Conclusie van de advocaat generaal
1 Met deze prejudiciële vraag verzoekt het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad de Extremadura (Sala de lo Social) (hierna: "Tribunal Superior") om uitlegging van artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad(1) (hierna: "verordening") in verband met dezelfde nationale wettelijke regeling en een gelijksoortige feitelijke context als aan de orde waren in het arrest in de zaak Lafuente Nieto(2), dat door het Hof na de schriftelijke behandeling in de onderhavige zaken is gewezen.
I - Voorwerp van de hoofdgedingen
2 Naranjo Arjona, Vicente Mateos en García Lázaro, alle drie van Spaanse nationaliteit, hebben evenals Lafuente Nieto, na gedurende enkele jaren als werknemer in Spanje te hebben gewerkt, gebruik gemaakt van hun fundamenteel recht van vrij verkeer, door naar de Bondsrepubliek te verhuizen en daar in dezelfde hoedanigheid te blijven werken.
Inzonderheid betaalde Naranjo Arjona van april 1951 tot juni 1968 de verplichte sociale-zekerheidsbijdragen krachtens de Spaanse wettelijke regeling en van januari 1966 tot maart 1991 krachtens de Duitse wettelijke regeling; Vicente Mateos betaalde deze bijdragen in Spanje (eerst krachtens het op dat ogenblik geldende sociale-zekerheidsstelsel SOVI en vervolgens krachtens het Régimen General de la Seguridad Social) van april 1942 tot februari 1962 en in Duitsland van januari 1963 tot januari 1989, met onderbrekingen; García Lázaro ten slotte betaalde de sociale-zekerheidsbijdragen krachtens de Spaanse wettelijke regeling van februari 1961 tot december 1964 en krachtens de Duitse wettelijke regeling van januari 1961 tot juli 1987, ook met onderbrekingen.
3 Blijkens de verwijzingsbeschikking kende het Instituto Nacional de la Seguridad Social (hierna: "INSS") Naranjo Arjona met ingang van 1 april 1991 een ouderdomspensioen toe, berekend op basis van het gemiddelde van de tussen 1960 en 1968 betaalde bijdragen (dat wil zeggen, de laatste acht jaren van bijdragebetaling aan de Spaanse sociale zekerheid vóór zijn emigratie naar Duitsland), aangepast (met uitzondering van de laatste twee jaren) aan de maandelijkse algemene prijsindex.
Naranjo Arjona stelde tegen het besluit van het INSS beroep in voor de Juzgado de lo Social de Badajoz (hierna: "Juzgado"), waarbij hij, zonder de door deze instelling gehanteerde berekeningswijze aan te vechten, onder meer betoogde, dat de berekeningswijze moest worden toegepast op zijn bijdragen van de laatste acht jaren van zijn loopbaan (1982-1991), ondanks het feit dat hij gedurende die periode uitsluitend in Duitsland sociale-zekerheidsbijdragen had betaald.
4 Vicente Mateos van zijn kant, die in 1989 in Duitsland door een volledige blijvende invaliditeit werd getroffen, ontving een pensioen van het bevoegde Duitse orgaan (blijkbaar uitsluitend op grond van de in Duitsland vervulde periodes van bijdragebetaling), waarna het INSS hem in 1990 in het kader van het SOVI-stelsel een pensioen toekende, dat uitsluitend was gebaseerd op de te zijner tijd in Spanje betaalde bijdragen en altijd een vast bedrag was.
Nadat hij voor de rechter had gevorderd, dat het pensioen voor de periode 1981-1988 zou worden berekend op basis van het gemiddelde van de in de Spaanse wettelijke regeling voorziene maximumbijdragen (aangevuld met de minimumbijdragen voor de maanden waarin geen bijdragen waren betaald), werd het verzoek van Vicente Mateos, evenals eerder dat van Naranjo Arjona, door de Juzgado afgewezen bij een vonnis, waartegen in een van de drie hoofdgedingen bij het Tribunal Superior beroep is ingesteld.
5 Aan García Lázaro werd, nadat het bevoegde Duitse orgaan haar een pensioen had toegekend (naar mijn mening ook in dit geval uitsluitend op basis van de in Duitsland vervulde periodes van bijdragebetaling) voor de volledige invaliditeit waardoor zij in juli 1987 werd getroffen, in 1995 krachtens vonnis van de Juzgado een pensioen toegekend ten laste van het Spaanse sociale-zekerheidsorgaan.
Het vonnis van de Juzgado, dat ook voor de rechter a quo is aangevochten (in dit geval door het INSS), had het bedrag van de uitkering waarop García Lázaro recht had, voor de periode 1979-1987 berekend op basis van de in de Spaanse wettelijke regeling voorziene maximumbijdragen voor de werknemers van haar beroepscategorie, waarna de verschuldigde uitkering werd aangepast aan de maandelijkse algemene prijsindex.
II - Rechtskader en rechtspraak
6 Zoals bekend is de verordening waarvan artikel 47, lid 1, het voorwerp van deze prejudiciële vraag vormt, door de Raad vastgesteld krachtens artikel 51 EG-Verdrag (hierna: "Verdrag") en beoogt zij niet de harmonisatie, maar de coördinatie van de nationale wettelijke regelingen van de Lid-Staten inzake sociale zekerheid. De verordening voerde met andere woorden geen gemeenschappelijk sociale-zekerheidsstelsel in, maar onderstelt het naast elkaar bestaan van verschillende nationale stelsels, "die verschillende vorderingen doen ontstaan jegens onderscheiden bevoegde organen tegenover welke de uitkeringsgerechtigde rechtstreekse aanspraken bezit, hetzij uitsluitend krachtens een nationale wettelijke regeling, hetzij krachtens de nationale regeling, zo nodig aangevuld door het gemeenschapsrecht".(3) Bijgevolg laat artikel 51 van het Verdrag de materiële en formele verschillen tussen de sociale-zekerheidsregelingen van de onderscheiden Lid-Staten en derhalve ook de verschillen in de rechten van de aldaar werkzame personen onverlet.(4)
Blijkens de vijfde overweging van de considerans streeft de verordening de daadwerkelijke uitoefening van het vrije verkeer van de werknemers van de Gemeenschap na: het stelsel wil hen zowel een gelijke behandeling ten opzichte van de verschillende nationale wetgevingen verzekeren, als het genot van sociale-zekerheidsuitkeringen, waar in de Gemeenschap zij ook werken of verblijven.
7 Specifiek wat deze zaak betreft, is de toepassing van artikel 47, lid 1, van de verordening van belang in alle gevallen waarin het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op invaliditeits-(5) of ouderdomspensioenen door een migrerende werknemer krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat afhangt van de toepassing van het in artikel 45 van de verordening neergelegde mechanisme van samentelling van alle tijdvakken van verzekering en van wonen, die de betrokken werknemer in de onderscheiden betrokken Lid-Staten heeft vervuld.
8 Artikel 46 van de verordening bevat de bepalingen betreffende de berekening van de uitkering, die het bevoegde orgaan van iedere Lid-Staat op verzoek van de betrokken werknemer toepast.
Volgens artikel 46, lid 1, voert het bevoegde orgaan in de Lid-Staten waar de migrerende werknemer een recht op een uitkering bezit zonder dat samentelling nodig is, een dubbele berekening uit. Het bepaalt: a) het bedrag van de zogenoemde onafhankelijke of autonome uitkering, waarop de werknemer recht zou hebben indien uitsluitend de krachtens genoemde wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering of wonen in aanmerking worden genomen; b) het bedrag van het pensioen dat volgens de methode van samentelling en proratisatie zou moeten worden betaald in het omgekeerde geval - geregeld in artikel 46, lid 2, van de verordening - waarin de vereiste minimumtijdvakken van bijdragebetaling of wonen, die in de nationale wettelijke regeling worden vereist voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op de uitkeringen, anders niet als vervuld kunnen worden aangemerkt.(6)
9 Bovendien schrijft artikel 46, lid 2, voor, zoals ik hierboven heb opgemerkt, dat in de Lid-Staten waar het recht op een uitkering slechts wordt verkregen door toepassing van de samentellingsmethode, elk van de organen dat de uitkering verschuldigd is, de zogenoemde evenredige uitkering berekent die te zijnen laste komt, dat wil zeggen het theoretische bedrag van de uitkering en het wettelijke pro-ratabedrag ten aanzien waarvan het bevoegd is.
Zoals het Hof reeds lang geleden heeft verklaard, dient de berekening van het theoretische bedrag overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening de werknemer het maximumbedrag te verzekeren waarop hij recht zou hebben indien alle tijdvakken van verzekering in de betrokken Lid-Staat waren vervuld. De berekening van het werkelijke uitkeringsbedrag overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b, is uitsluitend bedoeld om de respectieve last van de uitkeringen tussen de organen van de verschillende betrokken Lid-Staten te verdelen naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis in elk van deze Lid-Staten zijn vervuld.(7)
10 Overeenkomstig artikel 46, lid 3, van de verordening(8) ten slotte, bepaalt elk van de organen die de uitkering verschuldigd is, het definitieve bedrag van de krachtens de nationale wettelijke regeling verschuldigde uitkering, dat wordt vastgesteld op de hoogste van twee uitkeringen: de autonome uitkering of de pro-rata-uitkering.(9) Met andere woorden, de migrerende werknemer heeft jegens de verschillende nationale bevoegde organen recht op een totaalbedrag dat gelijk is aan het bedrag van de hoogste autonome uitkeringen (verschuldigd door de Lid-Staten waar geen samentelling nodig was) en van het werkelijke pro-ratabedrag (verschuldigd door de Lid-Staten waar wel samentelling nodig was).
11 Het voornoemde artikel 47, lid 1, van de verordening bevat, ter administratieve vereenvoudiging, enkele aanvullende bepalingen voor de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering en van het werkelijke proratabedrag ten aanzien waarvan elk van de in artikel 46, lid 2, bedoelde sociale-zekerheidsorganen bevoegd is.
In het bijzonder bepaalt artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g) - een bepaling die is ingevoegd naar aanleiding van de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap(10) - dat wanneer het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, krachtens zijn nationale wetgeving bij de berekening van de uitkeringen moet uitgaan van een gemiddelde premie of bijdrage, het deze premie of bijdrage uitsluitend vaststelt aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de betrokken wetgeving zijn vervuld.
12 De Spaanse sociale-zekerheidsregeling, een risicostelsel, bepaalt, dat zodra aan de voorwaarden voor het ontstaan van het recht op de uitkering is voldaan, het bedrag van de invaliditeits- en ouderdomspensioenen voor werknemers in beginsel wordt berekend op basis van het bedrag van de bijdragen die de betrokkene tijdens de 96 maanden voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis heeft betaald, gedeeld door een vooraf bepaald getal (112).
Wanneer er evenwel gedurende de volledige referentieperiode of een deel daarvan geen bijdrageplicht was, met inbegrip van het geval waarin de werknemer gehouden was bij te dragen aan het verplichte sociale-zekerheidsstelsel van een andere Lid-Staat, wordt de gemiddelde premie of bijdrage in een overeenstemmende maatregel vervangen door de door de wet voorziene minimumbijdrage.(11)
III - De prejudiciële vraag
13 Het Tribunal Superior verzoekt het Hof te verduidelijken, of de verwijzing in artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van de verordening - ter berekening van het theoretische bedrag van de uitkeringen - naar een gemiddelde premie of bijdrage, die uitsluitend moet worden vastgesteld op basis van tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de nationale wetgeving van de tot vaststelling bevoegde staat, aldus moet worden verstaan, dat zij doelt op: 1) de theoretische (maximum-, minimum- of gemiddelde) bijdragen die in de referentieperiode door deze wettelijke regeling zijn bepaald, dan wel 2) het gemiddelde van de bijdragen die overeenstemmen met de bijdragen die de werknemer werkelijk heeft betaald, ongeacht het bedrag dat hij gedurende de in Spanje gewerkte tijdvakken overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling had moeten betalen.
14 Kortom, mijns inziens vraagt de verwijzende rechter het Hof om een uitspraak over de uitlegging, omdat de Spaanse rechters met problemen te kampen hebben als gevolg van de toepassing van artikel 47, lid 1, van de verordening. De vroegere beslissingen van de verwijzende rechterlijke instantie wijken namelijk af van de opvatting van het Tribunal Supremo inzake de berekening, door het Spaanse sociale-zekerheidsorgaan, van het theoretische bedrag van de uitkeringen waarop de migrerende werknemer recht zou hebben indien alle tijdvakken van verzekering of van wonen die hij krachtens de wetgeving van verschillende Lid-Staten heeft vervuld, uitsluitend in Spanje waren vervuld krachtens de wetgeving die in dat land van toepassing was op het ogenblik waarop de uitkering wordt vastgesteld.
15 Recentelijk heeft de hoogste Spaanse rechterlijke instantie juist in verband met de berekening van het theoretische bedrag van de invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen voor Spaanse werknemers die in Duitsland hadden gewerkt, artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van de verordening aldus uitgelegd: de premie of bijdrage die in aanmerking moet worden genomen voor de tijdvakken waarin krachtens de Duitse wetgeving verplichte sociale-zekerheidsbijdragen zijn betaald, is het "theoretische" gemiddelde van de maximum- en de minimumbijdrage welke is bepaald in de regeling die in Spanje gedurende de referentieperiode van toepassing was op werknemers met dezelfde hoedanigheid.(12)
16 Het Tribunal Superior is daarentegen van mening, dat in de hier omschreven situatie voor de tijdvakken waarin de naar Duitsland geëmigreerde en daar aan de verplichte verzekering onderworpen Spaanse werknemer geen verplichte bijdragen aan de sociale zekerheid in Spanje heeft betaald, de berekening niet dient te geschieden op basis van het gemiddelde van de theoretische bijdragen, maar op basis van het gemiddelde van de bijdragen die gedurende andere tijdvakken krachtens de Spaanse wettelijke regeling zijn betaald.
17 Dit standpunt is volgens de verwijzende rechterlijke instantie door de gemeenschapswetgever in 1992(13) - met andere woorden na het ontstaan van het recht op sociale-zekerheidsuitkeringen van de drie werknemers in de hoofdgedingen - achteraf bekrachtigd, doordat hij in rubriek D (Spanje) van bijlage VI bij de verordening, betreffende bijzonderheden voor de toepassing van de wetgevingen van bepaalde Lid-Staten, punt 4, sub a, als authentieke uitlegging heeft ingevoegd.(14) Deze bepaling luidt als volgt: "Op grond van artikel 47 van de verordening geschiedt de berekening van de Spaanse theoretische uitkering op basis van de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde gedurende de jaren onmiddellijk voorafgaande aan de betaling van de laatste premie of bijdrage aan de Spaanse sociale zekerheid."
IV - Antwoord op de onderhavige prejudiciële vraag
18 De prejudiciële vraag van het Tribunal Superior kan mijns inziens gemakkelijk worden beantwoord door toepassing van de recentelijk in de zaak Lafuente Nieto vastgestelde beginselen.
19 In voornoemd arrest is gepreciseerd, dat artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van de verordening betrekking heeft op een stelsel van berekening van de ouderdoms- en invaliditeitsuitkeringen, dat uitgaat van een gemiddelde premie of bijdrage, zoals dat waarin wordt voorzien door de Spaanse wettelijke regeling.(15) De betrokken bepaling moet volgens het Hof worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen van artikel 51 van het Verdrag, met inbegrip van inzonderheid de bescherming van migrerende werknemers tegen mogelijke verminderingen van het bedrag van hun sociale-zekerheidsuitkeringen, hetgeen een ongewenst gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer zou zijn.
20 Op basis van die premisse preciseerde het Hof ook, dat artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), niet aldus kan worden uitgelegd, zelfs niet bij wijze van uitzondering, dat ten nadele van de werknemers gebruik mag worden gemaakt van een berekeningswijze welke is gebaseerd op een minimumpremie in plaats van op een gemiddelde premie. Anderzijds kan volgens hetzelfde arrest voor de berekening niet worden uitgegaan van het bedrag van de in de Lid-Staat van emigratie betaalde bijdragen. De referentiebijdrage dient ook in dat geval dezelfde te zijn als wanneer de betrokkene premieplichtig was gebleven krachtens de wettelijke regeling van de Lid-Staat die bevoegd is voor de vaststelling van de uitkering.(16)
21 Het Hof volgde in dat arrest de conclusie die ik destijds heb voorgesteld en thans herhaal, namelijk dat ingevolge artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van de verordening, uitgelegd overeenkomstig artikel 51 van het Verdrag, een sociale-zekerheidsorgaan, zoals het Spaanse in de hoofdzaken, enerzijds de gemiddelde bijdrage moet berekenen, waarbij het uitsluitend rekening moet houden met het bedrag van de premies die door de migrerende werknemer daadwerkelijk zijn betaald krachtens de nationale wettelijke regeling, en anderzijds op het aldus verkregen theoretische bedrag van de uitkering een adequate actualisering en verhoging moet toepassen, alsof de betrokkene zijn werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat was blijven uitoefenen.(17)
22 Destijds heb ik gezegd, en ik wil dit nu bevestigen(18), dat deze oplossing uitgaat van de hiervoor (punt 6) in herinnering gebrachte fundamentele premisse, dat de verordening slechts coördinatie (en geen harmonisatie) beoogt. Het is bovendien een oplossing die volledig in overeenstemming is met het beginsel van de verdelende billijkheid, dat ten grondslag ligt aan de werking van het in de verordening voorziene stelsel. Zij vermijdt mogelijke ongerechtvaardigde verschillen in behandeling ten nadele van de werknemers die van hun recht op vrij verkeer gebruik hebben gemaakt, en anderzijds worden deze werknemers niet onnodig bevoordeeld ten opzichte van de "honkvaste" werknemers. Dit laatste punt verdient een korte bespreking. Rekening moet worden gehouden met de salarisverschillen die nog tussen Lid-Staten (en dus in casu tussen Spanje en Duitsland) bestaan. Artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van de verordening kan derhalve niet aldus worden uitgelegd, dat wanneer het bedrag van de sociale-zekerheidsuitkering moet worden bepaald in verhouding tot de verdiencapaciteit van de werknemer in het tijdvak onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis, het theoretische bedrag wordt berekend op basis van de bijdragen of premies van de betrokkene gedurende de laatste 96 maanden van zijn werkzaamheid, ook al heeft hij die in een andere Lid-Staat uitgeoefend, waar het salaris hoger is dan in zijn land van herkomst. Aldus zou uiteindelijk de migrerende werknemer worden bevoordeeld ten opzichte van de sedentaire werknemer.
23 De raadsman van Naranjo Arjona, Vicente Mateos en García Lázaro heeft ter terechtzitting evenwel gepleit voor de formulering van - zijns inziens - eenvoudiger criteria.(19) De in het arrest Lafuente Nieto vastgestelde regels zijn naar zijn mening onduidelijk en in de praktijk moeilijk toe te passen. Dit zou worden bevestigd door de eerste, uiteenlopende ervaringen met de toepassing van deze normen door de Spaanse arbeidsrechtbanken.
24 De Spaanse regering heeft ter terechtzitting de gegrondheid van deze bezwaren betwist. Zelf zie ik in het kader van dit verzoek om een prejudiciële beslissing geen enkele reden die de kritische herziening van de recentelijk in het arrest Lafuente Nieto vastgestelde beginselen kan rechtvaardigen.
Niet mag worden vergeten, dat het Hof zich reeds over de in dit geding aan de orde zijnde vraag heeft uitgesproken. Overigens heeft de verwijzende rechter in de zaak Lafuente Nieto geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zich opnieuw tot het Hof te wenden alvorens uitspraak te doen in het hoofdgeding, een mogelijkheid die de rechter heeft, wanneer hij bij de uitlegging of toepassing van het arrest van het Hof op moeilijkheden stuit, of wanneer hij het Hof nieuwe feiten ter beoordeling voorlegt die ertoe kunnen leiden, dat het Hof een eerder gestelde vraag anders beantwoordt.(20) Dit toont aan, dat de criteria die in het voornoemde recente arrest zijn vastgesteld, geen aanleiding geven tot de onoverkomelijke uitleggingsmoeilijkheden waarvan sprake is volgens de raadsman van de drie Spaanse werknemers die partij zijn in de hoofdgedingen.(21)
25 Het ter terechtzitting aangevoerde argument van de Commissie, dat de in het arrest Lafuente Nieto vastgestelde beginselen moeten worden genuanceerd in het licht van de beslissing in de zaak Rönfeldt(22), lijkt meer gefundeerd. De Commissie merkt dienaangaande op, dat artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van de verordening - uitgelegd in het licht van de artikelen 48, lid 2, en 51 van het Verdrag - tot gevolg kan hebben dat de migrerende werknemer de sociale-zekerheidsvoordelen verliest, waarop hij reeds recht heeft op basis van een tussen twee of meer Lid-Staten geldend verdrag inzake sociale zekerheid, dat effectief is geworden in zijn nationaal recht. Met andere woorden, de voordelen die de werknemer krachtens de bepalingen van deze verdragen heeft verkregen, zouden blijven gelden volgens het verdrag waarin zij zijn neergelegd, ook wanneer dit is vervangen door een communautaire verordening die de materie op een andere wijze regelt.
26 Technisch gezien, is het eventuele behoud van de voordelen die aan de rechtssubjecten zijn verzekerd door de gecombineerde werking van het nationale recht en de tussen Lid-Staten gesloten verdragen inzake sociale zekerheid, die later door een afwijkende communautaire regeling zijn vervangen, een materie die niets te maken heeft met het voorwerp van de prejudiciële vragen in de verwijzingsbeschikkingen van het Tribunal Superior.
Het is evenwel vaste rechtspraak, dat het Hof in het kader van beslissingen op basis van artikel 177 van het Verdrag ook rekening kan houden met de gemeenschapsrechtelijke bepalingen waarnaar de nationale rechterlijke instantie in zijn vragen niet verwijst, maar die relevant lijken voor de oplossing van het hoofdgeding.(23)
27 Dit gezegd zijnde, zal ik nu het argument van de Commissie nader onderzoeken. Volgens artikel 6 treedt de verordening, zowel wat de personele als de materiële werkingssfeer betreft, in beginsel(24) in de plaats van elk vooraf geldend verdrag dat uitsluitend voor twee of meer Lid-Staten verbindend is.
Vermits de verordening op 1 januari 1986, datum van toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap, in de Spaanse rechtsorde in werking trad, waren de tussen Spanje en een of meer Lid-Staten gesloten internationale verdragen inzake sociale zekerheid niet langer van kracht (met uitzondering van de bepalingen die het voorwerp uitmaakten van een uitdrukkelijk voorbehoud(25)), met inbegrip van, voor zover van belang in het kader van de onderhavige hoofdgedingen, het Duits-Spaanse verdrag inzake de sociale zekerheid(26), op 4 december 1973 gesloten en op 1 november 1977 in werking getreden (hierna: "verdrag").
28 De Commissie herinnert in het bijzonder aan artikel 25, lid 1, sub b, van het verdrag, betreffende de berekening van het bedrag van het ouderdomspensioen (alsmede, ingevolge de in artikel 26, lid 1, bedoelde verwijzing, van het invaliditeitspensioen) door de bevoegde Spaanse organen.
Deze bepaling vormt niet het voorwerp van een uitdrukkelijk voorbehoud overeenkomstig bijlage III van de verordening, en luidt als volgt: "Wanneer het door de aanvrager voor de berekening van zijn premiegrondslag gekozen tijdvak van bijdragebetaling geheel of gedeeltelijk in de Bondsrepubliek is vervuld, zal het bevoegde Spaanse orgaan deze grondslag bepalen op basis van de bijdragen die gedurende dat volledige of gedeeltelijke tijdvak in Spanje van toepassing waren op de werknemers van dezelfde beroepscategorie als betrokkene."(27)
29 Volgens de Commissie maakt de in artikel 25, lid 1, sub b, bedoelde oplossing het mogelijk, op passende wijze rekening te houden met het niveau van de bijdrage - dat afhangt van het door de werknemer ontvangen loon of van het loon waarop hij recht heeft - dat de werknemer aan het einde van zijn loopbaan bereikt, ook wanneer dit in een andere Lid-Staat is, zonder evenwel in te gaan tegen het Spaanse sociale-zekerheidsstelsel (voor zover deze bijdrage voor de berekening van de uitkeringen uiteindelijk altijd verwijst naar de bijdragen die in Spanje op de betrokken beroepscategorie van toepassing zijn).
30 Nog steeds volgens de Commissie, zou de toepassing van artikel 25, lid 1, sub b, van het verdrag op de rechtssituatie van Naranjo Arjona, Vicente Mateos en García Lázaro een in zijn geheel gunstiger behandeling impliceren dan het resultaat van het mechanisme bedoeld in artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van de verordening. De inwerkingtreding van de verordening in Spanje op 1 januari 1986 zou dus leiden tot een vermindering van de sociale-zekerheidsvoordelen die voordien krachtens het verdrag aan de drie werknemers toekwamen.
31 Volgens de door de Commissie aangehaalde rechtspraak mag de gemeenschapsregeling inzake sociale zekerheid niet op dusdanige wijze worden toegepast, dat zij leidt tot een vermindering van de krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat aan de migrerende werknemer toegekende uitkeringen, omdat anders het doel van de verdragsbepalingen inzake vrij verkeer van werknemers niet zou worden bereikt.(28)
Zoals het Hof heeft gepreciseerd, is deze rechtspraak uitsluitend van toepassing met betrekking tot de uitkeringen die het gevolg kunnen zijn van de bepalingen van tussen twee of meer Lid-Staten gesloten en in hun nationaal recht opgenomen verdragen(29), mits de betrokken werknemer van zijn recht op vrij verkeer gebruik heeft gemaakt voordat de gemeenschapsregel ingevolge de opeenvolgende toetredingen tot de Gemeenschap in werking is getreden in alle Lid-Staten die het betrokken verdrag hebben ondertekend, en waar hij tijdvakken van bijdragebetaling heeft vervuld.(30)
32 De drie Spaanse werknemers die partij zijn in het hoofdgeding, hebben hun recht op vrij verkeer uitgeoefend voor 1 januari 1986, het tijdstip waarop de verordening ingevolge de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Gemeenschap in de Spaanse rechtsorde van kracht werd en in de plaats trad van het verdrag. Bijgevolg staat buiten twijfel - en hierin sluit ik mij aan bij de Commissie - dat de Rönfeldt-rechtspraak(31) (reeds aangehaald) in abstracto op hen kan worden toegepast, aangezien het door het Hof in de zaak Thévenon(32) omschreven beletsel in hun geval niet aanwezig is.
33 De conclusie van de Commissie, dat de inwerkingtreding van de verordening in Spanje op 1 januari 1986 leidde tot een duidelijke vermindering van de sociale-zekerheidsvoordelen die krachtens artikel 25, lid 1, sub b, van het verdrag voordien aan de drie werknemers van het hoofdgeding waren toegekend, kan mij daarentegen niet volledig overtuigen.
34 De Commissie hecht veel belang aan de Rönfeldt-rechtspraak. In die zaak was evenwel het verlies van sociale-zekerheidsvoordelen door de verzoeker in het hoofdgeding wegens de niet-toepassing van het Duits-Deense verdrag inzake sociale zekerheid door de inwerkingtreding van de verordening duidelijk en onbetwist. Overeenkomstig voornoemd verdrag hadden de Duitse werknemers voor de berekening van de rechten op ouderdomspensioen in Duitsland er immers recht op, dat de in Denemarken vervulde tijdvakken van verblijf tot een maximum van vijftien jaar in aanmerking werden genomen. Het in de verordening voorziene samentellen van de tijdvakken van verzekering die de Duitse migrerende werknemers in andere Lid-Staten hebben vervuld, beoogde (en beoogt) daarentegen de verwezenlijking van het meer beperkte doel het recht op ouderdomspensioen te doen ontstaan, waarbij het bedrag van de uitkering uitsluitend op basis van de krachtens de Duitse wetgeving vervulde tijdvakken van verzekering wordt vastgesteld.(33)
35 Het onderhavige geval is verschillend. De in het verdrag neergelegde en ter terechtzitting door de Commissie ondersteunde oplossing houdt in, dat met betrekking tot de door de migrerende werknemer in Duitsland vervulde tijdvakken van bijdragebetaling, de uitkeringsgrondslag wordt berekend op basis van de bijdragen die in Spanje van toepassing zijn op de werknemers van dezelfde beroepscategorie als de betrokkenen in het hoofdgeding. Deze oplossing zou gunstiger zijn dan de oplossing van de verordening, die op haar beurt inhoudt - zoals het Hof in de zaak Lafuente Nieto heeft gepreciseerd - dat de uitkeringen worden berekend op basis van een gemiddelde bijdrage, waarbij alleen wordt uitgegaan van het bedrag van de premies die door de migrerende werknemer daadwerkelijk zijn betaald krachtens de Spaanse wettelijke regeling, en het aldus berekende theoretische uitkeringsbedrag adequaat wordt aangepast en verhoogd.
36 Dit principiële punt - waarover de verwijzingsbeschikking van het Tribunal Superior niet meer duidelijkheid schept - is ter terechtzitting hevig betwist door de Spaanse regering, die beweert, dat de toepassing van het verdrag integendeel zou leiden tot een beduidend minder gunstige behandeling van de betrokken werknemers op het gebied van de sociale zekerheid in vergelijking met het bepaalde in artikel 47, lid 1, van de verordening.
De tegengestelde opvattingen van de Commissie en de Spaanse regering over dit punt zijn mijns inziens het gevolg van twee verschillende uitleggingen van het begrip "bijdragen die in Spanje van toepassing zijn op de werknemers van dezelfde beroepscategorie als de betrokkene", op basis waarvan het Spaanse sociale-zekerheidsorgaan krachtens artikel 25, lid 1, sub b, van het verdrag de uitkeringsgrondslag voor de door de migrerende werknemer in Duitsland vervulde tijdvakken van bijdragebetaling moet vaststellen.
Volgens de Commissie gaat het vermoedelijk om de maximumbedragen die in Spanje tijdens de referentieperiode van toepassing zijn, volgens de Spaanse regering gaat het daarentegen - overeenkomstig het bepaalde in artikel 140, lid 4, van de Texto Refundido de la Ley General de la Seguridad Social - om de minimumbijdragen, indien er geen bijdrageplicht was gedurende een of meer maanden van de referentieperiode voor de berekening van de uitkeringsgrondslag.(34)
37 Ik zal niet nader onderzoeken, wie gelijk heeft en evenmin zal ik ingaan op de eveneens onduidelijke verwijzing in artikel 25, lid 1, sub b, van het verdrag naar een keuze door de betrokkene van het tijdvak van bijdragebetaling voor de berekening van zijn uitkeringsgrondslag, een keuze waarin de Spaanse sociale-zekerheidsregeling niet lijkt te voorzien.(35) Ik zal mij beperken tot een enkele opmerking. Het in het arrest Lafuente Nieto neergelegde beginsel van de actualisering van de bijdragen die zijn betaald aan het sociale-zekerheidsorgaan van de staat die het pensioen toekent, maakt het in beginsel mogelijk, dezelfde doelstellingen van het daadwerkelijk nut van de uitkeringen te bereiken als door het verdrag worden nagestreefd. Beide oplossingen berusten op de fictie van een beroepsactiviteit die zonder onderbreking onder het Spaanse sociale-zekerheidsstelsel verloopt. Beide staan toe, rekening te houden met het niveau van de bijdrage dat de migrerende werknemer aan het einde van zijn loopbaan bereikt.
38 Desalniettemin kan niet met zekerheid worden uitgesloten, dat in de drie hoofdgedingen - alsmede in andere vergelijkbare concrete gevallen - de berekening van de door de Spaanse sociale-zekerheidsorganen te betalen uitkeringen in abstracto tot verschillende resultaten kan leiden, naargelang de ene of de andere methode wordt gebruikt. De toepassing van de in artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van de verordening bedoelde berekeningswijze kan voor de migrerend werknemer - en voor de betrokkenen in het onderhavige geval - ook leiden tot het recht op een in zijn geheel minder gunstige behandeling inzake sociale zekerheid dan zou volgen uit de toepassing van het mechanisme van artikel 25, lid 1, sub b, van het verdrag. In dat geval brengt de inwerkingtreding van de verordening in Spanje inderdaad een vermindering mee van de sociale-zekerheidsvoordelen waarop Naranjo Arjona, Vicente Mateos en García Lázaro voordien krachtens het verdrag recht zouden hebben gehad. In ieder geval moet worden opgemerkt, dat in de onderhavige gevallen, anders dan in de zaak Rönfeldt, de verwijzende rechter enkel kan beslissen dat de relevante bepalingen van het verdrag van toepassing blijven, nadat hij het theoretische bedrag van de in geding zijnde sociale-zekerheidsuitkeringen afzonderlijk heeft berekend op basis van het verdrag en de verordening en vervolgens de twee resultaten vergelijkt.
Dit betekent een onmiskenbare verzwaring van de werklast voor de bevoegde sociale-zekerheidsorganen en voor de nationale rechter, maar het is de enig mogelijke manier om de naleving van de rechtspraak te verzekeren, volgens welke de artikelen 48, lid 2, en 51 van het Verdrag in geen geval toestaan, dat een werknemer die van zijn recht op vrij verkeer gebruik heeft gemaakt, zich in een minder gunstige situatie bevindt dan wanneer hij dit recht niet had uitgeoefend.
V - Conclusie
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Tribunal Superior te beantwoorden als volgt:
"Artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen - volgens hetwelk het sociale-zekerheidsorgaan van een Lid-Staat, dat krachtens zijn nationale wetgeving bij de berekening van de uitkeringen moet uitgaan van een gemiddelde premie of bijdrage, deze premie of bijdrage uitsluitend vaststelt aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wetgeving van voornoemde staat zijn vervuld - doelt uitsluitend op de premies die door de migrerend werknemer werkelijk zijn betaald krachtens de betrokken regeling, en impliceert, dat het aldus berekende theoretische bedrag van de uitkering naar behoren moet worden aangepast en verhoogd alsof de betrokkene zijn werkzaamheden ononderbroken en onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat had voortgezet.
Wanneer evenwel de migrerend werknemer als gevolg van de toepassing van artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van verordening nr. 1408/71 van de Raad bij de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering geconfronteerd wordt met een vermindering van de sociale-zekerheidsvoordelen waarop hij vóór de inwerkingtreding van de verordening recht zou hebben gehad krachtens de bepalingen van een bilateraal of multilateraal verdrag tussen Lid-Staten dat is geïncorporeerd in het nationale recht van de staat die de uitkering verschuldigd is, blijven de bepalingen van dat verdrag van toepassing. Wanneer het verlies van sociale-zekerheidsvoordelen door de werknemer bij niet-toepassing van het verdrag dat is geïncorporeerd in het nationale recht van de staat die de uitkering verschuldigd is, niet onmiddellijk blijkt, is de verwijzende rechter gehouden het theoretische bedrag van de in geding zijnde sociale-zekerheidsuitkeringen afzonderlijk te berekenen op basis van het betrokken verdrag en op basis van de gemeenschapsregel en ten slotte de twee resultaten te vergelijken."
(1) - Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd, bijgewerkt en aangepast, bij onder meer verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), bij bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (hierna: "Toetredingsakte"; PB 1985, L 302, blz. 23 e.v., inz. blz. 170), en bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7), waarbij artikel 47, lid 1, sub e, is vervangen door artikel 47, lid 1, sub g. De verordening is ook nog verschillende malen gewijzigd na de publicatie van een geconsolideerde versie in december 1992 (PB 1992, L 325, blz. 1).
(2) - Arrest van 12 september 1996, zaak C-251/94, Jurispr. 1996, blz. I-4187.
(3) - Zie conclusie van advocaat-generaal Cosmas bij het arrest van 9 november 1995, zaak C-475/93, Thévenon, Jurispr. 1995, blz. I-3813, inzonderheid blz. I-3828.
(4) - Arrest van 27 september 1988, zaak 313/86, Lenoir, Jurispr. 1988, blz. 5391, r.o. 13.
(5) - Uitsluitend met betrekking tot de door invaliditeit getroffen werknemers die achtereenvolgens aan de wetgevingen van twee of meer Lid-Staten onderworpen zijn geweest, waarvan er ten minste één gebaseerd is op een sociale-zekerheidsstelsel van het verdelende type (dat wil zeggen een risicostelsel), volgens hetwelk (zoals het geval is bij het Spaanse sociale-zekerheidsstelsel) het bedrag van de invaliditeitsuitkering onafhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering. Artikel 40, lid 1, van de verordening bepaalt immers, dat op deze werknemers de bepalingen van hoofdstuk 3 van titel III van de verordening, dat de bijzondere bepalingen inzake ouderdoms- en overlijdenspensioenen bevat, van overeenkomstige toepassing zijn.
(6) - De verordening staat de bevoegde organen evenwel toe, af te zien van de berekening volgens de methode van samentelling en proratisatie, wanneer het resultaat van die berekening gelijk of lager is dan het resultaat van de berekening die uitsluitend volgens de nationale wettelijke regeling is verricht (alle gevallen waarin beide berekeningen tot dit resultaat zouden leiden, zijn voor elk van de Lid-Staten opgesomd in bijlage IV, deel C, bij de verordening).
(7) - Zie arrest van 26 juni 1980, zaak 739/79, Menzies, Jurispr. 1980, blz. 2085, r.o. 9.
(8) - Zoals gewijzigd bij artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1248/92 van de Raad, aangehaald in voetnoot 1.
(9) - Onverminderd de toepassing van de anti-cumulatiebepalingen (inzake vermindering, schorsing of intrekking) die eventueel zijn vastgesteld in de nationale wettelijke regeling uit hoofde waarvan de betrokken uitkering verschuldigd is, in welk geval de vergelijking betrekking heeft op de na de toepassing van deze bepalingen vastgestelde bedragen van de autonome en de pro-rata-uitkering (artikel 46, lid 3, van de verordening).
(10) - Artikel 26 en deel VIII van bijlage I bij de Toetredingsakte, aangehaald in voetnoot 1.
(11) - Zie Ley 26/1985, de 31 de julio, de medidas urgentes para la racionalización de la estructura y de la acción protectora de la Seguridad Social, artikel 3 (BOE van 1 augustus 1985, nr. 173, blz. 1907); deze bepaling is later met kleine formele wijzigingen overgenomen in artikel 140 van de Texto Refundido de la Ley General de la Seguridad Social (Real Decreto Legislativo 1/1994, van 20 juni; BOE van 29 juni 1994, nr. 154, blz. 5553). Voor een meer gedetailleerde omschrijving van de aspecten van het Spaanse sociale-zekerheidsstelsel die in het kader van deze zaak relevant zijn, verwijs ik naar mijn conclusie van 20 juni 1996 in de zaak Lafuente Nieto, aangehaald in voetnoot 2, in het bijzonder punten 4 en 11-18.
(12) - Zie recentelijk arrest van 27 maart 1995, GJ, B-105, juli-augustus 1995, blz. 59.
(13) - Verordening nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1992, L 136, blz. 7 e.v., inz. blz. 24). Volgens punt 4, sub b, van rubriek D van bijlage VI bij de verordening, dat hierna in de tekst wordt aangehaald, zal het bedrag van de theoretische uitkering, verkregen door de in de tekst omschreven berekening, worden verhoogd met het bedrag van de verhogingen en aanpassingen, berekend voor de pensioenen van dezelfde aard voor elk jaar daarna en tot het jaar dat aan de intreding van de verzekerde gebeurtenis voorafgaat.
(14) - Zoals ik heb opgemerkt in de punten 53 en 54 van mijn conclusie in de zaak Lafuente Nieto (aangehaald in voetnoot 11), hebben de in 1992 aan bijlage VI bij de verordening toegevoegde bepalingen betreffende de wijze waarop artikel 47 van de verordening ten aanzien van Spanje moet worden toegepast, specifiek wat de feiten van die zaak betreft, enkel een van de leidende beginselen van de verordening bevestigd, te weten het beginsel van het daadwerkelijk nut van de sociale-zekerheidsuitkering, waarmee uiteraard de in punt 4, sub b (reeds aangehaald, zie voetnoot 13), vastgestelde regel van de actualisering van de door de werknemer werkelijk betaalde bijdragen samenhangt.
(15) - Zie het in voetnoot 2 aangehaalde arrest, r.o. 16-29.
(16) - Ibid., r.o. 39.
(17) - Ibid., punten 30-43.
(18) - Zie conclusie van 20 juni 1996 in de zaak Lafuente Nieto, aangehaald in voetnoot 11, punten 47-61.
(19) - Dit is de vaststelling van de regel [waarvan de verenigbaarheid met hetgeen het Hof in r.o. 39 van het arrest Lafuente Nieto verklaarde op zijn minst twijfelachtig lijkt (zie supra, voetnoot 16)], volgens welke de bijdragen of premies van de 96 maanden onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling worden bepaald op basis van de bijdragen die de migrerend werknemer gedurende die periode daadwerkelijk in eender welke andere Lid-Staat heeft betaald, onverminderd de maximum- en minimumbijdragen die door de Spaanse wettelijke regeling zelf zijn bepaald voor werknemers van dezelfde beroepscategorie.
(20) - Beschikking van 5 maart 1986, zaak 69/85, Wünsche, Jurispr. 1986, blz. 947, r.o. 10-16, waarin het Hof verklaarde, dat de mogelijkheid van de rechter a quo om zich opnieuw tot het Hof van Justitie te wenden, hoe dan ook de geldigheid van het gewezen arrest niet aan de orde stelt, omdat anders de in artikel 177 van het Verdrag geregelde bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof in gevaar komt.
(21) - Het voorgaande verklaar ik overigens onverminderd de mogelijkheid dat, indien de wijze waarop het Spaanse sociale-zekerheidsorgaan artikel 47, lid 1, sub e (thans sub g), van de verordening in de toekomst zal toepassen, indruist tegen de door het Hof in het arrest Lafuente Nieto vastgestelde beginselen, zoals de raadsman van Naranjo Arjona, Vicente Mateos en García Lázaro ter terechtzitting reeds heeft voorspeld, wegens dit nalaten een procedure uit hoofde van artikel 169 van het Verdrag wordt ingeleid.
(22) - Arrest van 7 februari 1991, zaak C-227/89, Jurispr. 1991, blz. I-323.
(23) - Zie, onder vele meer, arresten van 18 februari 1964, gevoegde zaken 73/63 en 74/63, Internationale Crediet- en Handelsvereniging "Rotterdam" e.a., Jurispr. 1964, blz. 3; 28 juni 1978, zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453; 20 maart 1986, zaak 35/85, Tissier, Jurispr. 1986, blz. 1207; 7 maart 1990, gevoegde zaken C-153/88-C-157/88, Fauque e.a., Jurispr. 1990, blz. I-649; 12 december 1990, zaak C-241/89, SARPP, Jurispr. 1990, blz. I-4695; 16 juli 1992, zaak C-187/91, Belovo, Jurispr. 1992, blz. I-4937, en 16 december 1992, zaak C-114/91, Claeys, Jurispr. 1992, blz. I-6559). De principiële kwesties die het Hof in dat geval op eigen initiatief besluit te behandelen, omdat het van oordeel is dat zij essentieel zijn voor het antwoord op de in het hoofdgeding werkelijk aan de orde zijnde vraag, kunnen eventueel door de Commissie onder zijn aandacht worden gebracht (zie arrest van 18 maart 1993, C-280/91, Viessmann, Jurispr. 1993, blz. I-971).
(24) - Daarvan zijn uitgezonderd - voor zover voor deze conclusie van belang - de "internationale bepalingen welke deze verordening onverlet laat", bedoeld in artikel 7 van de verordening, met inbegrip van de in bijlage III bij de verordening vermelde bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid, die "ongeacht het bepaalde in artikel 6 van toepassing blijven", voor zover zij het voorwerp uitmaken van een uitdrukkelijk voorbehoud.
(25) - Zie arrest van 7 juni 1973, zaak 82/72, Walder, Jurispr. 1973, blz. 599, r.o. 6 en 7.
(26) - Zie BOE nr. 258 van 28 oktober 1977, blz. 2295, en BGBl. II, 1977, blz. 687.
(27) - De Spaanse tekst luidt: "Cuando todo o parte del período de cotización elegido por el solicitante para el cálculo de su base reguladora de prestaciones se hubiera cumplido en la República Federal, el Organismo competente español determinará dicha base reguladora sobre las bases de cotización vigentes en España, durante dicho período o fracción, para los trabajadores de la misma categoría profesional que la persona interesada."
(28) - Arrest van 9 juli 1980, zaak 807/79, Gravina, Jurispr. 1980, blz. 2205, r.o. 7.
(29) - Arrest Rönfeldt, aangehaald in voetnoot 22, r.o. 21-29.
(30) - Arrest Thévenon, aangehaald in voetnoot 3, r.o. 18-28.
(31) - Zie voetnoot 29 en het desbetreffende deel van de tekst.
(32) - Zie voetnoot 30 en het desbetreffende deel van de tekst.
(33) - Arrest aangehaald in voetnoot 22, r.o. 13-20. In de zaak Thévenon stond tussen partijen vast, dat, gelet op het feit dat voor de berekening van het bedrag van het invaliditeitspensioen volgens de bepalingen van het Frans-Duitse verdrag inzake sociale zekerheid ook rekening zou zijn gehouden met de in Frankrijk vervulde tijdvakken van verzekering, het bedrag van de door het Duitse sociale-zekerheidsorgaan (in zijn hoedanigheid van bevoegd orgaan van de staat waarin de begunstigde was ingeschreven op het ogenblik van het intreden van de verzekerde gebeurtenis) aan Thévenon toegekende prestatie veel hoger zou zijn geweest dan het bedrag dat hem overeenkomstig de verordening op basis van het beginsel van de evenredige verdeling was toegekend (arrest aangehaald in voetnoot 3, r.o. 9).
(34) - Zie voetnoot 11 en het desbetreffende deel van de tekst.
(35) - Zie punt 12 hiervóór.
Full & Egal Universal Law Academy