Conclusie van de advocaat generaal
1. Bij verzoekschrift, ingediend op 3 mei 1996, heeft het Koninkrijk der Nederlanden verzocht om nietigverklaring van de beslissing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, gegeven in de vorm van een brief van 26 februari 1996 aan de minister-president van de Nederlandse Antillen, waarin zij weigert dit overzeese gebied op te nemen in de lijst van derde landen bedoeld in artikel 23 van richtlijn 92/46/EEG van de Raad van 16 juni 1992 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk.
2. Richtlijn 92/46 stelt voor zuivelproducten de toepasselijke gezondheidsvoorschriften voor de communautaire productie vast (hoofdstuk II van richtlijn 92/46) en bepaalt dat de voorwaarden die gelden voor de invoer van producten uit derde landen die onder de richtlijn vallen, ten minste gelijkwaardig moeten zijn aan die welke in hoofdstuk II zijn vastgesteld voor de communautaire productie (hoofdstuk III van richtlijn 92/46, in het bijzonder artikel 22). Met het oog op een uniforme toepassing van de vereisten voor invoer uit derde landen mogen in de Gemeenschap alleen melk of producten op basis van melk worden ingevoerd die onder meer voldoen aan de voorwaarde dat zij afkomstig zijn uit een land dat voorkomt op een lijst van derde landen die is opgesteld overeenkomstig artikel 23, lid 3, sub a, van richtlijn 92/46 en volgens de in artikel 31 van de richtlijn vastgestelde procedure. Deze lijst is aangevuld bij beschikking 94/70/EG van de Commissie van 31 januari 1994, houdende vaststelling van de voorlopige lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van rauwe melk, warmtebehandelde melk en producten op basis van melk toestaan.
3. Tot de derde landen in de zin van richtlijn 92/46 behoren ook de Nederlandse Antillen. Zij staan evenwel niet op de lijst van artikel 23 van deze richtlijn, zodat de uit dat land afkomstige zuivelproducten niet naar de Gemeenschap kunnen worden uitgevoerd.
4. Na een aantal besprekingen en briefwisselingen in 1995 tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Nederlandse Antillen en de Commissie betreffende het verzoek tot opneming van de Nederlandse Antillen in eerdergenoemde lijst, voerde de Commissie op 29 november 1995 ter plaatse een veterinaire inspectie uit om te beoordelen of de communautaire gezondheidsvoorschriften voor de plaatselijke productie van zuivel in acht waren genomen. Bij de thans voor het Hof aangevochten handeling stelde de Commissie de minister-president van de Nederlandse Antillen ervan in kennis, dat in dit stadium nog niet over de opneming van de Nederlandse Antillen kan worden beslist, tenzij de autoriteiten passende extra garanties kunnen geven" ten aanzien van de inachtneming van de in hoofdstuk II van richtlijn 92/46 neergelegde gezondheidsvoorschriften.
5. De Nederlandse regering maakt bezwaar tegen de niet-opneming van de Nederlandse Antillen in de door de Commissie overeenkomstig artikel 23, lid 3, sub a, van richtlijn 92/46 opgestelde lijst en zij verwijt verweerster, haar weigering te hebben gebaseerd op niet ter zake dienende feiten en het recht op een aantal punten te hebben geschonden.
6. Na de instelling van het onderhavige beroep door de Nederlandse regering, heeft het Hof uitspraak gedaan in de zaak DADI en Douane-Agenten, een prejudiciële procedure betreffende onder meer de geldigheid van beschikking 94/70. Het Hof verklaarde deze beschikking ongeldig, voor zover de lijst van derde landen door de Commissie was opgesteld zonder dat de in richtlijn 92/46 voorgeschreven procedure was gevolgd. Ik ben daarom van mening, dat gelet op de ongeldigheid van beschikking 94/70, het onderhavige beroep, dat strekt tot nietigverklaring van de beslissing van de Commissie om de Nederlandse Antillen niet op te nemen in de bij deze beschikking gevoegde lijst, zonder voorwerp is en dat daarop derhalve niet behoeft te worden beslist.
7. Ik merk overigens op, dat de ten tijde van de in punt 4 beschreven feiten van kracht zijnde en in het arrest DADI en Douane-Agenten ongeldig verklaarde beschikking 94/70 is ingetrokken en vervangen bij beschikking 95/340/EG van de Commissie van 27 juli 1995 tot vaststelling van een voorlopige lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van melk en producten op basis van melk toestaan en tot intrekking van beschikking 94/70. Beschikking 95/340 is in werking getreden op 2 februari 1996, dus na de besprekingen tussen het Koninkrijk der Nederlanden, de Nederlandse Antillen en de Commissie en de door laatstgenoemde uitgevoerde inspectie, die alle hebben plaatsgehad in 1995. Haar inwerkingtreding ligt echter vóór de verzending van de brief aan de minister-president, die thans voorwerp van geschil is, en dus ook vóór het vervolgens door het Koninkrijk der Nederlanden ingestelde beroep. Mijns inziens brengt het bestaan van beschikking 95/340 echter geen wijziging in de conclusie waartoe ik in het vorige punt ben gekomen. Beschikking 95/340 wijkt immers in het geheel niet af van beschikking 94/70, wat de factoren betreft die tot de ongeldigverklaring van deze laatste hebben geleid. Bij beschikking 95/340 heeft de Commissie immers geen nieuwe lijst van derde landen opgesteld - zodat dit nog steeds de lijst is waarvan het Hof in het arrest DADI en Douane-Agenten de wijze van aanvulling niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht achtte - maar zij heeft enkel om redenen van duidelijkheid en opportuniteit (zie de derde overweging van de considerans) de indeling van de producten op basis van melk herzien (zie de tweede overweging van de considerans).
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof derhalve in overweging, te verklaren dat op het door het Koninkrijk der Nederlanden tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingestelde beroep tot nietigverklaring van de aan de minister-president van de Nederlandse Antillen bij brief van 26 februari 1996 meegedeelde beslissing, niet behoeft te worden beslist.
Full & Egal Universal Law Academy