Conclusie van de advocaat generaal
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof van Justitie op 25 april 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag een beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 92/116/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot wijziging en bijwerking van richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee(1), de krachtens deze richtlijn en het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Richtlijn 92/116, die de communautaire regeling betreffende de gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee wijzigt om haar aan te passen aan de totstandbrenging van de interne markt, bepaalt in artikel 3, lid 1, dat de Lid-Staten de nodige maatregelen vaststellen om uiterlijk op 1 januari 1994 aan de richtlijn te voldoen en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen. Deze termijn wordt tot 1 januari 1995 verlengd voor de nieuwe Duitse deelstaten die in aanmerking komen voor herstructureringsprogramma's.
3 Omdat de Commissie geen mededeling had ontvangen over de tijdige omzetting van richtlijn 92/116, zond zij de Duitse regering op 10 februari 1994 overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag een aanmaningsbrief met het verzoek haar opmerkingen te maken over de niet-omzetting van de richtlijn.
4 Bij brief van 28 april 1994 deelde de Duitse regering de Commissie mee, dat een ontwerp van het Geflügelfleischhygienegesetz, waarbij richtlijn 92/116 zou worden omgezet, vóór het einde van het eerste kwartaal van 1994 aan de Bundestag zou worden toegezonden.
5 Daar de Commissie geen nationale bepaling tot omzetting van de betrokken richtlijn was meegedeeld, stuurde zij de Duitse regering bij schrijven van 5 oktober 1994 een met redenen omkleed advies, waarin zij haar verweet, dat zij de richtlijn niet had omgezet, en haar verzocht, de nodige maatregelen te treffen om dit advies binnen twee maanden op te volgen.
6 Bij schrijven van 12 december 1994 deelde de Duitse regering de Commissie mee, dat het aanvankelijk voor de omzetting van richtlijn 92/116 voorziene tijdschema niet in acht had kunnen worden genomen. Het wetsontwerp was in de Bundesrat besproken en zou begin 1995 aan de Bundestag worden voorgelegd, zodat de wet in het voorjaar van dat jaar zou kunnen worden vastgesteld. Bij mededeling van 15 augustus 1995 deelde de Duitse regering de Commissie mee, dat bij de vaststelling van het wetsontwerp opnieuw vertraging was opgetreden, doordat er problemen waren gerezen bij de behandeling van het wetsontwerp in de Bundesrat. Als gevolg daarvan werd de Bondsregering gevraagd, de Commissie te verzoeken om een wijziging van de communautaire regeling zodat producenten, die minder dan 10 000 dieren per jaar in de handel brengen, pluimveevlees van hun bedrijven niet alleen aan eindverbruikers, maar ook aan restaurants en kantines mogen verkopen, mits de dieren regelmatig door een dierenarts worden gecontroleerd.
7 Omdat de Commissie geen mededeling van de Duitse regering meer had ontvangen over de omzetting van richtlijn 92/116, heeft zij besloten het onderhavige beroep in te stellen.
8 Krachtens de artikelen 5 en 189 EG-Verdrag, alsmede artikel 3 van richtlijn 92/116 was de Bondsrepubliek Duitsland verplicht, de betrokken richtlijn binnen de gestelde termijn volledig om te zetten in nationaal recht. Volgens vaste rechtspraak kan een Lid-Staat zich niet ten exceptieve beroepen op nationale bepalingen, praktijken, of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.
9 In de onderhavige zaak betwist Duitsland de hem door de Commissie verweten niet-nakoming van richtlijn 92/116 niet. De Duitse regering merkt echter op dat het wenselijk is, de niet-nakomingsprocedure te schorsen, omdat het verzoek tot wijziging van de communautaire regelgeving de omzetting van de richtlijn nog meer heeft vertraagd en omdat op 17 juli 1996 het Geflügelfleischhygienegesetz(2) is vastgesteld en de uitvoeringsregeling daarvan op korte termijn zal worden vastgesteld.
Dit voorstel van de Duitse regering is niet relevant, daar er in casu geen sprake is van omstandigheden die een beslissing tot schorsing van de procedure krachtens artikel 82 bis, lid 1, sub b, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen.
10 De Commissie heeft in casu namelijk zonder enige twijfel en zonder dat de Duitse regering het betwist, aangetoond, dat de Bondsrepubliek Duitsland niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen heeft vastgesteld om te voldoen aan richtlijn 92/116. Derhalve dient het beroep van de Commissie te worden toegewezen, ongeacht het feit of Duitsland na de gestelde termijn zijn nationaal recht al dan niet aan voornoemde richtlijn heeft aangepast.
11 Nu het beroep van de Commissie gegrond is en haar vordering moet worden toegewezen, moet de Bondsrepubliek Duitsland ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden verwezen in de kosten.
Conclusie
12 Gelet op het voorgaande geef ik het Hof van Justitie in overweging:
1) vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 3 van richtlijn 92/116/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot wijziging en bijwerking van richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan deze richtlijn te voldoen.
2) de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in alle kosten van de procedure.
(1) - PB 1993, L 62, blz. 1.
(2) - Bundesgesetzblatt I, 23 juli 1996, blz. 991.
Full & Egal Universal Law Academy