Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1 In deze hogere voorziening vordert de Commissie vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 28 maart 1996, in zaak T-40/95, V/Commissie(1), waarin het Gerecht het besluit van de Commissie van 18 januari 1995 houdende tuchtrechtelijk ontslag van V nietig heeft verklaard wegens ontoereikende motivering.
De relevante gemeenschapsbepalingen
2 Artikel 190 EG-Verdrag bepaalt:
"De verordeningen, richtlijnen en beschikkingen die door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk worden aangenomen, en de verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Raad of van de Commissie worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens dit Verdrag moeten worden gevraagd."
3 Artikel 25, tweede alinea, Ambtenarenstatuut bepaalt:
"Elk besluit dat overeenkomstig dit statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht. Iedere voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed."
De feiten
4 De feiten van de zaak, zoals weergegeven in het arrest van het Gerecht, zijn de volgende:
"1 [V] is een voormalig ambtenaar van de Commissie in de rang C 3.
2 Op 24 mei 1991 namen [V], zijn echtgenote en een van zijn collega's, de heer K., deel aan het schriftelijk examen boekhouding en accountantscontrole van het door de Commissie en de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen gezamenlijk georganiseerde (...) algemeen vergelijkend onderzoek EUR/B/21. Op 10 juli 1991 deelde een van de correctoren van het schriftelijk examen de jury van het vergelijkend onderzoek schriftelijk mee, dat hij had vastgesteld dat de bewoordingen van de antwoorden van de drie kandidaten op een aantal vragen betreffende boekhouding en accountantscontrole onderling overeenkomsten vertoonden, en dat bepaalde antwoorden overeenkomsten vertoonden met het handboek voor accountantscontrole van de Rekenkamer.
3 Bij brief van 19 februari 1992 stelde het tot aanstelling bevoegd gezag [V] officieel in kennis van zijn op diezelfde dag genomen besluit om een tuchtprocedure tegen hem in te leiden, omdat hij ervan werd verdacht tijdens het vergelijkend onderzoek EUR/B/21 contact te hebben gehad met twee andere kandidaten (...)
6 (...) [V] gaf toe, dat hij tijdens het examen van het vergelijkend onderzoek EUR/B/21 doorslagen van zijn kladblaadjes zowel aan zijn vrouw als aan de heer K. had doorgegeven. Hij ontkende echter, dat hij vóór het examen van 24 mei 1991 kennis had gehad van de vragen en/of van modelantwoorden van het schriftelijk examen.
7 Op 17 februari 1993 besloot het tot aanstelling bevoegd gezag (...) de tuchtraad in te schakelen (...)
8 In zijn advies van 11 juni 1993 beval de tuchtraad het tot aanstelling bevoegd gezag (...) aan, [V] een berisping te geven (...) De tuchtraad stelde vast, dat [V] zijn statutaire verplichtingen had geschonden doordat hij, naar hij zelf toegaf, tijdens het schriftelijk examen kladblaadjes had doorgegeven aan twee kandidaten, maar achtte niet bewezen, dat hij vooraf kennis had gehad van de vragen en/of van de modelantwoorden.
9 Op 28 juli 1993 werd de heer K. door het tot aanstelling bevoegd gezag gehoord. Tijdens dit verhoor verklaarde K., dat [V] zelf hem daags vóór het schriftelijk examen had meegedeeld, dat hij beschikte over de vragen die op het schriftelijk examen zouden worden gesteld. Hij zou die vragen hebben verkregen via een netwerk binnen het Beveiligingsbureau te Luxemburg, dat aan een klein aantal personen informatie had verstrekt over de examens van de vergelijkende onderzoeken (...)
10 Bij nota van 17 september 1993 stelde het tot aanstelling bevoegd gezag [V] officieel in kennis van zijn besluit de tegen hem ingeleide tuchtprocedure tijdelijk te schorsen, teneinde het administratief onderzoek voort te zetten $gelet op de nieuwe feiten die tijdens de onlangs afgenomen verhoren aan het licht zijn gekomen' (...)
11 Bij een aanvullend rapport van 5 november 1993 heropende het tot aanstelling bevoegd gezag de procedure tegen [V] voor de tuchtraad (...)
15 Op 11 oktober 1994 bracht de tuchtraad (...) een tweede advies uit, waarvan het laatste gedeelte luidde als volgt:
$De tuchtraad beveelt het tot aanstelling bevoegd gezag met meerderheid van stemmen aan, jegens V de in artikel 86, lid 2, sub e, bedoelde tuchtmaatregel te treffen, dat wil zeggen terugzetting naar de rang C 4 met behoud van salaristrap, met name op grond dat de meerderheid van zijn leden ervan overtuigd is, dat V vóór het examen in het bezit was van de vragen.'
16 Bij besluit van 18 januari 1995 trof het tot aanstelling bevoegd gezag jegens [V] de in artikel 86, lid 2, sub f, van het Statuut bedoelde tuchtmaatregel, te weten tuchtrechtelijk ontslag, per 1 maart 1995. Dit besluit werd als volgt gemotiveerd:
$(...) overwegende dat V zowel blijkens de verslagen van zijn verhoren als blijkens de adviezen van de tuchtraad heeft toegegeven, tijdens het schriftelijk examen kladblaadjes te hebben doorgegeven aan K. (...)
overwegende dat het gedrag van V heeft plaatsgevonden onder de hierna beschreven verzwarende omstandigheden;
overwegende dat uit de examenstukken van K. blijkt, dat zijn antwoord (...) erg veel gelijkenis vertoont met het antwoord van V;
(...)
overwegende dat uit het dossier blijkt, dat de antwoorden niet kunnen zijn ontleend aan het handboek voor accountantscontrole van de Rekenkamer (...)
(...) dat dus moet worden vastgesteld, dat V in het bezit was van het modelantwoord (...) en wel noodzakelijkerwijs voordat hij de examenzaal betrad; dat hij dus gebruik heeft gemaakt van een lek;
overwegende dat V aldus willens en wetens heeft geprobeerd het resultaat van het algemeen vergelijkend onderzoek te vervalsen, in strijd met het beginsel, dat sollicitanten naar een functie als Europees ambtenaar bij de examens van algemene vergelijkende onderzoeken in een gelijke positie moeten verkeren;
overwegende dat die gedraging dus een ernstig gevaar inhield, dat voor het examen van dit algemeen vergelijkend onderzoek kandidaten zouden slagen die niet werkelijk de vereiste beroepskennis bezaten, waardoor zowel de andere kandidaten waren benadeeld als de belangen van de instelling waren geschaad;
overwegende dat [V] door zijn weigering enige aanwijzing te verschaffen omtrent de oorsprong van het betrokken modelantwoord, is tekortgeschoten in zijn plicht, in het belang van de instelling mee te werken aan het achterhalen van de waarheid;
overwegende dat [V] als voormalig inspecteur van de Belgische politie en voormalig ambtenaar van het Beveiligingsbureau (...) grote verantwoordelijkheid bezat en vertrouwensposities bekleedde;
overwegende dat de instelling van haar ambtenaren en inzonderheid van een voormalig ambtenaar van het Beveiligingsbureau uit hoofde van de aard zelf van de uitgeoefende functies een onberispelijke eerlijkheid mag verwachten;
in overweging genomen de buitengewone ernst van het gedrag van [V], die misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat tussen de ambtenaar en zijn instelling dient te bestaan;
overwegende dat het om deze redenen en mede gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval noodzakelijk en gerechtvaardigd blijkt, [V] een zwaardere tuchtmaatregel op te leggen dan de door de tuchtraad aanbevolen maatregel'."
De procedure voor het Gerecht
5 Op 17 februari 1995 stelde V bij het Gerecht beroep in tot nietigverklaring van dit besluit. Ter ondersteuning van zijn beroep voerde hij vijf middelen aan. In het licht van de feiten was het Gerecht van oordeel, dat het laatste middel, inzake schending van het evenredigheidsbeginsel en ontoereikende motivering, als eerste moest worden onderzocht.
6 Het Gerecht overwoog:
"35 Volgens vaste rechtspraak van het Hof en van het Gerecht heeft de verplichting om een bezwarend besluit te motiveren ten doel, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is, en om rechterlijke toetsing mogelijk te maken (...)
36 Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag jegens een ambtenaar een tuchtmaatregel treft, moet het in de motivering van zijn besluit nauwkeurig aangeven, welke feiten de ambtenaar ten laste worden gelegd, en welke overwegingen het tot aanstelling bevoegd gezag tot de gekozen tuchtmaatregel hebben gebracht. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, de door het tot aanstelling bevoegd gezag getroffen tuchtmaatregel zwaarder is dan de door de tuchtraad voorgestelde tuchtmaatregel, moet in het besluit ook omstandig worden aangegeven, om welke redenen het tot aanstelling bevoegd gezag is afgeweken van het advies van de tuchtraad (...)
40 (...) in wezen was de omstandigheid dat [V] vóór het examen over het modelantwoord zou hebben beschikt, zowel voor de tuchtraad als voor het tot aanstelling bevoegd gezag (...) doorslaggevend bij de beoordeling van de intrinsieke ernst van de aan [V] te last gelegde feiten.
41 Het tot aanstelling bevoegd gezag komt evenwel tot de conclusie, dat [V's] gedrag nog ernstiger is dan door de tuchtraad is vastgesteld, doch geeft geen omstandige precisering, door middel van een aanvullende motivering, van de redenen waarom het van het advies van de tuchtraad is afgeweken.
(...)
50 (...) de door het tot aanstelling bevoegd gezag aangevoerde (...) omstandigheden [kunnen] in het onderhavige geval niet (...) rechtvaardigen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag [V] tuchtrechtelijk ontslaat in de plaats van de door de tuchtraad aanbevolen maatregel van terugzetting in rang te treffen.
51 (...) het besluit [had] een omstandige motivering moeten bevatten en moeten vermelden, om welke redenen het tot aanstelling bevoegd gezag geen rekening heeft gehouden met de verzachtende omstandigheden waardoor de tuchtraad zich bij zijn keuze van de aanbevolen tuchtmaatregel had laten leiden.
(...)
53 Gelet op het voorgaande dient het besluit van de Commissie van 18 januari 1995 waarbij [V] tuchtrechtelijk is ontslagen, nietig te worden verklaard wegens ontoereikende motivering, zonder dat op de overige middelen en argumenten van [V] behoeft te worden ingegaan."
Middelen en argumenten van partijen in hogere voorziening
7 In deze hogere voorziening concludeert de Commissie tot vernietiging van het arrest van het Gerecht. Hiertoe voert zij drie middelen aan. In de eerste plaats zou het Gerecht de draagwijdte van de motiveringsplicht onjuist hebben beoordeeld. In de tweede plaats zou het de door het tot aanstelling bevoegd gezag als verzwarend aangemerkte omstandigheden rechtens verkeerd hebben gekwalificeerd. Voorts zou de opvatting van het Gerecht, dat het bestreden besluit zich had moeten uitspreken over de door de tuchtraad aangevoerde verzachtende omstandigheden, op een rechtsdwaling berusten. En ten slotte zou het Gerecht de mate van bewijs die vereist is voor de vaststelling van een tuchtrechtelijk vergrijp, verkeerd hebben beoordeeld.
8 V stelt, dat hogere voorziening bij het Hof volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG enkel rechtsvragen kan betreffen. Aangezien de hogere voorziening in casu enkel betrekking heeft op feitelijke beoordelingen, is zij niet-ontvankelijk. Subsidiair concludeert V tot afwijzing van de hogere voorziening.
Het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel van de Commissie
9 In het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel stelt de Commissie, dat de conclusie van het Gerecht, dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, grondslag mist. In dit verband wijst de Commissie erop, dat het Gerecht eisen stelt die verder gaan dan de verwezenlijking van de belangen die met de motiveringsplicht worden nagestreefd: de betrokkene en de rechter in staat stellen te toetsen of de aangevoerde omstandigheden de gekozen sanctie kunnen rechtvaardigen.
De motiveringsplicht is in casu volledig in acht genomen, nu het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag uitdrukkelijk de redenen vermeldt waarom dat gezag V een zwaardere tuchtmaatregel oplegt dan door de tuchtraad voorgesteld. Het Gerecht verwart in dit verband de klacht betreffende onvoldoende motivering met een mogelijke klacht dat de in het besluit gegeven redenen ongegrond zijn. De Commissie was zich bewust van de verzachtende omstandigheden, maar heeft deze niet in haar besluit vermeld, omdat de verzwarende omstandigheden deze in casu geheel in de schaduw stelden.
10 V stelt, dat het middel betreffende de omvang van de motivering niet-ontvankelijk is, omdat de Commissie in werkelijkheid van het Hof een nieuwe beoordeling van de feiten wil krijgen, hetgeen in strijd is met artikel 51 van s' Hofs Statuut-EG. Ten gronde merkt hij op, dat het Gerecht terecht heeft vastgesteld, dat de motiveringsplicht was geschonden, met name doordat het tot aanstelling bevoegd gezag de door de tuchtraad vermelde verzachtende omstandigheden niet in aanmerking had genomen.
Ontvankelijkheid
11 In zijn arrest van 20 februari 1997 (zaak C-166/95 P, Daffix)(2), waarin het eveneens ging om een motiveringsklacht in verband met een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om een ambtenaar een zwaardere tuchtmaatregel op te leggen dan de tuchtraad had aanbevolen, overwoog het Hof:
"(...) de verplichting om een bezwarend besluit te motiveren, heeft ten doel de gemeenschapsrechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen, of het besluit gegrond is (...)
Het ontbreken van een motivering of een ontoereikende motivering, waardoor deze rechterlijke toetsing wordt belemmerd, zijn bijgevolg middelen van openbare orde die ambtshalve door de gemeenschapsrechter kunnen en moeten worden opgeworpen (...)
(...) het onderzoek van dergelijke middelen kan derhalve in elke stand van het geding plaatsvinden (...)" (r.o. 23, 24 en 25).
12 In de zaak Daffix heeft het Hof dus vastgesteld, dat het in het kader van een hogere voorziening bevoegd was zich uit te spreken over de vraag, of het Gerecht het motiveringsvereiste van artikel 190 van het Verdrag en artikel 25 van het Statuut verkeerd heeft beoordeeld, omdat dit een rechtsvraag is. Bij de wettigheidstoetsing die het Hof aldus uitoefent, moet het Hof noodzakelijkerwijs uitgaan van de feiten die het Gerecht ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie, dat de motivering al dan niet toereikend is.
13 V's exceptie van niet-ontvankelijkheid kan mijns inziens daarom niet slagen.
Ten gronde
14 In het bestreden arrest was het Gerecht van oordeel, dat V's middel inzake "schending van het evenredigheidsbeginsel en ontoereikende motivering" als eerste moest worden onderzocht. Na de rechtspraak betreffende het motiveringsvereiste te hebben weergegeven, overwoog het Gerecht in rechtsoverweging 37, dat moest worden nagegaan of in casu aan de motiveringsplicht was voldaan. In de rechtsoverwegingen 38 tot en met 42 stelt het Gerecht de feiten vast. In de rechtsoverwegingen 43 tot en met 50 onderzoekt het, of de door het tot aanstelling bevoegd gezag aangevoerde gronden een zwaardere tuchtmaatregel kunnen rechtvaardigen dan door de tuchtraad aanbevolen, en in rechtsoverweging 53 verklaart het Gerecht het besluit nietig wegens ontoereikende motivering.
15 Uit het bestreden arrest komt mijns inziens echter niet duidelijk naar voren, over welke middelen het Gerecht zich daadwerkelijk heeft uitgesproken. Daar het arrest voor de nietigverklaring van het bestreden besluit enkel de ontoereikende motivering vermeldt, lijkt het er op het eerste gezicht op, dat dat het enige element is waarover het Gerecht zich heeft uitgesproken. Beziet men het arrest echter in zijn geheel, dan blijkt dat het behandelde middel niet enkel over de motivering klaagt, maar ook over schending van het evenredigheidsbeginsel, en dat het Gerecht zich in de rechtsoverwegingen 43 tot en met 50 uitspreekt over de vraag of het evenredigheidsbeginsel is geschonden, en in de rechtsoverwegingen 51, 52 en 53 over de vraag of aan de motiveringsplicht is voldaan.
16 Dit zijn echter twee verschillende vragen, die het Gerecht op deze manier tot één vraag lijkt samen te smelten. Bij de vraag of de motivering gebrekkig of ontoereikend is, moet worden onderzocht, of uit het bestreden besluit voldoende duidelijk naar voren komt, waarom het tot aanstelling bevoegd gezag heeft besloten niet de door de tuchtraad aanbevolen tuchtmaatregel op te leggen. Die vraag heeft dus een min of meer formeel karakter. De tweede vraag, betreffende de schending van het evenredigheidsbeginsel, is van zuiver materiële aard. Daarbij moet worden onderzocht, of de aangevoerde gronden een toereikende grondslag bieden voor de oplegging van de gekozen tuchtmaatregel. Met andere woorden, waar het er in de eerste vraag om gaat óf er een motivering is gegeven, gaat het er bij de tweede vraag om of de gegeven motivering houdbaar is.
17 Het zou dus logischer zijn geweest als het Gerecht zich eerst had uitgesproken over de vraag of het bestreden besluit voldoende gemotiveerd was, en daarna eventueel over de vraag of de gegeven motivering houdbaar was. Indien het Gerecht tot de conclusie was gekomen, dat er geen toereikende motivering was gegeven, had het bestreden besluit op deze grond nietig moeten worden verklaard en was er geen aanleiding geweest om op de tweede vraag in te gaan. Indien het Gerecht daarentegen van oordeel was geweest, dat het besluit voldoende was gemotiveerd, had het vervolgens in moeten gaan op de klacht over schending van het evenredigheidsbeginsel.
18 Die procedure is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof betreffende het motiveringsvereiste(3), volgens welke de verplichting om bezwarende besluiten te motiveren, met name ten doel heeft rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Wanneer wordt vastgesteld dat een besluit onvoldoende met redenen is omkleed, gebeurt dat juist omdat het besluit onvoldoende gegevens bevat voor een inhoudelijke toetsing door de rechter.
19 Ondanks het feit dat uit de tekst van het arrest van het Gerecht blijkt, dat het heeft onderzocht of het evenredigheidsbeginsel was geschonden en of het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd, moet de conclusie toch luiden, dat het Gerecht het bestreden besluit in rechtsoverweging 53 van het arrest nietig heeft verklaard op grond van ontoereikende motivering(4), zodat in hogere voorziening enkel kan worden ingegaan op de vraag of het Gerecht met deze constatering het recht heeft geschonden.
20 Uit het bestreden besluit komt naar voren, dat de feiten die aan het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag ten grondslag liggen, worden geschraagd door de volgende omstandigheden:
- V had tijdens de verhoren door de tuchtraad toegegeven, dat hij tijdens het schriftelijk examen kladblaadjes aan een collega had doorgegeven;
- de antwoorden van deze collega bij het boekhoudkundig examen vertoonden grote gelijkenis met die van V;
- V was in het bezit van het modelantwoord voor een punt van het examen, en wel noodzakelijkerwijs voor hij de examenzaal betrad; hij had dus gebruik gemaakt van een lek.
21 Het bestreden besluit geeft dus duidelijk genoeg aan, welke feiten aan V te last werden gelegd. Hierbij wijs ik erop, dat het bestreden besluit de afsluiting vormde van een tuchtrechtelijke procedure die in 1992 was ingeleid en van de bijzonderheden waarvan V regelmatig op de hoogte was gehouden. Op dit punt geeft het besluit de adressaat dus de nodige gegevens om te kunnen vaststellen of het besluit juist is, en biedt het de mogelijkheid van rechterlijke toetsing.
22 Volgens rechtsoverweging 16 voerde het tot aanstelling bevoegd gezag vervolgens aan, dat voornoemde, aan V te last gelegde feiten zich onder een aantal verzwarende omstandigheden hadden voorgedaan, te weten:
- dat V aldus willens en wetens heeft geprobeerd het resultaat van een algemeen vergelijkend onderzoek te vervalsen in strijd met het beginsel, dat sollicitanten bij deze onderzoeken in een gelijke situatie dienen te verkeren;
- dat het gedrag van V een ernstig gevaar inhield, dat voor het examen kandidaten zouden slagen die niet de vereiste beroepskennis bezaten, waardoor zowel de andere kandidaten waren benadeeld als de belangen van de instelling waren geschaad;
- dat V, door zijn weigering enige aanwijzing te verschaffen omtrent de oorsprong van het betrokken modelantwoord, is tekortgeschoten in zijn plicht tot samenwerking;
- dat V als voormalig inspecteur van de Belgische politie en voormalig ambtenaar van het Beveiligingsbureau grote verantwoordelijkheid bezat en vertrouwensposities bekleedde;
- dat de instelling van haar ambtenaren en inzonderheid van een voormalig ambtenaar van het Beveiligingsbureau een onberispelijke eerlijkheid mag verwachten;
- dat V misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat tussen de ambtenaar en zijn instelling dient te bestaan.
Het tot aanstelling bevoegd gezag stelde vervolgens vast, dat het "om deze redenen en mede gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval noodzakelijk en gerechtvaardigd blijkt, V een zwaardere tuchtmaatregel op te leggen dan de door de tuchtraad aanbevolen maatregel".
23 In rechtsoverweging 41 overweegt het Gerecht, dat het tot aanstelling bevoegd gezag tot de conclusie was gekomen, dat het gedrag van V nog ernstiger was dan door de tuchtraad was vastgesteld, doch dat het geen omstandige precisering had gegeven, door middel van een aanvullende motivering, van de redenen waarom het van het advies van de tuchtraad was afgeweken. Voorts overwoog het Gerecht in rechtsoverweging 51, dat het tot aanstelling bevoegd gezag geen rekening had gehouden met de feiten die de tuchtraad als verzachtende omstandigheden in het voordeel van V had aangemerkt, te weten zes onberispelijke dienstjaren en zijn eerdere beoordelingsrapporten. Op grond hiervan overwoog het Gerecht in rechtsoverweging 52, dat "het betrokken besluit geen verklaring bevat waaruit voldoende duidelijk blijkt, waarom het tot aanstelling bevoegd gezag jegens [V] een duidelijk zwaardere tuchtmaatregel heeft getroffen - tuchtrechtelijk ontslag - dan die welke de tuchtraad op grond van dezelfde omstandigheden had aanbevolen".
24 De verplichting om een bezwarend besluit te motiveren heeft, volgens vaste rechtspraak(5), met name ten doel rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Bovendien volgt uit de rechtspraak, dat wanneer - zoals hier - de door het tot aanstelling bevoegd gezag gekozen tuchtmaatregel zwaarder is dan die welke door de tuchtraad is aanbevolen, in het besluit omstandig uiteen moet worden gezet, waarom het tot aanstelling bevoegd gezag van het advies van de tuchtraad is afgeweken.(6)
25 Uit hetgeen ik hierboven in punt 22 heb opgemerkt, blijkt dat het tot aanstelling bevoegd gezag in het bestreden besluit de redenen heeft aangegeven, waarom het met betrekking tot de tuchtmaatregel van het advies van de tuchtraad is afgeweken: dit waren de verzwarende omstandigheden die het in casu aanwezig achtte. Uit het arrest van het Gerecht blijkt verder, dat deze gronden toereikend waren om een rechterlijke toetsing van de gegrondheid van het besluit mogelijk te maken. En inderdaad gaat het Gerecht in zijn arrest tot een dergelijke toetsing over.
26 Uit bovengenoemde rechtspraak volgt mijns inziens niet, dat in besluiten waarin voor een zwaardere tuchtmaatregel wordt gekozen dan door de tuchtraad aanbevolen, moet worden aangegeven welke overwegingen het tot aanstelling bevoegd gezag niet relevant heeft geacht voor de keuze van de tuchtmaatregel. Dat zou ook vrij zinloos zijn. Wat moet worden aangegeven, zijn de gronden die volgens het tot aanstelling bevoegd gezag de basis vormen voor de keuze van een zwaardere tuchtmaatregel.
27 Zeker, het tot aanstelling bevoegd gezag had in deze zaak kunnen overwegen, dat "de door de tuchtraad aangevoerde omstandigheden betreffende zes onberispelijke dienstjaren en eerdere beoordelingsrapporten, niet tot een andere conclusie kunnen leiden", maar een dergelijke uitdrukkelijke uitspraak over de verzachtende omstandigheden is mijns inziens niet noodzakelijk, omdat men ervan mag uitgaan, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in zijn besluit met deze omstandigheden rekening heeft gehouden, nu zij in het advies van de tuchtraad worden vermeld.
28 Op grond van het voorgaande meen ik, dat het uitgangspunt van het Gerecht in rechtsoverweging 52, dat het bestreden besluit geen verklaring bevat waaruit voldoende duidelijk blijkt, waarom het tot aanstelling bevoegd gezag jegens V een zwaardere tuchtmaatregel heeft getroffen - tuchtrechtelijk ontslag - dan die welke de tuchtraad op grond van dezelfde omstandigheden had aanbevolen, rechtens onjuist is.
29 In het arrest Daffix komt het Hof op dezelfde manier tot hetzelfde resultaat, hoewel de motivering voor de keuze van een zwaardere tuchtmaatregel dan de door de tuchtraad voorgestelde, in die zaak een stuk onduidelijker was dan in de onderhavige zaak. Het Hof overwoog daar het volgende:
"(...) Terwijl de tuchtraad Daffix slechts had verweten, dat hij de identiteit van de betrokken derde niet had geverifieerd en zich niet had vergewist van haar legitimatie, hetgeen door de tuchtraad werd aangemerkt als ernstige tekortkoming in de plichtsvervulling van een ambtenaar, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag de door hem vastgestelde feiten aangemerkt als zeer ernstige tekortkoming in de vervulling van de verplichtingen van een ambtenaar jegens zijn instelling, waardoor de grondslag van de vertrouwensrelatie tussen de instelling en haar personeel werd ondermijnd (...) Uit het bestreden besluit blijkt derhalve voldoende duidelijk, dat - ofschoon niet uitdrukkelijk genoemd - dít de reden was waarom het tot aanstelling bevoegd gezag van het advies van de tuchtraad was afgeweken" (r.o. 37).
30 Aangezien het middel van de Commissie, inhoudende dat het Gerecht ten onrechte heeft beslist dat het bestreden besluit ontoereikend was gemotiveerd, mijns inziens terecht is voorgedragen, moet het bestreden arrest, overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG worden vernietigd, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de overige middelen die tot staving van de hogere voorziening zijn voorgedragen.
31 Aangezien het Gerecht zich behalve over de vraag betreffende de toereikendheid van de motivering, niet heeft uitgelaten over de middelen die V in eerste aanleg voor het Gerecht heeft aangevoerd, is de zaak mijns inziens niet in staat van wijzen en moet zij daarom naar het Gerecht worden verwezen voor een beslissing ten gronde op de in rechtsoverweging 25 van het bestreden arrest genoemde middelen. Ook moet de beslissing omtrent de kosten worden aangehouden.
Conclusie
32 Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
"1) Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 28 maart 1996, in zaak T-40/95, V/Commissie, wordt vernietigd, voor zover het Gerecht daarbij het besluit van de Commissie van 18 januari 1995, waarbij V tuchtrechtelijk is ontslagen, wegens ontoereikende motivering nietig heeft verklaard en de Commissie heeft verwezen in de kosten.
2) De zaak wordt naar het Gerecht van eerste aanleg verwezen voor een beslissing op de overige aangevoerde middelen, die in rechtsoverweging 25 van het bestreden arrest worden genoemd.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden."
(1) - JurAmbt. 1996, blz. I-A-153 en II-461.
(2) - Jurispr. 1997, blz. I-983.
(3) - Zie met name arresten van 26 november 1981, zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861; 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr. 1984, blz. 2447; 20 februari 1997, Daffix, aangehaald in voetnoot 2, en 20 maart 1991, zaak T-1/90, Pérez-Mínguez Casariego, Jurispr. 1991, blz.II-143.
(4) - Zie hiervoor de Franse versie: "annuler la décision attaquée pour insuffisance de motivation".
(5) - Zie voetnoot 2.
(6) - Zie onder meer arrest van 29 januari 1985, zaak 228/83, F., Jurispr. 1985, blz. 275.
Full & Egal Universal Law Academy