Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1. In de onderhavige zaken gaat het om de vraag, in hoeverre de door de Raad middels zes verordeningen voor de jaren 1996 tot en met 2001 jaarlijks vastgestelde vangsthoeveelheden voor ansjovis in bepaalde vangstgebieden, de zogenaamde ICES-zones (ICES = International Council for the Exploration of the Sea), rechtmatig zijn. Hierbij gaat het met name om de verenigbaarheid van deze verordeningen met het beginsel van de relatieve stabiliteit. Krachtens dit beginsel dient niet alleen rekening te worden gehouden met de bestanden van de betrokken vissoort, maar tevens met de bijzondere behoeften van de regio's waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante industrieën.
2. Ingevolge de zes verordeningen mogen Portugal en Frankrijk hun vangstmogelijkheden voor ansjovis op zodanige wijze ruilen, dat een deel van de aanvankelijk aan Portugal toegekende visserijquota voor ICES-zone IX, X, CECAF 34.1.1 - dit gebied ligt ten westen en ten zuidwesten van het Iberisch schiereiland - aan Frankrijk wordt afgestaan ten behoeve van de visvangst in een ander naburig gebied - ICES-zone VIII, die overeenkomt met de Golf van Biskaje. In de eerstgenoemde zone zijn de quota zodanig verdeeld dat het Koninkrijk Spanje 48 % en Portugal 52 % krijgt, en in de laatstgenoemde zone krijgt het Koninkrijk Spanje 90 % en Frankrijk 10 % van de quota.
3. Bij arrest van 5 oktober 1999 in zaak C-179/95 heeft het Hof het beroep van het Koninkrijk Spanje tegen dezelfde regeling betreffende de ansjovisvangst in ICES-zone VIII voor het jaar 1995 verworpen. Het Koninkrijk Spanje was van mening dat de ruil van quota in 1995 uiteindelijk had geleid tot een ongerechtvaardigde - want de relatieve stabiliteit in gevaar brengende - toename van de vangsthoeveelheid in zone VIII. Wanneer een verhoging van de vangsthoeveelheid in zone VIII mogelijk zou zijn geweest en volgens de voorschriften zou hebben plaatsgevonden, dan had het zelf eveneens een grotere vangsthoeveelheid toegewezen moeten krijgen, aangezien hem een quotum van 90 % van de vangsthoeveelheid van deze zone toekwam. Het Koninkrijk Spanje is van mening dat de vangsthoeveelheid niet verhoogd had mogen worden, omdat het bij de ansjovis van de beide zones ging om afzonderlijke, van elkaar gescheiden bestanden, hetgeen de Raad ook heeft erkend door twee afzonderlijke vangsthoeveelheden vast te stellen in plaats van één totale vangsthoeveelheid.
4. Bij brief van 14 oktober 1999 heeft het Koninkrijk Spanje verklaard dat de procedures in de huidige zaken C-61/96, C-132/97, C-45/98 en C-27/99, waarin de overeenkomstige regelingen voor de jaren 1996 tot en met 1999 aan de orde zijn, slechts ten dele zonder voorwerp zijn geraakt als gevolg van het arrest van 5 oktober 1999. Haars inziens geeft dit arrest geen definitief uitsluitsel met betrekking tot de grief van schending van het beginsel van de relatieve stabiliteit en dienen de procedures derhalve op dit punt te worden voortgezet. Hierbij komen nog de twee beroepen betreffende de overeenkomstige regelingen voor de jaren 2000 en 2001, namelijk de zaken C-81/00 en C-22/01, waarmee bovendien het middel van schending van de verplichting tot rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden opnieuw wordt aangevoerd. Ook dit middel werd reeds in zaak C-179/95 voorgesteld.
II - Juridisch kader en feiten
1) De hoofdlijnen van het visserijbeleid
5. Het beleid van de Gemeenschap op het gebied van de instandhouding en het beheer van de visbestanden berust op de jaarlijkse vaststelling van de totaal toegestane vangsten" (= TAC, afgeleid van het Engelse begrip Total Allowable Catches" en het Franse begrip Totaux Admissibles des Captures"). Deze vaststelling vindt plaats naar vissoorten en vangstgebieden op de grondslag van wetenschappelijke rapporten. De TAC's worden in quota onder de lidstaten verdeeld.
6. Dit beleid is een voortzetting van het traditionele visserijbeheer ten tijde van de vastlegging van het communautaire visserijbeleid door verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (hierna:verordening nr. 170/83"). Verordening nr. 170/83 werd later vervangen door verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (hierna: verordening nr. 3760/92").
7. Verordening nr. 3760/92 regelt de belangrijkste aspecten betreffende de visserij in de Gemeenschap. Zij stelt de volgende, voor elke visserijtak of groep van visserijtakken bedoelde maatregelen vast: de vaststelling van zones waar de visserij wordt verboden of beperkt, de beperking van exploitatieniveaus, het vaststellen van kwantitatieve vangstbeperkingen, de beperking van de op zee doorgebrachte tijd, rekening houdend, in voorkomend geval, met de afstand naar de viswateren, de vaststelling van het voor de visserij toegestane aantal en type vissersvaartuigen, de vaststelling van technische maatregelen betreffende het vistuig en de wijze waarop het dient te worden gebruikt, de vaststelling van een minimummaat of een minimumgewicht voor de te vangen vis, de vaststelling van stimuleringsmaatregelen, met inbegrip van economische stimuleringsmaatregelen, voor een selectievere beoefening van de visserij, enz.
8. In deze verordening wordt meerdere malen een lans gebroken voor het beginsel van de relatieve stabiliteit, dat in de onderhavige zaken centraal staat. Dit beginsel waarborgt voor elke lidstaat een vast percentage van de vangstmogelijkheden voor gangbare vissoorten, maar geen bepaalde vangsthoeveelheden.
9. Dit beginsel vindt zijn oorsprong in de jaren '70. Naar aanleiding van de uitbreiding halverwege de jaren '70 van de exclusieve visserijzones tot 200 zeemijl en het daarmee gepaard gaande verlies van vangstmogelijkheden van de lidstaten voor de kusten van derde landen, nam de Raad op 3 november 1976 de resolutie van Den Haag" aan. In bijlage VII bij deze resolutie werd ten behoeve van de Engelse en Ierse kustvisserij een regeling getroffen die als Haagse preferenties" bekend is geworden. Hierin erkende de Raad dat bij de toepassing van het gemeenschappelijke visserijbeleid ook rekening moest worden gehouden met de bijzondere vitale behoeften van andere economisch benadeelde kustregio's, waarvan de plaatselijke bevolking in hoge mate op de visserij en aanverwante industrieën is aangewezen. Via de verklaring van de Raad van 30 mei 1980 inzake het gemeenschappelijke visserijbeleid heeft het beginsel van de relatieve stabiliteit ingang gevonden in de vroegere verordening nr. 170/83. De bewoordingen van de vijfde tot en met de zevende overweging van de considerans van die verordening komen overeen met die van de twaalfde tot en met de veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 3760/92 die op de feiten van de onderhavige zaken van toepassing is.
10. De twaalfde tot en met de veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 3760/92 omschrijven het beginsel van de relatieve stabiliteit als volgt:
Overwegende dat de instandhouding en het beheer van de bestanden dienen bij te dragen tot een grotere stabiliteit van de visserijactiviteiten en dat een en ander dient te worden geëvalueerd op basis van een referentieverdeling die in overeenstemming is met de beleidslijnen welke de Raad heeft vastgesteld;
Overwegende bovendien dat in het kader van deze stabiliteit, gelet op de onbestendige biologische situatie van de visbestanden, rekening moet worden gehouden met de bijzondere behoeften van de regio's waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante activiteiten, zoals die door de Raad zijn aangegeven in zijn resolutie van 3 november 1976, en meer in het bijzonder in bijlage VII daarvan;
Overwegende dat de nagestreefde relatieve stabiliteit derhalve in deze zin moet worden begrepen".
2) De vaststelling van de vangsthoeveelheden en de quota
11. Artikel 11 van verordening nr. 170/83 vormde de basis voor de vaststelling van verordening (EEG) nr. 172/83 van de Raad van 25 januari 1983 inzake de vaststelling van de voor 1982 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden in de visserijzone van de Gemeenschap en het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte van deze vangsten, de verdeling van dit gedeelte over de lidstaten en de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften. Deze verordening wees voor het eerst bepaalde quota voor bepaalde vissoorten in bepaalde zones aan de lidstaten toe. De gehanteerde verdeelsleutel werd ook later ongewijzigd toegepast.
12. In artikel 161 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (hierna: Toetredingsakte") is aan het Koninkrijk Spanje 90 % toegekend van de TAC voor ansjovis van ICES-zone VIII en aan Frankrijk 10 %. Volgens artikel 162 van de Toetredingsakte diende vóór 31 december 1993 een aanpassing van deze regeling vastgesteld te worden volgens de procedure van artikel 43 EEG-Verdrag. De aanpassing diende op 1 januari 1996 van kracht te worden.
13. Deze aanpassing vond plaats middels verordening (EG) nr. 1275/94 van de Raad van 30 mei 1994 inzake aanpassingen in de regeling die is vastgesteld in de hoofdstukken Visserij" van de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal (hierna: verordening nr. 1275/94"). Volgens artikel 3, lid 1, van deze verordening neemt de Raad overeenkomstig de artikelen 4 en 8 van verordening nr. 3760/92 de maatregelen aan tot vaststelling van de voorwaarden voor de toegang tot de zones en de bestanden waarvoor specifieke regelingen gelden krachtens artikel 161 van de Toetredingsakte. Volgens lid 2 moet hierbij rekening worden gehouden met het beginsel van de relatieve stabiliteit.
14. Artikel 4 van verordening nr. 3760/92 bepaalt als volgt:
1. Teneinde de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden op duurzame basis te garanderen stelt de Raad, volgens de procedure van artikel 43 van het Verdrag, tenzij anders is bepaald, communautaire bepalingen vast betreffende de voorwaarden voor de toegang tot de wateren en de bestanden en de uitoefening van exploitatieactiviteiten. Deze bepalingen worden opgesteld in het licht van de beschikbare biologische, sociaal-economische en technische analyses en met name van de verslagen van het in artikel 16 bedoelde Comité.
2. Deze bedoelde bepalingen kunnen met name voor elke visserijtak of groep van visserijtakken maatregelen omvatten inzake:
a) de vaststelling van zones waar de visserij wordt verboden of beperkt;
b) de beperking van exploitatieniveaus;
c) het vaststellen van kwantitatieve vangstbeperkingen;
d) de beperking van de op zee doorgebrachte tijd, rekening houdend, in voorkomend geval, met de afstand naar de viswateren;
[...]".
Artikel 8 luidt:
1. Overeenkomstig artikel 4 kan het exploitatieniveau worden geregeld door voor de betrokken periode de omvang van de toegestane vangsten en zo nodig de visserij-inspanning te beperken. In de gevallen waarin een beperking van de vangsten niet adequaat is, kan het exploitatieniveau worden geregeld door uitsluitend de visserij-inspanning te beperken.
2. [...]
3. [...]
4. De Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en op voorstel van de Commissie:
i) stelt zonodig voor meer jaren, voor elke visserijtak of groep van visserijtakken per geval de totaal toegestane vangst en/of de totaal toegestane visserij-inspanning vast. Deze dienen gebaseerd te zijn op de beheersdoelstellingen en -strategieën die overeenkomstig lid 3 zijn vastgesteld;
ii) verdeelt de vangstmogelijkheden op een zodanige wijze over de lidstaten dat elke lidstaat verzekerd is van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk betrokken bestand; op verzoek van de rechtstreeks betrokken lidstaten kan echter de ontwikkeling van de miniquota en regelmatige quotaswaps sinds 1983 in aanmerking worden genomen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het algemene evenwicht van de verdeling;
iii) [...]
iv) [...]
v) [...]".
3) De regeling inzake ruil van quota
15. Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 3760/92 bepaalt:
De lidstaten mogen, na kennisgeving aan de Commissie, de hun toegewezen beschikbare vangst geheel of gedeeltelijk onderling ruilen."
16. Overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 1275/94 stelde de Raad verordening (EG) nr. 685/95 van 27 maart 1995 vast, betreffende het beheer van de visserij-inspanningen voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap. Deze verordening vermeldt in de eerste tot en met de derde overweging van de considerans de verordeningen nrs. 3760/92 en 1275/94, alsmede het beginsel van de relatieve stabiliteit.
17. Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 685/95 bepaalt als volgt:
Overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 gaan de betrokken lidstaten vanaf 1 januari 1996 over tot het ruilen van vangstmogelijkheden die hun toegewezen zijn onder de voorwaarden van bijlage IV, punt 1."
Bijlage IV, punt 1, luidt:
Maatregelen betreffende de ruil van bepaalde vangstmogelijkheden en de beperking van bepaalde toegestane vangsten
1. Ruil van vangstmogelijkheden
1.1. De ruil tussen Frankrijk en Portugal kan voor de periode 1995-2002 stilzwijgend worden verlengd, mits elke lidstaat de mogelijkheid behoudt om de voorwaarden elk jaar bij de jaarlijkse vaststelling van de TAC's en quota te wijzigen.
De ruil heeft betrekking op onderstaande TAC's:
i) aangezien voor de ICES-gebieden VIII en IX een gemeenschappelijke TAC voor ansjovis wordt vastgesteld, wordt elk jaar 80 % van de vangstmogelijkheden van Portugal afgestaan aan Frankrijk, met dien verstande dat deze uitsluitend gelden voor de wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van Frankrijk vallen;
[...]."
18. Slechts vier dagen later, namelijk op 31 maart 1995, volgde de vaststelling door de Raad van verordening (EG) nr. 746/95 tot wijziging van verordening (EG) nr. 3362/94 inzake de vaststelling van de voor 1995 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften. Met deze verordening kreeg Portugal voor het eerst toestemming om een bepaald deel van het hem voor ICES-zone IX toegewezen ansjovisquotum in de wateren van ICES-zone VIII te vangen.
4) De betwiste handelingen in de onderhavige procedures
19. Het Koninkrijk Spanje heeft de wettigheid van de verordeningen nrs. 746/95 en 685/95 laten toetsen in zaak C-179/95. Bij arrest van 5 oktober 1999 heeft het Hof het beroep verworpen. Het Hof was van oordeel dat noch het beginsel van de relatieve stabiliteit, noch de verplichting om te zorgen voor een rationele en verantwoorde exploitatie van de levende mariene aquatische bestanden door beide verordeningen was geschonden.
20. Artikel 8, lid 4, van verordening nr. 3760/92 vormde eveneens de basis voor de vaststelling van de in de onderhavige procedures betwiste verordeningen. Het gaat hierbij om de navolgende handelingen:
- verordening (EG) nr. 3074/95 van de Raad van 22 december 1995 inzake de vaststelling van de voor 1996 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften (hierna: verordening nr. 3074/95");
- verordening (EG) nr. 390/97 van de Raad van 20 december 1996 inzake de vaststelling van de voor 1997 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften (hierna: verordening nr. 390/97");
- verordening (EG) nr. 45/98 van de Raad van 19 december 1997 inzake de vaststelling van de voor 1998 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften (hierna: verordening nr. 45/98");
- verordening (EG) nr. 48/1999 van de Raad van 18 december 1998 inzake de vaststelling van de voor 1999 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften (hierna: verordening nr. 48/1999");
- verordening (EG) nr. 2742/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling, voor het jaar 2000, van de vangstmogelijkheden die gelden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de wateren van de Gemeenschap en, wat vaartuigen van de Gemeenschap betreft, in andere wateren met vangstbeperkingen, tot vaststelling voorts van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 66/98 (hierna: verordening nr. 2742/1999"), en
- verordening (EG) nr. 2848/2000 van de Raad van 15 december 2000 tot vaststelling, voor het jaar 2001, van de vangstmogelijkheden die gelden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de wateren van de Gemeenschap en, wat vaartuigen van de Gemeenschap betreft, in andere wateren met vangstbeperkingen, en tot vaststelling voorts van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (hierna: verordening nr. 2848/2000").
21. Deze verordeningen hebben de totaal toegestane vangsten voor de jaren 1996 tot en met 2001 vastgesteld. In de bijlage bij verordening nr. 3074/95, respectievelijk in bijlage I bij de verordeningen nrs. 390/97, 45/98 en 48/1999, alsmede in bijlage I D bij de verordeningen nrs. 2742/1999 en 2848/2000, was een afzonderlijke TAC voor ansjovis voor zowel ICES-zone VIII als ICES-zone IX opgenomen. In zone VIII werd telkens 90 % van de beschikbare TAC aan het Koninkrijk Spanje en de overige 10 % aan Frankrijk toegewezen. In zone IX werd telkens 48 % van de beschikbare TAC aan het Koninkrijk Spanje en 52 % aan Portugal toegewezen. Van deze 52 % mochten volgens noot 3 respectievelijk noot 2 in de jaren 1996 tot en met 1999 telkens 5 008 ton, in het jaar 2000 in totaal 3 000 ton en in het jaar 2001 in totaal 80 % van 5 220 ton, hetgeen neerkomt op 4 176 ton, worden gevangen in de wateren van ICES-zone VIII onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Frankrijk.
22. Voor de jaren 1996 tot en met 1999 werd telkens een TAC bij wijze van voorzorgsmaatregel voor beide zones vastgesteld. Voor 2000 en 2001 werd voor ICES-zone VIII een analytische TAC en voor ICES-zone IX een TAC bij wijze van voorzorgsmaatregel vastgesteld. Volgens artikel 1 van verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota [worden] TAC's bij wijze van voorzorgsmaatregel [...] vastgesteld voor bestanden waarvoor geen wetenschappelijk gefundeerde evaluaties van de vangstmogelijkheden beschikbaar zijn voor het jaar waarvoor de TAC's moeten worden bepaald; in de andere gevallen worden analytische TAC's vastgesteld."
23. De TAC voor ICES-zone VIII bedroeg telkens 33 000 ton.Voor het jaar 2000 werd evenwel op grond van wetenschappelijke rapporten aanvankelijk slechts een TAC van 16 000 ton vastgesteld, die echter in juni 2000 op basis van nieuwe wetenschappelijke ramingen weer naar 33 000 ton werd verhoogd.
24. Voor ICES-zone IX werd de TAC voor 1996 tot en met 1998 vastgesteld op 12 000 ton, voor 1999 op 13 000 ton en voor 2000 en 2001 telkens op 10 000 ton.
III - Conclusies van partijen
25. Het Koninkrijk Spanje vordert
1) - in zaak C-61/96: nietigverklaring van het punt betreffende ansjovis in de bijlage bij verordening nr. 3074/95;
- in zaak C-132/97: nietigverklaring van het punt betreffende ansjovis in de bijlage bij verordening nr. 390/97;
- in zaak C-45/98: nietigverklaring van het punt betreffende ansjovis in bijlage I bij verordening nr. 45/98;
- in zaak C-27/99: nietigverklaring van het punt betreffende ansjovis in bijlage I bij verordening nr. 48/1999;
- in zaak C-81/00: nietigverklaring van noot 2 bij het kader Ansjovis, Zone IX, X, CECAF 34.1.1" in bijlage I D bij verordening nr. 2742/1999, en
- in zaak C-22/01: nietigverklaring van noot 2 bij het kader Ansjovis, Zone IX, X, CECAF 34.1.1" (Gemeenschapswateren) in bijlage I D bij verordening nr. 2848/2000;
2) in alle zaken de Raad in de kosten te verwijzen.
26. De Raad vordert
1) de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren;
2) subsidiair, de beroepen ongegrond te verklaren;
3) in de zaken C-81/00 en C-22/01 de uitgangspunten te bevestigen waarop het arrest van het Hof van 5 oktober 1999 in zaak C-179/95 (Spanje/Raad) berust, en die de rechtmatigheid van de quotaruil in 1995 tussen Portugal en Frankrijk bevestigden;
4) in alle zaken het Koninkrijk Spanje in de kosten te verwijzen.
27. De Commissie, die met uitzondering van zaak C-22/01 aan de zijde van de Raad is geïntervenieerd, vordert in de zaken C-61/96, C-132/97, C-45/98, C-27/99 en C-81/00
1) de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren;
2) subsidiair, de beroepen ongegrond te verklaren;
3) in alle zaken het Koninkrijk Spanje in de kosten te verwijzen.
IV - Argumenten van partijen en beoordeling
A - Ontvankelijkheid van de beroepen
1) Argumenten van partijen
28. Volgens de Raad zijn de beroepen in de zaken C-61/96, C-132/97, C-45/98 en C-27/99 niet-ontvankelijk. Ter terechtzitting heeft de Raad dit middel ook ten aanzien van de beroepen in de zaken C-81/00 en C-22/01 aangevoerd, waarvan hij de ontvankelijkheid tijdens de schriftelijke procedure niet heeft betwist.
29. De Raad is van mening dat de beroepen in de zaken C-61/96, C-132/97, C-45/98 en C-27/99 betrekking hebben op dezelfde partijen, doelstellingen en middelen als die van zaak C-179/95. Die zaken zijn identiek met zaak C-179/95 voorzover de bepaling betreffende de ansjovisvangst in ICES-zone VIII in de bijlagen bij de betwiste verordeningen identiek is met die van verordening nr. 746/95, inclusief de betwiste noot 3, die het Hof in zijn arrest van 5 oktober 1999 wettig heeft verklaard. Bijgevolg staat het gezag van gewijsde van het arrest in zaak C-179/95 in de weg aan de ontvankelijkheid van de beroepen. De opvatting dat de procedures hetzelfde voorwerp hebben, wordt bevestigd door de beschikkingen van de president van het Hof van 3 mei 1996, 15 mei 1997, 16 maart 1998 en 8 maart 1999, waarbij de behandeling van de zaken C-61/96, C-132/97, C-45/98 en C-27/99 geschorst werd in afwachting van de uitspraak van het Hof in zaak C-179/95.
30. De Commissie is eveneens van mening, dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Volgens haar betwist Spanje uitsluitend de jaarlijkse vaststellingen van de totaal toegestane vangsten. Deze zijn evenwel enkel de bevestiging van de in verordening nr. 685/95 verankerde quotaruil. De rechtmatigheid daarvan is bevestigd in het arrest in zaak C-179/95. Enkel verordening nr. 685/95 en bijlage IV daarbij, punt 1, 1.1, tweede alinea, sub i, tweede deel van de zin, sorteren rechtsgevolgen. In deze verordening, en uitsluitend in deze verordening, wordt het gemeenschappelijk beheer van de ansjovisbestanden in de ICES-zones VIII en IX geregeld en zijn de modaliteiten, de omvang en de duur van de quotaruil tussen Frankrijk en Portugal vastgelegd. De latere verordeningen, waarin de jaarlijkse totaal toegestane vangsten worden vastgesteld, bevestigen enkel de toepassing van het gemeenschappelijke beheer van de ansjovisbestanden en de quotaruil, en bevatten enkel de berekening in tonnen van de reeds in verordening nr. 685/95 vastgestelde percentages. De betwiste bepalingen preciseren het logische gevolg van verordening nr. 685/95, zonder nieuwe elementen hieraan toe te voegen. Over de wettigheid van deze verordening, in het bijzonder de verenigbaarheid hiervan met het beginsel van de relatieve stabiliteit, is reeds in het arrest in zaak C-179/95 definitief beslist.
31. De Spaanse regering daarentegen betoogt dat de beroepen wel ontvankelijk zijn. Zij is van mening dat het arrest in zaak C-179/95 geen definitief antwoord geeft op de vraag naar de schending van het beginsel van de relatieve stabiliteit. Bovendien hebben de beroepen betrekking op de verordeningen nrs. 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999, 2742/1999 en 2848/2000, die niet het voorwerp van zaak C-179/95 waren. Werden de onderhavige beroepen niet-ontvankelijk verklaard, dan betekent dit dat de rechterlijk toetsing wordt onthouden aan een wettelijke regeling met een bepaalde, in de tijd begrensde werkingssfeer, op grond dat een bepaling met een overeenkomstige inhoud, die echter een andere werkingssfeer ex tempore heeft, wettig is verklaard. Voorts zou in geval van niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen afbreuk worden gedaan aan de rechtspositie van het Koninkrijk Spanje als bevoorrechte verzoekende partij. Artikel 230 EG stelt de ontvankelijkheid van zijn beroepen enkel van de inachtneming van de beroepstermijn afhankelijk.
2) Beoordeling
32. Volgens vaste rechtspraak staat het gezag van gewijsde van een arrest slechts in de weg aan de ontvankelijkheid van een beroep, indien beide beroepen dezelfde partijen, hetzelfde voorwerp en dezelfde middelen betreffen.
33. In de zaken C-61/96, C-132/97, C-45/98, C-27/99, C-81/00 en C-22/01 staan dezelfde partijen tegenover elkaar als in zaak C-179/95, namelijk het Koninkrijk Spanje en de Raad. De beroepen berusten eveneens op dezelfde middelen. Na de gedeeltelijke afstand van instantie door Spanje bij brief van 14 oktober 1999 hebben de beroepen betrekking op de verenigbaarheid van de betwiste verordeningen met het beginsel van de relatieve stabiliteit. In zaak C-179/95 werd, naast andere, dit middel reeds aangevoerd. Rest de vraag in hoeverre de beroepen hetzelfde voorwerp hebben als het beroep in zaak C-179/95.
34. Met elk beroep wordt een andere verordening aangevochten en de gedeeltelijke nietigverklaring daarvan gevorderd, voorzover zij de ansjovisvangst in ICES-zone VIII regelt. Ieder van deze handelingen heeft ex tempore een andere werkingssfeer. Zij hebben betrekking op de elkaar opvolgende jaren 1996 tot en met 2000. Het beroep in zaak C-179/95 betrof een verordening voor het jaar 1995. Aangezien volgens vaste rechtspraak de betwiste handeling een essentieel gegeven vormt om het voorwerp van het beroep te kunnen bepalen en met de in casu te beoordelen beroepen verschillende handelingen worden betwist, bestaan er goede gronden om de beroepen als ontvankelijk te beschouwen.
35. De Raad gaat in zijn betoog nog een stap verder. Hij neemt niet alleen de telkens betwiste verordening, maar ook de inhoud daarvan in aanmerking. Aangezien de betwiste regeling betreffende de vangst van ansjovis in ICES-zone VIII in de verordeningen nrs. 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999 en 2742/1999 telkens identiek is met die in verordening nr. 746/95, acht de Raad de beroepen niet-ontvankelijk.
36. Daarentegen moet echter worden geconstateerd dat verordening nr. 48/1999 voor ICES-zone IX een TAC van 13 000 ton heeft vastgesteld, dat wil zeggen 1 000 ton meer dan in de voorafgaande jaren. Voor 2000 en 2001 werden eveneens andere hoeveelheden vastgesteld dan voor 1995. Verordening nr. 2742/1999 stelde voor ICES-zone VIII een TAC van 16 000 ton vast, die vervolgens door verordening nr. 1446/2000 werd verhoogd naar 33 000 ton. Voor het eerst betrof het een analytische TAC, waarop de regeling van de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 847/96 niet, maar artikel 5 van deze verordening wel van toepassing was verklaard. Voor ICES-zone IX werd een TAC van 10 000 ton vastgesteld, waarvan 5 220 ton voor Portugal. Van deze hoeveelheid mocht 3 000 ton in ICES-zone VIII in de onder de soevereiniteit van Frankrijk vallende wateren worden gevangen, dus minder dan 80 %. Ook in dit opzicht is sprake van een regeling die afwijkt van die van de voorafgaande jaren. Verordening nr. 2848/2000 heeft opnieuw een TAC van 33 000 ton voor ICES-zone VIII vastgesteld, wederom als analytische TAC. Voor ICES-zone IX werd de TAC vastgesteld op 10 000 ton, waarvan 5 220 ton aan Portugal toekwam. Voor het eerst werd bepaald, dat 80 % hiervan mocht worden gevangen in ICES-zone VIII in de wateren die onder de soevereiniteit van Frankrijk vallen. Hiermee werd dus voor het eerst een met de quotaruil overeenkomend percentage aangegeven en geen tonnage. Zoals uit deze voorbeelden blijkt, is de overeenkomst qua hoeveelheden voor de jaren 1995 tot en met 1999 eerder toevallig.
37. De beslissing over de ontvankelijkheid van de beroepen kan niet afhangen van het feit dat voor de jaren 1996 tot en met 1999 zonder juridische noodzaak een regeling werd getroffen die identiek was met die voor 1995. In zoverre blijkt uit de voor 2000 en 2001 vastgestelde verordeningen dat het telkens om een nieuwe regeling gaat die is vastgesteld voor een bepaalde periode en losstaat van de in de voorafgaande jaren getroffen regelingen. Dit pleit voor de opvatting dat de beroepen een ander voorwerp hebben en bijgevolg ontvankelijk moeten worden geacht.
38. De Commissie wijst erop dat de quotaruil tussen Portugal en Frankrijk reeds in verordening nr. 685/95 is opgenomen. Deze verordening bepaalt dat de ruil voor de periode 1995-2002 stilzwijgend [kan] worden verlengd". De vraag rijst of hierdoor de verordeningen nrs. 746/95, 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999, 2742/1999 en 2848/2000 identieke regelingen worden.
39. Een dergelijke veronderstelling valt moeilijk te verenigen met de bewoordingen van verordening nr. 685/95. Volgens deze verordening blijft het namelijk aan Frankrijk en Portugal voorbehouden om de voorwaarden van de quotaruil bij de jaarlijkse vaststelling van de TAC's en quota te wijzigen. Verordening nr. 685/95 voorziet bij de ruil uitdrukkelijk in het voorbehoud van een jaarlijkse verlenging en, indien nodig, aanpassing. In zoverre gaat de bepaling ervan uit dat jaarlijks wordt voorzien in een nieuwe regeling. Ook dit pleit vóór de ontvankelijkheid van de beroepen.
40. Daarentegen dient de Commissie gelijk te worden gegeven wanneer zij stelt dat het principe zelf van de quotaruil reeds in verordening nr. 685/95 geregeld is. Dat is de reden waarom zij van mening is dat de betwiste verordeningen nrs. 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999 en 2742/1999 enkel de in verordening nr. 685/95 overeengekomen quotaruil bevestigen, die in het arrest in zaak C-179/95 rechtmatig is verklaard.
41. Het Koninkrijk Spanje betwist echter, in tegenstelling tot het beroep in zaak C-179/95, met de beroepen in de zaken C-61/96, C-132/97, C-45/98, C-27/99, C-81/00 en C-22/01 niet langer de wettigheid van verordening nr. 685/95. Bijgevolg is in zoverre geen sprake van overlapping of zelfs overeenstemming van het voorwerp van het beroep.
42. Het betoog van de Commissie berust op de veronderstelling dat de betwiste verordeningen nrs. 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999, 2742/1999 en 2848/2000 geen zelfstandige normatieve inhoud hebben. De Commissie beschouwt deze verordeningen, wat het gemeenschappelijk beheer van de ansjovisbestanden en de quotaruil betreft, als bevestigende handelingen van verordening nr. 685/95.
43. Hiertegen kan evenwel worden ingebracht, dat verordening nr. 685/95 geen volledige regeling bevat. Zij behoeft veeleer aanvulling. In de eerste plaats geeft zij Frankrijk en Portugal slechts de bevoegdheid om de quotaruil te verlengen. De verordening voorziet niet in een ruil, noch beantwoordt zij de vraag of de toegestane verlenging plaatsvindt. Deze beide punten zijn voorbehouden aan andere regelingen. De litigieuze quotaruil tussen Portugal en Frankrijk berust op een akkoord dat gesloten is in het kader van de bijeenkomst van de Raad van 22 december 1994. Dit blijkt uit de derde en de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 746/95. De door verordening nr. 685/95 toegestane verlenging" van deze ruil was, wat het jaar 1995 betrof, vastgelegd in bijlage I bij verordening nr. 746/95. Voor de vissoort ansjovis werd voor zone IX, X, CECAF 34.1.1 de litigieuze noot 3 opgenomen, volgens welke maximaal 5 008 ton van de 6 260 ton die voor deze zone als TAC bij wijze van voorzorgsmaatregel aan Portugal was toegewezen, in de wateren van ICES-zone VIII onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Frankrijk mag worden gevangen. Ten slotte is de regeling van verordening nr. 685/95 ook onvolledig voorzover de in het geding zijnde quotaruil wordt onderworpen aan de opschortende voorwaarde dat voor de ICES-zones VIII en IX een gemeenschappelijke TAC voor ansjovis wordt vastgesteld (aangezien voor de ICES-gebieden VIII en IX een gemeenschappelijke TAC voor ansjovis wordt vastgesteld"). Hieruit volgt dat zelfs het gemeenschappelijke beheer van de ansjovisbestanden in de ICES-zones VIII en IX in verordening nr. 685/95 niet uitputtend is geregeld. Ook wat dit punt betreft, wordt naar een andere regeling verwezen.
44. In het licht van de onvolledigheid van de regeling in verordening nr. 685/95 komt aan de verordeningen nrs. 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999, 2742/1999 en 2848/2000 in meerdere opzichten een normatieve inhoud toe. Zij stellen de TAC's vast voor de betrokken ICES-zone en vissoort, alsmede de verdeling daarvan in quota tussen de lidstaten. Verder bevatten zij de door Spanje betwiste bepaling dat een bepaald deel van de aan Portugal in ICES-zone IX toegewezen vangsthoeveelheid mag worden gevangen in de wateren van ICES-zone VIII onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Frankrijk. Of dit moet worden gezien als de vaststelling van een gemeenschappelijke TAC voor ansjovis voor de ICES-zones VIII en IX, en of daarmee de voorwaarde van verordening nr. 685/95 is vervuld, is een kwestie die de gegrondheid van de beroepen raakt. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid volstaat de constatering dat dit de situatie is die het Koninkrijk Spanje met zijn diverse beroepen aanvecht. Deze situatie wordt elk jaar opnieuw geregeld met de vaststelling van de overeenkomstige TAC en de aan Portugal verleende toestemming om een bepaald, hem voor zone IX toegewezen deel hiervan in de wateren van zone VIII te vangen.
45. De quotaruil wordt in deze jaarlijkse verordeningen niet uitdrukkelijk geregeld. Maar de jaarlijks terugkerende regeling zou een bewijs kunnen zijn voor de stilzwijgende verlenging van de quotaruil, waarvan in verordening nr. 685/95 sprake is.
46. Pas met deze jaarlijkse concretiseringen wordt de regeling in bijlage IV bij verordening nr. 685/95 inhoudelijk volledig. Ook dit pleit voor de ontvankelijkheid van de beroepen.
47. De voorafgaande overwegingen leiden tot de vraag, in hoeverre de uiteengezette samenhang tussen de inhoud van de regelingen in de verordeningen nrs. 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999, 2742/1999 en 2848/2000 en die van verordening nr. 685/95 in aanmerking moet worden genomen. Volgens de rechtspraak geldt het gezag van gewijsde immers enkel voor de punten, feitelijk en rechtens, die door de rechter daadwerkelijk of noodzakelijkerwijze zijn beslecht. In zoverre moet in aanmerking worden genomen, dat over de verenigbaarheid van verordening nr. 685/95 met het gemeenschapsrecht in het arrest in zaak C-179/95 definitief is beslist.
48. Het Koninkrijk Spanje vecht echter in de onderhavige zaken, in tegenstelling tot de procedure in zaak C-179/95, verordening nr. 685/95 niet meer aan. In zoverre staat het gezag van gewijsde van het arrest in zaak C-179/95 niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de beroepen in de onderhavige zaken. Bij het onderzoek van de gegrondheid van deze beroepen moet evenwel rekening worden gehouden met dit arrest, voorzover het aankomt op de inhoud van verordening nr. 685/95.
49. Samenvattend moet derhalve worden vastgesteld, dat de beroepen in de zaken C-61/96, C-132/97, C-45/98, C-27/99, C-81/00 en C-22/01 wat hun voorwerp betreft niet identiek zijn met het beroep in zaak C-179/95. Het gezag van gewijsde van het arrest in zaak C-179/95 staat bijgevolg niet in de weg aan de ontvankelijkheid van die beroepen.
B - Gegrondheid van de beroepen
1) Eerbiediging van het beginsel van de relatieve stabiliteit
50. In het kader van het onderzoek van de gegrondheid van de beroepen moet eerst worden stilgestaan bij het middel schending van het beginsel van de relatieve stabiliteit, dat in alle procedures is aangevoerd.
a) Argumenten van partijen
51. Het Koninkrijk Spanje is van mening dat het resultaat van de betwiste verordeningen is dat Portugal een - te ruilen - ansjovisquotum wordt toegekend in ICES-zone VIII, terwijl deze lidstaat nooit quota in die zone gehad heeft. Dit is volgens Spanje een schending van het beginsel van de relatieve stabiliteit, op grond waarvan de Raad bij de verdeling van de visserijquota in ICES-zone VIII de percentages die zijn vastgesteld voor Spanje en Frankrijk, over welke lidstaten het ansjovisbestand in ICES-zone VIII steeds is verdeeld, had moeten handhaven, dat wil zeggen 90 % van de TAC aan Spanje en 10 % aan Frankrijk had moeten toekennen.
52. De Raad is mening dat het beginsel van de relatieve stabiliteit niet is geschonden. Hij wijst erop dat er nog andere gevallen bestaan waarin lidstaten bepaalde quota mogen vangen in zones die grenzen aan die waarvoor de quota zijn toegekend, teneinde een beter gebruik van de quota te waarborgen. Deze swaps betreffen ook biologisch verschillende visbestanden en de rechtmatigheid ervan is nooit ter discussie gesteld. Volgens de Raad profiteert Spanje zelf van deze mogelijkheid voor de vissoorten schartong" en zeeduivel" tussen de zones VI en VII.
53. De Raad bevestigt dat het bij de ansjovisbestanden in de ICES-zones VIII en IX gaat om twee biologisch verschillende bestanden. Niettemin vindt hij de vaststelling van twee TAC's, die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, in feite niet noodzakelijk, aangezien beide bestanden niet bedreigd worden en in de jaren 1996 tot en met 1999 enkel TAC's bij wijze van voorzorgsmaatregel zijn vastgesteld. Er zijn geen juridische bezwaren tegen een gemeenschappelijk beheer van deze twee TAC's. Enkel vanwege het bepaalde in artikel 161 van de Toetredingsakte zijn er voor de ICES-zones VIII en IX twee TAC's vastgesteld.
54. Naar eigen zeggen heeft de Raad met de vaststelling van een afzonderlijke TAC voor ICES-zone VIII en de toewijzing van 90 % van deze TAC aan het Koninkrijk Spanje de bepaling van artikel 161 van de Toetredingsakte en het beginsel van de relatieve stabiliteit geëerbiedigd. Door Portugal toe te staan om een deel van het hem voor ICES-zone IX toegewezen quotum in ICES-zone VIII te vangen, heeft hij enkel van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik gemaakt, teneinde de doelstelling van integratie van Spanje en Portugal in het communautaire visserijbeleid te verwezenlijken.
55. Voorts wijst de Raad erop, dat het beginsel van de relatieve stabiliteit volgens artikel 8, lid 4, sub ii, van verordening nr. 3760/92 zeer wel aanpassingen van de vangsthoeveelheden toelaat, in het bijzonder ook door de ruil van quota, zoals die sinds 1983 plaatsvindt. In het geval van de overdracht van quota van Portugal is voldaan aan de voorwaarde dat hierbij naar behoren rekening moet worden gehouden met het algemene evenwicht van de verdeling. De Raad verwijst dienaangaande naar een optelling van de vangsthoeveelheden die in de ICES-zones VIII en IX zijn toegekend.
56. De Commissie is eveneens van mening dat het beginsel van de relatieve stabiliteit niet geschonden is. Volgens haar werden de beide TAC's voor de ICES-zones VIII en IX gemeenschappelijk beheerd. Hierdoor werd evenwel de verdeling van de quota van de betrokken lidstaten Spanje, Portugal en Frankrijk geenszins gewijzigd. Ook de Commissie gaat hierbij ervan uit dat het geheel van de voor beide zones toegewezen quota in aanmerking dient te worden genomen.
57. De door Spanje betwiste quotaruil is op grond van de bepalingen van de artikelen 8 en 9 van verordening nr. 3760/92 uitdrukkelijk toegestaan. Door het gemeenschappelijk beheer van de beide TAC's is tevens het algemene evenwicht van de verdeling gewaarborgd.
58. Ten slotte ziet de Commissie in de vaststelling van verordening nr. 685/95 een versoepeling van het beginsel van de relatieve stabiliteit. De Raad heeft hierbij gebruik gemaakt van de ruime discretionaire bevoegdheid die hem bij de besluitvorming op het terrein van het landbouwbeleid toekomt.
b) Beoordeling
59. Dit middel doet de vraag rijzen, of het beginsel van de relatieve stabiliteit geschonden is door het feit dat Portugal op grond van de betwiste verordeningen nrs. 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999, 2742/1999 en 2848/2000 een deel van het hem voor ICES-zone IX toegewezen ansjovisquotum in de wateren van ICES-zone VIII mocht vangen.
60. Het beginsel van de relatieve stabiliteit waarborgt dat de lidstaten een vast percentage van de vangstmogelijkheden voor gangbare vissoorten krijgen. De stabiliteit heeft betrekking op vissen van een bepaalde soort in een bepaald gebied. Zoals reeds bij de beschrijving van het juridische kader is uiteengezet, vindt dit beginsel zijn oorsprong in bijlage VII bij de resolutie van Den Haag van 3 november 1976. Via de verklaring van de Raad van 30 mei 1980 inzake het gemeenschappelijke visserijbeleid heeft het beginsel van de relatieve stabiliteit ingang gevonden in verordening nr. 170/83 en tenslotte in verordening nr. 3760/92.
61. Uit de definitie in de twaalfde tot en met de veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 3760/92 blijkt dat de verdeling van de vangstmogelijkheden in het kader van het gemeenschappelijke visserijbeleid op drie criteria berust: de omvang van de traditionele visserijactiviteiten, de bijzondere behoeften van de regio's waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante activiteiten, en met name de respectieve biologische situatie van de visbestanden.
62. De stabiliteit is relatief, omdat zij enkel recht geeft op een percentage van de beschikbare TAC, maar geen recht op een bepaalde vangsthoeveelheid. Deze hoeveelheid is integendeel variabel. Dit vloeit reeds voort uit het vereiste om rekening te houden met de biologische situatie van het betrokken bestand. Hierdoor kan de vangsthoeveelheid niet steeds dezelfde omvang hebben. Bovendien is die hoeveelheid afhankelijk van het deel van de totaal toegestane vangsthoeveelheid dat de Gemeenschap toekomt. Enkel dit deel, dat ten dele in het kader van internationale organisaties wordt vastgesteld, wordt als quotum aan de lidstaten doorgegeven.
63. In de onderhavige zaken is het Spanje ook niet te doen om een bepaalde hoeveelheid ansjovis die het in ICES-zone VIII wil vangen, zoals de Raad veronderstelt. Het gaat Spanje veeleer om zijn deel van de in ICES-zone VIII voor de vangst vrijgegeven hoeveelheid ansjovis.
64. In de Toetredingsakte van 1985 is aan het Koninkrijk Spanje 90 % en aan Frankrijk 10 % van de ansjovisvangst in ICES-zone VIII toegekend. Krachtens de verordeningen nrs. 1275/94 en 685/95 wordt bij de jaarlijkse verdeling van de quota volgens de procedure van artikel 8 van verordening nr. 3760/92 met deze percentages rekening gehouden. De aan de lidstaten toegewezen quota worden daarbij in tonnen uitgedrukt.
65. In de onderhavige zaken moet thans worden nagegaan, of deze procentuele verdeling in de verordeningen nrs. 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999, 2742/1999 en 2848/2000 is geëerbiedigd dan wel is geschonden door het feit dat in de noten 3 respectievelijk 2 is bepaald dat Portugal een bepaald deel van het hem voor ICES-zone IX toegewezen quotum in de wateren van ICES-zone VIII mag vangen. Hiervan zou sprake zijn als de regeling ertoe leidt dat Spanje niet langer 90 % van de voor ICES-zone VIII totaal toegestane ansjovisvangsten ontvangt en deze wijziging niet wordt gerechtvaardigd door een krachtens artikel 8, lid 4, en artikel 9 van verordening nr. 3760/92 geoorloofde quotaruil.
66. Tegen de veronderstelling dat het beginsel van de relatieve stabiliteit zou zijn geschonden, pleit allereerst dat dit beginsel geen absolute vangsthoeveelheid waarborgt, maar slechts een overeenkomstig percentage daarvan. Dit percentage kan door de ruil van quota, zoals uitdrukkelijk voorzien in artikel 9 van verordening nr. 3760/92, worden beïnvloed, evenals door de goedkeuring van de overdracht van quota van de zone van toewijzing naar aangrenzende zones, zoals die in casu voor de ansjovisvangst van Portugal is toegestaan en sinds verordening nr. 3074/95 ook voorzien is voor haring, heek, blauwe wijting, makreel en schartong. Blijkens de consideransen van de verordeningen hebben deze overdrachten van quota plaatsgevonden met het oog op een beter gebruik van de quota". Zoals de Raad terecht benadrukt, is de overdracht van het aan Portugal voor ICES-zone IX toegewezen quotum naar ICES-zone VIII derhalve geen op zichzelf staand geval. Deze overdracht vond plaats met het oog op een in december 1994 tussen Portugal en Frankrijk overeengekomen quotaruil, die in bijlage IV bij verordening nr. 685/95 is vastgelegd.
67. Ook het feit dat het totale quotum van Spanje in de ICES-zones VIII en IX als gevolg van de toestemming voor de quotaruil noch procentueel noch qua hoeveelheid kleiner is geworden, pleit tegen schending van het beginsel van de relatieve stabiliteit. De Raad en de Commissie wijzen uitdrukkelijk hierop. Per slot van rekening is 90 % van de TAC voor ICES-zone VIII wel degelijk aan Spanje toegewezen.
68. Vóór schending van het beginsel van de relatieve stabiliteit pleit daarentegen het feit dat als gevolg van de toestemming voor de quotaruil de vangsthoeveelheid in ICES-zone VIII is verhoogd van telkens 33 000 ton naar 38 008 ton in de jaren 1996 tot en met 1999, naar 36 000 ton in 2000 en naar 37 176 ton in 2001. Beziet men het recht van Spanje op 90 % van de totaal toegestane vangsten in samenhang met de als gevolg van de toestemming voor de quotaruil in ICES-zone VIII totaal toegestane ansjovisvangsten, dan moet worden vastgesteld dat Spanje hiervan niet 90 % werd toegewezen.
69. Het antwoord op de in casu opgeworpen vraag hangt bijgevolg af van de keuze van het referentiepunt voor de 90 % die aan Spanje moet worden toegewezen. Kiest men de toegestane vangsthoeveelheid inclusief de quotaruil als referentiepunt, dan zijn de rechten van Spanje geschonden. Gaat men daarentegen uit van de TAC die is vastgesteld voor ICES-zone VIII, dan is het recht van Spanje op 90 % hiervan niet geschonden. Dit geldt evenzeer ingeval men uitgaat van een gemeenschappelijke TAC voor de zones VIII en IX of althans van een gemeenschappelijk beheer van de beide voor deze zones vastgestelde TAC's, zoals de Raad en Commissie voorstellen.
70. Dit leidt tot de vraag, of de toestemming voor de quotaruil ten gunste van Portugal, zoals deze in de litigieuze noten 3 respectievelijk 2 is verleend, kan worden beschouwd als de vaststelling van een gemeenschappelijke TAC voor de ansjovisvangst in de ICE S-zones VIII en IX of althans als een gemeenschappelijk beheer van deze TAC's. Vóór een dergelijke zienswijze pleit het feit dat het gaat om twee aan elkaar grenzende zones. Door de toestemming aldus op te vatten, zouden ook de rechten van Spanje worden geëerbiedigd, dat immers, zoals reeds is uiteengezet, geen nadeel ondervindt wanneer zijn quota voor de ICES-zones VIII en IX als geheel beschouwd worden. Overigens zij erop gewezen, dat artikel 11, juncto bijlage IV, punt 1.1, sub i, van verordening nr. 685/95 de in casu betwiste quotaruil uitdrukkelijk koppelt aan de voorwaarde dat voor de ICES-zones VIII en IX een gemeenschappelijk TAC voor ansjovis wordt vastgesteld.
71. Aan een dergelijke opvatting van de toestemming voor de quotaruil staat evenwel het feit in de weg dat in de bestreden verordeningen telkens twee afzonderlijke TAC's voor de ICES-zones VIII en IX zijn vastgesteld. De Spaanse regering wijst terecht hierop. Had men van een gemeenschappelijke TAC voor deze zones willen uitgaan, dan zou de vaststelling van één enkele TAC voor de hand hebben gelegen. Zoals de Raad echter zelf betoogt, was dit op grond van artikel 161 van de Toetredingsakte ook juridisch onmogelijk.
72. Dit gebrek kan ook niet worden verholpen door een gemeenschappelijk beheer van de beide TAC's te veronderstellen. Doorslaggevend voor de beantwoording van de in casu opgeworpen vraag is immers dat de veronderstelling dat in de toestemming voor de quotaruil de vaststelling van een gemeenschappelijke TAC of een gemeenschappelijk beheer van de beide TAC's besloten ligt, in strijd is met de criteria op basis waarvan de TAC's vastgesteld worden. Volgens de dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 3760/92 dient rekening te worden gehouden met de biologische situatie van het desbetreffende visbestand, alsmede met de bijzondere behoeften van de regio's waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante activiteiten. Het staat vast dat het bij de ansjovisbestanden in de ICES-zones VIII en IX gaat om twee biologisch verschillende bestanden. Alleen al op grond hiervan kan geen gemeenschappelijke TAC of gemeenschappelijk beheer van de twee TAC's worden verondersteld, aangezien hiervoor geen gemeenschappelijke wetenschappelijke basis bestaat.
73. Het argument van de Raad dat het in casu enkel gaat om een TAC die bij wijze van voorzorgsmaatregel is vastgesteld, snijdt eveneens geen hout. In 2000 en 2001 zijn voor ICES-zone VIII analytische TAC's vastgesteld, terwijl voor ICES-zone IX nog steeds TAC's bij wijze van voorzorgsmaatregel zijn vastgesteld. Dit onderstreept het feit dat beide bestanden biologisch verschillend zijn en dat een gemeenschappelijk beheer onmogelijk is. Anders zou men ingaan tegen artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3760/92, volgens hetwelk de exploitatie van de bestanden onder meer in het licht van de beschikbare biologische analyses en verslagen dient plaats te vinden.
74. Wanneer men de totaal toegestane vangsten verhoogt zonder tegelijkertijd het aan Spanje toekomende deel te verhogen, wordt bovendien onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de Spaanse bevolking die van de ansjovisvangst in ICES-zone VIII afhankelijk is. Dit verlies kan niet zonder meer worden gecompenseerd door de gelijktijdige winst" voor de Spaanse bevolking die afhankelijk is van de ansjovisvangst in ICES-zone IX, die voor de kust van Galicië en Portugal ligt en die ingevolge de quotaruil in mindere mate wordt bevist. Bijgevolg kan de toestemming voor de quotaruil niet worden gezien als vaststelling van een gemeenschappelijke TAC voor de ICES-zones VIII en IX of als gemeenschappelijk beheer daarvan.
75. Zo bijgevolg het verlenen van toestemming aan Portugal om een bepaald deel van het hem voor ICES-zone IX toegewezen quotum in de wateren van de ICES-zone VIII te vangen, in beginsel in strijd is met het beginsel van de relatieve stabiliteit, dient nog te worden nagegaan, of het hierbij niet gaat om een volgens artikel 8, lid 4, sub ii, tweede volzin, van verordening nr. 3760/92 geoorloofde aanpassing van dit beginsel. Volgens deze bepaling kan bij de verdeling van de quota op verzoek van de rechtstreeks betrokken lidstaten [...] de ontwikkeling van de miniquota en regelmatige quotaswaps sinds 1983 in aanmerking worden genomen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het algemene evenwicht van de verdeling; [...]".
76. Wanneer men de ICES-zones VIII en IX als geheel beschouwt, zoals de Raad en de Commissie voorstellen, dient te worden vastgesteld dat het totale aandeel van Spanje in de ansjovisvangsten niet beïnvloed wordt door de quotaruil van Portugal. In zoverre zou men kunnen verdedigen dat de regeling rekening houdt met het algemene evenwicht van de verdeling.
77. De toepassing van de in punt 75 genoemde bepaling zal evenwel waarschijnlijk reeds stranden op het enkele feit dat Spanje niet instemt met de overdracht van de quota, laat staan dat het in de zin van dit voorschrift een verzoek hiertoe indient. Een enkel door Portugal en Frankrijk ingediend verzoek, zoals dat in de overeengekomen quotaruil zou kunnen worden gezien, is evenwel waarschijnlijk niet voldoende. Zoals hierboven is uiteengezet, raakt de quotaruil Spanje immers voorzover de totale hoeveelheid die in ICES-zone VIII kan worden gevangen, wordt gewijzigd zonder dat Spanje hierop invloed kan uitoefenen. Hierdoor worden echter zijn rechten krachtens artikel 161 van de Toetredingsakte aangetast, zoals die in de verordeningen nrs. 1275/94, 685/95 en de op basis van artikel 8 van verordening nr. 3760/92 vastgestelde verordeningen zijn erkend. Bijgevolg is Spanje te beschouwen als betrokken lidstaat" in de zin van artikel 8, lid 4, sub ii, tweede volzin, van verordening nr. 3760/92. Daardoor zijn de formele voorwaarden voor de toepassing van dit voorschrift reeds niet vervuld.
78. Daarenboven lijken echter ook de materiële voorwaarden niet te zijn vervuld. De regeling betreft de verdeling van de quota in het kader van de totaal toegestane vangsten. De quota zijn echter door de betwiste regelingen nu juist niet gewijzigd. De Raad en de Commissie wijzen uitdrukkelijk hierop. Aan Portugal werd geen quotum in ICES-zone VIII toegewezen. Deze lidstaat kreeg enkel toestemming om een deel van het aan hem toegewezen quotum voor ICES-zone IX in de wateren van ICES-zone VIII te vangen. Het gaat hierbij enkel om een overdracht van quota en niet om de instelling van een quotum voor Portugal in ICES-zone VIII. In zoverre kunnen de regelingen in de noten 3 respectievelijk 2 van de betwiste verordeningen niet worden beschouwd als een wijziging van het beginsel van de relatieve stabiliteit en de daarop gebaseerde quotaverdeling in de zin van artikel 8, lid 4, sub ii, van verordening nr. 3760/92. Bijgevolg moet worden vastgehouden aan de constatering, dat deze regelingen het beginsel van de relatieve stabiliteit schenden.
79. Het gezag van gewijsde van het arrest in zaak C-179/95 staat hieraan niet in de weg. Dit arrest heeft betrekking op de verordeningen nrs. 685/95 en 746/95. Zoals bij de beoordeling van de ontvankelijkheid is uiteengezet, voorziet verordening nr. 685/95 niet in een uitputtende regeling van de hier in het geding zijnde overdracht van quota. De in bijlage IV bij die verordening neergelegde quotaruil tussen Portugal en Frankrijk veronderstelt immers dat Portugal visrechten heeft in ICES-zone VIII. Deze rechten worden evenwel pas gecreëerd door de litigieuze noten 3 respectievelijk 2 van de verordeningen nrs. 3074/95, 390/97, 45/98, 48/1999, 2742/1999 en 2848/2000, derhalve in het kader van de jaarlijkse vaststelling van de TAC's. Het gaat bijgevolg om zelfstandige wettelijke regelingen die niet alleen afzonderlijk moeten kunnen worden aangevochten, maar die ook volledig moeten kunnen worden getoetst, welke toetsing niet mag worden uitgesloten door het gezag van gewijsde van arresten betreffende parallelle regelingen die op een ander tijdvak betrekking hebben.
80. De conclusie moet derhalve luiden dat de aan Portugal verleende toestemming om het hem voor ICES-zone IX toegewezen ansjovisquotum naar ICES-zone VIII over te dragen, een schending vormt van het beginsel van de relatieve stabiliteit, aangezien zij met zich brengt dat aan Spanje niet 90 % van de voor ansjovis toegestane vangsthoeveelheid in ICES-zone VIII wordt toegewezen. Bijgevolg dienen de betwiste verordeningen op dat punt nietig verklaard te worden.
2) Eerbiediging van het beginsel van de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden
81. Het middel eerbiediging van het beginsel van de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden werd aanvankelijk in alle beroepen aangevoerd. Bij brief van 14 oktober 1999 heeft Spanje verklaard dat dit middel in de zaken C-61/96, C-132/97, C-45/98 en C-27/99 zonder voorwerp is geraakt, maar het heeft dit in de zaken C-81/00 en C-22/01 opnieuw voorgesteld. In het navolgende zal derhalve op dit middel worden ingegaan.
a) Argumenten van partijen
82. Spanje is van mening dat de betwiste bepalingen het beginsel van de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden schenden, voorzover daarbij de op de grondslag van wetenschappelijke analyses vastgestelde TAC voor ICES-zone VIII is verhoogd met de hoeveelheid die Portugal in deze zone mocht vangen. Zijns inziens leidt dit tot een bovenmatige exploitatie van de visbestanden, die elke wetenschappelijke basis mist. Zoals de drastische beperking van de TAC's in 2000 middels verordening nr. 2742/1999 aantoont, loopt door deze overbevissing het ansjovisbestand in ICES-zone VIII gevaar. Voor een rechtmatige toewijzing van de 4 600 ton aan Frankrijk, hadden de totaal toegestane vangsten in deze zone naar 46 000 ton moeten worden verhoogd. Dit zou echter een bovenmatige exploitatie van de bestanden hebben betekend. Voor 2001 werd de vangst van in totaal 37 176 ton in ICES-zone VIII vrijgegeven.
83. De Raad voert hiertegen aan dat hij de TAC voor 2000 gehalveerd heeft toen wetenschappelijke rapporten aantoonden dat het ansjovisbestand in ICES-zone VIII in gevaar was. Pas toen op grond van nieuw onderzoek het bestand als veilig kon worden aangemerkt, werd de TAC weer verhoogd naar het niveau van de voorafgaande jaren. Bovendien verwijst de Raad naar het arrest in zaak C-179/95, waarin het Hof heeft verklaard dat Spanje onvoldoende aanwijzingen heeft aangevoerd voor een schending van het beginsel van de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden.
84. Ook de Commissie is van mening dat Spanje geen concrete aanwijzingen heeft verstrekt dat het ansjovisbestand in ICES-zone VIII door de betwiste verordeningen in gevaar zou zijn gebracht. Bovendien heeft de Raad bij de eerste aanwijzingen voor een teruggang van het ansjovisbestand in ICES-zone VIII onmiddellijk een lagere TAC voor het jaar 2000 vastgesteld. Pas toen nieuwe schattingen beschikbaar waren, volgens welke het bestand niet langer in gevaar was, werd de TAC weer op het oude niveau teruggebracht. Voor het overige wijst de Commissie op de ruime discretionaire bevoegdheid die de Raad in het kader van het landbouwbeleid heeft.
b) Beoordeling
85. De tweede overweging van de considerans van verordening nr. 3760/92 kent een bijzonder gewicht toe aan een rationele en verantwoorde exploitatie van de levende aquatische rijkdommen. Volgens artikel 2, lid 2, is de instelling van een kader voor de instandhouding en de bescherming van de bestanden een doel van de verordening. In het bijzonder worden ook - volgens artikel 4, lid 1, van de verordening - communautaire bepalingen vastgesteld betreffende de voorwaarden voor de toegang tot de wateren en de bestanden en de uitoefening van exploitatieactiviteiten, teneinde de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden op duurzame basis te garanderen. Deze bepalingen worden daartoe opgesteld in het licht van de beschikbare biologische, sociaal-economische en technische analyses, alsmede van de verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij" dat bij artikel 16 van de verordening is ingesteld.
86. In de zaken C-81/00 en C-22/01, waarin Spanje dit middel heeft aangevoerd, worden evenwel geen aanwijzingen naar voren gebracht op grond waarvan kan worden geconstateerd dat de Raad met de vaststelling van de betwiste bepalingen het beginsel van de rationele en verantwoorde exploitatie van de bestanden zou hebben geschonden.
87. In het kader van het visserijbeleid beschikt de Raad bij de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie over een ruime discretionaire bevoegdheid. Hiertoe behoort ook de vaststelling van de TAC's en de daarmee samenhangende regelingen. De rechter mag bij zijn toetsing alleen nagaan, of daarbij geen kennelijke dwaling of misbruik is begaan en of niet kennelijk de grenzen van de discretionaire bevoegdheid zijn overschreden.
88. Voor een dergelijk misbruik van de discretionaire bevoegdheid bestaan geen aanwijzingen. Zoals de Raad en de Commissie hebben uiteengezet, werd de TAC voor de ansjovisvangst in ICES-zone VIII in het jaar 2000 zelfs gehalveerd, nadat rapporten beschikbaar kwamen die erop wezen dat het bestand in gevaar was. Pas toen nieuwe rapporten verschenen, waarin dit gevaar niet werd bevestigd, werd de TAC weer verhoogd naar het niveau van de voorafgaande jaren. Hieruit blijkt duidelijk dat de Raad zich bij zijn besluit heeft laten leiden door de beschikbare wetenschappelijke analyses. Spanje heeft niets aangevoerd dat de conclusie wettigt dat deze analyses onjuist waren of dat de Raad anderszins van onjuiste feiten is uitgegaan.
89. Ook de aan Portugal verleende toestemming om een deel van het hem voor ICES-zone IX toegewezen quotum in de wateren van ICES-zone VIII te vangen, vormt geen misbruik van de discretionaire bevoegdheid. Spanje heeft geen enkel element aangevoerd en in het bijzonder geen wetenschappelijke analyses overgelegd tot staving van zijn bewering dat deze toestemming tot overbevissing van ICES-zone VIII heeft geleid. Dat jaarlijks een nieuwe TAC van 33 000 ton voor deze zone is vastgesteld, die, althans in 2000 en 2001, zelfs een analytische TAC was en niet enkel, zoals in voorafgaande jaren, een TAC bij wijze van voorzorgsmaatregel, bevestigt het betoog van Spanje niet. Dit feit wijst veeleer erop dat het bestand bij het toegestane niveau van bevissing - inclusief derhalve de aan Portugal toegestane overdracht van quota - niet wordt bedreigd. Bijgevolg dient het tweede middel te worden verworpen.
V - Kosten
90. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Het Koninkrijk Spanje heeft gevorderd om de Raad in de kosten te verwijzen. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen. Krachtens artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering zal de Commissie haar eigen kosten dragen.
VI - Conclusie
91. Gelet op het voorafgaande, geef ik het Hof in overweging:
1.a) in zaak C-61/96 nietig te verklaren het punt betreffende ansjovis in de bijlage bij verordening (EG) nr. 3074/95 van de Raad van 22 december 1995 inzake de vaststelling van de voor 1996 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften;
b) in zaak C-132/97 nietig te verklaren het punt betreffende ansjovis in bijlage I bij verordening (EG) nr. 390/97 van de Raad van 20 december 1996 inzake de vaststelling van de voor 1997 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften;
c) in zaak C-45/98 nietig te verklaren het punt betreffende ansjovis in bijlage I bij verordening (EG) nr. 45/98 van de Raad van 19 december 1997 inzake de vaststelling van de voor 1998 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften;
d) in zaak C-27/99 nietig te verklaren het punt betreffende ansjovis in bijlage I bij verordening (EG) nr. 48/1999 van de Raad van 18 december 1998 inzake de vaststelling van de voor 1999 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden, alsmede bepaalde bij de visserij in acht te nemen voorschriften;
e) in zaak C-81/00 nietig te verklaren noot 2 bij het kader Ansjovis, Zone IX, X, CECAF 34.1.1" in bijlage I D bij verordening (EG) nr. 2742/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling, voor het jaar 2000, van de vangstmogelijkheden die gelden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de wateren van de Gemeenschap en, wat vaartuigen van de Gemeenschap betreft, in andere wateren met vangstbeperkingen, tot vaststelling voorts van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 66/98;
f) in zaak C-22/01 nietig te verklaren noot 2 bij het kader Ansjovis, Zone IX, X, CECAF 34.1.1" (Gemeenschapswateren) in bijlage I D bij verordening (EG) nr. 2848/2000 van de Raad van 15 december 2000 tot vaststelling, voor het jaar 2001, van de vangstmogelijkheden die gelden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de wateren van de Gemeenschap en, wat vaartuigen van de Gemeenschap betreft, in andere wateren met vangstbeperkingen, en tot vaststelling voorts van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften;
2. de Raad in de kosten te verwijzen en te verstaan dat de Commissie haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy