Conclusie van de advocaat generaal
1 J. R. de Rijk verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 7 maart 1996 (zaak T-362/94, De Rijk, JurAmbt. 1996, blz. II-365; hierna: "bestreden arrest").
2 De tot staving van zijn hogere voorziening aangevoerde middelen betreffen schending, door het Gerecht, van artikel 24 van bijlage X bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Ambtenarenstatuut"), en van artikel 33 van 's Hofs Statuut, alsmede schending van het rechtszekerheids- en het non-discriminatiebeginsel.
3 Na een samenvatting van het feitelijke, juridische en procedurele kader van het geschil (I), zal ik de vraag van de ontvankelijkheid van de hogere voorziening onderzoeken (II). Vervolgens zal ik de verschillende door rekwirant aangevoerde middelen onderzoeken en zal ik het Hof in overweging geven de hogere voorziening af te wijzen (III). Ten slotte zal ik de vraag van de kosten bespreken (IV).
I - Feitelijk, juridisch en procedureel kader van het geschil
De feiten
4 De Rijk is een ambtenaar in de rang B 2, die is tewerkgesteld bij de delegatie van de Commissie in Finland.
5 In de zomer 1993, dus vóór de toetreding van de Republiek Finland, betaalde hij de kosten van geneeskundige hulp, verstrekt aan te zijnen laste komende personen, namelijk zijn zoon die zijn gewone verblijfplaats in België heeft. Op 18 augustus 1993 diende hij bij de Commissie een aanvraag om vergoeding van in totaal 26 631 BFR in.
6 Op 6 oktober 1993 zond het afwikkelingsbureau van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Europese Gemeenschappen hem een afrekening waaruit bleek dat het 21 681 BFR van dit totaalbedrag ten laste nam. De aangeslotene zou eventueel op basis van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut vergoeding kunnen krijgen voor het saldo van 4 950 BFR.
Het toepasselijke sociale-zekerheidsstelsel
7 Het sociale-zekerheidsstelsel dat van toepassing is op De Rijk, als in een derde land tewerkgesteld ambtenaar, staat in bijlage X bij het Ambtenarenstatuut. Bijlage X is bij verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 3019/87 van de Raad van 5 oktober 1987(1) aan het Ambtenarenstatuut toegevoegd. De titel van bijlage X luidt: "Bijzondere afwijkende bepalingen voor de ambtenaren die zijn tewerkgesteld in een derde land".
Artikel 24 bepaalt:
"De ambtenaar, zijn echtgenoot, zijn kinderen en andere personen die te zijnen laste komen zijn verzekerd krachtens een aanvullende ziektekostenverzekering die het verschil dekt tussen de werkelijk gemaakte kosten en de prestaties van de in artikel 72 van het Statuut bedoelde dekkingsregeling, met uitzondering evenwel van lid 3 van dat artikel.
De helft van de voor de dekking van deze verzekering benodigde premie komt ten laste van de aangeslotene, waarbij deze helft echter niet meer dan 0,6 % van zijn basissalaris mag bedragen; het resterende deel van de premie wordt door de Instelling gedragen.
De ambtenaar, zijn echtgenote, zijn kinderen en andere personen die te zijnen laste komen, zijn verzekerd tegen het risico van repatriëring om medische redenen in dringende of zeer dringende gevallen; de hiervoor verschuldigde premie komt geheel ten laste van de Instelling."
8 De Commissie heeft de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 24, eerste en tweede alinea, van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut(2) vastgesteld. Artikel 2, sub 1 en 2, van de algemene uitvoeringsbepalingen bepaalt: "Krachtens de aanvullende ziektekostenverzekering zijn de volgende personen verzekerd:
1) de ambtenaar met standplaats buiten de Gemeenschap;
2) de personen die uit hoofde van de in punt 1 bedoelde aangesloten ambtenaar zijn verzekerd krachtens artikel 72 van het Statuut, zoals gepreciseerd in de Regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen (hierna $regeling' genoemd) indien zij permanent verblijven in de standplaats van de overeenkomstig punt 1 verzekerde ambtenaar.
Wanneer zij elders verblijven, zijn zij verzekerd tijdens verblijf in de standplaats van de ambtenaar alsmede, na advies van de raadgevend arts, ingeval de medische kosten uitsluitend een gevolg zijn van het feit dat de aangeslotene daar zijn standplaats heeft."
Het betrokken administratieve besluit
9 Bij brief van 18 januari 1994 deelde de Commissie De Rijk mee, dat zij hem uit hoofde van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut slechts 4 412 BFR in plaats van de gevraagde 4 950 BFR zou vergoeden. Het saldo van 538 BFR bleef te zijnen laste, op grond dat de kosten die waren gemaakt voor zijn zoon die zijn gewone verblijfplaats in België had, slechts uit hoofde van artikel 72 van het Ambtenarenstatuut konden worden vergoed.
10 Op 18 april 1994 diende De Rijk krachtens artikel 90, lid 3, van het Ambtenarenstatuut een klacht tegen dit besluit in.
11 Bij besluit van 15 juli 1994, dat De Rijk op 4 augustus 1994 ter kennis is gebracht, wees de Commissie zijn klacht af, op grond dat zijn zoon permanent in België verbleef en dat de ziektekosten die hij aldaar had gemaakt, anders dan die welke hij in Helsinki had gemaakt, niet uit hoofde van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut konden worden vergoed. Ter rechtvaardiging van haar besluit wees zij er enerzijds op, dat de bestaansreden van de aanvullende verzekering waarin dit artikel voorziet, de dekking is van de risico's die aan de bijzondere levensomstandigheden van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren zijn te wijten en anderzijds dat artikel 24 van bijlage X niet toepasselijk is, wanneer er geen verband bestaat tussen de gemaakte kosten en het verblijf buiten de Gemeenschap. De Commissie voegde eraan toe, dat elke andere analyse tot een kennelijke discriminatie van de in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren zou leiden.
12 Onder deze omstandigheden stelde De Rijk op 3 november 1994 bij het Gerecht van eerste aanleg beroep tegen dit afwijzend besluit in.
Het arrest van het Gerecht
13 De Rijk verzocht het Gerecht:
- het besluit van de Commissie van 18 januari 1994, en voor zover nodig, dat van 15 juli 1994 nietig te verklaren;
- de Commissie te veroordelen tot betaling van het volledige verschil tussen de werkelijk gemaakte kosten en de prestaties van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering, dat wil zeggen het bedrag van 4 950 BFR;
- vast te stellen dat de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 24, eerste en tweede alinea, van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut onwettig zijn en deze algemene uitvoeringsbepalingen derhalve in te trekken;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
14 Tot staving van zijn conclusies voerde hij als middelen aan: schending van het gemeenschapsrecht, met name van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut, en onwettigheid van de algemene uitvoeringsbepalingen van deze bepaling, op basis waarvan het bestreden besluit is genomen.
15 Het Gerecht verwierp het beroep om de redenen die hierna bij het onderzoek van de door rekwirant aangevoerde middelen worden samengevat.
De hogere voorziening
16 De Rijk verzoekt het Hof:
"1. De hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren.
2. Bijgevolg:
a) het bestreden arrest te vernietigen,
b) het geschil zelf te beslechten en, onder toewijzing van zijn initieel beroep:
- het besluit [van de Commissie] van 18 januari 1994 waarbij verweerster beslist rekwirant een bedrag van 4 412 BFR terug te betalen krachtens de aanvullende ziektekostenverzekering, nietig te verklaren;
- voor zover nodig, verweersters besluit van 15 juli 1994 waarbij rekwirants klacht van 18 april 1994 wordt afgewezen, nietig te verklaren;
- verweerster te veroordelen tot betaling van het volledige verschil tussen de werkelijk gemaakte kosten en de prestaties van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering, dat wil zeggen 4 950 BFR;
- de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 24, eerste en tweede alinea, van bijlage X bij het Statuut van de ambtenaren onwettig te verklaren en deze dus nietig te verklaren;
c) verweerster in de volledige kosten van de twee instanties te verwijzen".
II - De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
17 De Commissie betoogt primair, dat de hogere voorziening van De Rijk niet-ontvankelijk is. Enerzijds herhaalt De Rijk slechts de voor het Gerecht aangevoerde argumenten, anderzijds voert hij in punt 11 van zijn verzoekschrift in hogere voorziening een nieuw argument aan, dat niet ter beoordeling aan het Gerecht is voorgelegd. Dit argument is ontleend aan de artikelen 10 en 20 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut, die voor hun toepassing uitdrukkelijk een woonplaatsvereiste stellen. A contrario concludeert rekwirant daaruit, dat aangezien deze voorwaarde niet uitdrukkelijk in artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut is gesteld, de gemeenschapswetgever dit woonplaatsvereiste niet heeft willen voorschrijven voor de toepassing van deze bepaling.
18 Inderdaad is het vaste rechtspraak van het Hof, dat de hogere voorziening, om ontvankelijk te zijn uit hoofde van de procedure van artikel 168 A EG-Verdrag en te voldoen aan het vereiste van artikel 51 van 's Hofs Statuut en van artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering(3), duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven(4), en zich niet ertoe mag beperken, de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, met inbegrip van die op basis van uitdrukkelijk door het Gerecht verworpen feiten, letterlijk te herhalen of weer te geven. Een dergelijke hogere voorziening zou namelijk in werkelijkheid een verzoek om een heronderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift zijn en het Hof zou aldus worden verzocht als een beroepsinstantie en niet als een cassatie-instantie op te treden - waartoe het Hof volgens artikel 49 van het Statuut-EEG niet bevoegd is.(5)
19 Mijns inziens vertoont de hogere voorziening van De Rijk deze kenmerken niet. De Rijk verwijt het Gerecht immers hoofdzakelijk, de bepalingen van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut onjuist te hebben uitgelegd en slecht te hebben toegepast. Deze vordering beantwoordt onbetwist aan de definitie van het begrip "rechtsvraag" in artikel 168 A van het Verdrag en het Hof is wel degelijk bevoegd, de motivering van het arrest van het Gerecht te toetsen op haar verenigbaarheid met zowel de letter als het doel van een bepaling van een communautaire handeling, zoals in casu met artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut.(6)
20 Ofschoon eveneens uit vaste rechtspraak van het Hof volgt, dat de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering zich ertegen verzetten, dat in hogere voorziening nieuwe middelen worden aangevoerd(7), beantwoorden de door rekwirant in punt 11 van zijn verzoekschrift in hogere voorziening aangevoerde argumenten mijns inziens ook niet aan deze definitie.
21 Het argument en het middel zijn twee verschillende rechtsbegrippen.(8) In casu draagt rekwirant geen nieuw middel voor, doch voert hij een nieuw argument aan tot staving van een middel dat reeds door het Gerecht is onderzocht, te weten de verkeerde uitlegging en toepassing van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut (zie punten 15-21 van het bestreden arrest). Mijns inziens is een argument dat dergelijke kenmerken vertoont, niet alleen volstrekt ontvankelijk, maar het beantwoordt ook exact aan de vereisten van artikel 168 A van het Verdrag. Dit argument wijzigt het voorwerp van het geding niet - hetgeen bij artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verboden is -, doch is slechts een nadere uitwerking van een van de juridische grieven die rekwirant vanaf het begin van het voor het Gerecht ingeleide geschil heeft aangevoerd en is dus volstrekt ontvankelijk.(9)
22 Mijns inziens is de hogere voorziening van De Rijk derhalve ontvankelijk.
III - Onderzoek van de middelen in hogere voorziening
23 Na analyse van de drie door rekwirant aangevoerde grieven blijkt, dat De Rijk eigenlijk twee wezenlijke middelen tot staving van de cassatie van het arrest van het Gerecht aanvoert. In zijn eerste en zijn tweede grief verwijt hij het Gerecht dat het heeft gedwaald ten aanzien van het recht en de motivering, door de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut niet onwettig te verklaren en dat het dit artikel onjuist heeft uitgelegd. In zijn derde grief (het gaat eigenlijk om het tweede middel) betoogt hij, dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden.
24 Aangaande het middel betreffende de schending van het rechtszekerheidsbeginsel moet worden vastgesteld, dat rekwirant geen enkel argument tot staving van dit middel heeft aangevoerd. Het moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het eerste middel: gestelde schending van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut
25 Rekwirant betoogt, dat het Gerecht ten aanzien van het recht en de motivering heeft gedwaald wat de aan artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut te geven uitlegging betreft.
26 In de rechtsoverwegingen 33 en 34 van het bestreden arrest was het Gerecht van oordeel, dat artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut slechts in zijn volle omvang van toepassing is bij aanwezigheid van de specifieke ongemakken - dat wil zeggen de bijzondere levensomstandigheden van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren en met name de in het algemeen hogere kosten van verzorging in die landen - omwille waarvan een afwijkende regeling voor de vergoeding van de ziektekosten is vastgesteld.
27 Rekwirant betwist deze uitlegging en betoogt dat daardoor uiteindelijk een bijkomende voorwaarde wordt gesteld, die de werkingssfeer van het Ambtenarenstatuut beperkt en derhalve in strijd is met de rechtspraak van het Hof.(10) Het streven naar een gezond beheer dat ter rechtvaardiging van de restrictieve uitlegging van deze bepaling in rechtsoverweging 35 van het bestreden arrest wordt aangevoerd, overtuigt hem evenmin.
28 Volgens De Rijk behoeven de bepalingen van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut geen enkele uitlegging. Hij voegt er evenwel aan toe, dat indien toch een uitlegging nodig mocht blijken, niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van dit artikel, de context ervan en de door de betrokken regeling nagestreefde doelstellingen, maar ook met de aan de opstelling van deze tekst voorafgaande onderhandelingen; na een onderzoek van deze elementen zou blijken, dat het woonplaatsvereiste dat de Commissie voor de toepassing van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut had voorgesteld, niet werd aangenomen. Lezing a contrario van de betrokken bepaling staaft zijns inziens zijn stelling. Hij rechtvaardigt deze lezing met een beroep op de artikelen 10 en 20 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut.(11)
29 Het sociale-zekerheidsstelsel dat van toepassing is op iedere in een land van de Unie tewerkgestelde gemeenschapsambtenaar staat in titel V van het Ambtenarenstatuut: "Financiële en sociale bepalingen voor de ambtenaar". Volgens artikel 72, lid 1, van het Ambtenarenstatuut zijn de kosten in geval van ziekte van de ambtenaar, zijn echtgenoot, zijn kinderen en andere personen die te zijnen laste komen, tot ten hoogste 80 % van de gemaakte kosten gedekt en op basis van een door de instellingen van de Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming vastgestelde regeling wordt dit percentage voor bepaalde prestaties verhoogd tot 85 %.
30 In een arrest van 22 december 1993, Pincherle(12), was het Hof van oordeel, dat wanneer het Ambtenarenstatuut niet voorziet in maximumvergoedingen, de instellingen in uitvoeringsbepalingen adequate maximumvergoedingen kunnen vaststellen in het kader van een dekkingsregeling, zonder dat hun een benedengrens wordt voorgeschreven.(13) Het Hof leidde daaruit af, dat de instellingen geen schending van artikel 72 Ambtenarenstatuut kan worden verweten, wanneer zij maximumbedragen vaststellen (die in die zaak vergoedingen van 29 tot 66 % hadden opgeleverd), enkel omdat die percentages te ver onder de in dat artikel genoemde maximumpercentages voor vergoedingen van 80 en 85 % zouden blijven.(14)
31 Aldus volgde het Hof de advocaat-generaal die in zijn conclusie opmerkte, dat de inkomsten van het sociale-zekerheidsstelsel strikt beperkt zijn tot de bijdragen van de ambtenaren en andere personeelsleden en die van de instellingen, met als gevolg, dat het financiële evenwicht van een dergelijk stelsel noodzakelijkerwijs complex en broos is, daar het afhankelijk is van een perfecte correlatie tussen de uitgaven voor ziektekosten en de betaalde bijdragen. Daaruit trok hij de conclusie, dat nu in het Ambtenarenstatuut nergens een minimumpercentage was vastgesteld, de gemeenschapsinstellingen de mogelijke percentages dienden te regelen, waarbij zij erop moesten toezien, dat het tot stand gebrachte stelsel coherent bleef, en dat de bevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen bij de vaststelling van maximumvergoedingen en vergoedingspercentages, een kennelijke beoordelingsfout daargelaten, wordt uitgeoefend zonder dat uit artikel 72 een beginsel kan worden afgeleid dat voor de hoogte van de sociale dekking een benedengrens vaststelt.(15)
32 De "bijzondere afwijkende" bepalingen van voormelde bijlage X wijken af van artikel 72 van het Ambtenarenstatuut wat de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren betreft. Gelezen in samenhang met de bijzondere algemene uitvoeringsbepalingen, impliceert artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut, dat het verschil tussen de werkelijke kosten van de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden en de prestaties van de bij artikel 72 van het Ambtenarenstatuut voorziene dekkingsregeling door de aanvullende verzekering wordt gedragen voor zover de standplaats of permanente verblijfplaats van de betrokkene zich buiten de Gemeenschap bevindt. Dit verschil in behandeling tussen de ambtenaar die zijn activiteit op het grondgebied van de Gemeenschap uitoefent, en de in een derde land tewerkgestelde ambtenaar vindt zijn rechtvaardiging in de bijzondere levensomstandigheden ten gevolge van de tewerkstelling van de ambtenaar in een derde land.(16) Wanneer deze bijzondere situatie niet bestaat, is dit verschil in behandeling niet meer gerechtvaardigd en moet de algemene regeling worden toegepast. Hiermee wordt slechts toepassing gegeven aan het algemene beginsel, dat elke afwijkende regel strikt moet worden uitgelegd.
33 Bovendien wordt in de tekst zelf van artikel 24, derde alinea, van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut impliciet verwezen naar het woonplaatsvereiste, nodig voor de toepassing van deze bijzondere bepaling. De gebezigde term "repatriëring" moet immers ongetwijfeld worden opgevat in relatie tot een vestiging buiten de grenzen van de Unie. Derhalve behoeft artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut niet a contrario te worden gelezen.
34 Ten slotte was het Hof in het arrest Scaramuzza (reeds aangehaald) van oordeel, dat de ratio legis van het bij bijlage X bij het Ambtenarenstatuut ingevoerde afwijkende systeem lag in de inaanmerkingneming, door de gemeenschapswetgever, van de bijzondere levensomstandigheden van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren.(17) In die zaak beklaagde Scaramuzza, een in een derde land tewerkgestelde ambtenaar, zich erover, dat als gevolg van de toepassing van de bepalingen van de artikelen 11 en 12 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut haar bezoldiging niet volledig in de valuta van het land van tewerkstelling kon worden betaald, terwijl dat ingevolge de artikelen 63 en 64 van het Ambtenarenstatuut wel mogelijk was voor de in een land van de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren. Het Hof bevestigde de beslissing van het Gerecht, aangezien dit laatste een reëel verschil tussen de situatie van ambtenaren met standplaats in de Gemeenschap en in derde landen tewerkgestelde ambtenaren had vastgesteld.(18)
35 In de rechtsoverwegingen 31 tot en met 35 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de ratio legis van het door de gemeenschapswetgever ingevoerde systeem perfect geanalyseerd, alvorens tot de slotsom te komen, dat voor zover hier geen sprake was van de bijzondere omstandigheden die een verschil in behandeling van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaar of zijn gezin rechtvaardigden, de algemene regeling moest worden toegepast.
36 In het licht van voormelde overwegingen moet het eerste middel in hogere voorziening worden afgewezen, aangezien het Gerecht noch ten aanzien van het recht noch ten aanzien van de motivering heeft gedwaald.
Het tweede middel
37 Volgens rekwirant heeft het Gerecht ten aanzien van het recht en ten aanzien van de motivering gedwaald, door te verklaren dat de bij de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut opgelegde bijkomende voorwaarde niet in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling van gemeenschapsambtenaren.
38 Zijns inziens is de speciale extra premie die de in derde landen tewerkgestelde gemeenschapsambtenaren op grond van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut moeten betalen om de financiering van de aanvullende verzekering te waarborgen, op zich immers reeds een rechtvaardiging voor de vergoeding van alle door de ambtenaren gemaakte kosten, ongeacht de plaats waar de ziektekosten zijn gemaakt. Aangezien het verschil in behandeling tussen kinderen van in derde landen en kinderen van in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren aldus gerechtvaardigd is, zou de toepassing van een verschillend stelsel van ziektekostenverzekering niet discriminerend zijn.
39 Hij betoogt, dat het Gerecht in de rechtsoverwegingen 36 en 37 van het bestreden arrest, door geen rekening te houden met dit wezenlijke element, zijn beslissing onjuist heeft gemotiveerd en aldus het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden.
40 Na aan de definitie van het non-discriminatiebeginsel en aan de ratio legis van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut te hebben herinnerd, oordeelde het Gerecht in de rechtsoverwegingen 36 en 37 van het bestreden arrest, dat de speciale premie als een bijdrage is bedoeld tot dekking van de specifieke risico's van in derde landen tewerkgestelde ambtenaren. Bestaan deze specifieke risico's niet, zoals het geval is met de ambtenaar die zijn gewone verblijfplaats in de Gemeenschap heeft, dan is de toepassing van een afwijkende regeling niet gerechtvaardigd. Iedere ambtenaar die zich in dezelfde situatie bevindt, moet op identieke wijze worden behandeld, omdat anders de gelijkheid tussen hen wordt verbroken.
41 Ik ben het eens met de analyse van het Gerecht.
42 Aangezien bij het onderzoek van het eerste middel is vastgesteld, dat wat artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut betreft, enkel de bijzondere levensomstandigheden van de in derde landen tewerkgestelde ambtenaren de toepassing van een van de regelen van artikel 72 van het Ambtenarenstatuut afwijkend sociale-zekerheidsstelsel rechtvaardigt, moet, zodra niet aan deze voorwaarden is voldaan, de algemene regeling worden toegepast. Bij een ander oordeel zou het beginsel van gelijke behandeling worden geschonden. Bovendien ontlenen de kinderen van een in een derde land tewerkgestelde ambtenaar hun recht op toepassing van deze afwijkende regeling aan degene uit hoofde van wie zij dit recht hebben. In geen geval dienen hun meer rechten te worden toegekend, dan deze laatste heeft. Stellig zou dit wel gebeuren, indien de afwijkende regeling van artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut op een in de Gemeenschap verblijvend kind werd toegepast, terwijl degene uit hoofde van wie het dit recht heeft, in een identieke situatie daarop geen aanspraak zou kunnen maken.
43 Bovendien heeft het Hof erkend, dat de instellingen zorg moeten dragen voor het financiële evenwicht van het stelsel van ziektekostenverzekering.(19) Dit stond ook de gemeenschapswetgever voor ogen voor het beheer van het fonds van de bij artikel 24 van bijlage X bij het Ambtenarenstatuut voorziene aanvullende verzekering. Hij preciseerde namelijk in artikel 5 van de algemene uitvoeringsbepalingen, dat "de ambtenaar met standplaats buiten de Gemeenschap [in beginsel] vergoeding [ontvangt] van de werkelijk door hem en zijn rechthebbenden gemaakte kosten onder de in artikel 2 genoemde voorwaarden. Boven een bepaalde grens evenwel, wanneer de gemaakte kosten overdreven worden geacht, kan de betrokkene geen recht op terugbetaling doen gelden."
44 Derhalve heeft het Gerecht, door te stellen dat de speciale premie dient ter financiering van de specifieke risico's van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren, het non-discriminatiebeginsel niet verkeerd toegepast, noch ten aanzien van de motivering gedwaald. Het tweede middel moet dus worden afgewezen.
IV - Kosten
45 Artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, in de regel te hunnen laste blijven. Volgens artikel 122, tweede alinea, van het Reglement geldt die bepaling echter niet bij hogere voorziening, behalve indien de hogere voorziening door de instellingen wordt ingesteld. Daarom moet de algemene regel van artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden toegepast, en moet rekwirant in de kosten van de hogere voorziening worden verwezen.
Conclusie 46 Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) rekwirant te verwijzen in de kosten.
(1) - PB 1987, L 286, blz. 3.
(2) - Besluit van de Commissie, gepubliceerd in Mededelingen van de administratie nr. 642 van 17 september 1990.
(3) - Waarin wordt gepreciseerd dat een hogere voorziening voor het Hof beperkt is tot rechtsvragen en duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
(4) - Zie bijvoorbeeld beschikking van 26 september 1994 (zaak C-26/94 P, X, Jurispr. 1994, blz. I-4379, r.o. 11 en 12).
(5) - Zie bijvoorbeeld beschikking van 26 april 1993 (zaak C-244/92 P, Kupka-Floridi, Jurispr. 1993, blz. I-2041, r.o. 9-11).
(6) - In die zin J. Rideau en F. Picod, "Le pourvoi sur les questions de droit", Revue du marché commun et de l'Union européenne, nr. 392, november 1995, blz. 594; zie eveneens punt 3 van de conclusie van advocaat-generaal Van Gerven bij het arrest van 21 november 1991 (zaak C-145/90 P, Costacurta, Jurispr. 1991, blz. I-5449).
(7) - Zie met name het arrest van 19 juni 1992 (zaak C-18/91 P, V., Jurispr. 1992, blz. I-3997, r.o. 21).
(8) - Zie met name arrest van 12 juni 1958 (zaak 2/57, Compagnie des Hauts fourneaux de Chasse, Jurispr. 1958, blz. 139): "(...) Het Hof oordeelt op dit punt, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het voordragen van nieuwe middelen in de loop van het geding enerzijds en het aanvoeren van bepaalde nieuwe argumenten anderzijds. Het Hof is in casu van oordeel, dat de eisende partij geen nieuwe middelen heeft voorgedragen, doch dat zij slechts de middelen die in het verzoekschrift zijn ingeroepen nader heeft ontwikkeld door een aantal argumenten aan te voeren, waarvan sommige voor het eerst in de repliek werden aangevoerd. Mitsdien bestaat er geen bezwaar, dat het Hof deze argumenten onderzoekt."
(9) - Zie met name arrest van 20 oktober 1994 (zaak C-76/93 P, Scaramuzza, Jurispr. 1994, blz. I-5173, r.o. 18).
(10) - Zie bijvoorbeeld het arrest van 17 mei 1992 (zaak C-70/91 P, Brems, Jurispr. 1992, blz. I-2973, r.o. 16), waarin het Hof verklaarde, dat de artikelen van de algemene uitvoeringsbepalingen er niet toe kunnen leiden, dat de werkingssfeer van een statutaire bepaling wordt beperkt of dat het tot aanstelling bevoegde gezag de mogelijkheid wordt ontnomen om zijn beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen.
(11) - Zie punt 17 van mijn conclusie.
(12) - Zaak C-244/91, Jurispr. 1993, blz. I-6965.
(13) - R.o. 23.
(14) - R.o. 24.
(15) - Punten 59-63 van zijn conclusie.
(16) - Eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3019/87.
(17) - R.o. 23.
(18) - Ibidem, r.o. 22.
(19) - Arrest Pincherle (reeds aangehaald), r.o. 26.
Full & Egal Universal Law Academy