Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige zaak stelt de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen vragen over de gevolgen van het uiteenvallen van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië (hierna: "SFRJ") voor een beschikking van de Commissie waarbij anti-dumpingrechten zijn ingesteld op de invoer van bepaalde soorten ijzer en staal "van oorsprong uit Joegoslavië" (hierna: "beschikking tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht" of "beschikking").(1) De vraag rijst, of de beschikking ook gold voor importen uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (hierna: "VJRM"), nadat deze zich onafhankelijk had verklaard.
De wettelijke context
2 De beschikking was vastgesteld tegen de achtergrond van een aantal maatregelen die de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal sedert 1977(2) overeenkomstig het EGKS-Verdrag heeft vastgesteld in verband met de procedure en de bevoegdheden van de Commissie inzake onderzoeken betreffende dumping en subsidiëring; ten tijde van de feiten gold ter zake beschikking nr. 2177/84/EGKS van de Commissie (hierna: "basisbeschikking").(3) De in die maatregelen vervatte regels "werden vastgesteld in overeenstemming met de bestaande internationale verplichtingen, in het bijzonder die welke voortvloeien uit artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, hierna de GATT genoemd, [en] uit de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT (Anti-dumpingcode van 1979)".(4)
3 Artikel 1 van de basisbeschikking bepaalt, dat daarin de voorschriften worden vastgesteld "voor bescherming tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal". Artikel 2 bepaalt hoe wordt vastgesteld dat dumping heeft plaatsgevonden; dit artikel is aangevuld met artikel 4, betreffende het essentiële element schade. Klachten overeenkomstig artikel 5 kunnen in bepaalde gevallen aanleiding geven tot een onderzoek door de Commissie, overeenkomstig de procedure van artikel 7. Behoudens wanneer de procedure wordt beëindigd, bijvoorbeeld wanneer geen beschermende maatregelen nodig zijn(5) of wanneer de personen tegen wie het onderzoek loopt aanvaardbare verbintenissen hebben aangeboden(6), moeten voorlopige(7) of definitieve(8) rechten worden ingesteld.
4 Artikel 13 bevat algemene bepalingen betreffende rechten. Artikel 13, lid 2, bepaalt:
"In deze [anti-dumping]maatregelen worden in het bijzonder vermeld: het bedrag en de aard van het ingestelde recht, het betrokken produkt, het land van oorsprong of van uitvoer, de naam van de leverancier, en zo mogelijk de motivering voor het vaststellen van de maatregel."
Artikel 13, lid 2, komt overeen met artikel 8, lid 2, van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, bepalende:
"(...) De betrokken autoriteiten wijzen de leverancier of leveranciers van het desbetreffende produkt aan. Indien het echter om verschillende leveranciers van hetzelfde land gaat en het in de praktijk niet mogelijk is hen allen aan te wijzen, kunnen de autoriteiten het betrokken land van levering aanwijzen. Indien het om verschillende leveranciers van verschillende landen gaat, kunnen de autoriteiten hetzij alle betrokken leveranciers aanwijzen of, indien dit in de praktijk niet mogelijk is, alle betrokken landen van levering."
5 Ingevolge artikel 14 van de basisbeschikking kunnen beschikkingen waarbij rechten zijn ingesteld, aan een nieuw onderzoek worden onderworpen op initiatief van de Lid-Staten of de Commissie, of, mits na de beëindiging van het eerste onderzoek ten minste één jaar is verlopen, op verzoek van een belanghebbende partij. Verder heet het in dit artikel:
"2. Indien, na overleg, blijkt dat een nieuw onderzoek gewettigd is, wordt het onderzoek overeenkomstig artikel 7 opnieuw geopend indien de omstandigheden zulks vereisen. Deze heropening als zodanig is niet van invloed op de vigerende maatregelen.
3. Wanneer het nieuwe onderzoek (...) zulks wettigt, worden de maatregelen door de Commissie gewijzigd, ingetrokken of geannuleerd."
6 Ten slotte voorziet artikel 16 in de terugbetaling van onverschuldigd geïnde rechten.
Achtergrond van de betrokken anti-dumpingrechten
7 In februari 1986 leidde de Commissie een anti-dumpingprocedure in met betrekking tot bepaalde staalproducten "van oorsprong uit Joegoslavië".(9)
8 Bij beschikking nr. 2767/86/EGKS(10) werden voor bepaalde producten "van oorsprong uit Joegoslavië" voorlopige anti-dumpingrechten van 68 ECU per 1 000 kg ingesteld.(11) In deze beschikking werd uitdrukkelijk verwezen naar Rudnici i Zelezarnica Skopje (hierna: "Rudnici"), een producent en exporteur in wat thans de VJRM is.(12) Destijds kon "Joegoslavië" uiteraard niets anders betekenen dan het grondgebied van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië (hierna: "SFRJ").
9 In december 1986 aanvaardde de Commissie een verbintenis aangegaan door de betrokken Joegoslavische exporteurs, die bedoeld was om de door de met dumping ingevoerde producten veroorzaakte schade weg te nemen.(13)
10 In januari 1988 heeft de Commissie na klachten over de niet-naleving van bovenbedoelde verbintenissen, bij beschikking nr. 229/88/EGKS(14) opnieuw voorlopige anti-dumpingrechten ingesteld van 68 ECU per 1 000 kg voor bepaalde staalproducten "van oorsprong uit Joegoslavië".
11 Ten slotte heeft de Commissie op 18 juli 1988 de beschikking tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht(15) vastgesteld, en daarbij op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal "van oorsprong uit Joegoslavië" een anti-dumpingrecht van 48 ECU per 1 000 kg ingesteld.
12 De beschikking betreffende de definitieve anti-dumpingrechten is in werking getreden op 20 juli 1988(16) en gold voor een periode van vijf jaar vanaf die datum dan wel vanaf die van enige latere wijziging of bevestiging.(17)
13 In februari 1990 heeft de Joegoslavische Federatie voor IJzer en Staal de Commissie om een heronderzoek van de geldende anti-dumpingmaatregelen verzocht op grond dat de mededingingssituatie wijzigingen zou hebben ondergaan. De Commissie kwam tot de conclusie, dat deze wijzigingen volstonden om een heronderzoek van de beschikking te rechtvaardigen.
14 In 1992 kwam de Commissie na afsluiting van haar onderzoek tot de conclusie, dat er nog steeds sprake was van dumping en schade, zij het in iets mindere mate. Op deze grond werd de beschikking gewijzigd bij beschikking nr. 2297/92/EGKS, die in werking is getreden(18) op de dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad, namelijk op 7 augustus 1992.(19)
15 De aldus gewijzigde beschikking ("gewijzigde beschikking") stelde anti-dumpingrechten in voor dezelfde categorieën staalproducten als die waarover het ging in de beschikking in de versie die gold vóór de wijziging, voor zover deze producten "van oorsprong [waren] uit de Republiek Slovenië (...) en de Joegoslavische Republieken Macedonië (...), Montenegro (...), en Servië (...)".(20) Het verschuldigde recht werd iets verlaagd, en bedroeg 44 ECU per 1 000 kg.(21) Er werd uitdrukkelijk bepaald, dat het recht niet van toepassing was voor de producten vervaardigd door drie met name genoemde producenten, waaronder Rudnici(22), die de Commissie verbintenissen hadden aangeboden en in verband waarmee de Commissie had besloten het onderzoek te beëindigen zonder beschermende maatregelen in te stellen.
De feiten en het hoofdgeding
16 Op 17 september 1991 verklaarde de VJRM zich onafhankelijk; dit was een gevolg van het uiteenvallen van de SFRJ in een aantal geografisch kleinere staten, die grotendeels samenvielen met de afzonderlijke republieken van de vroegere Federatie.(23)
17 Tussen 1 mei 1992 en 31 juli 1992 (dus vóór de wijziging van de beschikking inzake definitieve rechten) voerde Stahlhandel Schmitz GmbH, een vennootschap naar Duits recht, staalproducten in van een soort dat onder de beschikking viel. Deze producten werden ingevoerd in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en waren afkomstig van de producent Rudnici in de VJRM; onduidelijk is, of de verzoekende partijen vóór die periode reeds producten van Rudnici hadden ingevoerd. Op 31 juli 1992 hadden de Belgische autoriteiten in totaal 14 863 825 BFR aan anti-dumpingrechten geheven en ontvangen.
18 Op 18 mei 1994 stelden Stahlhandel Schmitz, haar borg Banque Indosuez, een vennootschap naar Zwitsers recht, en het douaneagentschap NV Rijn- en Kanaalvaartexpeditie, een vennootschap naar Belgisch recht, beroep in bij de Belgische rechter. Het ging om een vordering tegen de Belgische Staat, strekkende tot terugbetaling van de betaalde rechten, kennelijk op grond dat de beschikking niet van toepassing was op hun staalimporten en dat de rechten dus ten onrechte waren geïnd. Bij verstekvonnis van 29 juni 1994 gelastte de Antwerpse Rechtbank van eerste aanleg de teruggave van de rechten. Tegen dit vonnis werd verzet gedaan door de Belgische Staat, waarop de procedure werd heropend. Bovendien werd de Commissie in het geding geroepen, maar zij is niet verschenen.
19 Het betoog van de verzoekende partijen voor de nationale rechter was hoofdzakelijk hierop gebaseerd, dat in de beschikking werd gesproken van importen uit Joegoslavië, zodat de beschikking niet langer van toepassing kon zijn op hun importen, die sedert de onafhankelijkheidsverklaring van de VJRM niet langer uit Joegoslavië, doch wel uit de VJRM afkomstig waren. Dit argument is gebaseerd op de volkenrechtelijke beginselen inzake statenopvolging: gesteld wordt, dat de Federale Republiek Joegoslavië (hierna: "FRJ") de enige opvolger was van de voormalige SFRJ zodat zij - met uitsluiting van de VJRM - de verplichtingen van de voormalige SFRJ inzake anti-dumpingrechten heeft overgenomen. Tevens baseerden de verzoekende partijen hun zienswijze blijkbaar op het feit, dat de gewijzigde beschikking, anders dan de beschikking betreffende de definitieve anti-dumpingrechten, uitdrukkelijk gewag maakte van de VJRM.
De prejudiciële vragen
20 Op 13 mei 1996 besloot de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
"1) Slaat de benaming $Joegoslavië' in de beschikking 2131/88/EGKS ook op de staat Macedonië-Skopje nadat deze zich van (Klein-)Joegoslavië had afgescheurd?
2) Zijn de invoerrechten die bij toepassing van de beschikking 2131/88/EGKS dienen geheven te worden bij invoer in de BLEU van staalproducten waarvan de oorsprong ligt in Joegoslavië, ook van toepassing op zulke invoer met oorsprong in de staat Macedonië-Skopje in de periode van 1 mei 1992 tot en met 31 juli 1992?"
21 De Belgische regering en de Commissie hebben gesteld, dat de twee vragen nauw verbonden zijn. De Belgische regering stelt, dat een bevestigend antwoord op de eerste vraag noodzakelijkerwijs impliceert dat ook de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Commissie stelt zich op het standpunt, dat de twee vragen in feite op hetzelfde neerkomen. Mijns inziens zijn deze argumenten in wezen juist, en moeten de twee vragen worden geherformuleerd als volgt:
"Moeten de anti-dumpingrechten die overeenkomstig beschikking nr. 2131/88/EGKS van de Commissie dienen te worden geheven op importen van bepaalde staalproducten $van oorsprong uit Joegoslavië', worden geacht van toepassing te zijn op dezelfde staalproducten van oorsprong uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië tijdens de periode tussen 1 mei 1992 en 31 juli 1992?"
22 De Belgische regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De verzoekende partijen hebben geen opmerkingen ingediend, doch hun zienswijze kan worden afgeleid uit hun argumenten in de hoofdzaak, zoals hierboven samengevat. Het belangrijkste punt waarover de verzoekende partijen het niet eens zijn met de Belgische regering en de Commissie, is de vraag of de volkenrechtelijke regels inzake statenopvolging in deze zaak relevant zijn. Ik zal mij eerst bezighouden met deze vraag, die gelet op de omstandigheden van de zaak, mij ertoe noopt eveneens nader in te gaan op de aard van anti-dumpingrechten. In het licht van mijn conclusie over dat aspect, zal ik nader ingaan op de uitlegging van de beschikking; in die context zal ook het aspect rechtszekerheid ter sprake komen.
Aard van de anti-dumpingrechten
23 De Commissie wijst erop, dat het hoofddoel van anti-dumpingmaatregelen, namelijk voorkomen dat een gevestigde gemeenschapsindustrie schade lijdt wegens het in de Gemeenschap met dumping in het vrije verkeer brengen van producten, in het gedrang zou komen indien een producent van aan anti-dumpingrechten onderworpen producten aan de betaling van die rechten zou kunnen ontsnappen op de enkele grond dat de autoriteiten van het grondgebied waar die onderneming is gevestigd, het gebied onafhankelijk hebben verklaard. Dat vanuit volkenrechtelijk oogpunt die producent daarna onder de bevoegdheid van een nieuwe staat valt, betekent niet dat zijn dumpingpraktijken niet langer schade veroorzaken aan de gemeenschapsindustrie.
24 De Belgische regering en de Commissie beroepen zich beiden op de structuur en het systeem van de instelling en heffing van anti-dumpingrechten, ten betoge dat anti-dumpingmaatregelen geen schulden ten laste van staten doen ontstaan, doch alleen rechten die kunnen worden vergeleken met douanerechten en die moeten worden betaald door de particulier die in de Gemeenschap importeert.
25 Dit zijn mijns inziens overtuigende argumenten. De belangrijkste woorden, namelijk "van oorsprong uit Joegoslavië" mogen kennelijk niet letterlijk worden geïnterpreteerd, doch zijn te zien in hun context en gelet op de doelstellingen van de beschikking en de wettelijke regeling waarvan zij deel uitmaakt.(24) Het instellen van anti-dumpingrechten in de vorm van verordeningen in het geval van EG-maatregelen, of in de vorm van beschikkingen in het geval van EGKS-maatregelen, strekt er uiteindelijk toe, de gemeenschapsindustrie te beschermen tegen ingevoerde producten waarvan de prijs lager is dan de normale waarde, en die de producenten in de Gemeenschap dus schade kunnen berokkenen. Dergelijke schade wordt voorkomen door de importeurs van dergelijke producten anti-dumpingrechten op te leggen. Anti-dumpingmaatregelen zijn gericht op de producten en hun oorsprong: er worden maatregelen genomen tegen importen uit een bepaald land, normalerwijs op basis van een onderzoek naar geselecteerde producenten. De geografische oorsprong van de producten is het enige criterium dat vanuit commercieel of economisch oogpunt relevant is: een wijziging van de politieke grenzen of benaming is op zichzelf zonder belang voor het economisch doel van anti-dumpingrechten.
26 In anti-dumpingverordeningen of -beschikkingen is het gebruikelijk de specifieke producenten van de aan anti-dumpingrechten onderworpen producten met name te noemen. Zoals evenwel blijkt uit artikel 13, lid 2, van de basisbeschikking kan, wanneer een groep leveranciers aan anti-dumpingmaatregelen wordt onderworpen en het om praktische redenen moeilijk is de namen van alle producenten mee te delen, een meer algemene term worden gebruikt die wijst op de geografische oorsprong (van belang is dat in de basisbeschikking sprake is van "land" en niet van "staat"). Het gebruik van een geografische of territoriale benaming met het oog op de verkorte aanduiding van alle producenten van de betrokken goederen die in dat gebied werkzaam zijn, doet absoluut niet af aan de wezenlijke aard van de definitieve anti-dumpingbeschikking, die een handeling is die uit een bepaald gebied ingevoerde producten treft.
27 Er is dus geen verband met publiekrechtelijke internationale verplichtingen vanwege het enkele feit dat met het oog op de identificatie van het product wordt verwezen naar het grondgebied van de staat waaruit het product afkomstig is. Wel moeten de vertegenwoordigers van het uitvoerende land in kennis worden gesteld van het besluit om een anti-dumpingprocedure in te leiden(25), en hebben die vertegenwoordigers in het kader van de procedure bepaalde rechten.(26) Natuurlijk kunnen vragen van internationaal publiekrecht rijzen, zoals de vraag wie als vertegenwoordiger van een regering kan worden beschouwd en met ingang van welke datum, die moeten worden beantwoord aan de hand van de beginselen betreffende de erkenning van staten en regeringen en statenopvolging, indien wordt aangevoerd dat die rechten niet zijn geëerbiedigd.(27) In de onderhavige zaak zijn dergelijke vragen evenwel niet aan de orde; de procedure als zodanig staat niet ter discussie, en de uitleggingsvraag betreft uitsluitend de uitvoeringsbepalingen van de uit de procedure voortvloeiende beschikking, die een op producten met een bepaalde oorsprong gerichte handeling blijft.
28 Voor het overige ben ik tot de conclusie gekomen, dat terminologische wijzigingen in de gewijzigde beschikking niet afdoen aan deze zienswijze.
29 Zoals de Commissie uiteenzet, blijft de beschikking tot instelling van definitieve anti-dumpingrechten hoe dan ook van toepassing zolang geen herziening plaats heeft gevonden: zie artikel 14, lid 2, van de basisbeschikking.
30 In de tweede plaats hebben de aanpassingen in de gewijzigde beschikking, houdende geografische preciseringen die voortvloeien uit het heronderzoek van de Commissie (waaruit bleek dat geen dumping plaatsvond van staalproducten van oorsprong uit de Republieken Bosnië-Herzegovina of Kroatië) en de verdere desintegratie van de SFRJ, geen gevolgen voor de uitlegging van de beschikking tot instelling van anti-dumpingrechten voordat de wijzigingen werden aangebracht.
31 Bijgevolg zijn de argumenten van de verzoekende partijen betreffende statenopvolging goeddeels irrelevant; gelet op de werkelijke bedoeling van de in de beschikking gebruikte terminologie, die een verkorte aanduiding is op basis van de staatsgrenzen of geografische grenzen waardoor de noodzaak wegvalt om de individuele producenten die binnen deze grenzen bedrijvig zijn afzonderlijk te identificeren, dringt de conclusie zich op dat die terminologie niet afdoet aan de aard van de anti-dumpingmaatregelen, die op de producten zijn gericht.
32 Het gebruik van een dergelijke verkorte aanduiding brengt niet mee, dat wat in wezen een douanemaatregel is, zou worden omgezet in een transactie tussen staten; anti-dumpingrechten zijn geen schulden van staten. Het is zeer goed mogelijk dat ongerechtvaardigde anti-dumpingmaatregelen vanuit het oogpunt van het internationaal recht gevolgen teweegbrengen, doch routinemaatregelen die in overeenstemming zijn met de anti-dumpingcode hebben niets te maken met de verhouding tussen staten en doen op dat niveau geen vragen rijzen. Bijgevolg dien ik niet nader in te gaan op de argumenten die de verzoekende partijen ontlenen aan de statenopvolging, en die kennelijk voortvloeiden uit het idee dat de FRJ de enige opvolger is die de internationale verplichtingen van de SFRJ overneemt. Vanuit het oogpunt van het internationaal recht, zou ik hierbij willen aantekenen dat deze zienswijze niet voor de hand ligt. Zoals evenwel gezegd, dient deze vraag in het kader van de onderhavige conclusie niet nader te worden onderzocht.
Rechtszekerheid
33 De laatste vraag die in deze context moet worden onderzocht, is die van de rechtszekerheid, met name of de term "van oorsprong uit Joegoslavië" voldoende duidelijk en nauwkeurig was om als grondslag te dienen voor het heffen van anti-dumpingrechten op alle staalproducten van oorsprong uit de voormalige SFRJ, de VJRM daaronder begrepen. De Commissie en de Belgische regering stellen zich in wezen op het standpunt, dat tijdens de betrokken periode de term "van oorsprong uit Joegoslavië" moet worden geacht te hebben betekend "van oorsprong uit een van de opvolgerstaten van de SFRJ", dus ook uit de VJRM. De territoriale omschrijving "Joegoslavië" die werd gebruikt in de beschikking houdende instelling van definitieve anti-dumpingrechten, moet worden geacht het geheel van deze staten te omvatten.
34 Hoewel de verzoekende partijen zich blijkbaar niet uitdrukkelijk op het beginsel van rechtszekerheid hebben beroepen, ligt dit beginsel mijns inziens wel in hun opmerkingen besloten, als een alternatieve interpretatie van hun argumenten over statenopvolging en de gestelde continuïteit van de SFRJ en de FRJ. Bedoeld beginsel ligt eveneens besloten in de door de nationale rechter gestelde uitleggingsvraag. Ook wanneer men de argumenten van de Commissie en de Belgische regering aanvaardt betreffende de aard van anti-dumpingrechten en de irrelevantie van de statenopvolging, blijft nog de vraag, of het verenigbaar is met het rechtszekerheidsbeginsel dat "Joegoslavië" moet worden geacht "alle opvolgerstaten van de SFRJ" te omvatten.
35 In het arrest Van Es Douane Agenten, betreffende landbouwheffingen en invoerrechten, verklaarde het Hof,
"dat het rechtszekerheidsbeginsel een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht is (...), hetwelk onder meer verlangt, dat een regeling waarbij aan de belastingplichtige lasten worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de belastingplichtige ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen en dienovereenkomstig zijn voorzieningen kan treffen".(28)
36 In die zaak ging het over de vervanging van de oude nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief door de nieuwe gecombineerde nomenclatuur. Onder de verordening betreffende de oude nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief werden verordeningen vastgesteld tot indeling van bepaalde maïsproducten. Toen de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief evenwel werd ingetrokken, werden deze verordeningen niet vervangen, en werden de indelingen niet in overeenstemming gebracht met de terminologie van de gecombineerde nomenclatuur. Het Hof werd in wezen gevraagd, of een beroep kon worden gedaan op oude verordeningen met het oog op de herindeling van producten die anders aan rechten en heffingen zouden ontsnappen, zodat over die producten toch dergelijke rechten verschuldigd zouden zijn. Volgens het Hof dient de Commissie
"de op basis van [de verordening betreffende de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief] vastgestelde verordeningen die bij de overgang naar de gecombineerde nomenclatuur van concreet belang zijn gebleven, uitdrukkelijk te wijzigen, opdat de justiabele ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen en dienovereenkomstig zijn voorzieningen kan treffen. Zonder die aanpassingen zou het voor de justitiabele moeilijk kunnen zijn, precies te weten wat zijn rechtspositie is."(29)
37 In die zaak gold ten aanzien van de Commissie een uitdrukkelijke verplichting om de wettelijke regeling te wijzigen, en het Hof was van oordeel dat de ongewijzigde regeling niet kon worden toegepast; bovendien bestond er een reële onzekerheid over de rechtspositie van de betrokkenen, aangezien er aanzienlijke verschillen waren tussen de oude en de nieuwe indelingen en het voor de particulieren onmogelijk was om hun precieze rechtspositie vast te stellen. In de onderhavige zaak daarentegen bestond een dergelijke uitdrukkelijke verplichting niet, en was, zoals ik hierna zal aantonen, om een aantal redenen de rechtspositie van de verzoekende partijen gemakkelijk vast te stellen.
38 In de eerste plaats is volgens mij uit de tekst van de beschikking zelf en uit de wettelijke context gemakkelijk af te leiden, dat zij van toepassing was op de litigieuze producten. In beschikking nr. 2767/86(30), waarbij voor het eerst voorlopige heffingen op specifieke producten "van oorsprong uit Joegoslavië" werden ingesteld, werd Rudnici met name vermeld als een van de exporteurs waarop het onderzoek betrekking had.(31) Rudnici was een van de Joegoslavische exporteurs die ten aanzien van de Commissie verplichtingen aanging, op grond waarvan het onderzoek werd beëindigd.(32) Beschikking nr. 229/88(33), waarbij opnieuw voorlopige anti-dumpingrechten werden ingesteld op de betrokken producten, was duidelijk van toepassing op Rudnici, nu daarin uitdrukkelijk werd gesteld dat de Commissie terugkwam van haar aanvaarding van de verbintenissen als bedoeld in besluit 86/639, waaronder die van Rudnici.(34) Bij dezelfde gelegenheid heeft de Commissie haar anti-dumpingonderzoek hervat. Uit het bericht van heropening van het onderzoek(35), waarin sprake is van de Joegoslavische exporteurs waarvan de verbintenissen in besluit 86/639 zijn aanvaard, blijkt dat Rudnici een van de exporteurs was waarop het onderzoek betrekking had. Hoewel Rudnici in de beschikking niet uitdrukkelijk is vermeld, volgt duidelijk uit de eerdere maatregelen waar in de considerans naar is verwezen en uit de herhaaldelijk voorkomende verwijzing naar "de Joegoslavische exporteurs/producenten die bij de zaak betrokken zijn/waarvan bekend is dat zij bij de zaak betrokken zijn", dat de beschikking van toepassing was op door Rudnici geproduceerde en geëxporteerde producten.(36)
39 In de tweede plaats is voor mij ook duidelijk, dat de beschikking tot instelling van definitieve anti-dumpingrechten bedoeld was om voor het volledige grondgebied van de SFRJ te gelden, aangezien ten tijde van de vaststelling ervan en tijdens de onderzoeken en toen voorlopige rechten werden ingesteld die uiteindelijk tot de beschikking hebben geleid, de term "Joegoslavië" die is gebruikt in de beschikking en in de daaraan voorafgaande teksten, geen andere praktische betekenis kon hebben. Hoewel de Staat Joegoslavië of SFRJ heeft opgehouden te bestaan, behoudt het woord, als verkorte aanduiding gebruikt, de inhoud die het vroeger reeds had: deze term heeft exact dezelfde territoriale of geografische implicaties (hoewel hij thans hoofdzakelijk regionale of historische connotaties heeft en als verkorte aanduiding wordt gebruikt voor een geheel van staten). De territoriale grenzen of geografische inhoud van de beschrijvende term "Joegoslavië" blijven ongewijzigd.
40 Verdere steun voor de zienswijze dat "Joegoslavië" in de beschikking het volledige grondgebied van de SFRJ omvatte, is te vinden in de omstandigheid dat, zoals hierboven uiteengezet, de beschikking onbetwistbaar van toepassing was op producten die waren ingevoerd door een producent in de huidige VJRM, namelijk Rudnici; bovendien gold de beschikking zeer duidelijk ook voor producten die waren ingevoerd door een producent in het huidige Slovenië.(37)
41 Bovendien is er geen residuele opvolgerstaat die terecht als de voortzetting zou kunnen worden beschouwd van het voormalige "Joegoslavië" of SFRJ; Joegoslavië moet worden geïdentificeerd met zijn vijf opvolgerstaten. In ieder geval is de benaming "Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië" een aanwijzing voor wie eventueel niet van de precieze historische ontwikkeling van de regio op de hoogte is, dat de VJRM vroeger een republiek van de SFRJ was.
42 In de derde plaats wijst niets erop dat er ook daadwerkelijk verwarring of onzekerheid zou hebben bestaan; dit behoeft geen verwondering te wekken. Anders dan in de zaak Van Es Douane Agenten, en in de eerdere zaken Gondrand Frères en Commissie/Frankrijk en Verenigd Koninkrijk(38), is nooit gesteld dat de situatie tot andere verwachtingen zou hebben geleid of dat complete verwarring zou zijn ontstaan over de inhoud van het betrokken begrip. Weliswaar impliceert het rechtszekerheidsvereiste een objectieve toetsing, doch het achterwege blijven van verwarring of onzekerheid is een belangrijk element. In het onderhavige geval zijn alle betrokken partijen er kennelijk van uitgegaan dat heffingen verschuldigd bleven op alle producten die uit alle voormalige Joegoslavische republieken werden ingevoerd. De verzoekende partijen hebben eerst nadat aanzienlijke heffingen waren betaald, bezwaren geformuleerd. Alles wijst erop, dat het idee om een vordering in te stellen eerst is ontstaan nadat bij de gewijzigde beschikking terminologische aanpassingen waren aangebracht.
43 Mijns inziens vormen al deze factoren het bewijs, dat de beschikking tot instelling van definitieve anti-dumpingrechten voldoende duidelijk en nauwkeurig was, zodat de verzoekende partijen absoluut niet in twijfel konden verkeren over hun verplichting om anti-dumpingrechten te betalen over de door hen tijdens de betrokken periode uit de VJRM ingevoerde producten.
Conclusie
44 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen te beantwoorden als volgt:
"De anti-dumpingrechten die overeenkomstig beschikking nr. 2131/88/EGKS van de Commissie van 18 juli 1988 waarbij een definitief anti-dumpingrecht wordt ingesteld op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië, en waarbij het voorlopige anti-dumpingrecht dat op deze invoer werd ingesteld, definitief wordt ingevorderd, moeten worden geheven op importen van bepaalde staalproducten $van oorsprong uit Joegoslavië', gelden eveneens voor dezelfde staalproducten van oorsprong uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in de periode van 1 mei 1992 tot en met 31 juli 1992."
(1) - Beschikking nr. 2131/88/EGKS van de Commissie van 18 juli 1988 waarbij een definitief anti-dumpingrecht wordt ingesteld op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië, en waarbij het voorlopige anti-dumpingrecht dat op deze invoer werd ingesteld, definitief wordt ingevorderd (PB 1988, L 188, blz. 14).
(2) - Aanbeveling 77/329/EGKS van de Commissie van 15 april 1977 betreffende beschermende maatregelen tegen de toepassing van dumping en de toekenning van premies of subsidies door landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (PB 1977, L 114, blz. 6).
(3) - Beschikking van de Commissie van 27 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (PB 1984, L 201, blz. 17). Deze beschikking is met ingang van 5 augustus 1988 ingetrokken en vervangen door beschikking nr. 2424/88/EGKS van de Commissie van 29 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (PB 1988, L 209, blz. 18). De relevante bepalingen van deze beschikking komen in wezen overeen met die van de reeds aangehaalde basisbeschikking. Deze beschikking is op haar beurt met ingang van 2 december 1996 vervangen door beschikking nr. 2277/96/EGKS van de Commissie van 28 november 1996 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (PB 1996, L 308, blz. 11).
(4) - Achtste overweging van de considerans van beschikking nr. 2177/84, aangehaald in voetnoot 3.
(5) - Artikel 9.
(6) - Artikel 10.
(7) - Artikel 11.
(8) - Artikel 12.
(9) - PB 1986, C 38, blz. 3.
(10) - Beschikking van de Commissie van 5 september 1986 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië (PB 1986, L 254, blz. 18).
(11) - Artikel 1, leden 1 en 2.
(12) - Veertiende overweging van de considerans.
(13) - Besluit 86/639/EGKS van de Commissie van 23 december 1986 houdende aanvaarding van een verbintenis in het kader van het anti-dumpingonderzoek betreffende de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië, en houdende beëindiging van het onderzoek (PB 1986, L 371, blz. 84).
(14) - Beschikking van de Commissie van 25 januari 1988 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit Joegoslavië (PB 1988, L 23, blz. 13). Beschikking nr. 229/88 werd bij beschikking nr. 980/88/EGKS van de Commissie van 13 april 1988 (PB 1988, L 98, blz. 33) gewijzigd en aangepast aan de gewijzigde beschrijving en classificatie van de betrokken producten ingevolge de nieuwe gecombineerde nomenclatuur van het Gemeenschappelijk Douanetarief, en opnieuw gewijzigd bij beschikking nr. 1321/88/EGKS van 11 mei 1988 (PB 1988, L 123, blz. 20), waarbij de toepassingsduur van de voorlopige anti-dumpingrechten werd verlengd.
(15) - Aangehaald in voetnoot 1.
(16) - Artikel 3.
(17) - Artikel 15, lid 1, van de basisbeschikking.
(18) - Zie artikel 3.
(19) - Beschikking nr. 2297/92/EGKS van de Commissie van 31 juli 1992 tot wijziging van beschikking nr. 2131/88/EGKS tot aanvaarding van verbintenissen die waren aangeboden in verband met de invoer van bepaalde soorten plaatijzer en plaatstaal, van oorsprong uit de Republiek Slovenië en de Joegoslavische Republieken Macedonië, Montenegro en Servië, en tot beëindiging van de anti-dumpingprocedure met betrekking tot de Republiek Kroatië en de Republiek Bosnië-Herzegovina (PB 1992, L 221, blz. 36).
(20) - Artikel 1, lid 1, van de gewijzigde beschikking. De betrokken producten werden niet geproduceerd en naar de Gemeenschap uitgevoerd uit de Republiek Kroatië of de Republiek Bosnië-Herzegovina. De Commissie was dan ook van mening, dat de procedure betreffende deze landen zonder instelling van beschermende maatregelen kon worden beëindigd: zie de vierendertigste overweging van de considerans en artikel 2 van beschikking nr. 2297/92.
(21) - Artikel 1, lid 2.
(22) - Artikel 1, lid 3.
(23) - Zie de adviezen van de Arbitragecommissie voor Joegoslavië (de Commissie Badinter) over vragen voortvloeiend uit het uiteenvallen van Joegoslavië, zoals gepubliceerd in 31 International Legal Materials, 1488 (1992), inz. Advies 8, blz. 1521, overweging 4, op blz. 1523. Voor verdere bijzonderheden over de politieke ontwikkelingen na de onafhankelijkheidsverklaring van de VJRM, zie mijn conclusie in zaak C-120/94, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1996, blz. I-1513, inz. punten 2-17. Een selectie van de belangrijkste internationale documenten betreffende de situatie in het vroegere Joegoslavië is gepubliceerd in 31 International Legal Materials, 1421-1594.
(24) - Zie arresten van 30 juli 1996, zaak C-84/95, Bosphorus, Jurispr. 1996, blz. I-3953, r.o. 11, en 17 oktober 1995, zaak C-83/94, Leifer e.a., Jurispr. 1995, blz. I-3231, r.o. 22.
(25) - Artikel 7, lid 1, sub b, van de basisbeschikking.
(26) - Artikel 7, lid 4, sub a en b.
(27) - Sommige van deze vragen zijn ter sprake gekomen in het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 28 september 1995 (zaak T-164/94, Ferchimex, Jurispr. 1995, blz. II-2681, inz. r.o. 155).
(28) - Arrest van 13 februari 1996, zaak C-143/93, Van Es Douane Agenten, Jurispr. 1996, blz. I-431, r.o. 27. Zie eveneens arresten van 9 juli 1981, zaak 169/80, Gondrand Frères, Jurispr. 1981, blz. 1931, en 22 februari 1989, gevoegde zaken 92/87 en 93/87, Commissie/Frankrijk en Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1989, blz. 405.
(29) - R.o. 29 van het arrest.
(30) - Aangehaald in voetnoot 10.
(31) - Veertiende overweging van de considerans.
(32) - Artikel 1 van besluit 86/639, aangehaald in voetnoot 13.
(33) - Aangehaald in voetnoot 14.
(34) - Achtste overweging van de considerans.
(35) - PB 1988, C 22, blz. 10.
(36) - Zie bijvoorbeeld de eerste, de vierde, de vijfde, de negende, de elfde, de zestiende, de achttiende, de negentiende, de tweeëntwintigste en de vijfentwintigste overweging van de considerans.
(37) - Zie de verwijzingen naar Zelezarna in dezelfde bepalingen waarin ook wordt verwezen naar Rudnici, aangehaald in voetnoten 31-36.
(38) - Beide aangehaald in voetnoot 28.
Full & Egal Universal Law Academy