Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 De Commissie heeft tegen de Helleense Republiek de onderhavige niet-nakomingsprocedure ingeleid wegens een reeks schendingen van het in het gemeenschapsrecht verankerde beginsel van gelijke behandeling, namelijk schendingen op grond van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en door een administratieve praktijk. In wezen gaat het om de toekenning van de hoedanigheid van groot gezin, als bedoeld in het Griekse recht, aan niet-Griekse gezinnen, en om de aan die hoedanigheid verbonden sociale uitkeringen die in de regel aan Griekse onderdanen worden voorbehouden.
2 De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
- vast te stellen dat de Helleense Republiek, door via bestuursrechtelijke bepalingen of de administratieve praktijk aan werknemers of zelfstandigen die onderdaan van een andere lidstaat zijn, en hun gezinsleden op grond van hun nationaliteit enerzijds de hoedanigheid van groot gezin met het oog op uitkeringen ten gunste van die gezinnen, en anderzijds het recht op gezinsbijslagen te ontzeggen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 48 en 52 EG-Verdrag, artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68(1), artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70(2), artikel 7 van richtlijn 75/34/EEG(3) en artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71(4);
- de Helleense Republiek in de kosten te verwijzen.
3 De Helleense Republiek concludeert dat het den Hove behage:
- het beroep te verwerpen;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
B - De feiten
4 Door klachten werd de Commissie attent gemaakt op de verweten ongelijke behandeling. Zelfs nog in de loop van de schriftelijke procedure voor het Hof, ontving de Commissie klachten. Reeds in 1992, vóór de formele inleiding van de niet-nakomingsprocedure, was de Commissie in briefwisseling met de permanente vertegenwoordiging van de Helleense Republiek. De Commissie schreef op 2 maart 1992(5) en 11 juni 1992(6) aan de permanente vertegenwoordiging, die op 23 juni 1992(7) antwoordde. De Commissie bleef erbij, dat de Griekse regeling in strijd was met het gemeenschapsrecht, en leidde bij aanmaningsbrief van 20 juli 1993(8) de niet-nakomingsprocedure in. De brief bleef onbeantwoord, zodat de Commissie op 18 mei 1995(9) een met redenen omkleed advies uitbracht en verweerster een termijn van twee maanden verleende. Bij brief van 3 augustus 1995(10) kondigde de permanente vertegenwoordiging een wetswijziging aan. De Commissie bepaalde op 13 oktober 1995(11) haar standpunt daaromtrent. Bij brief van 19 december 1995(12) zond de permanente vertegenwoordiging een wetsontwerp toe. De Commissie antwoordde daarop bij brief van 24 april 1996.(13) Tijdstip en omvang van de voorgenomen wijziging leken de Commissie onbevredigend, zodat zij op 2 mei 1996 een beroep instelde, dat op 31 mei 1996 bij het Hof is ingekomen en op 11 juli 1996 aan de Griekse regering werd meegedeeld.
5 In de loop van de procedure voor het Hof deelde de Griekse regering bij brief van 3 april 1997 mee, dat de wetgeving, zoals aangekondigd, intussen was gewijzigd bij artikel 39 van wet nr. 2459/97.(14) De Commissie nam van de wetswijziging kennis, maar handhaafde haar beroep.
6 De volgende rechtsregels zijn in het geding: 1. Wet nr. 1910/44
Artikel 1 van de wet bepaalt de materieelrechtelijke voorwaarden voor de toekenning van de hoedanigheid van groot gezin, terwijl artikel 2 gedetailleerde procesrechtelijke voorwaarden voor de toekenning van die hoedanigheid vaststelt. De artikelen 3 tot en met 12 bevatten een reeks min of meer actuele sociale voordelen.
2. Besluitwet nr. 1153/72
Deze besluitwet voorziet in de toekenning van zowel maandelijks als jaarlijks betaalbare gezinsbijslagen. De bijslagen bedragen 500 tot 1 000 DR per maand respectievelijk 2 000 tot 2 500 DR per jaar(15), naar gelang van het aantal kinderen, en zijn verbonden aan de hoedanigheid van Grieks onderdaan of volksgenoot.
3. Wet nr. 1892/90
Artikel 63 van deze wet van 31 juli 1990 kent in de leden 1 en 2 aan moeders die hun derde kind ter wereld hebben gebracht, een maandelijkse uitkering toe van 34 000 DR gedurende drie jaar of tot het kind 3 jaar is geworden. De als ouder van een groot gezin in de zin van wet nr. 1910/44 erkende moeder ontvangt krachtens lid 3 van dat artikel een maandelijkse uitkering tot haar jongste en ongehuwde kind 25 jaar is geworden.
Lid 4 voorziet ten slotte in een levenslang pensioen voor de moeder.
4. Ministerieel besluit nr. CIa/440 van 7/21 februari 1991
Het gaat om een uitvoeringsbesluit voor wet nr. 1892/90. De artikelen 2, 13 en 14 stellen bepaalde voorwaarden om de in artikel 63 van wet nr. 1892/90 bedoelde uitkeringen te ontvangen. Samenvattend moet worden onthouden, dat al deze uitkeringen zijn voorbehouden aan Griekse onderdanen of personen die tot het Griekse volk behoren. Het verlies van de nationaliteit leidt bijvoorbeeld onmiddellijk tot het verlies van het recht op uitkering.(16)
7 De Commissie is van mening, dat alle op voornoemde rechtsvoorschriften gebaseerde uitkeringen aan de Griekse nationaliteit(17) zijn verbonden, hetgeen een met het gemeenschapsrecht strijdige discriminatie op grond van nationaliteit zou opleveren. De ongelijke behandeling zou rechtstreeks op de wettelijke bepalingen berusten, of in ieder geval op een discriminerende administratieve praktijk, bijvoorbeeld bij de toepassing van wet nr. 1910/44. De ongelijke behandeling zou in strijd zijn met het gemeenschapsrechtelijke discriminatieverbod, zoals het tot uitdrukking komt in het Verdrag en het afgeleide gemeenschapsrecht.
8 De Commissie baseert zich op de artikelen 7(18), 48 en 52 van het Verdrag, alsook op artikel 7 van verordening nr. 1612/68(19), artikel 7 van verordening nr. 1251/70(20), artikel 7 van richtlijn 75/34(21) en artikel 3 van verordening nr. 1408/71.(22)
9 De uitkeringen zouden gemeen hebben, dat het om steun met een sociaal karakter, al dan niet met onderzoek naar de behoeftigheid gaat. Louter abstract beschouwd, zouden sommige uitkeringen zowel binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 1408/71 als binnen dat van verordening nr. 1612/68 kunnen vallen. In concreto zouden de omstandigheden van het geval doorslaggevend zijn. Dat een uitkering, zuiver hypothetisch, binnen de werkingssfeer van beide verordeningen kan vallen, zou door de rechtspraak(23) worden erkend.
10 Sommige van die uitkeringen zouden als gezinsbijslagen of kinderbijslagen in de zin van verordening nr. 1408/71(24) moeten worden aangemerkt. Of een uitkering onder de verordeningen nr. 1612/68, nr. 1408/71, nr. 1251/70 dan wel richtlijn 75/34 valt, zou afhangen van de persoonlijke situatie van de aanvrager. Zo zou van belang zijn, of hij in loondienst dan wel als zelfstandige werkt, of hij in het arbeidsproces is opgenomen dan wel gebruik maakt van zijn recht om verblijf te houden, en of hij eigen dan wel afgeleide rechten geldend maakt. Op verzoek van het Hof heeft de Commissie een lijst van de betrokken rechtsvoorschriften en hun potentiële werkingssfeer overgelegd.
11 Voor zover de Griekse regering zich erop beroept, dat sommige van die uitkeringen om demografische redenen worden toegekend, wijst de Commissie erop, dat volgens de rechtspraak van het Hof(25), demografische overwegingen geen discriminatie kunnen rechtvaardigen. Ten slotte zou de overlegging van een wetsontwerp tot wijziging van de bekritiseerde rechtsvoorschriften ten minste voor een deel zijn te beschouwen als een bekentenis van de noodzaak de betrokken bepalingen te wijzigen. De door de Griekse regering aangevoerde arbeidswetgeving zou geen onderwerp van het geding zijn.
12 De Griekse regering is van mening, dat het beroep ongegrond is. Bovendien zouden de grieven voor een deel niet gemotiveerd zijn. Zo zouden de uitgangssituaties onnauwkeurig zijn beschreven.
13 De rechtspositie van grote gezinnen zou door verschillende bepalingen worden geregeld. De hun toegekende rechten zouden over verschillende rechtshandelingen verspreid zijn. Alleen al de definitie van "groot gezin" zou uiteenlopen. Het grote aantal in aanmerking te nemen rechtsvoorschriften zou verklaren, dat tot nog toe niet overal rekening wordt gehouden met de burgers van de Gemeenschap. Hun erkenning als uitkeringsgerechtigden zou aan de gang zijn.
14 De uitkeringen aan leden van een groot gezin zouden gemeen hebben, dat zij op historische en sociologische gronden berusten. De bescherming van de familie zou in rang gelijk staan met een grondwetsbepaling. Een deel van de uitkeringen zou, gezien de veroudering van het Griekse volk, op demografische gronden berusten. Sommige door de Commissie genoemde bepalingen zouden achterhaald zijn. De artikelen 3, 4, 5, 6, 9 en 12 van wet nr. 1910/44 zouden intussen om verschillende redenen hun belang - meer bepaald voor het onderhavige geding(26) - hebben verloren.
15 Voor uitkeringen krachtens besluitwet nr. 1153/72(27) zou de hoedanigheid van groot gezin in de zin van wet nr. 1910/44 niet beslissend zijn. Ook burgers van de Gemeenschap zouden in het genot van die uitkeringen kunnen komen, aangezien bijlage I bij de Toetredingsakte een in artikel 21 van de Akte bedoelde lijst bevat, die onder de titel "IX - Sociale politiek", aan bijlage V bij verordening nr. 1408/71 de rubriek "E. Griekenland" heeft toegevoegd, die een definitie bevat van de werknemers die recht hebben op kinderbijslagen.(28)
16 De uitkeringen krachtens artikel 63 van wet nr. 1892/90(29) zouden worden toegekend om doelstellingen van demografische aard te verwezenlijken. Zij zouden het karakter hebben van een onderscheiding voor de bijzondere bijdrage voor de samenleving van de moeder van een groot gezin. Met name het levenslange pensioen zou "eershalve" worden toegekend. Juist dit pensioen zou niet onder verordening nr. 1408/71 of verordening nr. 1612/68 kunnen vallen. Voor zover demografische gronden alleen niet volstaan om de toekenning van uitkeringen aan personen die tot het Griekse volk behoren, te rechtvaardigen, zou het verdergaande element van de morele erkenning van de bijdrage voor het algemeen belang, in aanmerking moeten worden genomen. Dienaangaande zou moeten worden verwezen naar de rechtspraak van het Hof in de zaken Even en De Vos.(30) Wat de andere in artikel 63 van wet nr. 1892/90 genoemde uitkeringen betreft, zou overigens een wetswijziging aan de gang zijn. De arbeidswetgeving zou hoe dan ook worden herzien, om ze aan de vereisten van het gemeenschapsrecht aan te passen.
17 De door de Griekse regering bij brief van 3 april 1997 meegedeelde wijziging van de wet(31) bij artikel 39 van wet nr. 2459/97, heeft in wezen de volgende inhoud: de artikelen 1 en 2 van wet nr. 1910/44 (definitie en procedure voor de erkenning van een gezin als groot gezin) worden uitdrukkelijk tot burgers van de Gemeenschap uitgebreid.(32) De in artikel 63, leden 1 tot en met 3, beschreven uitkeringen (maandelijks betaalbare gezinsbijslagen voor de moeder) worden uitdrukkelijk ook voor gemeenschapsonderdanen toegankelijk gemaakt, onder dezelfde voorwaarden als voor Grieken gelden.(33)
C - Standpuntbepaling
a - Ontvankelijkheid
18 Gezien de in de loop van de schriftelijke behandeling opgetreden wetswijziging, rijst ten minste voor een deel de vraag van het procesbelang in de onderhavige zaak.
19 Door het feit dat de Griekse regering wetsbepalingen heeft vastgesteld, die - laten wij dit aannemen - ten minste voor een deel aan de grieven tegemoetkomen, zou de hoofdzaak gedeeltelijk kunnen zijn afgedaan. In de praktijk van het Hof is het echter ongebruikelijk, in een niet-nakomingsprocedure te verklaren dat de zaak is afgedaan. Dat houdt verband met de bijzonderheden van de betrokken procedure. Enerzijds gebeurt het niet zelden, dat de Commissie, als verzoekster in de niet-nakomingsprocedure, het geding regelmatig beëindigt door afstand te doen van instantie, wanneer de met het Verdrag onverenigbare toestand is verholpen. De structuur van de niet-nakomingsprocedure, met haar verplichte precontentieuze procedure, heeft tot doel, in ieder stadium van het geding een minnelijke schikking mogelijk te maken.(34) Anderzijds moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof, het bestaan van een procesbelang worden bevestigd, wanneer de gewraakte gedraging aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog voortduurt.(35)
20 Onbetwistbaar was de door de Commissie bekritiseerde regeling aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn in volle omvang van kracht. Het bestaan van een procesbelang kan dus in beginsel zonder verder onderzoek worden aangenomen.
b - Gegrondheid
21 Het in het Verdrag verankerde discriminatieverbod is een van de grondpijlers van de communautaire rechtsorde. Het is inherent aan de fundamentele vrijheden. In het kader van het vrije verkeer van personen baseert men zich dus terecht op de artikelen 6, 48, lid 2, en 52 van het Verdrag. Het verbod van ongelijke behandeling op grond van nationaliteit wordt geconcretiseerd in handelingen van afgeleid gemeenschapsrecht. Zo wordt het operationeel op het gebied van de betrokken regeling.
22 Verordening nr. 1612/68 bepaalt bijvoorbeeld in artikel 7, leden 1 en 2:
"1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.
2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers."
Verordening nr. 1408/71 bepaalt bijvoorbeeld in artikel 3, lid 1:
"Personen die op het grondgebied van een der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening."
Luidens artikel 7 van verordening nr. 1251/70 wordt "het recht op gelijkheid van behandeling, erkend in verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad, (...) gehandhaafd ten behoeve van degenen op wie deze verordening van toepassing is".
Richtlijn 75/34, van haar kant, bepaalt in artikel 7: "De lidstaten handhaven voor de begunstigden van het recht op voortgezet verblijf, het recht op gelijkheid van behandeling, erkend in de richtlijnen van de Raad inzake de opheffing van de beperking van de vrijheid van vestiging, krachtens titel III van het Algemeen Programma, dat in deze opheffing voorziet."
23 Samenvattend kan worden onthouden, dat het gemeenschapsrechtelijke beginsel van gelijke behandeling van werknemers en zelfstandigen geldt tijdens hun beroepsleven en ook daarna, voor zover zij van hun recht op voortgezet verblijf gebruik maken. Gezien de personele werkingssfeer van de desbetreffende teksten, kunnen ook de gezinsleden van de betrokken personen zich op het beginsel van gelijke behandeling beroepen.
24 Alle betrokken prestaties van het Griekse recht zijn prestaties van sociale aard, die hetzij binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 vallen, hetzij door artikel 7 van verordening nr. 1612/68 worden beheerst. De materiële werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 wordt in artikel 4 gedefinieerd als volgt:
"1. Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:
(...)
h) gezinsbijslagen
(...)"
25 Volgens vaste rechtspraak kan een uitkering als een socialezekerheidsuitkering worden aangemerkt, "wanneer zij de rechthebbenden zonder enige discretionaire, individuele beoordeling van hun persoonlijke behoeften wordt toegekend op basis van een wettelijk omschreven situatie, en zij verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 genoemde risico's".(36)
26 Artikel 1, sub u, bevat een definitie van gezinsbijslagen en kinderbijslag. Volgens die bepaling "i) worden onder $gezinsbijslagen' verstaan alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, onder h, bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte; ii) wordt onder $kinderbijslag' verstaan de periodieke uitkeringen welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend".
In bijlage II bij de verordening zijn voor Griekenland geen uitkeringen bij geboorte vermeld. Het heet daar uitdrukkelijk: "niet van toepassing".
27 Zoals de Commissie terecht betoogt, is inderdaad de concrete situatie van de rechthebbenden beslissend, om definitief te kunnen beoordelen, welke van voornoemde bepalingen van gemeenschapsrecht toepassing vindt. Op het abstracte vlak van de niet-nakomingsprocedure is dat onderzoek niet mogelijk. Dat belet echter in beginsel niet, een met het gemeenschapsrecht strijdige schending van het gelijkheidsbeginsel vast te stellen. Alle genoemde bepalingen geven immers uitdrukking aan het gemeenschapsrechtelijke verbod van discriminaties op grond van nationaliteit.
1. Wet nr. 1910/44
28 Onbetwistbaar regelen de artikelen 1 en 2 van wet nr. 1910/44 de voorwaarden en de procedure voor het verkrijgen van de formeel-juridische status van "groot gezin". Ofschoon die bepalingen niet uitdrukkelijk de Griekse nationaliteit vereisen, moet ervan worden uitgegaan, dat de erkenning in een vaste administratieve praktijk was voorbehouden aan personen die tot het Griekse volk behoren. Daarvan getuigen enerzijds de klachten die de Commissie tot handelen hebben aangezet. Anderzijds laat ook de verdediging van de Griekse regering vermoeden, dat de toekenning van de hoedanigheid van groot gezin in de zin van de betrokken bepalingen, aan gemeenschapsonderdanen werd geweigerd, aangezien die regering zich eerst alleen op de verouderde inhoud van de wet heeft beroepen, maar de toepassing van de artikelen 1 en 2 van wet nr. 1910/44 dan toch bij wet nr. 2459/97 tot gemeenschapsonderdanen werd uitgebreid.
29 Zelfs indien - zoals de Griekse regering stelt - de artikelen 3, 4, 5, 6, 9 en 12 van wet nr. 1910/44 achterhaald zouden zijn, blijven - zoals de Commissie ter terechtzitting ook uitdrukkelijk heeft opgemerkt - de artikelen 7, 8, 10 en 11 van actueel belang. Zij regelen sociale voordelen, voor het verkrijgen waarvan de erkenning als groot gezin in de zin van de artikelen 1 en 2 een absolute voorwaarde is. Artikel 7 van de wet betreft bijvoorbeeld de vermindering van alle op rechtsgedingen vallende kosten met de helft. Artikel 8 regelt bepaalde belastingverlagingen en -vrijstellingen. Artikel 10 betreft, naast bepaalde voordelen in de openbare dienst, de verlaging van de tarieven van het openbaar vervoer. Artikel 11 regelt financiële steun, bijvoorbeeld voor de verzorging van minderjarige of zieke kinderen, of uitkeringen als bijdrage in de financiering van de uitzet van dochters.
2. Besluitwet nr. 1153/72
30 Deze besluitwet bevat een rechtstreekse discriminatie op grond van nationaliteit, doordat zij uitdrukkelijk vereist, dat de begunstigden de Griekse nationaliteit bezitten. Weliswaar plaatst de Griekse regering zich op het standpunt, dat de Toetredingsakte de toekenningsvoorwaarden tot gemeenschapsonderdanen heeft uitgebreid. De Toetredingsakte bevat echter enkel een definitie van de werknemers die recht hebben op kinderbijslagen, met het oog op de toepassing van verordening nr. 1408/71. De toekenningsvoorwaarden worden daarbij niet genoemd. Zelfs wanneer deze impliciet een rol zouden spelen in het kader van de toepassing van verordening nr. 1408/71, verandert dat niets aan de in dat geval dubbelzinnige formulering van besluitwet nr. 1153/72. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de wijziging van een administratieve praktijk niet voldoende om een met het Verdrag onverenigbare wettelijke regeling te verhelpen.(37) De betrokken bepalingen moeten ondubbelzinnig aan de vereisten van het gemeenschapsrecht worden aangepast.
3. Wet nr. 1892/90
31 Bij de in artikel 63, leden 1 tot en met 3, van de wet bedoelde uitkeringen gaat het om gezinsbijslagen in de zin van verordening nr. 1408/71, die krachtens ministerieel besluit nr. CIa/440 van 7/21 februari 1991 uitdrukkelijk aan Grieken zijn voorbehouden. Demografische gronden, waarop de Griekse regering de toekenning van de uitkeringen baseert, kunnen echter volgens vaste rechtspraak van het Hof(38) geen discriminatie op grond van nationaliteit rechtvaardigen. Het gaat bij die bepalingen ook niet om een uitlegging van het nationaal recht, die, uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, aanleiding kan geven tot misverstand, maar om een uitdrukkelijk na de toetreding tot de Europese Gemeenschap vastgestelde discriminerende regeling.
32 Hetzelfde geldt echter ook voor het pensioen dat krachtens artikel 63, lid 4, van de wet wordt toegekend. Als "periodieke uitkering welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd wordt toegekend", is het als kinderbijslag in de zin van verordening nr. 1408/71 te beschouwen. Ook de echtgenoot van een werknemer kan zich binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 op het in artikel 3 van de verordening bedoelde beginsel van gelijke behandeling beroepen.(39)
33 Zelfs indien twijfel omtrent de indeling van de uitkering in de categorieën van verordening nr. 1408/71 zou bestaan, moet er in elk geval van worden uitgegaan, dat het om een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 gaat. Sociale voordelen worden in vaste rechtspraak van het Hof gedefinieerd als alle voordelen "die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemers-onderdanen van andere lidstaten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken".(40) Zelfs wanneer de moeder van het grote gezin zelf niet de hoedanigheid van werknemer zou bezitten, zou het volstaan dat de vader als werknemer in de zin van de betrokken bepaling zou zijn te beschouwen, aangezien volgens artikel 10 van verordening nr. 1612/68 ook de echtgenoot van de werknemer een begunstigde van de verordening is. De gelijke behandeling van de gezinsleden op het gebied van de sociale voordelen, bedoeld in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, wordt in vaste rechtspraak erkend.(41) Daaruit volgt, dat het in artikel 63, lid 4, van de wet bedoelde pensioen, aan moeders met verschillende kinderen, die gemeenschapsonderdanen zijn, moet worden toegekend onder dezelfde voorwaarden als aan Griekse vrouwen.
34 Tegen het argument van de Griekse regering, dat het pensioen "eershalve" wordt toegekend ter erkenning van de verdiensten van moeders van grote gezinnen, en dus aan Griekse vrouwen moet worden voorbehouden, moet worden ingebracht, dat de bijdrage voor de samenleving, van moeders die onderdaan zijn van de Gemeenschap, vergelijkbaar is met die van Griekse vrouwen. Men kan ervan uitgaan, dat in Griekenland wonende ouders en kinderen van een groot gezin belastingen en sociale bijdragen aan het Griekse stelsel betalen. Het maatschappelijk nut gaat dus veel verder dan een morele bijdrage. De rechtspraak in de zaken Even en De Vos, waar het ging om een voordeel bij het ontvangen van het ouderdomspensioen, wegens in oorlogstijd voor het land doorstane beproevingen(42), respectievelijk om een gedeeltelijke compensatie op het gebied van de sociale verzekering, van de aan de dienstplicht verbonden nadelen(43), kan niet worden getransponeerd op het onderhavige geval. Dit is niet te vergelijken met de situatie van het persoonlijke offer voor het land waarvan de begunstigde de nationaliteit bezit. Voor zover het in artikel 63, lid 4, van wet nr. 1892/90 bedoelde voordeel moet worden geacht binnen de materiële werkingssfeer van de verordeningen nrs. 1408/71 respectievelijk 1612/68 te vallen, wordt het hier ingenomen standpunt ook bevestigd door het arrest Mora Romero(44), waarin perioden gedurende welke een opleiding door dienstplicht - ook in een andere lidstaat - is onderbroken, werden erkend als tijdvakken die in aanmerking komen in het kader van de uitkering van een wezenrente.
35 Ten slotte moet worden ingegaan op artikel 39 van wet nr. 2459/97. De Commissie heeft gelijk, dat die wet de met het Verdrag onverenigbare toestand slechts gedeeltelijk heeft verholpen. De dubbelzinnige versie van besluitwet nr. 1153/72 blijft bestaan. De in artikel 63 van wet nr. 1892/90 bedoelde uitkeringen worden slechts gedeeltelijk voor gemeenschapsonderdanen toegankelijk gemaakt. Daarbij komt de verzwarende omstandigheid, dat wet nr. 1892/90 juncto ministerieel besluit nr. CIa/440 van 7/21 februari 1991 eerst geruime tijd na de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Gemeenschap werd vastgesteld. Met betrekking tot de in artikel 63, lid 4, van wet nr. 1892/90 bedoelde uitkeringen blijft de Griekse regering erbij, een discriminatie op demografische gronden te kunnen rechtvaardigen. Zelfs met inachtneming van wet nr. 2459/97(45) zou dus een niet-nakoming door de Helleense Republiek moeten worden vastgesteld. Dat is echter niet belangrijk, aangezien de situatie aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn een niet-nakoming oplevert. De vordering van de Commissie moet dus in volle omvang worden toegewezen.
Kosten
Volgens artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verweerster volgens de hier voorgestelde oplossing in het ongelijk zou worden gesteld, zou zij de kosten hebben te dragen.
D - Conclusie
36 Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
"1) Door via bestuursrechtelijke bepalingen en de administratieve praktijk aan werknemers of zelfstandigen die onderdaan van een andere lidstaat zijn, en hun gezinsleden op grond van hun nationaliteit enerzijds de hoedanigheid van groot gezin met het oog op uitkeringen ten gunste van die gezinnen, en anderzijds het recht op gezinstoelagen te ontzeggen, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens het gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 48 en 52 EG-Verdrag, artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld, artikel 7 van richtlijn 75/34/EEG van de Raad van 17 december 1974 betreffende het recht van onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verblijf te houden na er een werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend, en artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten."
(1) - Verordening van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).
(2) - Verordening van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld (PB L 142, blz. 24).
(3) - Richtlijn van de Raad van 17 december 1974 betreffende het recht van onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verblijf te houden na er een werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend (PB 1975, L 14, blz. 10).
(4) - Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, geconsolideerde versie (PB 1997, L 28, blz. 4).
(5) - Referentie nr. 3411, zie bijlage I bij het verzoekschrift.
(6) - Referentie nr. 9495, zie bijlage I bij het verzoekschrift.
(7) - Referentie nr. AM 3082/A/5458, zie bijlage II bij het verzoekschrift.
(8) - Referentie nr. SG (93) D/12255, zie bijlage IV bij het verzoekschrift.
(9) - Referentie nr. SG (95) D/6528 = E (95) 0578, zie bijlage V bij het verzoekschrift; de brief draagt de datum 18 mei 1995, terwijl het met redenen omkleed advies is gedateerd 22 mei 1995. In het verzoekschrift zelf wordt 14 juni 1995 vermeld als datum van verzending van het met redenen omkleed advies.
(10) - Referentie nr. 3082.5/A/4348, zie bijlage A bij het verweerschrift.
(11) - Referentie nr. 1423, zie bijlage B bij het verweerschrift.
(12) - Referentie nr. 3082.5/A/6433, zie bijlage VI bij het verzoekschrift.
(13) - Referentie nr. 0685, zie bijlage VII bij het verzoekschrift, stemt overeen met bijlage Ä bij het verweerschrift.
(14) - Gepubliceerd in het Grieks Staatsblad, deel I, nr. 17, van 18 februari 1997.
(15) - Zie de artikelen 3, 4 en 7 van de besluitwet.
(16) - Zie, bijvoorbeeld, artikel 13, lid 2, sub d, en artikel 14, lid 1, sub c, van het ministerieel besluit.
(17) - Het gaat om de hoedanigheid van Grieks onderdaan of volksgenoot. Wanneer hierna van nationaliteit wordt gesproken, moet dat woord in deze ruime zin worden opgevat.
(18) - Weliswaar baseert de Commissie zich in haar verzoekschrift op artikel 7 van het Verdrag, maar het algemene discriminatieverbod is door het Verdrag van Maastricht naar artikel 6 verwezen.
(19) - Verordening aangehaald in voetnoot 1.
(20) - Verordening aangehaald in voetnoot 2.
(21) - Richtlijn aangehaald in voetnoot 3.
(22) - Verordening aangehaald in voetnoot 4.
(23) - Arrest van 10 maart 1993, Commissie/Luxemburg (C-111/91, Jurispr. blz. I-817, punt 21).
(24) - Zie artikel 1, sub u.
(25) - Arrest van 14 januari 1982, Reina (65/81, Jurispr. blz. 33, punt 15).
(26) - Zie artikel 5 van de wet, dat voorziet in vrijstelling van militaire dienst.
(27) - Zie hierboven, punt 6, 2.
(28) - Zie PB 1979, L 291, blz. 99, 101.
(29) - Zie hierboven, punt 6, 3.
(30) - Zie arresten van 31 mei 1979, Even (207/78, Jurispr. blz. 2019), en 14 maart 1996, De Vos (C-315/94, Jurispr. blz. I-1417).
(31) - Grieks Staatsblad, deel I, nr. 17, van 18 februari 1997.
(32) - Zie artikel 39, lid 5, van wet nr. 2459/97.
(33) - Zie artikel 39, lid 6, van wet nr. 2459/97.
(34) - Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft de precontentieuze procedure ook tot doel, de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen na te komen. Zie arresten van 4 december 1997, Commissie/Italië (C-207/96, Jurispr. blz. I-6869, punt 17), en 20 maart 1997, Commissie/Duitsland (C-96/95, Jurispr. blz. I-1653, punt 22).
(35) - Zie arresten van 18 december 1997, Commissie/Spanje (C-361/95, Jurispr. blz. I-7351, punten 13 en 14); 10 september 1996, Commissie/Duitsland (C-61/94, Jurispr. blz. I-3989, punt 42), en 1 juni 1995, Commissie/Griekenland (C-123/94, Jurispr. blz. I-1457, punt 7).
(36) - Zie arrest Commissie/Luxemburg (aangehaald in voetnoot 23, punt 29, met andere verwijzingen).
(37) - Zie arresten van 13 maart 1997, Commissie/Frankrijk (C-197/96, Jurispr. blz. I-1489, punt 14), en 7 maart 1996, Commissie/Frankrijk (C-334/94, Jurispr. blz. I-1307, punt 30).
(38) - Zie arrest Reina, aangehaald in voetnoot 25.
(39) - Arrest van 30 april 1996, Cabanis-Issarte (C-308/93, Jurispr. blz. I-2097, punt 44).
(40) - Arrest van 27 november 1997, Meints (C-57/96, Jurispr. blz. I-6689, punt 39).
(41) - Zie arrest Cabanis-Issarte, punt 38.
(42) - Zie arrest Even (aangehaald in voetnoot 30, punt 23).
(43) - Zie arrest De Vos (aangehaald in voetnoot 30, punt 21).
(44) - Arrest van 25 juni 1997 (C-131/96, Jurispr. blz. I-3659).
(45) - Zie, voor de inhoud van de wet, hierboven, punt 17.
Full & Egal Universal Law Academy