Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. Met een serie prejudiciële vragen verzoeken het Landesarbeitsgericht Hamburg (Duitsland) (C-50/96, C-234/96 en C-235/96) en het Landesarbeitsgericht Niedersachsen (Duitsland) (C-270/97 en C-271/97) het Hof om uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag en het arrest van 17 mei 1990, Barber, alsmede het tweede protocol ad artikel 119 van het Verdrag, dat daaraan is gehecht bij het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992.
2. De partijen in de hoofdgedingen voor de nationale gerechten zijn enerzijds verzoeksters, die jarenlang in deeltijd hebben gewerkt bij Deutsche Bundespost Telekom, dat destijds één vennootschap was, en anderzijds de vennootschappen die uit de splitsing van deze vennootschap zijn ontstaan, namelijk Deutsche Telekom AG (in de eerste drie zaken) en Deutsche Post AG (in de laatste twee zaken). Het geschil berust op het feit dat deeltijdwerknemers van de genoemde vennootschappen zich in het in casu relevante tijdvak niet konden aansluiten bij het bedrijfspensioenfonds van deze vennootschappen en dus evenmin uitkering daarvan konden ontvangen, omdat alleen voltijds werkzame werknemers verzekerd waren.
3. De gestelde vragen strekken er in wezen toe te vernemen, of in de hoofdgedingen sprake is van een door artikel 119 van het Verdrag verboden discriminatie van vrouwelijke werknemers ten opzichte van mannelijke, of de door het arrest Barber en het in aansluiting daaraan aangenomen protocol ingevoerde beperking in de tijd van de mogelijkheid voor belanghebbenden om een beroep te doen op artikel 119, eveneens geldt voor de onderhavige gevallen, en zo ja, of het gemeenschapsrecht voorrang heeft op eventuele gunstiger nationale bepalingen, waaraan de betrokkenen voor het tijdperk vóór het arrest Barber en het Barber-protocol rechten kunnen ontlenen.
4. Aangezien de gestelde vragen in alle zaken dezelfde strekking hebben, zal ik deze ter vermijding van herhalingen in één enkele conclusie behandelen, waarbij ik waar nodig ook aandacht zal besteden aan de verschillen.
II - Het gemeenschapsrecht
5. Artikel 119 van het Verdrag, waarin het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers is verankerd, bepaalt: Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt."
6. Dit artikel is geconcretiseerd bij richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers.
7. Bovendien is bij richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 en bij richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 het beginsel van gelijke behandeling van toepassing verklaard op de wettelijke respectievelijk ondernemingsregelingen inzake sociale zekerheid.
8. Het tweede protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat aan dit Verdrag is gehecht, bepaalt: Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld." Krachtens artikel 239 EG-Verdrag vormt dit protocol een integrerend deel van dat Verdrag.
III - De nationale wettelijke regeling
A - Nationale bepalingen
9. Artikel 3 van de Duitse grondwet bepaalt onder meer dat alle mensen voor de wet gelijk zijn (lid 1), dat mannen en vrouwen gelijke rechten hebben (lid 2) en dat niemand wegens zijn geslacht mag worden benadeeld of bevoordeeld (lid 3).
10. § 612, lid 3, van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek) bepaalt:
In een arbeidsverhouding mag voor gelijke of gelijkwaardige arbeid niet op grond van het geslacht van de werknemer een lagere beloning worden overeengekomen dan voor een werknemer van het andere geslacht. Het overeenkomen van een lagere beloning kan niet worden gerechtvaardigd doordat in verband met het geslacht van de werknemer bijzondere beschermingsvoorschriften gelden."
11. Bovendien bepaalt het Gesetz über arbeitsrechtliche Vorschriften zur Beschäftigungsförderung (wet inzake arbeidsrechtelijke bepalingen ter bevordering van de werkgelegenheid; hierna: BeschFG") in de artikelen 2 en 6, die problemen inzake deeltijdarbeid betreffen:
§ 2. Verbod van ongelijke behandeling
1) Het is de werkgever verboden een in deeltijd werkzame werknemer uit hoofde van de werkzaamheid in deeltijd, anders te behandelen dan voltijds werkzame werknemers, tenzij hiervoor objectieve gronden bestaan.
(...)
§ 6. Voorrang van de collectieve arbeidsovereenkomst
1) Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden afgeweken van het bepaalde in deze afdeling, ook ten nadele van de werknemer."
12. Voor de verzekering van de werknemers van de voormalige onderneming Deutsche Bundespost geldt het volgende. Krachtens § 24 van het Tarifvertrag für Arbeiter der Deutschen Bundespost (CAO voor werknemers van de Deutsche Bundespost) moeten de werknemers van Deutsche Bundespost en van Deutsche Telekom worden verzekerd bij de Versorgungsanstalt der Deutschen Bundespost (pensioenfonds van de Deutsche Bundespost; hierna: VAP") met inachtneming van de voorwaarden van het Tarifvertrag über die Versorgung der Arbeitnehmer der Deutschen Bundespost (CAO betreffende de pensioenen van werknemers van de Deutsche Bundespost; hierna: collectieve pensioenregeling") in de van toepassing zijnde versie.
13. Tot 31 december 1987 bepaalde § 3 van deze collectieve pensioenregeling, dat een werknemer verplicht bij de VAP verzekerd was indien:
de gemiddelde arbeidsduur per week volgens zijn arbeidsovereenkomst ten minste de helft bedraagt van de normale arbeidsduur per week van een vergelijkbare werknemer die voltijds werkzaam is" (punt b).
14. Vervolgens werd § 3 bij collectieve arbeidsovereenkomst nr. 394 van 6 december 1989 met terugwerkende kracht in die zin gewijzigd dat met ingang van 1 januari 1988 een werknemer verzekerd werd, indien de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur ten minste 18 uur bedroeg.
15. Nadien werd deze bepaling opnieuw gewijzigd en wel aldus dat werknemers met ingang van 1 april 1991 bij de VAP verzekerd zijn indien hun arbeidsduur niet van geringe" duur is in de zin van § 8, lid 1, Sozialgesetzbuch IV.
B - De rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties
16. Vóór het arrest Barber is de vraag van de geldigheid van de zojuist aangehaalde bepalingen van sociale zekerheid kennelijk niet gerezen, noch met betrekking tot de Duitse grondwet, noch in verband met het gemeenschapsrecht.
17. Er moet echter op worden gewezen dat, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in zaak C-50/96 stelt, het Bundesarbeitsgericht reeds bij vonnis van 14 oktober 1986 (3 AZR 66/83) heeft beslist dat (onder meer) een benadeling van in deeltijd werkzame vrouwelijke werknemers wanneer het een beloning betreft die binnen de werkingssfeer van artikel 119 valt, verboden is bij artikel 3, lid 2, van de Duitse grondwet, waarin de gelijkheid voor de wet van mannen en vrouwen is verankerd en dat van kracht is sedert 1949. Bovendien is volgens dit vonnis een beperking in de tijd van de rechten van betrokkenen gerechtvaardigd noch noodzakelijk [zie in deze zin ook het vonnis van het Bundesarbeitsgericht van 20 november 1990 (3 AZR 613/89)].
18. In de latere rechtspraak van deze instantie, die wel als vaste rechtspraak kan worden beschouwd, wordt de afwijzing van ongelijke behandeling van werknemers in deeltijd en voltijds werkzame werknemers, in het bijzonder de uitsluiting van de verzekering bij de VAP, echter veeleer gebaseerd op het beginsel van de gelijkheid voor de wet, die voortvloeit uit artikel 3, lid 1, van de Duitse grondwet, onafhankelijk van het geslacht van de betrokkene en onafhankelijk van het percentage mannen en vrouwen [zie bijvoorbeeld het vonnis van het Bundesarbeitsgericht van 16 januari 1996 (3 AZR 767/94)]. Volgens deze rechtspraak is bovendien, gezien het feit dat deze grondwetsbepaling de kwestie afdoende regelt en van eerdere datum is dan artikel 119 van het Verdrag, de vraag of een beroep op artikel 119 kan worden gedaan niet aan de orde, noch bijgevolg hoe de beperking in de tijd als neergelegd in het arrest Barber en het Barber-protocol, dat bij dit artikel aanknoopt, moet worden toegepast.
19. Volgens de rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht zijn de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst op grond waarvan deeltijdwerknemers van de verzekering bij de VAP zijn uitgesloten, derhalve in strijd met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en derhalve niet-toepasselijk, terwijl de andere CAO-bepalingen geldig blijven, zodat de van de verzekering uitgesloten werknemers met terugwerkende kracht rechten verkrijgen. Het beginsel van rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel, waarop de verweerder (in een van de gevallen was dit Deutsche Telekom) zich beriep, kunnen het recht van de werknemers om met terugwerkende kracht te worden verzekerd en de gevolgen daarvan, niet tenietdoen. De hogere kosten die daaruit voor de onderneming voortvloeien en die tussen 40 en 50 miljoen DEM bedragen, kunnen worden gedekt uit andere bronnen, zoals de kapitaalmarkt of reserves.
IV - De feiten
A - Het dienstverband van verzoeksters en de procedure voor het Arbeitsgericht
a) Zaak C-50/96
20. Schröder trad in 1974 in dienst bij Deutsche Bundespost Telekom. Van 20 mei 1975 tot 31 maart 1994, op welke datum zij met pensioen ging, werkte zij in deeltijd, gedurende minder dan 18 uur per week. Van 1975 tot 31 maart 1991 was zij niet bij de VAP verzekerd. Na de laatste wijziging van de collectieve pensioenregeling, zoals hiervóór weergegeven, werd verzoekster echter met ingang van 1 april 1991 bij de VAP verzekerd. Sedert 1 april 1994 ontvangt zij het wettelijk ouderdomspensioen.
21. In haar beroep bij het Arbeitsgericht Hamburg betoogde verzoekster dat zij recht had op verplichte verzekering bij de VAP met terugwerkende kracht tot 20 mei 1975, omdat de uitsluiting van deeltijdwerknemers van de verzekering bij de VAP een indirecte discriminatie van vrouwen vormde, die zowel in strijd was met artikel 119 van het Verdrag als met artikel 3 van de Duitse grondwet en § 2 BeschFG.
Verzoekster baseerde deze stelling op het feit dat blijkens de overgelegde gegevens in 1991 van de 240 339 voltijdwerknemers die bij verweerster in dienst waren, 169 477 (70,5 %) mannen waren en 70 862 (29,5 %) vrouwen; daarentegen waren van de in totaal 11 521 deeltijdwerknemers 590 (5 %) mannen en 10 931 (95 %) vrouwen.
Op grond hiervan vorderde verzoekster van Deutsche Telekom (verweerster), haar met ingang van 1 april 1994 een aanvullend pensioen te betalen ter hoogte van het bedrag waarop zij recht zou hebben gehad indien zij bij de VAP verzekerd was geweest in het tijdvak 20 mei 1975 tot en met 31 maart 1991. Subsidiair vorderde verzoekster van verweerster, haar met terugwerkende kracht en op kosten van verweerster bij de VAP te verzekeren, en meer subsidiair, haar schadevergoeding te betalen over het tijdvak dat zij niet bij de VAP verzekerd was.
b) Gevoegde zaken C-234/96 en C-235/96
22. Vick (verzoekster in zaak C-234/96) werd op 1 juli 1971 bij Deutsche Bundespost aangesteld. Tot 30 september 1972 werkte zij voltijds en was zij verzekerd bij de VAP. Op 1 oktober 1972 ging zij in deeltijd werken voor 16 uur per week. Op grond daarvan werd haar verzekering bij de VAP beëindigd en werden haar de door haar betaalde premies terugbetaald. Vanaf laatstgenoemde datum tot haar ontslag op 30 juli 1991 was zij niet bij de VAP verzekerd. Sedert 1 augustus 1991 ontvangt zij het wettelijk ouderdomspensioen.
In haar beroep bij het Arbeitsgericht Hamburg vorderde ook zij erkenning van haar recht op een maandelijks pensioen tot het bedrag waarop zij recht zou hebben, indien zij sedert 1 juli 1971 bij de VAP verzekerd was geweest, vermeerderd met 4 % rente berekend vanaf elke maandelijkse vervaldatum.
23. Conze (verzoekster in zaak C-235/96) werd op 13 september 1971 aangesteld. Tot 30 april 1972 werkte zij voltijds en was zij bij de VAP verzekerd. Op 1 mei 1972 ging zij in deeltijd werken voor 16 uur per week en daarom werd haar verzekering bij de VAP beëindigd. Sedert 1 april 1991 is verzoekster, die nog steeds werkt, wederom bij de VAP verzekerd.
24. In haar beroep bij het Arbeitsgericht Hamburg vorderde zij van verweerster, haar bij het intreden van het verzekerd risico te behandelen alsof zij van 1 januari 1983 tot en met 31 maart 1991 bij de VAP verzekerd was geweest.
25. In deze twee zaken betoogde verweerster dat verzekering met terugwerkende kracht van verzoeksters in strijd was met het vertrouwensbeginsel en het in de Duitse grondwet verankerde beginsel van contractsvrijheid, waaronder de vrijheid collectieve overeenkomsten te sluiten. Bovendien zou verzekering met terugwerkende kracht van alle deeltijdwerknemers haar economisch bestaan op het spel zetten.
Verweerster stelde ook dat de eventuele erkenning van de rechten van verzoeksters in ieder geval niet verder kon terugwerken dan 17 mei 1990, de datum van het arrest van het Hof in de zaak Barber.
26. Het Arbeitsgericht Hamburg wees de vordering toe omdat aan de objectieve voorwaarden voor indirecte discriminatie van vrouwen was voldaan. Het verbod van een dergelijke discriminatie volgde echter reeds uit artikel 3, lid 2, van de Duitse grondwet. Bovendien stelde de rechter in eerste aanleg vast dat geen enkel grondwettelijk beginsel aan erkenning van de rechten van verzoeksters met terugwerkende kracht, in de weg stond. Op deze gronden oordeelde het Arbeitsgericht dat een beperking van de werking in de tijd als bedoeld in het arrest Barber, niet aan de orde was.
c) Gevoegde zaken C-270/97 en C-271/97
27. Sievers (verzoekster in zaak C-270/97) werd door verweerster aangesteld op 16 september 1964 en ging met pensioen op 28 februari 1988. Al die tijd werkte zij in deeltijd, variërend van 2,5 tot 18 uur per week. Wegens haar arbeidstijd was zij niet bij de VAP verzekerd.
28. In maart 1993 vorderde zij voor het Arbeitsgericht Hannover van verweerster, haar met ingang van 1 maart 1993 een maandelijks pensioen uit te betalen ter hoogte van het bedrag dat zij zou hebben ontvangen indien zij vanaf het begin bij de VAP verzekerd was geweest. Subsidiair vorderde zij, op kosten van verweerster alsnog voor de gehele duur van haar loopbaan bij de VAP te worden verzekerd. Meer subsidiair vorderde zij van verweerster vergoeding van de schade die zij had geleden doordat zij niet verzekerd was geweest.
29. Voor het Arbeitsgericht stelde verzoekster indirecte discriminatie op grond van geslacht; verweerster bestreed deze stelling en betoogde bovendien dat de rechten van verzoekster over het tijdvak liggende vóór 1 januari 1991 waren verjaard.
30. Het Arbeitsgericht Hannover besliste dat, ongeacht het geslacht, de ongelijke behandeling van deeltijdwerknemers en voltijdwerknemers in strijd was met § 2, lid 1, BeschFG en met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel; het wees op die gronden verzoeksters primaire vordering gedeeltelijk toe en kende haar een pensioen toe vanaf 1 januari 1991. Verweerster kwam van dit vonnis in beroep bij de verwijzende rechter.
31. Schrage (verzoekster in zaak C-271/97) werd in 1960 aangesteld. Zij werkte steeds in deeltijd, met onderbrekingen tot 1 oktober 1981 en vervolgens continu tot en met 31 maart 1993. In haar beroep vorderde zij pensioen vanaf laatstgenoemde datum, alsof zij van 1 januari 1964 tot en met 31 maart 1993 bij de VAP verzekerd was geweest; subsidiair stelde zij soortgelijke vorderingen in als Sievers.
32. De rechter wees de primaire vordering voor een deel toe, maar niet de rechten vóór 1964, omdat deze onder de dertigjarige verjaringstermijn van het Duitse recht vielen (artikel 195 BGB).
B - Procedure voor het Landesarbeitsgericht
33. Verweersters stelden tegen deze vonnissen beroep in bij de in de respectieve zaken bevoegde Landesarbeitsgerichte. Zij betoogden dat artikel 119 van het Verdrag alsmede het desbetreffend protocol dat door het Verdrag van Maastricht daaraan is gehecht, voorrang hebben op de bepalingen van het nationale recht op hetzelfde vlak. Bijgevolg had in casu de beperking van de werking in de tijd als bedoeld in het arrest Barber en het Barber-protocol moeten worden toegepast.
34. Verzoeksters, tevens geïntimeerden, spraken deze uitlegging tegen en betoogden dat de rechten waarop zij zich beriepen, voortvloeiden uit artikel 3 van de Duitse grondwet en in Duitsland altijd hadden bestaan. Volgens hen kan het gemeenschapsrecht niet ertoe leiden dat - wanneer de rechtstoestand in een lidstaat vóór het arrest Barber overeenkomt met de rechtstoestand die in het gemeenschapsrecht is ontstaan na dit arrest - degenen die vóór het arrest Barber werden gediscrimineerd, daarna geen rechten meer kunnen doen gelden in geval van discriminatie op grond van geslacht.
35. De verwijzende rechters wijzen er in algemene zin op dat de aangehaalde rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht niet onomstreden is. Met name zijn zij van opvatting dat de uitsluiting van deeltijdwerknemers van de VAP een met artikel 119 van het Verdrag strijdige discriminatie is. Ervan uitgaande dat het arrest Barber en het Barber-protocol in de weg staan aan de erkenning met terugwerkende kracht van rechten vóór de datum van dat arrest, zijn zij bovendien geneigd tot de opvatting dat die datum in het algemeen de uiterste grens vormt voor alle op artikel 119 van het Verdrag gebaseerde vorderingen. Gelet op het beginsel van de voorrang van het communautaire recht op het nationale recht en het vereiste van een eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht in alle lidstaten, zou de genoemde beperking in de tijd zelfs gelden wanneer het nationale recht de betrokkenen rechten toekent over een tijdvak gelegen vóór het arrest Barber. Bovendien is volgens deze rechters van belang, dat het blijkens oudere uitspraken van het Bundesgericht, vóór het arrest Barber in Duitsland moeilijk zo al niet onmogelijk was vast te stellen dat de litigieuze bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst hetzij met artikel 119 van het Verdrag dan wel artikel 3, lid 2, van de grondwet in strijd waren, zodat de erkenning met terugwerkende kracht van aanspraken van die werknemers in strijd was met de beginselen van rechtszekerheid en de bescherming van het gewettigd vertrouwen aan de zijde van de werkgever. Tenslotte merken de verwijzende rechters op dat in casu door de economische consequenties van terugwerkende kracht de Duitse ondernemingen in een ongunstiger mededingingspositie zouden geraken ten opzichte van ondernemingen van andere lidstaten.
36. Op grond van deze twijfel hebben de verwijzende rechters het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld.
V - Prejudiciële vragen
37. De prejudiciële vragen luiden:
a) in zaak C-50/96
1) Wanneer deeltijdwerknemers met een dienstverband van minder dan 18 uur per week in een sekseneutraal geformuleerde bepaling worden uitgesloten van een aanvullend pensioen uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling, is er dan sprake van indirecte discriminatie van vrouwen in de zin van de rechtspraak van het Hof inzake artikel 119 EG-Verdrag, wanneer ongeveer 95 % van de werknemers die door de uitsluiting worden getroffen, vrouwen zijn?
2) Bij bevestigende beantwoording van de eerste vraag: gelden het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (het zogenoemde Barber-protocol) en het daarin neergelegde verbod van terugwerkende kracht dan tevens voor een geval van indirecte discriminatie van vrouwen in een situatie als bedoeld in de eerste vraag?
3) Bij bevestigende beantwoording van de tweede vraag: heeft het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Barber-protocol) voorrang boven het Duitse constitutionele recht (artikel 3, lid 1, Grundgesetz), dat een verbod van terugwerkende kracht in het in de eerste vraag beschreven geval juist uitsluit?
4) Vormt terugwerkende kracht, die ingevolge artikel 3, lid 1, Grundgesetz naar Duits constitutioneel recht geoorloofd is, in een geval als bedoeld in de eerste vraag een ongeoorloofde ontwijking van het in het protocol ad artikel 119 EG-Verdrag neergelegde verbod van terugwerkende kracht, indien bij gelijke feiten volgens het nationale recht, eveneens met het oog op de gelijke behandeling in bedrijfspensioenregelingen, in tegenstelling tot het gemeenschapsrecht wel terugwerkende kracht moet worden aangenomen ten gunste van de werknemers, in het bijzonder van indirect gediscrimineerde vrouwen?
5) Bij bevestigende beantwoording van de vierde vraag: vormt de toepassing van § 2, lid 1, van het Beschäftigungsförderungsgesetz van 26 april 1985, op grond waarvan terugwerkende kracht tot 26 april 1985 mogelijk is, dan een ongeoorloofde ontwijking van het in het protocol ad artikel 119 EG-Verdrag (Barber-protocol) neergelegde verbod van terugwerkende kracht?
6) Vormt terugwerkende kracht, die ingevolge artikel 3, lid 1, Grundgesetz geoorloofd is, in een geval als bedoeld in de eerste vraag een schending van het gemeenschapsrecht, bezien vanuit het oogpunt van een onevenredige discriminatie van de betrokken Duitse ondernemingen, van een met het gemeenschapsrecht verenigbare uitlegging van het nationale recht of van een gemeenschapsrechtelijk grondbeginsel, en heeft het gemeenschapsrecht in dit verband voorrang boven het nationale recht?"
b) In de zaken C-234/96, Vick, en C-235/96
1) Hebben artikel 119 EG-Verdrag, het tweede Barber-protocol en de desbetreffende rechtspraak van het Hof als primair gemeenschapsrecht voorrang boven het in de Bondsrepubliek geldende constitutionele recht (artikel 3 Grundgesetz) en het gewone recht (§ 2, lid 1, Beschäftigungsförderungsgesetz, algemeen sociaalrechtelijk beginsel van gelijke behandeling), zodat, wanneer is voldaan aan de feitelijke voorwaarden voor een vordering krachtens artikel 119 EG-Verdrag wegens indirecte seksediscriminatie in een bedrijfspensioenregeling waarin deeltijdwerknemers worden achtergesteld, op grond van nationale constitutionele bepalingen of bepalingen van lagere rang slechts aanspraak op uitkering kan worden gemaakt onder dezelfde beperkingen als gelden voor de concurrerende gemeenschapsrechtelijke aanspraak op grond van artikel 119 EG-Verdrag, zodat in afwijking van de naar nationaal recht te geven beoordeling ook op grond van de nationale bepalingen slechts uitkeringen verschuldigd zijn voor na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens voor werknemers die vóór deze datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend?
2) Geldt dit ook, wanneer volgens de concurrerende nationale rechtsgrondslag reeds recht op gelijke behandeling bestaat wegens achterstelling van deeltijdwerknemers zonder objectieve rechtvaardiging, zonder dat van belang is of er ook sprake is van indirecte seksediscriminatie, omdat naar verhouding meer vrouwelijke werknemers nadelig worden behandeld?"
c) In de zaken C-270/97, Sievers, en C-271/97
1) a) Moet het gemeenschapsrecht voorrang hebben boven het nationale recht (krachtens de artikelen 5, tweede alinea, en 189 EG-Verdrag), wanneer aanspraken zowel op het gemeenschapsrecht kunnen worden gebaseerd als op nationale bepalingen die eveneens recht op gelijke behandeling op het gebied van bedrijfspensioenregelingen beogen te verlenen en die eveneens kunnen of moeten worden toegepast op de feiten, zoals in Duitsland het geval is met - in algemene zin - het sociaalrechtelijk beginsel van gelijke behandeling of - meer specifiek - § 2, lid 1, van het BeschFG?
b) Heeft het gemeenschapsrecht altijd voorrang in een dergelijk geval van collisie, waarbij volgens het gemeenschapsrecht uitsluitend recht op uitkering krachtens een bedrijfspensioenregeling bestaat, indien en voor zover het tijdvakken van arbeid na 17 mei 1990 betreft, terwijl het nationale recht dezelfde situatie in zoverre anders regelt, dat terugwerkende kracht niet is uitgesloten?
c) Bestaat deze voorrang alleen wanneer het economische doel van artikel 119 van het Verdrag - het scheppen van gelijke kansen op het gebied van de mededinging -, dat naast het sociale doel van deze bepaling bestaat, concreet aan de orde is?
2) Betekent het gemeenschapsrechtelijk beginsel dat het nationale recht conform het gemeenschapsrecht moet worden uitgelegd, dat nationale bepalingen betreffende gelijke behandeling inzake uitkeringen op grond van bedrijfspensioenregelingen moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de eisen en de beperkingen (verbod van terugwerkende kracht) die door het gemeenschapsrecht worden gesteld?"
VI - Ten gronde
A - De eerste vraag in zaak C-50/96
38. De bedoeling van deze vraag is of de uitsluiting van vrouwelijke deeltijdwerknemers van een aanvullend pensioen in het kader van een bedrijfspensioenregeling, in strijd is met artikel 119 van het Verdrag, wanneer 95 % van de uitgesloten werknemers vrouwen zijn.
39. In casu is niet bestreden dat de betrokken pensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag valt en dat de litigieuze prestatie een beloning is in de zin van dit artikel.
40. Voorts zijn partijen het in wezen eens over de beantwoording van deze vraag, aangezien de kwestie reeds is opgelost. Het volstaat dus te wijzen op de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke de uitsluiting van deeltijdwerknemers van het recht op een aanvullend pensioen, toegekend in het kader van een particuliere bedrijfspensioenregeling, een bij artikel 119 van het Verdrag verboden discriminatie van vrouwen is, wanneer die maatregel een veel groter aantal vrouwen dan mannen treft, tenzij de onderneming aantoont dat bedoelde maatregel haar verklaring vindt in factoren die objectief gerechtvaardigd zijn en niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.
41. Ik merk op dat de regering van het Verenigd Koninkrijk in haar opmerkingen een andere berekeningswijze van de percentages mannen en vrouwen voor de vaststelling van discriminatie voorstelt dan door de verwijzende rechters is toegepast. Aangezien deze vraag echter in de onderhavige zaken niet direct aan de orde is, behoeft zij mijns inziens niet te worden onderzocht.
B - De vragen 2 tot en met 5 in zaak C-50/96, de twee vragen in de zaken C-234/96 en C-235/96, en de vragen 1a, 1b en 2 in de zaken C-270/97 en C-271/97
42. Deze vragen, die tezamen kunnen worden onderzocht, strekken er in wezen toe te vernemen of artikel 119 van het Verdrag en het Barber-protocol, zoals zij door het Hof zijn uitgelegd, in de weg staan aan nationale bepalingen volgens welke deeltijdwerknemers recht hebben op aansluiting bij de verzekering en op een aanvullend pensioen zoals aan de orde is in het hoofdgeding, over tijdvakken vóór 17 mei 1990, de datum van het arrest Barber.
43. Deze vragen werpen twee problemen op. Ten eerste of gemeenschapsrechtelijk gezien gevallen als de onderhavige in beginsel onder de beperking van de werking in de tijd van het arrest Barber en het Barber-protocol vallen, dan wel onder een andere beperking in de tijd (zie hierna sub a). Ten tweede of deze beperking, gezien het beginsel van voorrang van het gemeenschapsrecht, ook geldt wanneer het nationale recht rechten toekent die verder teruggaan dan deze beperking (zie hierna sub b).
a) Het eerste probleem
44. Blijkens de rechtspraak van het Hof na het arrest Barber, geldt de beperking van de werking in de tijd van dit arrest, die in het protocol is overgenomen, uitsluitend voor de soorten van discriminatie waarvan werkgevers en pensioenregelingen op grond van de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht dat op het gebied van bedrijfspensioenen van toepassing kon zijn, redelijkerwijs mochten aannemen, dat zij getolereerd werden.
45. Op grond hiervan heeft het Hof met betrekking tot het recht op aansluiting bij bedrijfspensioenregelingen vastgesteld dat het sinds het arrest Bilka duidelijk was dat discriminatie op grond van geslacht strijdig is met artikel 119 en dat uit niets kon worden opgemaakt, dat de betrokken beroepskringen zich hadden kunnen vergissen met betrekking tot de toepasselijkheid van dit artikel van het Verdrag.
46. Bovendien verklaarde het Hof dat, aangezien in het arrest Bilka geen enkele beperking in de tijd was voorzien, de rechtstreekse werking van artikel 119 kon worden ingeroepen teneinde met terugwerkende kracht het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te eisen en wel vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne II (43/75, Jurispr. blz. 455, punt 40), waarin voor het eerst de rechtstreekse werking van dat artikel werd erkend.
47. Tenslotte heeft het Hof gepreciseerd dat aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling voor de werknemer elke zin zou verliezen, indien deze hem geen recht gaf op ontvangst van de uit hoofde van de betrokken regeling verstrekte uitkeringen. Met het oog hierop oordeelde het Hof dat werknemers die op grond van hun geslacht waren uitgesloten van aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling niet alleen het recht hadden met terugwerkende kracht te worden aangesloten, doch ook gerechtigd waren met terugwerkende kracht de daaruit voortvloeiende uitkeringen te verkrijgen, zoals ouderdomspensioen of aanvullend pensioen.
48. In casu hebben werknemers zoals verzoeksters derhalve krachtens het gemeenschapsrecht in elk geval met terugwerkende kracht tot 8 april 1976 recht op aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling, alsmede op de aan deze verzekeringsduur verbonden uitkeringen.
49. Gezien de feitelijke context van de hoofdgedingen is hier een verduidelijking gewenst. Voor de verkrijging van uitkeringen overeenkomstig de tijdvakken van verzekering met terugwerkende kracht gelden de algemene voorwaarden die terzake in de betrokken lidstaat van kracht zijn, waaronder in het bijzonder dat de werknemer eerst de eventueel verschuldigde verzekeringspremies betaalt.
50. Zoals het Hof beklemtoonde in een geval waarin de werknemer in strijd met artikel 119 van het Verdrag was gediscrimineerd op grond van geslacht, moet immers
gelijkheid van behandeling tot stand (...) worden gebracht en de gediscrimineerde werknemer in dezelfde situatie (...) worden geplaatst als de werknemers van het andere geslacht.
Die werknemer kan derhalve niet verlangen, dat hij, in het bijzonder op het financiële vlak, gunstiger wordt behandeld dan wanneer hij regelmatig bij de regeling aangesloten was geweest.
(...) een werknemer [kan] zich niet op grond van het feit dat hij met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling (...) onttrekken aan de betaling van de op de betrokken periode van aansluiting betrekking hebbende premie."
51. Zoals bij de weergave van de feiten is uiteengezet, hebben in casu de eerste verzoekster en de laatste twee verzoeksters alleen betaling van de aanvullende uitkering gevorderd en een fictieve optelling van hun respectieve arbeidstijdvakken (dat wil zeggen zonder aansluiting met terugwerkende kracht bij de verzekering), subsidiair hun aansluiting met terugwerkende kracht op kosten van verweerster, en meer subsidiair schadevergoeding voor de periode dat zij niet verzekerd waren, dat wil zeggen in al deze gevallen de rechten zonder de kosten daarvan. Soortgelijke vorderingen zijn overigens ook door de beide andere verzoeksters ingesteld.
52. Hiermee kan ik mij echter niet verenigen, omdat het recht op uitkering geen autonoom recht is, doch voortvloeit uit de aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling die de uitkeringen verleent (in casu de VAP). Bovendien zou de kosteloze verkrijging van de litigieuze uitkeringen door verzoeksters leiden tot een nieuwe discriminatie en wel van voltijdwerknemers, die jarenlang verzekeringspremies hebben betaald, reden waarom in bovengenoemd arrest Fisscher deze opvatting werd verworpen.
53. Uiteindelijk is voor de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling als in het hoofdgeding aan de orde is en de verkrijging van de bijbehorende uitkeringen, voor het gemeenschapsrecht de doorslaggevende uiterste datum 8 april 1976, de dag van wijzing van het arrest Defrenne II, en niet 17 mei 1990, de datum van het arrest Barber, die in het Barber-protocol is overgenomen.
b) Het tweede probleem
54. Nu het eerste probleem is opgelost, is de vraag, of bovengenoemde beperkingen ook gelden wanneer het nationale recht dezelfde materie gunstiger regelt, zoals hier het geval is.
55. Verzoeksters, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie betogen in wezen dat, wanneer het Duitse recht verdergaande rechten toekent dan artikel 119 van het Verdrag, dit artikel niet geldt, evenmin als de beperkingen in de tijd die de toepassing daarvan meebrengt. Daarentegen stellen verweersters dat, wanneer een geval binnen het toepassingsgebied van artikel 119 van het Verdrag valt, dit artikel en de beperkingen in de tijd die de toepassing daarvan meebrengt, moeten worden toegepast en niet de gunstiger nationale bepalingen, op grond van het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht.
56. De opvatting van verweersters kan niet worden gevolgd.
57. Om te beginnen moet de betekenis worden gepreciseerd van de beperkingen in de tijd die in de arresten Defrenne II en Barber door het Hof zijn gesteld.
58. Volgens vaste rechtspraak houdt de rechtstreekse toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht in dat de regels van het gemeenschapsrecht vanaf hun inwerkingtreding en tijdens hun gehele geldigheidsduur hun volle werking op eenvormige wijze in alle lidstaten moeten ontplooien. Deze bepalingen zijn een rechtstreekse bron van rechten en verplichtingen zowel voor de lidstaten als voor particulieren die partij zijn bij rechtsbetrekkingen welke onder het gemeenschapsrecht vallen; de rechter is gehouden deze rechten te beschermen.
59. Daarenboven hebben krachtens het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht, de Verdragsbepalingen en de rechtstreeks toepasselijke handelingen der instellingen, in hun verhouding tot het nationale recht der lidstaten tot gevolg (...) niet alleen dat zij door het enkele feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de bestaande nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden, maar ook - daar die bepalingen en handelingen onderdeel van hogere rang vormen van de op het grondgebied van elk der lidstaten geldende rechtsorde - dat zij in de weg staan aan de geldige totstandkoming van nieuwe nationale wetgevende handelingen, voor zover die onverenigbaar met de gemeenschapsregels zouden zijn".
60. Bovendien - eveneens volgens vaste rechtspraak - verklaart en preciseert de uitlegging die het Hof in het kader van artikel 177 van het Verdrag aan een voorschrift van gemeenschapsrecht geeft, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast. Hieruit volgt dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist. Anders gezegd, de gevolgen van uitleggingsarresten van het Hof gaan gewoonlijk terug tot de datum van inwerkingtreding van het uitgelegde voorschrift.
61. De beperking van de gevolgen van een uitleggingsarrest door het Hof is daarom een uitzonderlijke maatregel, die uitsluitend kan worden genomen om dringende redenen van rechtszekerheid. Dit is het geval wanneer nationale instanties op grond van een verschoonbare rechtsdwaling met het gemeenschapsrecht strijdige voorschriften hebben vastgesteld en lange tijd toegepast, die grote gevolgen hebben gehad en waarvan de opheffing veel hogere kosten zou veroorzaken dan de instandhouding. Geen beperking kan echter worden toegestaan ten aanzien van de toekomst.
62. Bijgevolg spreekt het vanzelf, dat de kwestie van de betekenis en de gelding van de bepalingen die door het arrest van het Hof zijn uitgelegd en de kwestie van de beperking van de werking in de tijd van het uitleggingsarrest niet mogen worden verward. De uitlegging werkt steeds (dus ook wanneer het Hof bepaalt dat de werking van zijn arrest in de tijd beperkt is) terug tot de datum van vaststelling van de betrokken bepaling; zij maakt de betekenis en de bindende kracht die het voorschrift op zich al had, duidelijk en verleent deze niet. De beperking van de gevolgen in de tijd van het arrest ontneemt de justitiabelen daarentegen de mogelijkheid, de rechten geldend te maken en uit te oefenen die uit de aldus uitgelegde en geldende bepaling ontstaan.
63. Uit bovenstaande overwegingen kunnen de volgende conclusies worden getrokken.
Ten eerste komt de vraag of het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht toepasselijk is, slechts op, wanneer de nationale bepalingen in strijd zijn met het gemeenschapsrecht, dat wil zeggen wanneer het gemeenschapsrecht en het nationale recht in botsing komen. De vraag of dit beginsel moet worden toegepast, doet zich dus niet voor wanneer de nationale bepalingen met het gemeenschapsrecht in overeenstemming zijn.
Ten tweede is de beperking van de effecten van een arrest van het Hof een uitzonderlijke maatregel, waartoe het Hof slechts overgaat na afweging van de consequenties van de met het gemeenschapsrecht strijdige nationale bepaling. Bijgevolg veronderstelt deze beperking van de effecten van een arrest van het Hof noodzakelijkerwijs eveneens een conflict tussen het gemeenschaps- en het nationale recht. Daarentegen kan aan een beperking van de effecten van een arrest niet worden gedacht wanneer de nationale bepaling met het gemeenschapsrecht in overeenstemming is, omdat dit zou betekenen dat het gemeenschapsrecht zichzelf buiten werking stelt.
64. Daarom is in casu de essentiële vraag of nationale voorschriften als die in het hoofdgeding aan de orde zijn, met het gemeenschapsrecht in overeenstemming of in strijd zijn.
65. Ik herinner eraan dat in de onderhavige zaken de relevante nationale bepalingen niet de elkaar opvolgende versies van de collectieve pensioenregelingen zijn, maar de bepalingen van de collectieve pensioenregeling in de versie die geldt sinds de intrekking met terugwerkende kracht van de regeling die volgens de hierboven besproken rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht (punten 16 e.v.) in strijd was met artikel 3, lid 1, van de Duitse grondwet. Deze bepalingen zijn het nationaal rechtskader" van de prejudiciële vragen, zonder dat de zuiver nationaalrechtelijke vraag aan de orde komt, hoe en waarom de nationale rechter tot deze conclusie is gekomen.
66. Zoals gezegd moeten deeltijdwerknemers (mannen en vrouwen) volgens deze bepalingen sedert 1949 op dezelfde wijze worden behandeld als voltijdwerknemers (mannen en vrouwen). De uitsluiting van deeltijdwerknemers van de VAP en van het recht op aanvullend pensioen was derhalve van meet af aan ongrondwettig. Dit heeft tot gevolg dat alle deeltijdwerknemers (ook vrouwen) aanspraak op aansluiting met terugwerkende kracht bij de VAP en op de bijbehorende uitkeringen hebben.
67. De nationale bepalingen regelen derhalve in het kader van de meer algemene kwestie (de gelijke behandeling van deeltijdwerknemers en voltijdwerknemers) ook een meer specifieke kwestie (de gelijke behandeling van in deeltijd werkzame vrouwen en voltijdwerknemers), wat ook in het onderhavige geval de vraag is waar het om draait. Dezelfde feiten vallen dus in het toepassingsgebied van twee elkaar overlappende regelingen, die van artikel 119 van het Verdrag, dat discriminatie van het naar verhouding grotere aantal in deeltijd werkzame vrouwen verbiedt, en die van de nationale bepalingen, die in het algemeen discriminatie van deeltijdwerknemers ten opzichte van voltijdwerknemers verbieden.
68. Wat de inhoud betreft, is de nationale regeling volledig verenigbaar met artikel 119 en gaat zij zelfs verder, zowel in de tijd (daar zij ook betrekking heeft op de tijd vóór de inwerkingtreding van het Verdrag) als wat de personele werkingssfeer betreft (daar zij alle deeltijdwerknemers omvat, ongeacht het geslacht en het percentage mannen en vrouwen), en naar alle waarschijnlijkheid ook wat de materiële werkingssfeer betreft (daar de gelijkstelling, gelet op de ruime formulering van artikel 3, lid 1, Grundgesetz, waarop het Bundesarbeitsgericht zijn overwegingen baseert, de algemene arbeidsvoorwaarden van beide groepen werknemers betreft en niet beperkt is tot de beloning).
69. Aangezien de nationale regeling ruimer is en zij met artikel 119 van het Verdrag in overeenstemming is, kan zij zelfstandig een geldige grondslag zijn voor de vorderingen van verzoeksters voor de nationale rechter. Er is dan ook geen sprake van tegenstrijdigheid of conflict tussen het nationale recht en het gemeenschapsrecht en dus is toepassing van het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht niet aan de orde.
70. Bovendien is gezien het bovenstaande in de omstandigheden van het geval een beperking van de werking in de tijd van het arrest van het Hof niet mogelijk. Enerzijds heeft deze beperking immers, zoals verzoeksters en de Commissie terecht beklemtonen, betrekking op rechten die betrokkenen aan het gemeenschapsrecht ontlenen (terwijl in casu zoals gezegd de vorderingen van verzoeksters op het nationale recht kunnen berusten) en anderzijds is een beperking van de effecten van het arrest van het Hof niet mogelijk wanneer de nationale bepalingen in overeenstemming zijn met de door het Hof uitgelegde bepalingen van het gemeenschapsrecht, daar het gemeenschapsrecht anders zichzelf buiten werking zou stellen.
71. Zou verweersters' opvatting worden gevolgd, dan zou artikel 119 klaarblijkelijk in eerste instantie de gelijkstelling van de beloning van mannen en vrouwen in de lidstaten voorschrijven en die gelijkstelling vervolgens ongedaan maken, door nationale maatregelen waarbij dit voorschrift zelfs tegen een eerdere datum dan die van artikel 119 wordt geconcretiseerd, weer in te perken. Dit is zowel in logisch als in juridisch opzicht een in het kader van het gemeenschapsrecht niet te accepteren tegenstrijdigheid. Uit rechtszekerheidsoverwegingen, overwegingen dus die ook voor het gemeenschapsrecht gelden, zou bij wijze van uitzondering kunnen worden getolereerd, dat nationale bepalingen die in strijd zijn met artikel 119 voor het verleden worden gehandhaafd, maar er is geen enkele uitdrukkelijke bepaling of algemeen beginsel op grond waarvan nationale bepalingen die met het gemeenschapsrecht in overeenstemming zijn, buiten toepassing kunnen worden gelaten.
C - De zesde vraag in zaak C-50/96 en vraag 1, sub c, in zaken C-270/97 en C-271/97
72. Met deze vragen wordt in wezen beoogd te vernemen, of bij de verenigbaarheid met artikel 119 van het Verdrag van nationale bepalingen zoals in het hoofdgeding aan de orde zijn, vraagtekens kunnen worden gezet wegens de daaraan voor de betrokken ondernemingen verbonden economische last, gezien de economische doelstelling van artikel 119 en de omstandigheid dat andere lidstaten niet dergelijke maatregelen hebben genomen.
73. In de opvatting van verweersters, waarbij de verwijzende rechters zich lijken aan te sluiten, veroorzaken de aansluiting met terugwerkende kracht van deeltijdwerknemers bij de VAP en de rechten die zij daaraan ontlenen een grote economische last voor de betrokken ondernemingen, waardoor hun concurrentiepositie ten opzichte van vergelijkbare ondernemingen in andere lidstaten, verslechtert. Dit lijkt niet in overeenstemming te zijn met het streven naar gelijke mededingingsvoorwaarden binnen de Gemeenschap, noch met de doelstelling van artikel 119, die niet alleen sociaal maar ook economisch van aard is, te weten het scheppen van gelijke ondernemingsvoorwaarden. Door de andere partijen wordt dit argument hetzij afgewezen (verzoeksters), hetzij achten zij een antwoord overbodig, gezien de antwoorden op de andere vragen (regering van het Verenigd Koninkrijk en Commissie).
74. Ik kan het standpunt van verweersters niet delen.
75. Ik merk om te beginnen op dat bovengenoemde argumenten in wezen betrekking hebben op de praktische gevolgen die voor verweersters zijn ontstaan doordat het Bundesarbeitsgericht de bepalingen van de collectieve pensioenregeling waarbij deeltijdwerknemers van de verzekering werden uitgesloten, in strijd met de grondwet heeft verklaard. Ook voor het Bundesarbeitsgericht waren dergelijke argumenten reeds aangevoerd, maar zij werden zoals gezegd van de hand gewezen op grond dat de economische lasten voor de ondernemingen niet hoog waren, dat zij uit andere middelen konden worden bestreden en dat de schade vergeleken met de schade van de werknemers door hun uitsluiting van de verzekering in ieder geval geringer was (zie hiervóór, punten 17 en 19). Zoals eveneens reeds uiteengezet, heeft bovendien de hoogste Duitse rechter in arbeidszaken geoordeeld dat noch de beginselen van rechtszekerheid en van de bescherming van het gewettigd vertrouwen, noch enig ander algemeen beginsel aan deze uitkomst in de weg stonden.
76. Deze problemen komen dan ook voort uit het conflict tussen normen van lagere en van hogere rang binnen de nationale rechtsorde en de wijzigingen in die rechtsorde die daarvan het gevolg zijn geweest. Voor zover bovenstaande redenering ingaat tegen de uitlegging die het Bundesarbeitsgericht aan artikel 3 van de Duitse grondwet heeft gegeven en die de basis vormt van de onderhavige prejudiciële vragen, kan zij niet in de beschouwingen worden betrokken, omdat daarvoor het nationale recht moet worden uitgelegd, hetgeen tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort (in casu het Bundesverfassungsgericht, waar overigens beroepen met die strekking aanhangig zijn).
77. Derhalve dient nog te worden onderzocht of er een vraag is van uitlegging van het gemeenschapsrecht, hetgeen tot de uitsluitende bevoegdheid van het Hof behoort.
78. Verweersters zoeken steun bij de doelstelling van artikel 119. Zij betogen dat deze bepaling naast haar sociaal doel ook een economisch doel heeft, te weten het scheppen van gelijke mededingingsvoorwaarden voor de ondernemingen van de lidstaten. De verwezenlijking van dit doel zou echter verijdeld worden, wanneer alleen de ondernemingen van bepaalde lidstaten met terugwerkende kracht de gevolgen moeten dragen van de aanpassing van nationale voorschriften aan het gemeenschapsrecht, terwijl andere profiteren van de instandhouding van ongelijkheden.
79. Het is juist dat het Hof in het arrest Defrenne II heeft verklaard dat artikel 119 enerzijds moet voorkomen dat wat de mededinging binnen de Gemeenschap betreft, ondernemingen in staten die het beginsel van gelijke beloning metterdaad toepassen, in een ongunstige concurrentiepositie geraken ten opzichte van ondernemingen in staten die de loondiscriminatie ten nadele van vrouwelijke werknemers nog niet hebben afgeschaft [punt 9]
(...) anderzijds deze bepaling de uitdrukking is van de sociale doelstellingen van de Gemeenschap, die immers niet slechts een economische unie is, maar tevens overeenkomstig de preambule van het Verdrag door gemeenschappelijk optreden de sociale vooruitgang en een voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder de volkeren van Europa leven en werken, moet verzekeren" (punt 10).
80. Ongeacht of genoemd economisch" doel werkelijk overeenkomt met de intenties van de communautaire wetgever van destijds, het past niet meer in de moderne opvatting. In een rechtsgemeenschap waarin de rechten van de mens worden gerespecteerd en beschermd, komt het streven naar gelijke beloning van mannen en vrouwen voornamelijk voort uit de beginselen van de menselijke waardigheid en van de gelijkheid van mannen en vrouwen, alsmede op de verplichting de arbeidsvoorwaarden te verbeteren, en niet uit economische aspiraties strictu sensu zoals bovengenoemde. Het Hof heeft trouwens in zijn latere rechtspraak verklaard dat het in artikel 119 van het Verdrag neergelegde beginsel een bijzondere toepassing is van het algemene beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel, die fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht zijn.
Mijns inziens is het dus in ieder geval niet mogelijk een beroep te doen op het veronderstelde economisch" doel van artikel 119 om nationale maatregelen die verder met dit artikel in overeenstemming zijn, buiten spel te zetten.
81. Wat de terugwerkende kracht van de economische last betreft, merk ik op dat blijkens het bovenstaande dit argument in ieder geval niet op feiten berust, gelet op de constateringen van het Bundesarbeitsgericht (zie hiervóór, punten 17, 18 en 19) en de mogelijkheid om met terugwerkende kracht premies te heffen van de werknemers (zie hiervóór, punt 49).
82. Afgezien daarvan wijs ik erop dat de terugwerkende kracht van het nationale recht tot 1976 geen onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht oplevert. Ook indien de nationale bepalingen niet waren vastgesteld, zouden de betrokkenen immers hoe dan ook het beoogde doel hebben bereikt via een beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119. Voor deze periode zijn het gebrek aan middelen of eenvoudig de economische moeilijkheden voor de werkgevers, een probleem dat op het nationale recht is terug te voeren en dat in casu niet relevant is. Bijgevolg is de enige vraag die moet worden beantwoord of bepalingen als de litigieuze in strijd zijn met het gemeenschapsrecht voor zover zij terugwerken vóór 1976 en de inwerkingtreding van artikel 119.
83. In dit verband herinner ik eraan, dat de bepalingen van de collectieve pensioenregeling, die discriminerend waren voor verzoeksters, voordat zij in strijd met de grondwet werden verklaard in strijd waren met artikel 119 van het Verdrag en dat Duitsland na het einde van de eerste etappe een voortdurende verplichting had deze af te schaffen. Bovendien kan een lidstaat, zoals uit de rechtspraak van het Hof blijkt, zijn verplichtingen krachtens het gemeenschapsrecht rechtmatig nakomen met terugwerkende kracht. Uit gemeenschapsrechtelijk oogpunt is het daarom wettig dat de nationale bepalingen terugwerken tot het litigieuze tijdvak.
84. Het argument van de economische last voor de ondernemingen, als het al feitelijk juist is, doet aan deze constatering niet af.
In artikel 119 wordt immers rekening gehouden met het belang van alle marktdeelnemers, zowel werknemers als werkgevers en uitkeringsinstanties. De zorg van het gemeenschapsrecht met betrekking tot deze laatste twee categorieën blijkt mijns inziens zowel uit de in artikel 119, lid 1, neergelegde overgangsperiode (gedurende welke de lidstaten maar ook werkgevers de mogelijkheid hebben zich aan de nieuwe voorschriften aan te passen), als uit de in de arresten Defrenne II en Barber en het in verband met laatstgenoemd arrest aangenomen protocol gestelde beperkingen in de tijd.
85. Toch mag niet uit het oog worden verloren dat artikel 119 voornamelijk beoogt rechten te verlenen aan die categorieën van werknemers die systematisch worden gediscrimineerd op grond van geslacht. Over het algemeen zijn dit door de traditionele structuren en stereotypen die nog in de samenleving bestaan, vrouwelijke werknemers.
86. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat de zorg van de gemeenschapswetgever voor de waarborging van de gerechtvaardigde economische belangen van andere groepen dan de werknemers op het gebied van de gelijke beloning, niet verder gaat dan bovengenoemde uitdrukkelijke bepalingen en de beperkingen die zijn gesteld door de rechtspraak van het Hof (die ook in dit geval uitlegging geeft aan de veronderstelde wil van de gemeenschapswetgever). Andere, nieuwe belemmeringen of beperkingen bij de omzetting van het voorschrift van artikel 119 van het Verdrag zijn niet gerechtvaardigd. Om die reden kunnen de mogelijk ten nadele van genoemde groepen optredende economische gevolgen van nationale maatregelen die ter omzetting van het voorschrift van artikel 119 worden genomen, geen rechtvaardiging zijn voor nieuwe beperkingen in de tijd van de werking van het arrest van het Hof, en zeker niet voor het aanvechten van deze maatregelen uit gemeenschapsrechtelijk oogpunt.
87. Tenslotte is de omstandigheid dat andere lidstaten zich eventueel niet in dezelfde mate als de Bondsrepubliek Duitsland aan artikel 119 hebben geconformeerd, in casu niet relevant. Het Hof heeft geoordeeld
dat aan de werkzaamheid van deze bepaling niet wordt afgedaan door de omstandigheid dat de lidstaten zich niet aan deze verplichting hebben gehouden en de gemeenschapsinstellingen onvoldoende tegen dit verzuim zijn opgetreden;
dat een andere opvatting erop zou uitlopen dat rechtsverkrachting tot interpretatieregel wordt verheven, welke opvatting het Hof niet tot de zijne kan maken zonder in strijd te komen met de hem in artikel 164 van het Verdrag gegeven opdracht".
VII - Conclusie
Mitsdien geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
1) De uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling als in het hoofdgeding aan de orde is, is een bij artikel 119 van het Verdrag verboden discriminatie, wanneer een naar verhouding aanzienlijk groter aantal vrouwen dan mannen door deze maatregel wordt geraakt en deze niet wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.
2) Werknemers die een dergelijke discriminatie hebben ondervonden ten aanzien van het recht van aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling en de betaling van uitkeringen op grond daarvan, kunnen de rechtstreekse werking van artikel 119 tegen met dit artikel strijdige nationale bepalingen inroepen met terugwerkende kracht tot 8 april 1976, de datum waarop het Hof het arrest Defrenne II heeft gewezen.
3) Noch artikel 119, noch enige andere bepaling of algemeen beginsel van gemeenschapsrecht staat in de weg aan de toepassing van nationale bepalingen waarmee een met artikel 119 strijdige discriminatie als bovengenoemd, met terugwerkende kracht voor een periode gelegen vóór het arrest Defrenne II ongedaan wordt gemaakt.
4) Eventuele economische problemen waarmee de betrokken ondernemingen door de toepassing met terugwerkende kracht van dergelijke nationale bepalingen worden geconfronteerd, moeten met inachtneming van het beginsel van gelijke beloning worden opgelost volgens het nationale recht, en zijn voor het antwoord op bovenstaande vragen niet van belang."
Full & Egal Universal Law Academy