet zulks niet af aan het (door de Belgische regering niet weersproken) feit, dat de uitzending van de betrokken programma's geschiedt via een aan Luxemburg toegewezen satellietcapaciteit. Hiermee is dus in ieder geval voldaan aan een der in artikel 2, lid 1, tweede gedachtenstreepje, vermelde bevoegdheidscriteria. Hetzelfde zou gelden, wanneer voor de betrokken programma's gebruik zou worden gemaakt van een in het Verenigd Koninkrijk gelegen grondstation voor doorzending naar de satelliet, zoals Denuit tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof heeft aangevoerd.
28 Gelet op een en ander, deel ik derhalve de zienswijze van Denuit, de Commissie, de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat het Hof de tweede prejudiciële vraag niet behoeft te beantwoorden.
De derde prejudiciële vraag
29 Met de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een Lid-Staat ook dan overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de televisierichtlijn verplicht is de vrije ontvangst van uitzendingen uit andere Lid-Staten te verzekeren en de doorgifte daarvan niet te belemmeren, wanneer die uitzendingen niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 4 en 5 van de televisierichtlijn.
30 Het Hof heeft deze vraag reeds beantwoord in zijn arrest in de zaak C-11/95. Daarin heeft het vastgesteld, dat "in de eerste plaats het toezicht op de naleving van het op televisie-uitzendingen toepasselijke recht van de Lid-Staat van uitzending en van de bepalingen van richtlijn 89/552 enkel toekomt aan de Lid-Staat van uitzending, en in de tweede plaats, dat de Lid-Staat van ontvangst niet gerechtigd is, dienaangaande zijn eigen toezicht uit te oefenen".(13) Dit geldt eveneens voor de toepassing van de artikelen 4 en 5 van de televisierichtlijn.(14) Anders dan de Belgische regering tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof heeft gesteld, doet hieraan niet af, dat het in dit arrest niet om dezelfde nationale bepalingen gaat als in de onderhavige zaak. In de aangehaalde passage uit voormeld arrest heeft het Hof namelijk niet de nationale bepalingen, doch wel de televisierichtlijn zelf uitgelegd, die ook in de onderhavige zaak aan de orde is.
31 Artikel 2, lid 2, van de richtlijn beperkt de daarin opgelegde verplichtingen weliswaar tot de "redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen", doch de artikelen 4 en 5 van de richtlijn betreffen juist materies die door de richtlijn worden gecoördineerd.
32 De mogelijkheid waarin artikel 2, lid 2, tweede volzin, van de richtlijn voorziet, om de doorgifte van televisie-uitzendingen uit andere Lid-Staten voorlopig te schorsen, kan alleen worden aangewend, wanneer aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan. Het gaat om een uitzonderingsbepaling.(15) Zij geldt uitsluitend voor het geval van een schending van de artikelen 4 en 5 van de richtlijn. Ik kan mij dus niet aansluiten bij de zienswijze van de Griekse regering, dat uit deze bepaling in het algemeen valt af te leiden, dat de Lid-Staat van ontvangst tot een tweede controle kan overgaan.
33 Zoals het Hof heeft vastgesteld, kan een Lid-Staat in een dergelijk geval het recht niet in eigen handen nemen. Hij kan dus in dergelijke gevallen geen eenzijdige maatregelen vaststellen, teneinde het hoofd te bieden aan een eventuele miskenning van de voorschriften van de televisierichtlijn door andere Lid-Staten. Wel heeft hij het recht tegen de betrokken Lid-Staat een niet-nakomingsprocedure in de zin van artikel 170 EG-Verdrag in te stellen. Ook kan hij de Commissie verzoeken op grond van artikel 169 van het Verdrag tegen deze Lid-Staat op te treden.(16)
34 Het Hof heeft in zijn arrest in zaak C-11/95 in het midden gelaten, "of een Lid-Staat, gelet op richtlijn 89/552, nog het recht heeft om op basis van artikel 59 EG-Verdrag maatregelen te treffen om te verhinderen dat de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden door een dienstverrichter wiens werkzaamheid geheel of voornamelijk op zijn grondgebied is gericht, worden gebruikt om zich te onttrekken aan de regels die, ware hij op het grondgebied van die staat gevestigd, op hem van toepassing zouden zijn".(17) Hiermee wordt de vraag aan de orde gesteld, of de betrokken rechtspraak, die door het Hof laatstelijk in 1994 is bevestigd in de zaak TV10(18), ook na de inwerkingtreding van de televisierichtlijn nog kan worden toegepast.
35 De Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk delen de zienswijze van de Belgische regering, dat deze rechtspraak van toepassing blijft. Ik heb mij in mijn conclusie in zaak C-11/95 bij die zienswijze aangesloten. Ik heb daarbij evenwel ook duidelijk gesteld, dat deze rechtspraak mijns inziens alleen dan kan worden toegepast, wanneer de handelwijze van de betrokken televisie-omroeporganisatie een misbruik vormt, en dat daarbij strenge criteria moeten worden gehanteerd.(19) In casu wijst niets erop dat sprake zou zijn van een dergelijk misbruik. De zienswijze van de Belgische regering dat de schending van de artikelen 4 en 5 van de televisierichtlijn op zich een dergelijk misbruik uitmaakt, moet mijns inziens worden verworpen. Zo niet zou via deze weg toch de mogelijkheid van een tweede controle door de staat van ontvangst worden gecreëerd, die met het systeem van de televisierichtlijn niet te verenigen is.
Op deze vraag behoef ik dus in de onderhavige(20) procedure niet nader in te gaan.
36 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat artikel 2, lid 2, van de televisierichtlijn aldus is uit te leggen, dat een Lid-Staat de vrije ontvangst van televisieuitzendingen uit andere Lid-Staten ook dan moet verzekeren en de doorgifte van deze uitzendingen niet mag belemmeren, wanneer deze uitzendingen niet in overeenstemming zijn met de artikelen 4 en 5 van de richtlijn.
C - Conclusie
37 Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, moet aldus worden uitgelegd, dat een televisie-omroeporganisatie onderworpen is aan de bevoegdheid van de Lid-Staat waarin zij is gevestigd. In het kader van de vraag welke Lid-Staat ingevolge de televisierichtlijn bevoegd is ten aanzien van de televisie-omroeporganisatie, is de oorsprong van de door haar uitgezonden programma's irrelevant.
2) Artikel 2, lid 2, van de televisierichtlijn is aldus uit te leggen, dat een Lid-Staat de vrije ontvangst van televisie-uitzendingen uit andere Lid-Staten ook dan moet verzekeren en de doorgifte van deze uitzendingen niet mag belemmeren, wanneer deze uitzendingen niet in overeenstemming zijn met de artikelen 4 en 5 van de richtlijn."
(1) - PB 1989, L 298, blz. 23.
(2) - Zaak C-222/94, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1996, blz. I-4025.
(3) - Zaak C-11/95, Commissie/België, Jurispr. 1996, blz. I-4115.
(4) - Twintigste overweging van de considerans van de televisierichtlijn.
(5) - Vierentwintigste overweging van de considerans van de televisierichtlijn.
(6) - Dit begrip is in artikel 6 van de richtlijn gedefinieerd.
(7) - In verband met dit begrip, zie het arrest in zaak C-222/94 (reeds aangehaald in voetnoot 2, r.o. 10).
(8) - Reeds aangehaald in voetnoot 2 (r.o. 42, 51 en 61).
(9) - Arrest van 25 juli 1991, zaak C-221/89, Factortame, Jurispr. 1991, blz. I-3905, r.o. 20; zie ook het arrest van 30 november 1995, zaak C-55/94, Gebhard, Jurispr. 1995, blz. I-4165, r.o. 25.
(10) - Zie in dit verband mijn conclusie van 30 april 1996 in zaak C-222/94, Jurispr. 1996, blz. I-4025, punt 60 e.v.
(11) - Reeds aangehaald in voetnoot 2, r.o. 58.
(12) - Deze vragen staan wel centraal in zaak C-56/96 (VT4) waarin ik eveneens vandaag conclusie neem.
(13) - Reeds aangehaald in voetnoot 3 (r.o. 34).
(14) - Reeds aangehaald in voetnoot 3 (r.o. 42).
(15) - Reeds aangehaald in voetnoot 3 (r.o. 36 en 39).
(16) - Reeds aangehaald in voetnoot 3 (r.o. 36 en 37).
(17) - Reeds aangehaald in voetnoot 3 (r.o. 65).
(18) - Arrest van 5 oktober 1994, zaak C-23/93, Jurispr. 1994, blz. I-4795, r.o. 20.
(19) - Conclusie van 30 april 1996 in zaak C-11/95, reeds aangehaald in voetnoot 3, punt 73 e.v.
(20) - Ook hier verwijs ik nogmaals naar mijn conclusie in zaak C-56/96, waarin ik deze kwestie uitvoerig heb besproken.
Full & Egal Universal Law Academy