Conclusie van de advocaat generaal
1 Met een beroep krachtens artikel 169 EG-Verdrag, ingesteld op 6 maart 1996, verzoekt de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof vast te stellen, dat de Helleense Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 6, 48, 52, 58 en 221 EG-Verdrag, alsmede krachtens artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld(1), en artikel 7 van richtlijn 75/34/EEG van de Raad van 17 december 1974 betreffende het recht van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijf te houden na er een werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend.(2)
Concreet houdt de Commissie de Helleense Republiek voor, wettelijke bepalingen in haar nationale recht te hebben gehandhaafd, die het recht van inschrijving in de Griekse scheepsregisters beperken tot vaartuigen die voor meer dan 50 % toebehoren aan Griekse onderdanen of aan Griekse rechtspersonen waarvan de aandelen voor meer dan 50 % aan Griekse onderdanen toebehoren (artikel 5 zeevaartwet).
Het procesverloop
2 De Commissie heeft de Helleense Republiek drie aanmaningsbrieven in de zin van artikel 169 gezonden. In de eerste brief, van 13 juni 1990, maakte de Commissie de Griekse regering erop attent, dat de voorwaarden voor toekenning van de Griekse nationaliteit aan vissersvaartuigen, zoals bepaald in artikel 5 van de zeevaartwet, in strijd waren met de artikelen 7 (thans 6), 52 en 221 van het Verdrag. In dezelfde brief noemde zij voorts artikel 11 van koninklijk decreet nr. 666/66, dat voor de verlening van een vergunning voor de professionele sponzenvisserij als voorwaarde stelt, dat de eigenaar van een toegelaten vissersvaartuig tien jaar ervaring heeft opgedaan als schepeling op een krachtens hetzelfde decreet voor de sponzenvisserij toegelaten vissersvaartuig, in strijd met het gemeenschapsrecht (wegens schending van de artikelen 7 en 52 van het Verdrag). In dezelfde brief vocht de Commissie ten slotte de wettigheid aan van de nationale bepaling die een bepaald percentage van de arbeidsplaatsen aan boord van vissersvaartuigen aan werknemers van Griekse nationaliteit voorbehoudt, omdat deze in strijd zou zijn met het vrije verkeer van werknemers.
Een tweede aanmaningsbrief, van 9 juli 1990, had betrekking op pleziervaartuigen. In het bijzonder wees de Commissie de Griekse autoriteiten erop, dat artikel 5 van de zeevaartwet, dat de voorwaarden regelt voor toekenning van de Griekse nationaliteit, in strijd was met de artikelen 7, 48, 52 en 221 van het Verdrag.
In de derde aanmaningsbrief, van 5 juni 1992, bracht de Commissie dezelfde bezwaren onder de aandacht van de Helleense Republiek als in de voorgaande brieven, ditmaal ten aanzien van koopvaardijschepen.
3 Niet overtuigd van de argumenten waarmee de Griekse regering op de twee eerste aanmaningsbrieven(3) reageerde, bracht de Commissie op 27 juli 1993 een met redenen omkleed advies uit in de zin van artikel 169 van het Verdrag.
Het met redenen omkleed advies had evenals de aanmaningsbrieven betrekking op de voorwaarden voor inschrijving van alle soorten vaartuigen in het Griekse scheepsregister, de beperkte mogelijkheden tot aanwerving van zeelieden met de nationaliteit van andere Lid-Staten op Griekse vissersvaartuigen, en de voorwaarden voor de verlening van vergunningen voor de sponzenvisserij.
4 Het beroep, dat de Commissie voor het Hof aanhangig maakte na de antwoorden van de Griekse regering op het met redenen omkleed advies te hebben bestudeerd, heeft alleen betrekking op de voorwaarden voor toekenning van de Griekse nationaliteit aan alle soorten schepen; de andere twee punten van bezwaar die in de aanmaningsbrieven en in het met redenen omkleed advies naar voren waren gebracht, worden in het beroep niet meer genoemd.
Aangenomen moet daarom worden dat de Commissie de omvang van de in de precontentieuze fase aangevoerde grieven impliciet heeft teruggebracht, door het voorwerp van het beroep te beperken tot enkel de Griekse regeling inzake de toekenning van de nationaliteit aan vaartuigen en daarmee de voorwaarden voor de inschrijving van die vaartuigen in het Griekse scheepsregister.(4)
De bestreden regeling
5 De regeling die de Commissie in strijd acht met het gemeenschapsrecht, is neergelegd in artikel 5 van de zeevaartwet.(5) Volgens deze bepaling wordt de Griekse nationaliteit toegekend aan schepen die voor ten minste 50 % toebehoren aan personen van Griekse nationaliteit of aan Griekse rechtspersonen waarvan het kapitaal voor meer dan 50 % aan Griekse onderdanen toebehoort.(6)
Deze bepaling bevat dus de voorwaarden voor toekenning van de Griekse nationaliteit en inschrijving in het Griekse scheepsregister voor ongeacht welk vaartuig, of dat nu een vissersvaartuig is, een pleziervaartuig of een koopvaardijschip. Ik zal daarom de verenigbaarheid van de bestreden regeling met het gemeenschapsrecht over de gehele lijn bezien, tenzij anders aangegeven.
De rechtspraak van het Hof
6 De onderhavige problematiek is in de rechtspraak van het Hof reeds vanuit meerdere gezichtshoeken aan de orde geweest, en de argumenten van de Helleense Republiek zijn slechts zeer ten dele nieuw.
Met name in het arrest Factortame e.a.(7) heeft het Hof met artikel 52 van het Verdrag in strijd verklaard een nationale bepaling(8) die inschrijving van een vissersvaartuig in het nationale scheepsregister afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de eigenaar onderdaan van de betrokken staat dan wel een in die staat opgerichte vennootschap is, in welk laatste geval ten minste 75 % van het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap in handen moet zijn van onderdanen van die staat. Diezelfde regeling werd ook in strijd bevonden met de artikelen 7, 52 en 221 van het Verdrag in het kort daarna gewezen arrest in een niet-nakomingsprocedure tegen het Verenigd Koninkrijk.(9)
Dit beginsel werd nogmaals bevestigd naar aanleiding van een Franse wettelijke regeling(10), waarbij het recht van inschrijving in de nationale registers en tot het voeren van de Franse vlag werd voorbehouden aan schepen die voor meer dan 50 % toebehoren aan natuurlijke personen met de Franse nationaliteit of aan in Frankrijk gevestigde of door Franse onderdanen bestuurde of beheerde vennootschappen of vennootschappen waarvan het maatschappelijk kapitaal voor meer dan de helft in handen was van Franse onderdanen.(11) Het bijzondere van deze uitspraak is gelegen in het feit, dat een dergelijke regeling voor het eerst ook onverenigbaar werd bevonden ten aanzien van pleziervaartuigen, omdat de toegang tot mogelijkheden van vrijetijdsbesteding een "uitvloeisel van de vrijheid van vestiging" is, waardoor "de registratie door die onderdaan [van een andere Lid-Staat] van een plezierboot in de ontvangststaat onder de bepalingen van het gemeenschapsrecht betreffende het vrije verkeer valt".(12)
7 Recenter nog werd schending van de artikelen 6, 48, 52 en 58 van het Verdrag, alsmede van artikel 7 van verordening nr. 1251/70 en artikel 7 van richtlijn 75/34 aangenomen in verband met een Ierse wettelijke regeling die het recht op inschrijving van pleziervaartuigen en koopvaardijschepen beperkte tot schepen die geheel of ten dele toebehoorden aan de regering, een Minister of State, een Iers onderdaan of een rechtspersoon naar Iers recht.(13)
8 De onderhavige nationale regeling vertoont geen wezenlijk verschil met die van andere Lid-Staten die in de zojuist aangehaalde arresten reeds onverenigbaar werden bevonden met het gemeenschapsrecht. Ook de argumenten waarmee de Helleense Republiek tracht staande te houden dat die regeling met het gemeenschapsrecht verenigbaar is, komen op enkele details na overeen met het verweer dat de betrokken Lid-Staten in die zaken hebben gevoerd.
Het verweer van de Helleense Republiek
a) Eerbiediging van het volkenrecht inzake toekenning van de nationaliteit aan een schip
9 De Griekse regering betoogt, dat er geen communautaire bepalingen bestaan die de voorwaarden voor toekenning van de nationaliteit aan een vaartuig regelen, en dat het daarom, zoals het Hof zelf in het arrest Factortame e.a. heeft erkend, aan de Lid-Staten staat om volgens de relevante regels van het volkenrecht de voorwaarden vast te stellen waaronder een schip in de nationale scheepsregisters kan worden ingeschreven en daarmee het recht verkrijgt de vlag van die staat te voeren.(14)
Meer in het bijzonder beroept de Helleense Republiek zich op het internationale verdragsrecht, zoals artikel 5 van het Verdrag van Genève inzake de volle zee (hierna: "Verdrag van Genève") en artikel 91 van het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende het recht van de zee, gesloten te Montego Bay op 10 december 1982 (hierna: "Verdrag van Montego Bay"). Beide bepalingen bevestigen, dat iedere staat de voorwaarden vaststelt voor het toekennen van zijn nationaliteit aan schepen, en verlangen dat tussen de staat en het schip een wezenlijke band bestaat ("genuine link").(15) De Griekse regering beroept zich bovendien op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de voorwaarden voor registratie van vaartuigen van 7 februari 1986(16) (hierna: "Verdrag van 1986"), dat onder meer tot doel heeft "de wezenlijke band tussen de staat en de schepen die zijn vlag voeren, te verzekeren of zo nodig te versterken".(17) Met name, aldus het verweer van Griekenland, zijn de artikelen 7 tot en met 10 van dit verdrag van belang, volgens welke de "wezenlijke band" aanwezig is wanneer de schepen eigendom zijn van onderdanen van de staat wiens vlag zij voeren, of wanneer de onderdanen of ingezetenen van die staat in voldoende aantal in de bemanning zijn vertegenwoordigd.
10 De Griekse regeling, met name artikel 5 van de zeevaartwet, is dus volgens de Griekse regering een aanpassing aan de volkenrechtelijke beginselen inzake de nationaliteit van schepen, en omdat die beginselen inhoudelijk niet onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, is het standpunt van de Commissie ongegrond.
11 Zoals het Hof in zijn rechtspraak reeds overwoog, bestaat er bij de huidige stand van het volkenrecht geen internationale bepaling die voorschrijft waaruit de band tussen een schip en de staat wiens vlag het voert, concreet moet blijken. Daarom kan er geen sprake van zijn, dat het volkenrecht zou vereisen dat het schip geheel of gedeeltelijk eigendom is van onderdanen van de staat van inschrijving.
12 Welke ideologisch-politieke oplossing men ook voor het probleem van de goedkope vlag wil vinden(18), de internationale praktijk en bepalingen laten geen andere lezing van de betrokken regeling toe.(19)
13 Wat betreft de internationale verdragen waarop de Helleense Republiek zich beroept, zij opgemerkt, dat artikel 5 van het Verdrag van Genève niet kan worden geacht voor te schrijven, waaruit de wezenlijke band tussen staat en schip moet blijken voordat de nationaliteit kan worden toegekend. Afgezien van het - eveneens veelzeggende - feit dat de uiteindelijk aangenomen versie juist het idee weerspreekt dat voor toekenning van de nationaliteit aan het schip verlangd zou moeten worden dat de eigendom van het schip voor het grootste deel berust bij onderdanen van de vlagstaat(20), valt op te merken, dat de verdragsbepaling niets zegt over de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om te kunnen spreken van een "wezenlijke band", hoewel dat begrip uiteindelijk bepalend is voor de doeltreffendheid van de rechtsmacht en het toezicht, die de staat moet uitoefenen over de schepen waaraan het krachtens eigen bevoegdheid zijn nationaliteit heeft verleend. De "genuine link" impliceert niet zozeer een nationaliteitsvereiste als wel een verplichting tot het uitoefenen van toezicht, nadat eenmaal de nationaliteit is verleend. Bij deze uitlegging van het begrip "genuine link" sluit zeer wel aan, dat de plaats van beheer, controle en zeggenschap over het schip moet zijn gelokaliseerd op het grondgebied van de vlagstaat.(21)
De conclusie luidt niet anders ten aanzien van het Verdrag van Montego Bay, dat enerzijds de formulering van het Verdrag van Genève herhaalt, zonder het begrip "wezenlijke band" nader te verduidelijken (artikel 91), doch anderzijds schijnt uit te sluiten, dat de staten de aan een schip toegekende nationaliteit wegens ontbreken van een "wezenlijke band" kunnen betwisten. De staat die gegronde redenen heeft om het op een schip uitgeoefende toezicht onvoldoende te achten, kan immers eenvoudig "deze feiten rapporteren aan de vlagstaat", die "de aangelegenheid zal onderzoeken en, wanneer dienstig, alle nodige maatregelen zal nemen om de situatie te corrigeren".(22)
14 Deze uitlegging van de volkenrechtelijke bepalingen op het gebied van nationaliteit van een schip heeft het Hof reeds tot de zijne gemaakt in het arrest Poulsen en Diva Navigation, waarin de hierboven besproken verdragsbepalingen werden uitgelegd als uitdrukking van het volkenrechtelijke beginsel, dat "een vaartuig in beginsel slechts één nationaliteit heeft, te weten die van de staat waarin het is geregistreerd". De omstandigheid dat tussen het schip en de staat wiens vlag het voert, geen andere band bestaat dan de administratieve formaliteit van de registratie, "doet niet af aan de toepassing van deze regel. De staat die als eerste zijn nationaliteit heeft verleend, kon namelijk volledig zelfstandig beslissen, onder welke voorwaarden hij zulks doet."(23) Deze uitlegging is uitdrukkelijk bekrachtigd in het kort daarna gewezen arrest Commissie/Ierland, waarin het Hof verklaarde, dat "volkenrechtelijk een vaartuig de nationaliteit bezit van de staat waar het is geregistreerd, en dat die staat soeverein de voorwaarden voor de verkrijging van die nationaliteit vaststelt", waarmee het uitsloot dat de Ierse wetgeving uit hoofde van het volkenrecht zou zijn gerechtvaardigd.(24)
15 Het Hof heeft zich niet uitdrukkelijk uitgesproken over de mogelijke invloed van het Verdrag van 1986 op de voorwaarden voor inschrijving van schepen, waarop de Griekse regering haar verweer grotendeels baseert. Alleen advocaat-generaal Mischo heeft in zijn conclusie in de zaak Factortame vastgesteld, dat de artikelen 7 tot en met 9 van dat verdrag de staten de mogelijkheid bieden te kiezen tussen het criterium van de nationaliteit van de eigenaar en het criterium van de nationaliteit of de woonplaats van de bemanningsleden. Uit die bepalingen, gelezen in samenhang met artikel 5 van het Verdrag van Genève en artikel 91 van het Verdrag van Montego Bay, concludeerde hij: "Ofschoon het criterium van de nationaliteit van de eigenaar in overeenstemming is met een tamelijk algemene internationale praktijk, kan men echter niet zeggen, dat het tot het internationaal gewoonterecht behoort."(25)
Vooropgesteld moet worden, dat bedoeld verdrag thans nog niet in werking is getreden, omdat het in artikel 19 genoemde aantal toetredingen nog niet is bereikt.(26) In ieder geval laat artikel 8 van het verdrag de staten een zeer ruime discretionaire bevoegdheid bij het bepalen van het aandeel in de eigendom van het schip dat in handen moet zijn van onderdanen van de vlagstaat, waarbij voor de staat van inschrijving hoe dan ook de keuze openblijft voor het alternatieve criterium van de nationaliteit (of de woonplaats) van de bemanningsleden. Daar komt bij, dat de nationaliteitsvereisten van de artikelen 8 en 9 alleen van toepassing zijn op schepen voor het vervoer van vracht of passagiers of van beide, terwijl het begrip "wezenlijke band" tussen staat en schip blijkens artikel 2 niet nader behoeft te worden gedefinieerd in het geval van visserijvaartuigen.(27)
16 In het licht van al het voorgaande, acht ik het uitgesloten dat de in het volkenrecht vereiste band tussen een schip en de staat die zijn vlag aan dat schip verleent, daarin moet bestaan, dat het schip gedeeltelijk of volledig eigendom is van onderdanen van de vlagstaat.
b) Eerbiediging van het gemeenschapsrecht
17 Bij gebreke van een volkenrechtelijke bepaling die de nationaliteit van de eigenaar van het schip tot voorwaarde maakt voor inschrijving van dat schip, moeten de Lid-Staten de bevoegdheid tot vaststelling van de criteria voor toekenning van hun vlag uitoefenen onder eerbiediging van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder van de beginselen van gelijke behandeling en van vrij verkeer van personen.
Dit beginsel is bevestigd in het arrest Factortame e.a.(28) Waar overigens het gemeenschapsrecht grenzen stelt aan de toekenning van nationaliteit aan natuurlijke personen(29), geldt dit evenzeer voor de toekenning van nationaliteit aan schepen.
18 Volgens de Helleense Republiek zijn de voorwaarden voor inschrijving van vissersvaartuigen en koopvaardijschepen niet van dien aard, dat afbreuk wordt gedaan aan de gelijke behandeling of aan de uitoefening van de vrijheden die het Verdrag de burgers van andere Lid-Staten garandeert.
Zoals het Hof heeft verklaard in het arrest Factortame e.a., kan, wanneer het vaartuig een instrument voor de uitoefening van een economische activiteit is die gepaard gaat met een duurzame vestiging in de betrokken Lid-Staat, de registratie van het vaartuig niet los worden gezien van de uitoefening van het recht van vrije vestiging. Dat betekent voor burgers van een andere Lid-Staat, dat zij toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst dienen te krijgen overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.(30) Daaruit volgt, dat een nationale regeling die verlangt, dat de eigenaar van het schip een natuurlijke of rechtspersoon van een bepaalde nationaliteit is, in strijd is met de artikelen 6 en 52 van het Verdrag. In het bijzonder ten aanzien van rechtspersonen is de Griekse regeling in strijd met de artikelen 58 en 221 van het Verdrag, omdat zij verlangt dat de rechtspersoon die eigenaar is van het schip, naar Grieks recht is opgericht, en omdat zij met het vereiste dat het kapitaal van de rechtspersoon die eigenaar is van het schip, overwegend in Griekse handen is, de deelneming van onderdanen van andere Lid-Staten in het kapitaal van die vennootschap beperkt.(31)
19 De Griekse regering zoekt een rechtvaardiging voor haar wettelijke regeling voor de inschrijving van schepen in een bestaande gemeenschapsregeling voor de visserij, zoals neergelegd in verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992.(32) Het nationaliteitsvereiste in artikel 5 van de zeevaartwet zou in het bijzonder de naleving moeten verzekeren van de regeling van nationale vangstquota, welke regeling ingevolge artikel 6 van verordening nr. 3760/92 tot en met 31 december 2002 mag worden gehandhaafd.
Dit argument, dat overigens alleen kan opgaan voor vissersvaartuigen, is reeds naar voren gebracht en door het Hof verworpen in de arresten Jaderow en Agegate.(33) De Griekse wettelijke regeling waar het in deze procedure om gaat, betreft evenmin als de Britse regeling die in genoemde arresten aan de orde was, de toegang tot visserijactiviteiten, maar de inschrijving van schepen, zodat zij uiteindelijk een belemmering vormt voor de visserij als zodanig, en niet enkel de modaliteiten voor het beheer van nationale quota's betreft. In het licht van de zojuist aangehaalde rechtspraak staat het de Lid-Staten vrij te regelen, welke schepen van hun visserijvloot vergunning hebben hun vangsten op de nationale quota af te boeken, maar dit moet geschieden aan de hand van een criterium dat gebaseerd is op de relatie tussen de visserijactiviteiten van het vaartuig en de kustbevolking die in het bijzonder van de visserij en de aanverwante industrie afhankelijk is. Daarentegen kunnen verdergaande voorwaarden met betrekking tot een economische band geen rechtvaardiging vinden in het stelsel van nationale quota.(34)
20 Evenmin kan de Griekse wettelijke regeling rechtvaardiging vinden in het cabotagestelsel in het zeevervoer, zoals geregeld in verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992.(35) Dat er ingevolge artikel 6, lid 3, van deze verordening een tijdelijke afwijking geldt van het beginsel van vrije dienstverrichting ten aanzien van bepaalde zeevervoersdiensten, kan geen rechtvaardiging zijn voor een regeling die de voorwaarden voor registratie van vaartuigen betreft. De uitzondering die de Helleense Republiek op grond van deze verordening geniet, in afwijking van het beginsel van vrij verkeer van diensten op vervoersgebied, moet restrictief worden uitgelegd en kan dus alleen worden aanvaard voor zover dat noodzakelijk is met het oog op de sociaal-economische vereisten die eraan ten grondslag liggen. Aldus bezien kan de regeling geen rechtvaardiging bieden voor een wettelijke beperking die niet direct verband houdt met de toegang tot zeevervoersdiensten.
21 De Helleense Republiek tracht de bestreden regeling vervolgens te rechtvaardigen met vereisten in verband met de organisatie van haar militaire verdediging, met name gelet op de bijzondere historische en geopolitieke situatie in dat deel van de Middellandse Zee. Een band die bestaat in de nationaliteit van de eigenaren van het schip, stelt de Griekse autoriteiten in staat om zo nodig schepen te vorderen en schepen en bemanning onder militair gezag te stellen.
Op dit punt volstaat de opmerking, dat de Griekse autoriteiten schepen onder Griekse vlag hoe dan ook voor militaire doeleinden kunnen vorderen, ongeacht de nationaliteit van de eigenaar van het schip. Meer in het algemeen, voor zover de Helleense Republiek, zij het impliciet, doelt op de mogelijkheden tot afwijking van de door het Verdrag gegarandeerde vrijheden in geval van oorlog of ernstige internationale spanning, volstaat een verwijzing naar artikel 224 van het Verdrag, dat deze kwestie in dier voege regelt, dat het de Lid-Staten niet is toegestaan om eenzijdig algemene en preventieve maatregelen in te voeren die afwijken van de fundamentele gemeenschapsrechtelijke beginselen, zonder dat de in dat artikel bedoelde noodsituatie zich voordoet of ook maar wordt gesteld.
22 Met betrekking tot schepen die niet voor een economische activiteit worden gebruikt, heeft de Griekse regering niet meer opgemerkt dan dat het Griekse recht burgers van andere Lid-Staten niet verbiedt in Griekenland voor recreatieve doeleinden een boot te kopen en ermee te varen onder de vlag van een andere Lid-Staat of van een derde land.
Dit argument is volstrekt irrelevant. De toegang tot recreatieve activiteiten voor degenen die in een staat wonen om aldaar al dan niet in loondienst arbeid te verrichten of na aldaar dergelijke arbeid te hebben verricht, is een uitvloeisel van het vrije verkeer van werknemers, en de staat moet bij het regelen van die toegang het gelijkheidsbeginsel in acht nemen.(36) Om die reden is de Griekse wettelijke regeling, door alleen aan Griekse onderdanen het recht toe te kennen in Griekenland een pleziervaartuig te registreren, onverenigbaar met de artikelen 6, 48 en 52 van het Verdrag, artikel 7 van verordening nr. 1251/70 en artikel 7 van richtlijn 75/34.(37)
Kosten
23 Ik meen dat de vordering van de Commissie ter zake van de niet-nakoming door de Helleense Republiek van de op haar rustende gemeenschapsrechtelijke verplichtingen, op alle punten toewijsbaar is. De Helleense Republiek moet daarom over de gehele lijn in het ongelijk worden gesteld en overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten worden verwezen.
Conclusie
In het licht van het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
- te verklaren dat de Helleense Republiek, door wettelijke bepalingen in stand te houden die het recht van inschrijving in de Griekse scheepsregisters en het recht op het voeren van de Griekse vlag beperken tot vaartuigen die voor meer dan 50 % toebehoren aan Griekse onderdanen of aan Griekse rechtspersonen waarvan de aandelen voor meer dan 50 % aan Griekse onderdanen toebehoren, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 6, 48, 52, 58 en 221 EG-Verdrag, alsmede krachtens artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 en artikel 7 van richtlijn 75/34/EEG van de Raad van 17 december 1974;
- de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
(1) - PB 1970, L 142, blz. 24.
(2) - PB 1975, L 14, blz. 10.
(3) - De Commissie stelt onweersproken, dat de Helleense Republiek de derde aanmaningsbrief onbeantwoord heeft gelaten.
(4) - De Commissie kon het geschil een beperkter strekking geven dan in de precontentieuze fase, zonder dat dit in enig opzicht afbreuk doet aan het recht van verweer van de betrokken Lid-Staat: zie voor een gedeeltelijke intrekking van de vordering in de loop van de procedure, arrest van 27 april 1988 (zaak 252/85, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1988, blz. 2243, r.o. 21 en 22).
(5) - Wetsdecreet nr. 187, gepubliceerd in het Grieks Staatsblad nr. 261 van 8 oktober 1973.
(6) - Deze bepaling regelt ook enkele formaliteiten, waarop de grieven van de Commissie geen betrekking hebben, voor het geval dat de overeenkomst waarbij de eigendom van het schip wordt overgedragen, in het buitenland is aangegaan, alsmede voor schepen voor passagiersvervoer.
(7) - Arrest van 25 juli 1991 (zaak C-221/89, Jurispr. 1991, blz. I-3905).
(8) - Concreet ging het om Section 14 van de Merchant Shipping Act 1988.
(9) - Arrest van 4 oktober 1991 (zaak C-246/89, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1991, blz. I-4585).
(10) - Artikel 217 van de Code des douanes.
(11) - Arrest van 7 maart 1996 (zaak C-334/94, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1996, blz. I-1307), waarin het Hof eveneens vaststelde - doch alleen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning van schepen onder Franse vlag - dat de Franse Republiek haar verplichtingen uit hoofde van artikel 171 EG-Verdrag niet was nagekomen door geen gevolg te geven aan het eerdere arrest van 4 april 1974 (zaak 167/73, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1974, blz. 359).
(12) - Ibid., r.o. 22.
(13) - Arrest van 12 juni 1997 (zaak C-151/96, Commissie/Ierland, Jurispr. 1997, blz. I-3327).
(14) - Het Hof erkent dit beginsel sinds het arrest van 19 januari 1988 (zaak 223/86, Pesca Valentia, Jurispr. 1988, blz. 83, r.o. 13).
(15) - Artikel 5 van het Verdrag van Genève luidt als volgt: "Iedere staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Schepen hebben de nationaliteit van de staat wiens vlag zij het recht hebben te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de staat en het schip; in het bijzonder dient de staat op administratief, technisch en sociaal gebied zijn rechtsmacht en toezicht op doeltreffende wijze uit te oefenen." Artikel 91, lid 1, van het Verdrag van Montego Bay bepaalt: "Iedere staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Schepen hebben de nationaliteit van de staat wiens vlag zij het recht hebben te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de staat en het schip." Ik herinner eraan, dat dit laatste verdrag ingevolge zijn artikel 311 tussen de staten die daarbij partij zijn, voorrang heeft boven het Verdrag van Genève.
(16) - Zie de tekst in International Transport Treaties, Supplement 12 (mei 1988), blz. I-401 e.v.
(17) - Zie artikel 1 van het Verdrag van 1986.
(18) - Zoals bekend is deze kwestie uitvoerig besproken in de literatuur, zonder dat dit tot eenduidige oplossingen heeft geleid. Zie onder meer, naast de later te noemen literatuur, J. M. Rou: Les pavillons de complaisance, Parijs, 1961; B. A. Boczek: Flags of Convenience, Cambridge, 1962; H. Meijers: The Nationality of Ships, 's-Gravenhage, 1967. Voor een recente en meer positieve beoordeling van het fenomeen van de goedkope vlag, zie D. F. Matlin: "Re-evaluating the Status of Flags of Convenience Under International Law", in Vanderbilt Journal of Transnational Law, 1993, blz. 1017 e.v.
(19) - Reeds in de zaak Dohws of Mascate (V.N., Arbitrale uitspraken, XI, blz. 92 e.v.) is duidelijk verklaard, dat het aan iedere Lid-Staat is om uit te maken, aan wie het recht toekomt zijn vlag te voeren. Het advies van het Internationaal Gerechtshof over de samenstelling van de maritieme veiligheidscommissie van de IMCO (advies van 8 juni 1960, ICJ Reports, 1960, blz. 150 e.v.) is veelzeggend, vooral omdat dit advies van latere datum is dan de redactie van artikel 5 van het Verdrag van Genève. Bij die gelegenheid verklaarde het Gerechtshof in het licht van de internationale praktijk, dat schepen moeten worden geacht te behoren tot de staat waar zij zijn ingeschreven, zonder dat de nationaliteit van een handelsvloot op grond van andere criteria kan worden beoordeeld. Zoals in de literatuur wordt opgemerkt (zie S. M. Carbone: La disciplina giuridica del traffico marittimo internazionale, Bologna, 1982, blz. 77 e.v.), gaat de internationale praktijk zoals vastgelegd in vriendschaps-, handels- en scheepvaartverdragen in dezelfde richting: het gevolg is dat veel staten zich jegens staten die de naam hebben soepel te zijn met het verlenen van hun vlag als goedkope vlag, hebben verbonden de schepen die onder de vlag van die staten varen, te beschouwen als aan die staten toebehorend.
(20) - Aldus luidde de tekst die was voorbereid door de International Law Commission van de Verenigde Naties. Zie omtrent het verschil tussen het ontwerp en de uiteindelijk vastgestelde tekst, H. W. Wefers Bettink: "Open Registry, the Genuine Link and the 1986 Convention on Registration Conditions for Ships", in NYIL, 1987, blz. 80 e.v.; S. M. Carbone, t.a.p., blz. 76.
(21) - Zie het arrest Factortame (aangehaald in voetnoot 7), r.o. 34-36, en de conclusie van advocaat-generaal Mischo van 13 maart 1991 (Jurispr. 1991, blz. I-3932, punt 56-58). De beoordeling van de verenigbaarheid wordt alleen begrensd door de regel, dat aan dat vereiste wordt voldaan ook wanneer de basis voor de exploitatie een tweede vestigingsplaats is, die gebonden is door de instructies van een beslissingscentrum in de Lid-Staat waar de hoofdzetel is gevestigd.
(22) - Artikel 94, lid 6, van het Verdrag van Montego Bay.
(23) - Arrest van 24 november 1992 (zaak C-286/90, Poulsen en Diva Navigation, Jurispr. 1992, blz. I-6019, r.o. 13-15).
(24) - Arrest van 2 december 1992 (zaak C-280/89, Commissie/Ierland, Jurispr. 1992, blz. I-6185, r.o. 23 en 24).
(25) - Conclusie reeds aangehaald in voetnoot 21, punt 18.
(26) - Artikel 19 stelt als voorwaarde voor inwerkingtreding van het verdrag, dat ten minste 40 staten, die ten minste 25 % van het wereldtonnage vertegenwoordigen, als partij tot het verdrag toetreden.
(27) - Aan het voorgaande zou men kunnen toevoegen, dat artikel 234 EG-Verdrag niet toestaat, dat verplichtingen uit hoofde van het Verdrag zelf niet worden nagekomen wanneer naleving geen afbreuk doet aan de aan derde staten toegekende rechten (zie arrest van 22 september 1988, zaak 286/86, Deserbais, Jurispr. 1988, blz. 4907, r.o. 17 en 18).
(28) - Aangehaald in voetnoot 7, r.o. 17.
(29) - Dat het gemeenschapsrecht grenzen stelt aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om hun nationaliteit te verlenen aan natuurlijke personen, is, zij het enigszins cryptisch, verklaard in het arrest van 7 juli 1992 (zaak C-369/90, Micheletti e.a., Jurispr. 1992, blz. I-4239, r.o. 10).
(30) - Arrest (aangehaald in voetnoot 7), r.o. 22-25. Deze uitspraak is bevestigd in de latere rechtspraak: zie arresten van 4 oktober 1991, Commissie/Verenigd Koninkrijk (aangehaald in voetnoot 9), r.o. 21-27; 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 11), r.o. 12-17, en 12 juni 1997, Commissie/Ierland (aangehaald in voetnoot 13), r.o. 12.
(31) - Deze aspecten zijn in de rechtspraak van het Hof reeds behandeld; zie, onder meer, arrest van 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 11), met name r.o. 18 en 19.
(32) - Verordening tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB 1992, L 389, blz. 1).
(33) - Arresten van 14 december 1989 (zaak C-3/87, Agegate, Jurispr. 1989, blz. 4459, en zaak C-216/87, Jaderow, Jurispr. blz. 4509).
(34) - Zie vooral arrest Jaderow (aangehaald in voorgaande voetnoot, r.o. 22-27), waarnaar in het arrest Factortame (aangehaald in voetnoot 7) wordt verwezen in r.o. 40.
(35) - Verordening houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de Lid-Staten (cabotage in het zeevervoer) (PB 1992, L 364, blz. 7).
(36) - Zie arresten van 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 11), r.o. 21-23, en 12 juni 1997, Commissie/Ierland (aangehaald in voetnoot 13), r.o. 13 en 14.
(37) - Men kan erover twisten, of de betrokken Griekse wettelijke regeling niet ook in strijd is met artikel 8 A EG-Verdrag en met de richtlijnen van 1990 en 1993 over het verblijfsrecht, die, door het recht van vrij verkeer en van verblijf toe te kennen aan onderdanen van de Unie, ongeacht of zij thans of in het verleden een economische activiteit uitoefenen of hebben uitgeoefend, dezen ook verzekert van een recht op gelijke behandeling ten aanzien van subjectieve situaties die als uitvloeisel van de vrijheid van verkeer en verblijf te beschouwen zijn. Zie op dit punt de conclusie van advocaat-generaal Fennelly bij het arrest van 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 11), met name voetnoot 55.
Full & Egal Universal Law Academy