Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1 In deze zaak verzoekt het Verwaltungsgericht Darmstadt het Hof om een uitspraak over een aantal uitleggingsvragen die verband houden met artikel 6, leden 1 en 3, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad die is opgericht bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije.(1)
De relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen
2 De Associatieovereenkomst heeft volgens artikel 2, lid 1, tot doel "de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de Partijen te bevorderen, met volledige inachtneming van de noodzaak de versnelde ontwikkeling van de economie van Turkije en de verruiming van de werkgelegenheid en de verbetering der levensomstandigheden van het Turkse volk te verzekeren".
In artikel 12 van de overeenkomst komen partijen overeen, "zich te laten leiden door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap, ten einde onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen".
3 Volgens artikel 36 van het aanvullend protocol bij de Associatieovereenkomst, van 23 november 1970(2), stelt de Associatieraad de nodige regels vast voor de geleidelijke totstandbrenging van het vrije verkeer van werknemers tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije, overeenkomstig de in artikel 12 van de Associatieovereenkomst neergelegde beginselen.
4 Krachtens deze bepaling heeft de Associatieraad besluit nr. 1/80(3) vastgesteld (hierna: besluit nr. 1/80), dat op 1 december 1980 in werking is getreden. Artikel 6, leden 1 en 3, van dit besluit luidt als volgt:
"1. (...) heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:
- na een jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;
- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;
- na vier jaar legale arbeid, in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.
2. (...)
3. De wijze van toepassing van de leden 1 en 2 wordt geregeld in de nationale voorschriften."
De feiten
5 K. Ertanir, die de Turkse nationaliteit heeft, verbleef in 1991 in de Bondsrepubliek Duitsland. De Duitse vreemdelingendienst deelde hem in die tijd mee, dat zijn verblijfsvergunning niet meer kon worden verlengd, maar verklaarde zich tegelijkertijd bereid om hem een voorafgaande toestemming te verlenen waarmee hij bij de Duitse Ambassade in Ankara een visum (machtiging tot voorlopig verblijf) kon krijgen, op basis waarvan hij Duitsland weer binnen kon komen en aldaar als specialiteitenkok kon werken. In een brief van 17 december 1991 aan Ertanirs advocaat verklaarde de vreemdelingendienst, dat "het verblijf als Turkse specialiteitenkok in de Bondsrepubliek Duitsland niet langer mag duren dan drie jaar".
6 Hierop keerde Ertanir naar Turkije terug. Op 14 april 1992 kreeg hij het genoemde visum van de Duitse Ambassade in Ankara. Nog diezelfde dag reisde hij naar Duitsland terug. Het betrokken visum, dat drie maanden geldig was, bevatte onder meer de volgende bepaling: "Alleen geldig voor een werkzaamheid als specialiteitenkok in restaurant Ratskeller in Weinheim."
7 Op aanvraag van 30 juni 1992 kreeg Ertanir op 14 augustus 1992 een verblijfsvergunning tot en met 13 april 1993. Op zijn verzoek van 8 april 1993 om verdere verlenging werd zijn verblijfsvergunning nog diezelfde dag verlengd tot en met 13 april 1994. Beide verblijfsvergunningen bevatten de volgende aantekening: "De verblijfsvergunning vervalt bij beëindiging van de werkzaamheid als kok bij restaurant Ratskeller in Weinheim. De verblijfsvergunning vormt geen vervanging voor de arbeidsvergunning."
8 Bij brief van 9 augustus 1993 maakte de vreemdelingendienst Ertanir erop attent, dat een verblijfsvergunning voor de uitoefening van een werkzaamheid als specialiteitenkok slechts voor een periode van hoogstens drie jaar kon worden verleend of verlengd.
9 Op 19 april 1994 verzocht Ertanir om verdere verlenging van zijn verblijfsvergunning. Bij schrijven van 20 april 1994 verlengde de vreemdelingendienst de verblijfsvergunning tot en met 14 april 1995, wederom met de opmerking, dat een verblijfsvergunning voor werk als specialiteitenkok slechts tot maximaal drie jaar kon worden verlengd. De verblijfsvergunning bevatte dezelfde aantekening als de verblijfsvergunning van 14 augustus 1992.
10 Ertanir kreeg voor de duur van zijn verblijf arbeidsvergunningen van het Arbeitsamt Mannheim voor de werkzaamheid die hij ingevolge zijn verblijfsvergunning mocht verrichten. Zo kreeg hij op 24 april 1991 een arbeidsvergunning tot en met 23 april 1992 voor werk als specialiteitenkok in restaurant Ratskeller in Weinheim. Deze arbeidsvergunning werd op 27 maart 1992 verlengd tot en met 23 april 1993. Op 13 mei 1993 werd de arbeidsvergunning met terugwerkende kracht verlengd van 24 april 1993 tot en met 23 april 1994. Op 6 mei 1994 werd zijn arbeidsvergunning met terugwerkende kracht opnieuw verlengd van 24 april 1994 tot en met 23 april 1996.
11 Op 13 april 1995 verzocht Ertanir om verlenging van zijn verblijfsvergunning met nog eens twee jaar. De vreemdelingendienst van het Land Hessen wees dit verzoek bij beschikking van 17 juli 1995 af, onder meer onder verwijzing naar het besluit van het Hessische Ministerie van Binnenlandse zaken van 3 februari 1995, op grond waarvan de voordelen van besluit nr. 1/80 niet gelden voor specialiteitenkoks.
12 Bij brief van 8 augustus 1995 diende Ertanir een bezwaarschrift tegen deze beschikking in.
Procedure voor de nationale rechter en prejudiciële vragen
13 Op 24 oktober 1995 verzocht Ertanir het Verwaltungsgericht Darmstadt voorts, vast te stellen dat zijn bezwaarschrift schorsende werking had. Het Verwaltungsgericht heeft bij beschikking van 29 februari 1996 de behandeling van de zaak geschorst en heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Welke gevolgen met betrekking tot het voortbestaan van de arbeids- en verblijfsvergunning hebben onderbrekingen van het legaal verblijf of tijdvakken van arbeid zonder arbeidsvergunning voor krachtens artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, reeds ontstane rechten, voor zover dergelijke ontbrekende tijdvakken niet overeenkomstig artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80 worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid?
2) Behoort een Turkse werknemer die in het bezit is van een arbeids- en verblijfsvergunning op grond waarvan hij als specialiteitenkok mag werken, ook dan tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, indien hij vanaf het begin van zijn verblijf in deze Lid-Staat ervan op de hoogte was, dat zijn verblijfsvergunning enkel werd verleend voor een totale geldigheidsduur van drie jaar en enkel voor het verrichten van een bepaalde werkzaamheid bij een met name genoemde werkgever?
3) Voor het geval het Hof van oordeel is, dat de in vraag 2 genoemde kring van personen tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort, verleent de machtiging van artikel 6, lid 3, van besluit nr. 1/80 de Lid-Staten het recht om verblijfsrechten te scheppen waarvoor de voordelen van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van meet af aan niet gelden?"
De eerste vraag
14 Blijkens het dossier waren de werkzaamheden van Ertanir gedurende zijn gehele verblijf in Duitsland op grond van de arbeidsrechtelijke bepalingen legaal. Tweemaal werden de werkzaamheden echter met terugwerkende kracht gelegaliseerd. Wat zijn verblijfsvergunning betreft blijkt, dat hij in april 1994 niet voor tijdige verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft gezorgd, met als gevolg dat hij in de periode van 14 tot en met 20 april 1994 niet in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning.
Waar het in de eerste vraag dus in werkelijkheid om gaat, is of korte onderbrekingen van legaal verblijf en legale arbeid van een Turkse werknemer consequenties hebben voor diens rechten ex artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, wanneer de betrokken Lid-Staat het verblijf gedurende die onderbrekingen achteraf legaliseert.
15 De Duitse regering acht het gezien haar antwoord op de tweede en de derde vraag niet nodig om op deze vraag in te gaan.
16 Volgens de Commissie hebben dergelijke korte onderbrekingen van legaal verblijf en legale arbeid van een Turks werknemer geen consequenties voor diens rechten ex artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, wanneer de betrokken Lid-Staat deze situatie in latere beslissingen niet wraakt.
17 Voor een beroep op artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 is vereist, dat de betrokken Turkse werknemer in de tijdvakken die het besluit noemt, legale arbeid heeft verricht. Artikel 6, lid 1, stelt geen bijzondere voorwaarden om arbeid als "legaal" te kunnen aanmerken. De vraag wanneer dit het geval is, moet dus worden beantwoord aan de hand van de voor Turkse werknemers geldende bepalingen van de Lid-Staten inzake de toegang tot en het verblijf op hun grondgebied en het aldaar verrichten van arbeid. De wetgeving van de individuele Lid-Staat bepaalt dus, onder welke voorwaarden verblijf op zijn grondgebied legaal is.
18 Het is niet ongebruikelijk, dat de vreemdelingendienst van een Lid-Staat - bijvoorbeeld in verband met de grote werklast - verblijfsvergunningen en arbeidsvergunningen pas verlengt nadat de geldigheidsduur ervan is verstreken en dat verblijfs- en arbeidsvergunningen dan worden verlengd alsof de verlenging tijdig had plaatsgevonden. Tijdvakken zonder verblijfs- en arbeidsvergunning worden dan achteraf gelegaliseerd. Ook is het niet ongebruikelijk, dat de vreemdelingendienst van een Lid-Staat, ondanks het feit dat de vreemdeling zelf ervoor dient te zorgen dat zijn arbeid en verblijf legaal zijn en daarmee zelf zorg dient te dragen voor tijdige verlenging van zijn arbeids- en verblijfsvergunning, een eventuele overschrijding van de termijn voor indiening van een verzoek om verlenging van een verblijfs- of arbeidsvergunning door de vingers ziet en vergunningen verlengt alsof de verzoeken daartoe tijdig waren ingediend.
19 Dienovereenkomstig overwoog het Hof in het arrest van 17 april 1997(4), na te hebben vastgesteld dat bepaalde periodes van verblijf in het buitenland moeten worden meegerekend voor de in artikel 7, lid 1, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 bedoelde periode van drie jaar legaal wonen, het volgende:
"Hetzelfde geldt voor de periode gedurende welke de betrokkene niet in het bezit van een geldige verblijfsvergunning was, wanneer de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst niet om die reden hebben betwist dat de betrokkene legaal op het nationale grondgebied woonde, maar hem daarentegen een nieuwe verblijfsvergunning hebben verleend."
20 Blijkens het dossier beschouwde de Duitse vreemdelingendienst het verblijf van Ertanir in de korte periodes tussen het verlopen van zijn eerdere verblijfsvergunning en de afgifte van de nieuwe verblijfsvergunning als legaal; immers het verblijf in Duitsland gedurende die periodes is achteraf gelegaliseerd alsof de aanvraag hiervoor tijdig was ingediend.
21 Gelet op het bovenstaande moet op de vraag worden geantwoord, dat artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd, dat voor de berekening van de periode van legale arbeid in de zin van die bepaling, rekening moet worden gehouden met een periode waarin de betrokkene geen geldige verblijfs- of arbeidsvergunning had wanneer de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst niet op die grond hebben betwist dat de betrokkene legaal op het nationale grondgebied verbleef, maar het verblijf juist achteraf door afgifte van een nieuwe verblijfs- en arbeidsvergunning hebben gelegaliseerd.
De tweede vraag
22 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een Turkse werknemer die als specialiteitenkok werkzaam is, legale arbeid heeft en behoort tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, wanneer hem bij de afgifte van zijn verblijfs- en zijn arbeidsvergunning is meegedeeld, dat die vergunningen voor niet meer dan drie jaar konden worden verleend en enkel voor de uitoefening van een bepaalde werkzaamheid bij een bepaalde werkgever.
23 Volgens de Duitse regering kan een Turkse werknemer met een voorlopige verblijfs- en arbeidsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden als specialiteitenkok, niet worden geacht tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat te behoren in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80.
24 De Commissie en Ertanir zijn daarentegen van mening, dat specialiteitenkoks niet behoren tot een beroepstak die zich zodanig van andere beroepstakken onderscheidt, dat een Turkse werknemer die in een Lid-Staat als specialiteitenkok werkzaam is, niet tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort in de zin van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80. Hieraan doet niet af, dat de werknemer vanaf het begin van zijn verblijf in die Lid-Staat wist, dat aan zijn verblijfs- en arbeidsvergunning bepaalde beperkingen waren verbonden.
25 Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 heeft volgens vaste rechtspraak van het Hof rechtstreekse werking.(5) Volgens de bewoordingen ervan regelt deze bepaling alleen het recht op werkgelegenheid, maar uit vaste rechtspraak van het Hof volgt, dat er een uit dit recht op werkgelegenheid afgeleid verblijfsrecht bestaat.(6)
De bepaling geeft echter geen regeling voor het recht op arbeid en verblijf in de Lid-Staten voor Turkse werknemers die niet voldoen aan de gestelde temporale voorwaarden. Buiten de in besluit nr. 1/80 genoemde gevallen regelt de nationale wetgeving dus of, en zo ja onder welke voorwaarden, Turkse werknemers een recht van toegang tot en verblijf op het grondgebied van de Lid-Staten hebben en een recht om daar arbeid te verrichten.
26 In zijn arrest van 16 december 1992(7) overwoog het Hof bovendien in verband met besluit nr. 1/80, dat
"uit de bewoordingen van die bepaling blijkt, dat zij van toepassing is op Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoren; in het bijzonder heeft een Turkse werknemer krachtens artikel 6, lid 1, reeds dan recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever, wanneer hij meer dan één jaar legale arbeid heeft verricht (...)".
Om een recht te kunnen ontlenen aan artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, moet de betrokken Turkse werknemer dus tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoren en moet hij gedurende de in die bepaling genoemde periodes aldaar legaal hebben gewerkt.
27 Laat ik met betrekking tot de vraag, wanneer een Turks onderdaan kan worden geacht een werkzaamheid te hebben die tot de legale arbeidsmarkt behoort, direct opmerken, dat het mijns inziens duidelijk is dat een werkzaamheid als specialiteitenkok niet verschilt van andere vormen van arbeid in loondienst. Het gaat hier om het verrichten van arbeid tegen betaling van het gewone contractuele loon. Wat zou er zo bijzonder zijn aan dit type kok vergeleken met andere koks? Of een kok gerechten uit de Franse, de Italiaanse, de Turkse, de Libanese of de Chinese keuken bereidt, maakt niets uit. In beginsel kunnen bijvoorbeeld Duitse of Zweedse koks dat ook - zoals Turkse koks ook gerechten uit de Franse, Italiaanse of Duitse keuken kunnen bereiden.
28 Mijns inziens moet op grond van een zuiver objectieve beoordeling van de aard van de werkzaamheid worden uitgemaakt, of in verband met de uitoefening van die werkzaamheid kan worden gesproken van behoren tot de legale arbeidsmarkt in Duitsland. Aan hetgeen de vreemdelingendienst van de Lid-Staat de betrokken Turkse werknemer meedeelt in verband met de afgifte van zijn verblijfs- en arbeidsvergunning, kan dus geen gewicht worden toegekend, want anders zouden de Lid-Staten hiermee aan artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 iedere betekenis kunnen ontnemen.
29 In mijn conclusie in de zaak Bozkurt(8) heb ik opgemerkt:
"Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad stelt geen afzonderlijke voorwaarden om arbeid als $legaal' te kunnen aanmerken.
(...)
Met het begrip $legale' arbeid doelt artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad derhalve, naar men mag aannemen, op de voor Turkse werknemers geldende bepalingen van de Lid-Staten inzake de toegang tot en het verblijf op hun grondgebied en het aldaar verrichten van arbeid. Indien voor de legaliteit van de arbeid niet als voorwaarde wordt gesteld, dat de werknemer over een formele verblijfsvergunning of dergelijke beschikt, lig het bovendien voor de hand, de bepaling aldus te verstaan, dat de arbeid $legaal' is in de zin van de bepaling, indien het volgens de wetgeving van de Lid-Staat voor een Turkse werknemer niet illegaal is, de betrokken arbeid te verrichten."
30 In zijn arrest van 20 september 1990(9) (hierna: "arrest Sevince") geeft het Hof een aantal aanwijzingen over hoe het begrip "legale arbeid" in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 in het recht van de Lid-Staten kan worden ingevuld:
"Ook al behoeft het legale karakter van de arbeid in de zin van die bepalingen niet noodzakelijk af te hangen van het bezit van een legale verblijfstitel, het onderstelt wel, dat de situatie van de betrokkene op de arbeidsmarkt stabiel en niet slechts van voorlopige aard is.(10)
(...)
Het begrip $legale arbeid' in artikel (...) 6, lid 1, derde streepje, van besluit nr. 1/80 kan dus geen betrekking hebben op de situatie van de Turkse werknemer die enkel wegens de schorsende werking van zijn beroep legaal arbeid kan blijven verrichten totdat de nationale rechter definitief op het beroep heeft beslist, althans in het geval dat die rechter het beroep verwerpt."(11)
31 Gesteld zou kunnen worden, dat zolang een Turkse werknemer in het bezit is van een voorlopige arbeidsvergunning, zijn situatie op de arbeidsmarkt van de Lid-Staat automatisch moet worden geacht voorlopig te zijn en er dus geen sprake is van legale arbeid.
32 Uit het arrest Sevince volgt evenwel, dat het voor de vraag of de werkzaamheid van een Turkse werknemer in een Lid-Staat legaal kan worden geacht, niet beslissend is of hij formeel in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Beslissend is of hij volgens het nationale recht van de betrokken Lid-Staat de facto gerechtigd was om in de betrokken periode op het grondgebied van die staat te verblijven en te werken.
33 Net zomin als men als uitgangspunt kan nemen, dat het recht op verblijf voortvloeit uit een formele verblijfs- en arbeidsvergunning, kan men mijns inziens gewicht toekennen aan de geldigheidsduur van een afgegeven verblijfs- en arbeidsvergunning. Zou aan de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning gewicht worden toegekend, dan zouden de Lid-Staten door de afgifte van verblijfsvergunningen met een beperkte geldigheidsduur, artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 volledig kunnen omzeilen, met als gevolg dat Turkse onderdanen de rechten die deze bepaling hun toekent, in werkelijkheid niet zouden krijgen. In dit verband dient te worden bedacht, dat de praktijk om aan onderdanen van derde landen in het eerste jaar waarin zij recht hebben om in een Lid-Staat te wonen en te werken, slechts tijdelijke verblijfsvergunningen te geven, in de Lid-Staten vermoedelijk vrij wijd verbreid is.
34 Dezelfde redenering geldt voor gevallen waarin de Lid-Staten de verblijfs- en arbeidsvergunningen anders dan door beperkingen in de tijd beperken, bijvoorbeeld door een bepaling dat de vergunning enkel het recht geeft om bij een bepaalde werkgever te werken of om een nader bepaald soort arbeid te verrichten. Indien de Lid-Staten de rechten die Turkse onderdanen aan het gemeenschapsrecht ontlenen, konden beperken, enkel door een van beide soorten beperkingen in hun verblijfs- of arbeidsvergunningen op te nemen, dan zouden zij de rechten die de betrokkenen ontlenen aan besluit nr. 1/80, dat deel uitmaakt van het gemeenschapsrecht, naar eigen goeddunken illusoir kunnen maken.
35 Dit betekent niet, dat dergelijke beperkingen van de geldigheidsduur of andere beperkingen van geen betekenis zijn. Zij hebben de betekenis die de betrokken nationale rechtsorde eraan toekent voor zover de onderdaan van het derde land geen rechten heeft verworven op grond van het gemeenschapsrecht. Is de arbeidsvergunning van een Turks onderdaan bijvoorbeeld beperkt tot een bepaalde soort werkzaamheid bij een bepaalde werkgever en eindigt de werkzaamheid vóór het einde van het eerste jaar, dan volgt a contrario uit artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80, dat de Turkse onderdaan op grond van het gemeenschapsrecht geen recht op voortgezette tewerkstelling heeft verworven. Zijn mogelijkheden om in de betrokken Lid-Staat te verblijven en te werken moeten dan uitsluitend aan de hand van het nationale recht van de betrokken Lid-Staat worden beoordeeld.
36 Beslissend voor de vraag, of een Turkse werknemer kan worden geacht in een Lid-Staat legale arbeid te hebben, is dus alleen of de betrokkene op grond van de vreemdelingenwetgeving van de Lid-Staat de facto recht had om aldaar in de litigieuze periode te verblijven en te werken. Of hij in die periode formeel in het bezit was van een geldige verblijfs- en arbeidsvergunning en of die vergunning qua geldigheidsduur of anderszins was beperkt, is derhalve niet van belang.
37 Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd, dat een Turkse werknemer die in een Lid-Staat in loondienst werkzaam is als specialiteitenkok, moet worden geacht tot de legale arbeidsmarkt te behoren, en dat de Lid-Staten niet door invoeging van een temporele of andersoortige beperking van de verblijfs- of arbeidsvergunning van de Turkse onderdaan, kunnen beletten dat de betrokkene op grond van voornoemde bepaling rechten verwerft.
De derde vraag
38 In de derde vraag staat centraal of een Lid-Staat, wanneer een kring van personen op grond van objectieve eigenschappen moet worden geacht legale arbeid te verrichten en tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat te behoren, op grond van de machtiging in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 bevoegd is, verblijfsrechten te scheppen waarbij van meet af aan wordt bepaald, dat de houder niet in aanmerking komt voor de voordelen van artikel 6, lid 1.
39 De Duitse regering is van mening, dat artikel 6, lid 3, van besluit nr. 1/80 de Lid-Staten machtigt om voor Turkse onderdanen verblijfsrechten te scheppen waarvoor de toepassing van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 bij voorbaat is uitgesloten.
40 De Commissie stelt, dat artikel 6, lid 3, van besluit nr. 1/80 de Lid-Staten niet machtigt, om voor Turkse werknemers verblijfs- en arbeidsrechten te scheppen die hen bij voorbaat beletten om van de regeling van artikel 6, lid 1, te profiteren, waarmee het doel van die bepaling wordt verijdeld.
41 In het arrest Sevince overwoog het Hof:
"Aan de conclusie, dat de (...) artikelen van (...) besluit (...) nr. 1/80 rechtstreekse werking hebben, doet niet af, dat artikel (...) 6, lid 3, van besluit nr. 1/80 [bepaalt], dat de wijze van toepassing van de aan Turkse werknemers toegekende rechten in nationale voorschriften wordt geregeld. Die [regeling] (...) vorm[t] immers slechts een nadere uitwerking van de verplichting van de Lid-Staten om de uitvoeringsmaatregelen te treffen die in voorkomend geval voor de tenuitvoerlegging van die bepalingen noodzakelijk zijn, en zij [verleent] de Lid-Staten niet de bevoegdheid, de toepassing van het nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke recht dat de bepalingen van de besluiten van de Associatieraad aan de Turkse werknemers toekennen, aan voorwaarden te binden of te beperken."
42 Hieruit volgt, dat artikel 6, lid 3, enkel betrekking heeft op de vaststelling van nationale uitvoeringsmaatregelen en op niets anders. Het machtigt de Lid-Staten dus niet om nationale bepalingen vast te stellen die groepen Turkse werknemers die objectief voldoen aan de in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 neergelegde voorwaarden voor verlenging van hun verblijfs- en arbeidsvergunningen, beletten om zich op dat artikel te beroepen.
43 Op de derde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 6, lid 3, van besluit nr. 1/80, bepalende dat de wijze van toepassing van artikel 6, lid 1, in nationale voorschriften wordt geregeld, de Lid-Staten niet machtigt om van het bepaalde in artikel 6, lid 1, af te wijken.
Conclusie
44 Ik geef het Hof bijgevolg in overweging, de vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 van de Associatieraad die is opgericht bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, ondertekend te Ankara op 12 september 1963 en namens de Gemeenschap gesloten bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, moet aldus worden uitgelegd, dat voor de berekening van de periode van legale arbeid in de zin van die bepaling, rekening moet worden gehouden met een periode waarin de betrokkene geen geldige verblijfs- of arbeidsvergunning had, wanneer de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst niet op die grond hebben betwist dat de betrokkene legaal op het nationale grondgebied verbleef, maar het verblijf juist achteraf door afgifte van een nieuwe verblijfs- en arbeidsvergunning hebben gelegaliseerd.
2) Genoemde bepaling moet voorts aldus worden uitgelegd, dat een Turkse werknemer die in een Lid-Staat in loondienst werkzaam is als specialiteitenkok, moet worden geacht tot de legale arbeidsmarkt te behoren, en dat de Lid-Staten niet door invoeging van een temporele of andersoortige beperking van de verblijfs- of arbeidsvergunning van de Turkse onderdaan, kunnen beletten dat de betrokkene op grond van voornoemde bepaling rechten verwerft.
3) Artikel 6, lid 3, van besluit nr. 1/80, bepalende dat de wijze van toepassing van artikel 6, lid 1, in nationale voorschriften wordt geregeld, moet aldus worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten niet machtigt om van het bepaalde in artikel 6, lid 1, af te wijken."
(1) - Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, ondertekend te Ankara op 12 september 1963 en namens de Gemeenschap gesloten bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, blz. 3685).
(2) - PB 1972, L 293, blz 3.
(3) - Dit besluit is niet gepubliceerd.
(4) - Zaak C-351/95, Kadiman, Jurispr. 1997, blz. I-2133.
(5) - Zie arrest van 20 september 1990, zaak C-192/89, Sevince, Jurispr. 1990, blz. I-3461.
(6) - Zie voetnoot 4.
(7) - Zaak C-237/91, Kus, Jurispr. 1992, blz. I-6781.
(8) - Arrest van 6 juni 1995, zaak C-434/93, Jurispr. 1995, blz. I-1475, op blz. I-1486 e.v.
(9) - Zie voetnoot 5.
(10) - R.o. 30.
(11) - R.o. 32.
Full & Egal Universal Law Academy