Conclusie van de advocaat generaal
1 Hebben onderdanen van derde landen, die met werknemers van de Gemeenschap zijn gehuwd die geen gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer krachtens het EG-Verdrag, dezelfde rechten als echtgenoten van werknemers van de Gemeenschap die dit recht wel hebben uitgeoefend? Is de huidige rechtspraak van het Hof over omgekeerde discriminatie nog steeds geldig in een "Gemeenschap die op weg is naar een Europese Unie"? Dit zijn in wezen de vragen die aan de orde komen in de verwijzingsbeschikkingen van een Duits Arbeitsgericht in gedingen tussen twee lectoren vreemde talen en hun werkgever.
I - De feiten en het procesverloop
2 Uecker is Noors onderdaan. Sinds 1974 was zij als docente Noors in verschillende betrekkingen hoofdzakelijk in de Bondsrepubliek Duitsland werkzaam. Haar echtgenoot is Duitser en de verwijzingsbeschikking bevat geen enkele aanwijzing, dat hij op enig tijdstip buiten de Bondsrepubliek Duitsland werkzaam is geweest. Op 24 september 1990 sloot zij met het Land Nordrhein-Westfalen een arbeidsovereenkomst als lector vreemde talen aan de Noord-Europese faculteit van de universiteit Münster. Deze overeenkomst was om verschillende, in clausule 4 ervan genoemde redenen beperkt tot en met 30 september 1994. Met een beroep op het arrest Spotti(1) van het Hof en op artikel 28 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992(2) (hierna: "EER-overeenkomst"), vocht Uecker de beperking van haar arbeidsovereenkomst voor het bevoegde Arbeitsgericht met succes aan; het Arbeitsgericht baseerde zich in zijn vonnis onder meer op artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap.(3) Het Land Nordrhein-Westfalen ging van dit vonnis in beroep.
3 Het Landesarbeitsgericht Hamm heeft het Hof bij beschikking van 26 januari 1996 de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Kan op het recht ex artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, ook een beroep worden gedaan door de - niet de nationaliteit van een Lid-Staat bezittende - echtgenoot van een onderdaan van de Lid-Staat waar de echtgenoten wonen en waar de echtgenoot die onderdaan is van die Lid-Staat, een beroepsbezigheid uitoefent?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Omvat het recht van de echtgenoot die niet de nationaliteit van een Lid-Staat bezit, om op het gehele grondgebied van de betrokken Lid-Staat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden, het recht om met betrekking tot de tewerkstellings- en arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder de voorwaarden waaronder een arbeidsverhouding rechtsgeldig voor bepaalde tijd kan worden aangegaan, door de werkgever in de betrokken Lid-Staat op dezelfde wijze te worden behandeld als waarop deze werkgever de echtgenoot die onderdaan van de Lid-Staat is, zou moeten behandelen?
3) Indien ook de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:
Verleent artikel 7, lid 1, van genoemde verordening (EEG) nr. 1612/68 juncto artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag een werknemer in een Lid-Staat waarvan hij onderdaan is, het recht op dezelfde behandeling als waarop werknemers die onderdaan van een andere Lid-Staat zijn recht hebben, en mag derhalve een nationale regel die volgens het Hof ten aanzien van laatstgenoemden buiten toepassing dient te blijven, evenmin worden toegepast op eigen onderdanen van de betrokken Lid-Staat en hun echtgenoten die geen onderdaan van een Lid-Staat zijn?"
4 Jacquet is Russisch onderdaan. Sinds 1988 was zij als docente Russisch in verschillende betrekkingen aan de universiteit van Bochum werkzaam. Haar echtgenoot is Duitser en was volgens de stukken van het hoofdgeding op geen enkel relevant tijdstip buiten Duitsland werkzaam. Op 14 maart 1994 sloot zij met het Land Nordrhein-Westfalen een arbeidsovereenkomst als lector Russisch aan de universiteit van Bochum. Ingevolge clausule 1 was deze arbeidsovereenkomst, "teneinde de huidige banden met de taalkundige situatie in het land van herkomst te waarborgen", beperkt tot en met 30 september 1996. Met een beroep op, onder meer, artikel 11 van verordening nr. 1612/68 en artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld(4), vocht Jacquet de beperking in de tijd van haar arbeidsovereenkomst tevergeefs aan. Zij ging in hoger beroep.
5 Bij beschikking van 1 maart 1996 heeft het Landesarbeitsgericht Hamm het Hof drie prejudiciële vragen voorgelegd, die in gelijkluidende bewoordingen zijn gesteld als die in de zaak Uecker.
6 Het Hof heeft schriftelijke opmerkingen ontvangen van Uecker in zaak C-64/96, van Jacquet in zaak C-65/96 en van de Franse Republiek, de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie in beide zaken.
II - Het gemeenschapsrecht
7 In de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1612/68 wordt onder meer gesteld, dat "de belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers uit de weg [moeten] worden geruimd, met name wat betreft het recht van de werknemer om zijn familie te doen overkomen en de voorwaarden voor de integratie van deze familie in het land van ontvangst".
8 Artikel 7, lid 1, luidt:
"Een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat mag op het grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling."
9 Artikel 10, lid 1, bepaalt:
"Met de werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld mogen zich vestigen, ongeacht hun nationaliteit:
a) zijn echtgenoot en bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
b) de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te zijnen laste zijn."
10 Artikel 11 luidt:
"De echtgenoot van een onderdaan van een Lid-Staat die op het grondgebied van een Lid-Staat arbeid al of niet in loondienst verricht, alsmede de kinderen onder de 21 jaar of die te zijnen laste zijn hebben het recht, zelfs indien zij niet de nationaliteit van een Lid-Staat bezitten, om op het gehele grondgebied van die Lid-Staat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden."
Beoordeling
11 Vaststaat, dat artikel 11 van verordening nr. 1612/68 in de Engelse versie op het eerste gezicht niet zou gelden voor de situatie van Uecker of Jacquet (hierna: "werkneemsters"), aangezien in deze versie slechts uitdrukkelijk wordt gesproken van echtgenoten (en kinderen ten laste) van een "onderdaan van een Lid-Staat die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid al of niet in loondienst verricht (a national of a Member State [who] is pursuing an activity as an employed or self-employed person in the territory of another Member State"; cursivering van mij), en kennelijk geen van de echtgenoten van de werkneemsters buiten Duitsland werkzaam is geweest. Het woord "andere" ontbreekt echter in de Duitse versie van dit artikel, waarop de verwijzende rechter zich baseert; in die versie staat in plaats van de cursief weergegeven bewoordingen slechts "op het grondgebied van een Lid-Staat" ("im Hoheitsgebiet eines Mitgliedstaates"). De Duitse versie komt in zoverre overeen met de Nederlandse ("op het grondgebied van een Lid-Staat"), de Franse ("sur le territoire d'un État membre"), de Italiaanse ("sul territorio di uno Stato membro"), de Griekse ("óôÞí åðéêñÜôåéá åíüò ÊñÜôïõò ìÝëïõò") en de Portugese ("no território de um Estado-membro") versies, terwijl de Engelse versie overeenkomt met de Deense ("på en anden medlemsstaats område"), de Spaanse ("en el territorio de otro Estado miembro"), de Zweedse ("en annan medlemsstats territorium"), en de Finse ("toisen jäsenvaltion alueella") versie.
12 De vraag hoe dit artikel moet worden uitgelegd, kan niet alleen aan de hand van de bewoordingen ervan worden beantwoord en het is om die reden dat het Hof, toen het met een dergelijke taalkundige inconsistentie werd geconfronteerd, in het arrest Merck en Beecham recentelijk oordeelde, dat "de algemene systematiek en het doel van de regeling waarvan de onderhavige bepalingen deel uitmaken" bij de uitlegging dienen te worden betrokken.(5) Ofschoon het enigszins verwonderlijk kan lijken, dat de inconsistentie van de verschillende taalversies gedurende de laatste 23 jaar niet uitdrukkelijk voor het Hof aan de orde is gesteld, is de oplossing van het probleem niet al te moeilijk.
13 Titel III ("Familie van de werknemers") van het Eerste deel ("Tewerkstelling en familie van de werknemers") van verordening nr. 1612/68 bevat drie artikelen. Artikel 10, dat een verblijfsrecht verleent aan gezinsleden van een werknemer die onderdaan van een Lid-Staat is en die "op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld", waaronder gezinsleden die de nationaliteit van een derde land bezitten, bevat kennelijk niet dezelfde taalkundige afwijkingen als artikel 11. Ditzelfde geldt voor artikel 12, dat voor het aan kinderen van een werknemer uit de Gemeenschap verleende recht eveneens als voorwaarde stelt, dat de werknemer op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht. Artikel 11 verleent gezinsleden van een werknemer die arbeid al of niet in loondienst verricht weliswaar het recht om arbeid in loondienst te aanvaarden, doch de essentiële voorwaarde hiervoor is, dat de onderdaan van de Gemeenschap in een andere dan de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is werkt of werkzaam is geweest.
14 Dat artikel 11 in samenhang met de andere bepalingen van titel III van het Eerste deel van verordening nr. 1612/68(6) moet worden uitgelegd, wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof, en met name door het arrest Diatta.(7) De inhoud en de doelstellingen van verordening nr. 1612/68 werden in de rechtsoverwegingen 15 en 21 van dit arrest omschreven als volgt:
"Deze verordening maakt deel uit van een aantal regelingen die de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 48 EEG-Verdrag moeten vergemakkelijken. Zij moet een werknemer onder meer de mogelijkheid bieden om zich op het grondgebied van de andere Lid-Staten vrijelijk te verplaatsen en aldaar te verblijven teneinde er arbeid te verrichten.
(...)
Wat artikel 11 van verordening nr. 1612/68 betreft, blijkt reeds uit de bewoordingen hiervan, dat het de gezinsleden van de migrerende werknemer geen zelfstandig verblijfsrecht toekent, doch alleen het recht om op het gehele grondgebied van de betrokken Lid-Staat arbeid in loondienst te verrichten. Artikel 11 van deze verordening kan dus niet de rechtsgrondslag vormen voor een verblijfsrecht dat los staat van de in artikel 10 genoemde voorwaarden."
15 In de omstandigheden van deze zaken, zou het mijns inziens daarom in strijd zijn met de doelstellingen van verordening nr. 1612/68 alsmede met die van artikel 48 van het Verdrag, ter uitvoering waarvan de verordening is vastgesteld, om de uit een derde land afkomstige echtgenoot van een werknemer van de Gemeenschap het recht op toegang tot arbeid te verlenen in de Lid-Staat waarvan de werknemer onderdaan is; hierdoor zou niet, om het in de bewoordingen van de vijfde overweging van de considerans uit te drukken, één van de "belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers" uit de weg worden geruimd. De omstandigheid dat de echtgenote van een werknemer geen recht op de toegang tot arbeid heeft, heeft geen enkele invloed op de situatie van een werknemer die geen gebruik maakt van zijn recht van vrij verkeer.
16 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen "de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers (...) niet worden toegepast op zuiver interne aangelegenheden van een Lid-Staat, dat wil zeggen op situaties waarbij iedere band met door het gemeenschapsrecht beoogde situaties ontbreekt".(8) Dit geldt ook voor verordening nr. 1612/68: in het arrest Morson en Jhanjan verklaarde het Hof uitdrukkelijk, dat het gemeenschapsrecht een Lid-Staat niet verbiedt, aan familieleden uit derde landen die anders een beroep op artikel 10 van de richtlijn hadden kunnen doen, de toegang tot of het verblijf op zijn grondgebied te weigeren, wanneer de werknemer nooit van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap gebruik heeft gemaakt.(9)
17 De door mij voorgestelde uitlegging van artikel 11 komt duidelijk overeen met die van het Hof in het arrest Gaal.(10) In dit arrest omschreef het Hof degenen die een beroep op artikel 10, lid 1, kunnen doen als "de echtgenoot en de bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die ten laste zijn van een werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat en die op het grondgebied van een andere Lid-Staat is tewerkgesteld" (cursivering van mij). Voorts oordeelde het Hof: "Krachtens artikel 11 van de verordening hebben deze personen ook het recht om op het gehele grondgebied van die Lid-Staat iedere arbeid in loondienst te aanvaarden."(11)
18 In de door de verwijzende rechter voorgestelde uitlegging verliezen de bewoordingen "op het grondgebied van een Lid-Staat", zoals deze voorkomen in de vier oorspronkelijke taalversies van deze bepaling, mijns inziens elke zinvolle betekenis. Artikel 48, lid 1, van het Verdrag beoogt het vrije verkeer van werknemers "binnen de Gemeenschap" te verzekeren; het is duidelijk, dat artikel 11 van de verordening als zodanig niet tot gevolg kan hebben, dat aan de echtgenoot van een werknemer uit de Gemeenschap die in een derde land werkzaam is, in dat land rechten worden verleend. In dat geval zou het vereiste dat de onderdaan van een Lid-Staat op het grondgebied van de Gemeenschap werkzaam is, hetgeen de door de werkneemsters voorgestane uitlegging van artikel 11 is, overbodig zijn.
19 Het zoeken naar een verklaring voor het feit waarom het woord "andere" in artikel 11 niet voorkomt ter nadere bepaling van de Lid-Staat waar de werknemer uit de Gemeenschap werkzaam is, heeft meer te maken met juridische archeologie dan met uitlegging.(12) Mijns inziens is echter van belang, dat verordening nr. 1612/68 volgens de bewoordingen van de tweede overweging van de considerans is vastgesteld, teneinde "de successievelijk in het kader van verordening nr. 15 met betrekking tot de eerste maatregelen ter verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap en van verordening nr. 38/64/EEG van de Raad van 25 maart 1964 met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap genomen maatregelen te vervolmaken". De overeenkomstige bepalingen van deze vroegere verordeningen, te weten artikel 12 van verordening nr. 15 uit 1961(13) en artikel 18 van verordening nr. 38/64/EEG(14), bepaalden uitdrukkelijk, dat het recht op toegang tot arbeid voor de echtgenoot en de ten laste komende kinderen afhing van de voorwaarde, dat de werknemer op het grondgebied van een andere Lid-Staat een bezoldigde werkzaamheid uitoefende.
20 In de twee verwijzingsbeschikkingen heeft de nationale rechter verklaard, "niet te kunnen instemmen met de opvatting, dat de rechtsbetrekkingen van een Lid-Staat met zijn eigen onderdanen gemeenschapsrechtelijk irrelevant zijn", en met name dat een onderdaan van een Lid-Staat tegenover zijn eigen staat geen beroep op het gemeenschapsrecht kan doen. In de eerste plaats kan een gemeenschapsonderdaan in feitelijke situaties die door het gemeenschapsrecht worden beheerst, ook tegenover de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is, een beroep op de daaruit voortvloeiende rechten doen. Het Hof oordeelde in het arrest Knoors met betrekking tot het vrije verkeer van personen, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, dat "deze - in het stelsel van de Gemeenschap fundamentele - vrijheden (...) trouwens niet ten volle verwezenlijkt [zouden] worden indien de Lid-Staten de toepasselijkheid van de bepalingen van het gemeenschapsrecht zouden kunnen onthouden aan die onderdanen die gebruik hebben gemaakt van de bestaande mogelijkheden op het gebied van verkeer en vestiging".(15) De algemene regel werd in het arrest Scholz geformuleerd als volgt: "Iedere gemeenschapsonderdaan die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers en die een beroepswerkzaamheid in een andere Lid-Staat heeft uitgeoefend, valt (...), ongeacht zijn woonplaats en zijn nationaliteit, onder de werkingssfeer van" verordening nr. 1612/68 en artikel 48 van het Verdrag.(16) In de tweede plaats blijkt uit de bovengenoemde rechtspraak van het Hof, en in het bijzonder uit het arrest Diatta, dat de bij artikel 11 van de verordening verleende rechten afgeleide rechten zijn en dat de uit een derde land afkomstige echtgenoot alleen een beroep op die rechten kan doen, indien zijn of haar echtgenoot zich in een door het gemeenschapsrecht beheerste situatie bevindt.
21 Gelet op het voorgaande ben ik van mening, dat artikel 11 van verordening nr. 1612/68 aldus moet worden uitgelegd, dat de echtgenoot van een werknemer van de Gemeenschap, die onderdaan van een derde land is, alleen een beroep kan doen op de bij dit artikel verleende rechten, indien deze werknemer op het grondgebied van een andere dan de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is, een werkzaamheid al of niet in loondienst verricht.
22 Indien het Hof mijn voorstel om de eerste vraag ontkennend te beantwoorden volgt, dan volgt uit de verwijzingsbeschikking, dat de tweede en de derde vraag geen beantwoording behoeven. In zijn uiteenzetting van de redenen voor de derde vraag, snijdt de verwijzende rechter echter een probleem van algemener belang aan, dat, indien zijn opvatting wordt bevestigd, het antwoord van het Hof op de eerste vraag zou kunnen beïnvloeden en waarop ik daarom in het kort wil ingaan.
23 Het probleem wordt in beide verwijzingsbeschikkingen in gelijkluidende bewoordingen geformuleerd als volgt:
"(...) of de grondbeginselen van een Gemeenschap die op weg is naar een Europese Unie, toestaan dat een nationale rechtsregel die het Hof wegens schending van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag in strijd met het gemeenschapsrecht heeft verklaard, door de betrokken Lid-Staat op zijn eigen onderdanen en op hun uit derde landen afkomstige echtgenoten wordt toegepast".
De verwijzende rechter had in dit verband eerder verwezen naar het arrest Spotti(17), waarin het Hof de toepassing van § 57b, lid 3, van het Duitse Hochschulrahmengesetz op een arbeidsovereenkomst tussen de Freistaat Bayern en een lector vreemde talen van Italiaanse nationaliteit, in strijd met artikel 48, lid 2, van het Verdrag achtte. De beperking in de tijd van de arbeidsovereenkomsten waar het in deze zaak om gaat, is eveneens op § 57b, lid 3, van het Hochschulrahmengesetz gebaseerd.
24 Het door de verwijzende rechter opgeworpen probleem betreft voornamelijk de vraag, wat de verhouding is tussen het Verdrag en daarmee onverenigbare nationale rechtsbepalingen, na de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Uitgaande van het door mij op de eerste vraag voorgestelde antwoord, zouden de werkneemsters in casu, ter betwisting van de beperking in de tijd van hun arbeidsovereenkomsten, alleen een beroep op het arrest Spotti kunnen doen, indien het Verdrag betreffende de Europese Unie een wijziging in deze verhouding heeft gebracht. Welke betekenis de oprichting van de Europese Unie volgens artikel A van het Verdrag betreffende de Europese Unie voor de toepassing van het gemeenschapsrecht ook mag hebben, vaststaat dat dit Verdrag op geen enkel voor deze procedures relevant punt, een wijziging in die verhouding of in de werkingssfeer van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen heeft gebracht.
25 De verhouding tussen rechtstreeks toepasselijke gemeenschapsrechtelijke bepalingen en nationale bepalingen die dezelfde materie regelen, kan uit de arresten van het Hof betreffende de voorrang van het gemeenschapsrecht, en in het bijzonder de arresten Costa(18), Simmenthal(19) en Factortame I(20), worden afgeleid. In het arrest Simmenthal oordeelde het Hof, dat krachtens dit beginsel de verdragsbepalingen tot gevolg hebben, "niet alleen dat zij door het enkele feit van hun inwerkingtreding elke strijdige bepaling van de bestaande nationale wetgeving van rechtswege buiten toepassing doen treden, maar ook - daar die bepalingen en handelingen onderdeel van hogere rang vormen van de op het grondgebied van elk der Lid-Staten geldende rechtsorde - dat zij in de weg staan aan de geldige totstandkoming van nieuwe nationale wetgevende handelingen, voorzover die onverenigbaar met de gemeenschapsregels zouden zijn".(21) Anderzijds belet geen enkele verdragsbepaling een Lid-Staat om een nationale bepaling waarvan de toepassing op een door het gemeenschapsrecht geregelde situatie onverenigbaar met het Verdrag werd geacht, toe te passen op een puur interne en daardoor buiten de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallende aangelegenheid. Mijns inziens pleiten zowel de algemene systematiek van het Verdrag betreffende de Europese Unie als de bewoordingen van artikel M, volgens welke "geen enkele bepaling van dit Verdrag afbreuk [doet] aan de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen" met uitzondering van de bepalingen houdende wijziging van die Verdragen, tegen de opvatting dat het Verdrag betreffende de Europese Unie, gelijk de verwijzende rechter suggereerde, een wijziging heeft gebracht in de verhouding tussen het gemeenschapsrecht en het nationale recht.
26 Zowel Frankrijk als Duitsland zijn in hun opmerkingen uitvoerig ingegaan op de mogelijke toepassing van de EER-overeenkomst op de casuspositie van Uecker, aangezien zij de Noorse nationaliteit bezit en onder bepaalde omstandigheden rechten kan ontlenen aan artikel 28 van deze overeenkomst. De nationale rechter was kennelijk wel op de hoogte van deze juridische mogelijkheid, doch heeft bewust ervan afgezien het Hof hierover een vraag te stellen, aangezien hij duidelijk van oordeel was, dat Uecker in haar geding met het Land Nordrhein-Westfalen geen beroep op deze overeenkomst kon doen. Onder deze omstandigheden lijkt het Hof mij niet bevoegd om in deze procedure in te gaan op een vraag over de EER-overeenkomst, omdat het anders inbreuk zou maken op de bevoegdheden die de nationale rechter krachtens artikel 177 van het Verdrag toekomen.(22) Het staat de verwijzende rechter, of enige andere nationale rechter die zich met de zaak Uecker bezighoudt, natuurlijk vrij, het Hof een dergelijke vraag voor te leggen.(23)
IV - Conclusie
27 Gelet op het voorgaande ben ik van mening, dat de tweede en de derde vraag van de beide verwijzingsbeschikkingen van het Landesarbeitsgericht Hamm geen beantwoording behoeven, en dat de eerste vraag moet worden beantwoord als volgt:
"Artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, moet aldus worden uitgelegd, dat de echtgenoot van een werknemer van de Gemeenschap, die onderdaan van een derde land is, alleen een beroep kan doen op de bij dit artikel verleende rechten, indien deze werknemer op het grondgebied van een andere dan de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is, een werkzaamheid al of niet in loondienst verricht."
(1) - Arrest van 20 oktober 1993, zaak C-272/92, Jurispr. 1993, blz. I-5185.
(2) - PB 1994, L 1, blz. 1.
(3) - PB 1968, L 257, blz. 2.
(4) - PB 1970, L 142, blz. 24.
(5) - Arrest van 5 december 1996, gevoegde zaken C-267/95 en C-268/95, Jurispr. 1996, blz. I-6285, r.o. 21 en 22.
(6) - Dit betekent echter niet, dat de personele werkingssfeer van elk van deze bepalingen voor elke categorie van gezinsleden van een werknemer noodzakelijkerwijze dezelfde moet zijn; zie arrest van 4 mei 1995, zaak C-7/94, Gaal, Jurispr. 1995, blz. I-1031.
(7) - Arrest van 13 februari 1985, zaak 267/83, Jurispr. 1985, blz. 567, r.o. 14-21.
(8) - Arrest van 28 maart 1979, zaak 175/78, Saunders, Jurispr. 1979, blz. 1129, r.o. 11; zie eveneens arresten van 28 januari 1992, zaak 332/90, Steen, Jurispr. 1992, blz. I-341, r.o. 9; 22 september 1992, zaak C-153/91, Petit, Jurispr. 1992, blz. I-4973; 16 december 1992, zaak C-206/91, Koua Poirrez, Jurispr. 1992, blz. I-6685, r.o. 10, en 16 januari 1997, zaak C-134/95, USSL di Biella, Jurispr. 1997, blz. I-195, r.o. 19.
(9) - Arrest van 27 oktober 1982, gevoegde zaken 35/82 en 36/82, Jurispr. 1982, blz. 3723, r.o. 18; zie ook arrest van 17 december 1987 in zaak 147/87, Zaoui, Jurispr. 1987, blz. 5511, r.o. 15.
(10) - Arrest in zaak C-7/94, aangehaald in voetnoot 6, r.o. 17.
(11) - Dit punt komt nog duidelijker naar voren in andere taalversies van het arrest; de Franse versie van deze zin spreekt bijvoorbeeld van "l'ensemble du territoire de cet autre État" (cursivering van mij).
(12) - Vreemd genoeg komt het woord "andere" wel voor in artikel 11 van het voorstel van de Commissie (PB 1967, 145, blz. 11) en heeft het Europees Parlement noch het Economisch en Sociaal Comité de schrapping ervan voorgesteld (PB 1967, 268, blz. 11, respectievelijk blz. 17).
(13) - PB 1961, blz. 1073.
(14) - PB 1964, blz. 965.
(15) - Arrest van 7 februari 1979, zaak 115/78, Jurispr. 1979, blz. 399, r.o. 19 en 20.
(16) - Arrest van 23 februari 1994, zaak C-419/92, Jurispr. 1994, blz. I-505, r.o. 9.
(17) - Zaak 272/92, aangehaald in voetnoot 1.
(18) - Arrest van 15 juli 1964, zaak 6/64, Jurispr. 1964, blz. 1203.
(19) - Arrest van 9 maart 1978, zaak 106/77, Jurispr. 1978, blz. 629.
(20) - Arrest van 19 juni 1990, zaak C-213/89, Jurispr. 1990, blz. I-2433.
(21) - Zaak 106/77, aangehaald in voetnoot 19, r.o. 17.
(22) - Arrest van 5 oktober 1988, zaak 247/86, Alsatel, Jurispr. 1988, blz. 5987, r.o. 8.
(23) - Zie voor de toepassing in de tijd van de EER-overeenkomst, arrest Gerecht van 26 oktober 1995, zaak T-185/94, Geotronics, Jurispr. 1995, blz. II-2795, waarin thans hogere voorziening is ingesteld (zie conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 30 januari 1997 in zaak C-395/95 P).
Full & Egal Universal Law Academy