Conclusie van de advocaat generaal
1 De in de onderhavige procedure door het Landgericht Hamburg voorgelegde prejudiciële vraag vestigt de aandacht van het Hof opnieuw op de theorie van "het sluitend zijn", die door de Duitse rechtspraak is ontwikkeld ter zake van de doeltreffendheid en inroepbaarheid tegen derden van selectieve distributiesystemen.
De verwijzende rechter wenst inzonderheid van het Hof te vernemen, of het gemeenschapsrecht in de weg staat aan de toepassing van een beginsel van nationaal recht op het gebied van de oneerlijke mededinging, volgens hetwelk een selectief distributiesysteem voor derden enkel bindend is wanneer het theoretisch en praktisch sluitend is, dat wil zeggen enkel wanneer de onder dit systeem vallende producten uitsluitend door een gebonden wederverkoper aan de eindgebruiker kunnen worden verkocht en in feite worden verkocht.
De feitelijke en juridische context en de prejudiciële vraag
2 Voor een beter begrip van de strekking en de betekenis van de vraag waarom het hier gaat, is het nuttig eerst een korte uiteenzetting te geven van de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten, het juridisch kader, de rechtspraak ter zake en de door partijen voor de nationale rechter aangevoerde argumenten.
3 Volkswagen AG (hierna: "VW"), een Duitse autofabrikant, zet haar motorvoertuigen binnen de Europese Unie uitsluitend af via erkende dealers die rechtstreeks met de eindgebruikers onderhandelen. In de met deze dealers gesloten dealerovereenkomsten wordt onder meer bepaald, dat het hun is verboden nieuwe voertuigen te verkopen aan niet-gebonden wederverkopers. Verzoekster in het hoofdgeding, VAG-Händlerbeirat eV (hierna: "VAG"), is een Duitse vereniging van door VW erkende dealers.
Verweerster, SYD-Consult, is een onafhankelijke wederverkoper van motorvoertuigen, die onder meer nieuwe voertuigen van het merk VW verkoopt. Zij betrekt de voertuigen van een Duitse importeur, die ze op zijn beurt bij een Italiaanse wederverkoper koopt tegen lagere prijzen dan in Duitsland worden toegepast.(1) SYD-Consult is dus in staat haar klanten nieuwe voertuigen van het merk VW aan te bieden tegen prijzen die lager zijn dan die welke haar gebonden concurrenten hanteren.
4 Van mening, dat deze handelwijze een geval van oneerlijke mededinging in de zin van § 1 van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb (UWG)(2) vormde, stelde VAG tegen SYD-Consult een rechtsvordering in, waarbij zij haar ervan beschuldigde te profiteren van de schending door de Italiaanse wederverkoper van de hem door het selectieve distributiesysteem van VW opgelegde contractuele verplichtingen. Voor de verwijzende rechter stelde VAG bovendien, dat dit systeem verenigbaar is met het communautaire mededingingsrecht, omdat het in het kader van de groepsvrijstelling verleend bij verordening (EEG) nr. 123/85(3) is vrijgesteld van de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
5 Zoals blijkt uit de verwijzingsbeschikking, is er volgens de Duitse rechtspraak sprake van schending van de voorschriften inzake oneerlijke mededinging door een onafhankelijke wederverkoper die onder een selectief distributiesysteem vallende producten verkoopt, wanneer is voldaan aan de dubbele voorwaarde, dat het systeem zelf rechtens bindend en theoretisch en praktisch sluitend is. Deze rechtspraak berust op de idee, dat de producent van de erkende wederverkoper alleen dan nakoming van de contractuele verplichtingen kan eisen wanneer het systeem geen lekken vertoont, aangezien de erkende wederverkoper anders zou worden blootgesteld aan de oneerlijke mededinging van onafhankelijke wederverkopers.
Met andere woorden, volgens de verwijzingsbeschikking bindt naar Duits recht een selectief distributiesysteem enkel de partijen en kan het slechts tegen derden worden ingeroepen wanneer het volstrekt sluitend is; wanneer is gegarandeerd, dat het systeem sluitend is, wordt namelijk vermoed dat de onafhankelijke wederverkoper er slechts in is geslaagd producten buiten het officiële distributienet om te betrekken door te profiteren van een eventuele contractbreuk door een erkende wederverkoper.
6 SYD-Consult voerde voor de nationale rechter als verweer aan, dat het distributiesysteem van VW niet sluitend was en dat er dus volgens de hierboven genoemde rechtspraak in casu geen sprake was van oneerlijke mededinging.
Volgens VAG daarentegen is de Duitse rechtspraak ter zake onverenigbaar met het gemeenschapsrecht; deze onverenigbaarheid is door het Hof vastgesteld in het arrest Metro.(4) Derhalve kan, gezien dit arrest en op grond van het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht boven het nationale recht, voor de inroepbaarheid van een selectief distributiesysteem tegen derden niet meer als voorwaarde worden gesteld, dat het systeem sluitend is.
7 Het is dus voor de uitlegging van dit arrest in verband met de feiten van de onderhavige zaak, dat het Landgericht Hamburg heeft besloten de behandeling van de bij hem aanhangige zaak te schorsen en het Hof de volgende vraag voor te leggen:
"Is, gelet op het arrest van het Hof van 13 januari 1994 in zaak C-376/92, Metro [Jurispr. 1994, blz. I-15], met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met het beginsel van volledige en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht, verenigbaar een toepassing van het Duitse nationale recht die als volgt kan worden omschreven:
Van outsiders die contractproducten kopen buiten een bij een groepsvrijstellingsverordening van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag vrijgesteld distributiesysteem om, kan slechts dan het staken van de verkoop van contractproducten worden gevorderd wanneer - naast de overige voorwaarden van § 1 van het Gesetz gegen den unlauteren Wettbewerb - ook de voorwaarde inzake het sluitend zijn van het distributiesysteem is vervuld.
Deze prejudiciële vraag betreft uitdrukkelijk zowel het geval dat het distributiesysteem alleen theoretisch, als het geval dat dit theoretisch én praktisch sluitend moet zijn."
De prejudiciële vraag
8 Het antwoord waarom het Hof in de onderhavige procedure wordt verzocht, hangt dus in de eerste plaats af van de uitlegging van het arrest Metro, waarin, ik herhaal het, volgens VAG is vastgesteld, dat het beginsel van het sluitend zijn, in het bijzonder als voorwaarde om een selectief distributiesysteem tegen derden te kunnen inroepen, onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
Derhalve dient om te beginnen te worden herinnerd aan de belangrijkste overwegingen van dit arrest, waarin het Hof zich naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het Oberlandesgericht Düsseldorf heeft uitgesproken over het beginsel van het sluitend zijn ten aanzien van het communautaire mededingingsrecht.
9 Aan dit arrest lag een geschil ten grondslag tussen de onderneming Cartier, mondiaal marktleider voor bepaalde categorieën van luxeartikelen, en een vennootschap van het Metro-concern, een onafhankelijke groothandel. Metro was erin geslaagd (op rechtmatige wijze) Cartier-producten te betrekken buiten het voor de verkoop van deze producten opgezette (en uitdrukkelijk door de Commissie goedgekeurde) selectieve distributienet om en verkocht deze in haar eigen verkooppunten tegen lagere prijzen dan die welke de officiële handelaren hanteerden.
Voor de beslechting van het geschil, dat was voortgevloeid uit de weigering van Cartier om garantie te verlenen voor door Metro verkochte horloges, speelde het niet-sluitende karakter van het door Cartier opgezette selectieve distributiesysteem een essentiële rol. Volgens de nationale rechter zou de eventuele onverenigbaarheid van dit systeem (omdat het niet sluitend is) met artikel 85 van het Verdrag, immers ook de beperking van de garantie voor buiten het officiële net om verkochte producten onwettig maken. De nationale rechter legde het Hof dus de vraag voor, of het sluitend zijn van het betrokken systeem een voorwaarde was voor de geldigheid ervan in de zin van artikel 85, leden 1 en 2, van het Verdrag.
10 Het Hof onderzocht eerst, welke praktische gevolgen de toepassing van het betrokken beginsel in het Duitse recht had.(5) Het wees erop, dat het criterium van sluitend zijn niet alleen procesrechtelijk van belang is, doordat in geval van een sluitend systeem de bewijslast wordt omgekeerd ten gunste van de producent die een actie wegens oneerlijke mededinging instelt tegen een outsider, doch ook materieelrechtelijk van belang is: wanneer het systeem sluitend is, kan de producent immers tegen een erkend distributeur optreden om hem te dwingen, zijn contractsverplichtingen na te komen, terwijl de gebonden handelaar bij lekken in het systeem als gevolg waarvan hij blootstaat aan concurrentie van derden, deze verplichtingen in wezen niet meer hoeft na te komen.(6)
Meer in het bijzonder in antwoord op de vraag van de verwijzende rechter stelde het Hof vast, dat in het gemeenschapsrecht voor de geldigheid van een selectief distributiesysteem niet als voorwaarde kan gelden, dat dit systeem sluitend is.(7) Inzonderheid verklaarde het, dat het in het Verdrag neergelegde verbod van mededingingsregelingen niet kan afhangen van een voorwaarde die in een nationaal rechtsstelsel geldt, zoals de in het Duitse recht ontwikkelde voorwaarde dat het systeem sluitend moet zijn, die "onbekend [is] in de rechtsstelsels van bijna alle andere Lid-Staten".(8) De niet-toepasselijkheid van artikel 85, leden 1 en 2, van het Verdrag op een selectief distributiesysteem kan dus niet in twijfel worden getrokken op de enkele grond dat de producent er niet in slaagt te waarborgen dat het systeem sluitend is. Een andere oplossing, aldus nog steeds het Hof, zou "tot paradoxaal gevolg hebben, dat de meest rigide en gesloten selectieve distributiesystemen (...) gunstiger worden beoordeeld dan distributiesystemen die soepeler zijn en meer voor nevenhandel openstaan". Er kan hoe dan ook niet van de producent worden verlangd, dat hij garandeert dat zijn net overal sluitend is, omdat de wetgeving van bepaalde derde landen de verwezenlijking van dit doel kan bemoeilijken of zelfs verhinderen.(9)
11 Anders dan VAG (zowel voor de nationale rechter als in haar opmerkingen voor het Hof) heeft gesteld, ben ik niet van mening, dat in het betrokken arrest het beginsel van het sluitend zijn onverenigbaar met het communautaire mededingingsrecht is verklaard. Het Hof heeft in antwoord op de precieze vraag van de verwijzende rechter enkel verklaard, dat voor de geldigheid van een selectief distributiesysteem in de zin van artikel 85 van het Verdrag niet als voorwaarde kan gelden, dat het systeem sluitend is.
Dat betekent mijns inziens slechts, dat de voorwaarde dat een distributiesysteem sluitend is, waaraan een nationale wettelijke regeling bepaalde proces- en materieelrechtelijke gevolgen op het gebied van oneerlijke mededinging verbindt, uitsluitend op nationaal niveau effect sorteert en dus, althans in beginsel, geen gevolgen heeft voor de geldigheid van het systeem (dat voor het overige in overeenstemming met het gemeenschapsrecht is) ten aanzien van artikel 85 van het Verdrag.(10) Het arrest voegt hieraan niets toe: het lijkt derhalve te getuigen van willekeur, het arrest vanuit de optiek van het gemeenschapsrecht te lezen als een veroordeling van de voorwaarde inzake het sluitend zijn.(11)
12 Ook los van hetgeen uit het arrest Metro voortvloeit, ben ik, anders dan VAG, niet van mening dat het beginsel van het sluitend zijn, zoals dat in de Duitse rechtspraak is ontwikkeld, onverenigbaar met het communautaire mededingingsrecht kan worden geacht.
Volgens VAG kan immers - aangenomen dat het distributiesysteem van VW, hoewel het niet sluitend is, volledig in overeenstemming met het gemeenschapsrecht is - een beginsel van nationaal recht dat, zoals in casu, voor de mogelijkheid van handhaving van het systeem verlangt dat het sluitend is, niet worden geacht niet onverenigbaar te zijn met het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht en kan het hoe dan ook niet worden geacht artikel 85, lid 3, van het Verdrag, waarin het gaat over de vrijstellingen, niet van zijn nuttig effect te beroven. Tot staving hiervan beroept VAG zich op het arrest Wilhelm(12) en stelt zij, dat het betrokken beginsel, dat eigen is aan de Duitse rechtsorde, in strijd is met het vereiste van eenvormige toepassing van het communautaire mededingingsrecht binnen de Gemeenschap.
13 Om te beginnen zij opgemerkt, dat de communautaire regeling inzake vrijstelling van een distributiesysteem van de toepassing van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, ongeacht of het gaat om een individuele vrijstelling, zoals in de zaak Metro, dan wel om een groepsvrijstelling, zoals in casu, een afwijking van de algemene regeling slechts toestaat. Laatstgenoemde regeling gaat immers uit van een markt met vrije mededinging en zij tolereert dus niet alleen parallelinvoer, dat wil zeggen het niet-sluitend zijn van distributiesystemen, doch beschouwt deze als nuttig. De vrijstelling schrijft dus niets voor, doch staat de fabrikant, in afwijking van de algemene mededingingsregeling, enkel toe met de handelaar contractueel overeen te komen het systeem "sluitend" te maken, zonder dat dit (althans niet noodzakelijkerwijs) betekent, dat die "lekken" in het distributiesysteem worden uitgesloten die als stimuli voor de mededinging worden beschouwd en dus door het gemeenschapsrecht worden getolereerd en in sommige gevallen zelfs voorgeschreven worden.(13)
In deze omstandigheden spreekt het vanzelf, dat de toepassing van een nationaal beginsel dat voor de gegrondheid van een door de producent (of een erkende wederverkoper) tegen een onafhankelijke wederverkoper (die op rechtmatige wijze onder een selectief distributiesysteem vallende goederen heeft betrokken) ingestelde rechtsvordering wegens oneerlijke mededinging eist, dat de producent (of de wederverkoper) kan aantonen dat het systeem sluitend is, geenszins met de eisen en de dwingende regels van het communautaire mededingingsrecht in strijd is en evenmin artikel 85, lid 3, van het Verdrag van zijn nuttig effect berooft. Het is daarentegen - veel eenvoudiger - niet ter zake dienend: het betrokken beginsel blijft, zoals het Hof reeds in het arrest Metro heeft opgemerkt, immers een beginsel van nationaal recht dat op het gebied van oneerlijke mededinging effect sorteert en het communautaire mededingingsrecht niet rechtstreeks raakt.
14 Opgemerkt zij evenwel, dat artikel 3, sub 11, van verordening nr. 123/85(14), waarop de voor het distributiesysteem van VW verleende groepsvrijstelling van het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag is gebaseerd, de vrijstelling uitdrukkelijk afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat het systeem verkopen via tussenpersonen toestaat, met dien verstande dat deze tussenpersonen wederverkopers zijn die niet zijn aangesloten bij het officiële systeem, doch een schriftelijke volmacht hebben.(15) De vrijstelling in de sector van de distributie van motorvoertuigen is dus onder meer afhankelijk van de mogelijkheid van verkoop aan gevolmachtigden van de eindgebruikers en dus uiteindelijk van de parallelinvoer die daarvan het natuurlijke gevolg is.
Hieruit volgt uiteraard, dat het sluitend zijn van een selectief distributiesysteem voor voertuigen - ongeacht wat eventueel de theoretische en/of praktische vorm van het begrip "sluitend zijn" in het nationale recht is en welke gevolgen hieraan zijn verbonden - in geen geval kan leiden tot een verbod van parallelinvoer door tussenpersonen die, hoewel zij niet bij het distributiesysteem zijn aangesloten, over een schriftelijke volmacht van eindgebruikers beschikken.
15 Indien het beginsel van het sluitend zijn derhalve aldus zou worden uitgelegd en toegepast, dat toewijzing van de rechtsvordering wegens oneerlijke mededinging zou afhangen van het bewijs door de producent of de erkende handelaar, dat het systeem volstrekt sluitend is, in die zin dat de commerciële activiteit van de in artikel 3, sub 11, van verordening nr. 123/85 bedoelde tussenpersonen verboden (of in elk geval uitgesloten) is, zou dit uiteraard betekenen, dat het betrokken systeem de vrijstelling verliest, omdat het in strijd is met de verordening en ook, a fortiori, met artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
In een dergelijk geval zou evenwel elke mogelijkheid om wegens oneerlijke mededinging tegen derden op te treden, moeten worden uitgesloten, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van contractbreuk door de erkende handelaar, met dien verstande dat het moet gaan om een contractbreuk ten aanzien van de vrijstellingsverordening die de maatstaf voor de wettigheid van elke dealerovereenkomst vanuit de hier van belang zijnde invalshoek moet vormen. Voorts bevat de verwijzingsbeschikking niets dat doet vermoeden, dat de verwijzende rechter met "derden" die zich "buiten een selectief distributiesysteem" bevinden, ook de gevolmachtigden van de eindgebruikers bedoelt.
Bijgevolg ben ik van mening, dat de voorwaarde van het sluitend zijn, die in beginsel niet relevant is voor de vaststelling van de geldigheid van een selectief distributiesysteem ten aanzien van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, hoe dan ook niet onverenigbaar is met het communautaire mededingingsrecht.
16 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door het Landgericht Hamburg gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
"Het gemeenschapsrecht verzet zich niet tegen de toepassing van een beginsel van nationaal recht inzake oneerlijke mededinging, volgens hetwelk een selectief distributiesysteem slechts tegen derden kan worden ingeroepen wanneer het sluitend is."
(1) - Het gaat hier dus om een typisch voorbeeld van parallelinvoer van voertuigen, waarbij, zoals bekend, gebruik wordt gemaakt van de voordelen die voortvloeien uit de prijsverschillen tussen de verschillende Lid-Staten en uit de ontwikkeling van de wisselkoersen van de verschillende munteenheden van de Lid-Staten waar de voertuigen worden verkocht. In het verleden, met name in de eerste helft van de jaren tachtig, deed zich wegens de toentertijd verschillende prijzen en wisselkoersen precies het omgekeerde fenomeen voor, namelijk dat de Italiaanse parallelimporteurs de voertuigen bij de Duitse VW-dealers kochten en in Italië onder concurrerende voorwaarden en tegen concurrerende prijzen verkochten.
(2) - Volgens deze bepaling maken niet bij een distributiesysteem aangesloten derden zich in drie gevallen schuldig aan oneerlijke mededinging: wanneer zij onder dit systeem vallende goederen verwerven via onjuiste gegevens of onder valse voorwendsels; wanneer zij gebonden handelaars aanzetten tot contractbreuk; en wanneer zij uit de contractbreuk door een gebonden handelaar een concurrentievoordeel halen.
(3) - Verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB 1985, L 15, blz. 16), inmiddels ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 (PB 1995, L 145, blz. 25).
(4) - Arrest van 13 januari 1994, zaak C-376/92, Jurispr. 1994, blz. I-15.
(5) - Het is nuttig erop te wijzen, dat, zoals het Hof heeft onderstreept, terwijl het systeem in theoretisch opzicht enkel sluitend is wanneer de fabrikant met de door hem geselecteerde distributeurs een reeks overeenkomsten heeft gesloten die waarborgen dat de producten de eindgebruiker alleen via de erkende distributeur bereiken, het in praktisch opzicht sluitend is wanneer de fabrikant ook bewijst, dat hij het systeem handhaaft door op te treden tegen contractpartners die contractbreuk plegen, of tegen derden die de goederen betrekken bij distributeurs die contractbreuk plegen (arrest Metro, r.o. 21).
(6) - Arrest Metro, r.o. 22 en 23.
(7) - Arrest Metro, r.o. 28.
(8) - Arrest Metro, r.o. 25.
(9) - Arrest Metro, r.o. 26, 27 en 29. Na te hebben vastgesteld, dat voor de verenigbaarheid van een distributiesysteem met het Verdrag niet als voorwaarde kan gelden, dat het systeem sluitend is, omdat het vereiste van het sluitend zijn van het systeem een groot en natuurlijk deel van de parallelverkoop zou verhinderen, bevestigde het Hof evenwel in dit arrest de rechtmatigheid van de weigering van Cartier om garantie te verlenen voor de door Metro verkochte producten; daarmee verkleinde het in commercieel opzicht de concurrentiemogelijkheden van de parallelhandelaars, zij het evenwel vooral ten nadele van de consumenten. Volledigheidshalve zij opgemerkt, dat de Commissie in een kort na het arrest Metro verschenen perscommuniqué (IP/94/488 van 6 juli 1994) heeft verklaard, dat het door het Hof geformuleerde beginsel haars inziens niet van toepassing is op in het kader van de groepsvrijstelling krachtens verordening nr. 123/85 vrijgestelde afzetovereenkomsten inzake motorvoertuigen; ingevolge artikel 5, lid 1, van deze verordening is de vrijstelling immers afhankelijk van de voorwaarde, dat gratis klantenservice wordt verleend aan de eindgebruiker, ongeacht of hij het voertuig bij een gebonden dan wel bij een niet-gebonden wederverkoper heeft gekocht.
(10) - Zie in die zin mijn conclusie van 27 oktober 1993 bij het arrest Metro (Jurispr. 1994, blz. I-17, punten 11-23).
(11) - Ook de doctrine (zie evenwel Bechtold: "Ende des Erfordernisses der Lückenlosigkeit", in Neue juristische Wochenschrift, 1994, blz. 3211 e.v., die de stelling van VAG blijkbaar grotendeels heeft geïnspireerd, alsmede de aldaar aangehaalde Duitse auteurs) lijkt het overigens in wezen met deze uitlegging van het arrest Metro eens te zijn. Zie, bijvoorbeeld, Idot: "Distribution sélective", in Europe, 1994, Act. N 117, blz. 10 e.v.; en Kovar: "Le dernier métro - L'étanchéité des réseaux de distribution: un réseau peut être ouvert ou fermé", in La Semaine juridique - édition entreprise, 1994, Suppl. nr. 4, blz. 2 e.v.; de auteur stelt daar zelfs: "Par ailleurs, rien n'autorise à considérer que la Cour de justice ait voulu interdire aux droits nationaux, le droit allemand en particulier, de tenir compte de l'étanchéité de la distribution sélective pour régler les conditions dans lesquelles un fabricant peut agir en concurrence déloyale contre des tiers non autorisés qui commercialisent ses produits" (blz. 5, in fine).
(12) - Arrest van 13 februari 1969, zaak 14/68, Jurispr. 1969, blz. 1.
(13) - Zoals bekend, stond het Hof steeds welwillend tegenover de mogelijkheden tot verkoop buiten het net om en dus tegenover parallelinvoer, die nuttig en noodzakelijk werden geacht om verschijnselen van excessieve starheid te matigen. Zie bijvoorbeeld arrest van 7 juni 1983, gevoegde zaken 100/80, 101/80, 102/80 en 103/80, Musique Diffusion Française, Jurispr. 1983, blz. 1825, r.o. 81-89. Ook in het arrest Metro heeft het Hof, zoals reeds gezegd, uitdrukkelijk herinnerd aan zijn voorkeur voor distributiesystemen "die soepeler zijn en meer voor nevenhandel openstaan" (r.o. 26). Wat voorts de bijzondere sector van koop en verkoop van motorvoertuigen betreft, zie arrest van 17 juni 1987, zaak 154/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 2717.
(14) - Aangehaald in voetnoot 3.
(15) - Zie in dit verband arresten van 15 februari 1996, zaak C-226/94, Grand garage albigeois e.a., Jurispr. 1996, blz. I-651, en zaak C-309/94, Nissan France e.a., Jurispr. 1996, blz. I-677, en laatstelijk arrest van 20 februari 1997, zaak C-128/95, Fontaine e.a., Jurispr. 1997, blz. I-967. In deze arresten heeft het Hof overigens verklaard, dat verordening nr. 123/85, voor zover zij slechts betrekking heeft op de contractsverhouding tussen leveranciers en officiële handelaars van hun net, in elk geval niet aldus kan worden uitgelegd, dat zij derden die geen gevolmachtigde tussenpersonen zijn, verbiedt zich bezig te houden met de parallelinvoer van nieuwe voertuigen van een merk dat deel uitmaakt van een officieel distributienet (r.o. 16-20). Een eventuele rechtsvordering om de activiteiten van de betrokken derden te doen staken, kan dus enkel op grond van het toepasselijke nationale recht worden ingesteld.
Full & Egal Universal Law Academy