Conclusie van de advocaat generaal
1 De Nederlandse Raad van State stelt verschillende vragen over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: "afvalstoffenverordening" of "verordening")(1) en van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (hierna: "afvalstoffenrichtlijn" of "richtlijn").(2) Hij vraagt in wezen, in hoeverre een lading afvalstoffen waarvan de overbrenging is vrijgesteld van het kennisgevingsvereiste van de verordening, verschillende stoffen mag bevatten, of het vervoer van afvalstoffen met het oog op opslag in afwachting van vervoer naar een bedrijf waar nuttige toepassing plaatsvindt, van het kennisgevingsvereiste is vrijgesteld, en of de bevoegde autoriteit van bestemming de terugzending mag gelasten van afvalstoffen die illegaal zijn vervoerd.
De afvalstoffenverordening
2 De afvalstoffenverordening is op grond van artikel 130 S van het Verdrag vastgesteld op 1 februari 1993 en is van toepassing sinds 6 mei 1994.(3) Zij voert onder meer een systeem van voorafgaande kennisgeving van de overbrenging van afvalstoffen tussen lidstaten in. Op voor verwijdering bestemde afvalstoffen en voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen zijn verschillende regelingen van toepassing. Voor beide is in de regel evenwel voorafgaande kennisgeving vereist.
3 Bij de overbrenging van afvalstoffen voor verwijdering of nuttige toepassing moet een kennisgeving worden gezonden aan de bevoegde autoriteit van het gebied waar de zending moet worden ontvangen ("bevoegde autoriteit van bestemming"(4)). Een afschrift van de kennisgeving moet worden gezonden aan de bevoegde autoriteiten van het gebied vanwaar de overbrenging geschiedt ("bevoegde autoriteit van verzending"(5)), aan die van het gebied waarin de zending in doorvoer is ("bevoegde autoriteit van doorvoer"(6)) en aan de ontvanger.(7)
4 Voor afvalstoffen bestemd voor verwijdering, is een vergunning nodig van de bevoegde autoriteit van bestemming, die de vergunning alleen mag verlenen als er bij de andere bevoegde autoriteiten geen bezwaren bestaan.(8) In het geval van afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing, kan de toestemming gewoonlijk evenwel stilzwijgend worden verleend.(9)
5 In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen een "groene lijst van afvalstoffen" (bijlage II), een "oranje lijst van afvalstoffen" (bijlage III) en een "rode lijst van afvalstoffen" (bijlage IV).(10) Afvalstoffen van de groene lijst (hierna: "groen afval") worden geacht "indien zij (...) naar behoren nuttig worden toegepast, normaliter geen risico voor het milieu [te] vormen"(11), zodat de kennisgevingsvereisten van de verordening daarop niet van toepassing zijn indien zij voor nuttige toepassing naar een andere lidstaat worden overgebracht.(12) Elke lijst van afvalstoffen is onderverdeeld in hoofdrubrieken met een alfabetische volgorde (hierna: "hoofdrubrieken") (bijvoorbeeld hoofdrubriek GH in de groene lijst van afvalstoffen, "Afvalstoffen van kunststof in vaste vorm"(13)). Elke hoofdrubriek is vervolgens onderverdeeld in meer specifieke, genummerde subrubrieken (hierna: "subrubrieken") (bijvoorbeeld subrubriek GH 011 ex 3915 10, "Resten en afval van kunststof van polymeren van ethyleen"(14)).
6 De tekst aan het begin van bijlage II (die de groene lijst van afvalstoffen bevat) luidt als volgt: "Of er nu afvalstoffen op deze lijst zijn opgenomen of niet, zij mogen niet als afvalstoffen van de groene lijst worden vervoerd, indien zij dermate met andere stoffen verontreinigd zijn dat a) de aan de afvalstoffen verbonden risico's zodanig toenemen dat ze voor opname op de oranje of rode lijst in aanmerking komen of b) terugwinning van de afvalstoffen op milieuverantwoorde wijze onmogelijk wordt."
7 Die alinea is in bijlage II ingevoegd bij beschikking 94/721.(15) Daar de betrokken afvalstoffen volgens de Nederlandse regering in het voorjaar van 1995 in Nederland zijn ontdekt, lijkt het waarschijnlijk, dat die cruciale alinea vóór de overbrenging van de afvalstoffen in de verordening was ingevoegd.
8 Ten slotte moet worden gewezen op artikel 26 van de verordening. Artikel 26, lid 1, sub a, bepaalt, dat als sluikhandel wordt beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die "geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening".
9 Artikel 26, lid 2, luidt als volgt:
"Indien een dergelijke sluikhandel de verantwoordelijkheid is van de kennisgever, zorgt de bevoegde autoriteit van verzending ervoor dat de betrokken afvalstoffen:
a) door de kennisgever of, zo nodig, door de bevoegde autoriteit zelf worden teruggebracht naar de staat van verzending, of, indien dit niet mogelijk is,
b) op een andere milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd of nuttig toegepast,
binnen 30 dagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van de sluikhandel of binnen een andere, door de betrokken bevoegde autoriteiten overeen te komen termijn.
In dat geval dient een nieuwe kennisgeving te geschieden. De lidstaat van verzending of de lidstaat van doorvoer verzet zich niet tegen terugzending van deze afvalstoffen op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de bevoegde autoriteit van bestemming waarin de redenen worden uiteengezet."
De feiten
10 Beside BV (hierna: "Beside") heeft verschillende afvalstoffen verkregen in Duitsland en deze overgebracht van Duitsland naar Zutphen (Nederland). Daar werden zij opgeslagen in afwachting van verkoop en levering aan voornamelijk in het Verre Oosten gevestigde producenten van kunststofproducten. Krachtens de afvalstoffenverordening moet de overbrenging van afvalstoffen van de ene lidstaat naar een andere in de regel ter kennis worden gebracht van de betrokken bevoegde autoriteiten. Zoals ik al zei(16), is voor het vervoer van afvalstoffen die in de verordening als groen afval worden aangemerkt in de regel geen kennisgeving noodzakelijk, indien die stoffen niet voor verwijdering maar voor nuttige toepassing zijn bestemd.
11 Beside en haar directeur I. M. Besselsen (hierna: "verzoekers") stellen, dat de afvalstoffen zullen worden gebruikt als grondstof voor de productie van verschillende artikelen van kunststof, en dat dit moet worden beschouwd als een nuttige toepassing in de zin van de verordening.(17) Volgens de Raad van State hebben verzoekers deze stelling slechts zeer summier gestaafd. Verzoekers stellen ook, dat de betrokken afvalstoffen voorkomen op de groene lijst van bijlage II bij de verordening.
12 De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne (hierna: "minister") heeft zich verzet tegen de overbrenging van de afvalstoffen, op grond dat krachtens de verordening van die overbrenging kennis had moeten worden gegeven. Verzoekers stellen daarentegen, dat kennisgeving volgens de verordening niet vereist was, daar de afvalstoffen op de groene lijst staan en bestemd zijn voor nuttige toepassing.
13 Aanvankelijk ging het om twee soorten afval: afvalstoffen van kunststof in de vorm van poeders, snijresten en folies, en afvalstoffen die verweerder aanmerkt als "postconsumer kunststofverpakkingen". Daar de minister zijn bezwaren met betrekking tot de eerste soort afvalstoffen heeft ingetrokken, betreft de zaak thans evenwel enkel de "postconsumer kunststofverpakkingen". Zoals ik al zei, staan afvalstoffen van kunststof in vaste vorm als hoofdrubriek GH op de groene lijst.
14 De minister baseerde zijn bezwaar op een onderzoek van de afvalstoffen door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne, waaruit bleek dat de afvalstoffen niet enkel uit kunststof bestonden en dat het aandeel van kunststoffen in de afvalstoffen per baal varieerde van 58,3 tot 92,3 %. Voor het overige bleken de balen papier, karton, metalen, hout en andere niet-kunststoffen zoals glas en textiel te bevatten, waarvan de meeste voorkomen op de groene lijst. In een van de balen zijn evenwel zes scherpe munitiepatronen aangetroffen. Kennelijk bestond het afval dus grotendeels uit verschillende afvalstoffen die elk afzonderlijk op de groene lijst staan, en een kleine hoeveelheid andere stoffen. Daarom was de minister van mening, dat de afvalstoffen niet konden worden beschouwd als afvalstoffen van kunststof in vaste vorm, die als hoofdrubriek GH zijn opgenomen in de groene lijst van bijlage II bij de verordening. Volgens hem moesten de afvalstoffen integendeel worden aangemerkt als "stedelijk/huishoudelijk afval" in de zin van punt AD 160 van de "oranje lijst" in bijlage III bij de verordening (AD 160 is een van de onderverdelingen van hoofdrubriek AD van de oranje lijst, "Afval dat anorganische of organische bestanddelen kan bevatten").(18) In die veronderstelling staat vast, dat kennisgeving van de overbrenging van de afvalstoffen had moeten worden gedaan. De minister concludeerde, dat de afvalstoffen derhalve illegaal waren in de zin van artikel 26 van de verordening(19) en weer naar Duitsland moesten worden gebracht.
15 Bij brief van 21 april 1995 deelde de minister verzoekers mee, dat hij had besloten tot de toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de overbrenging van de afvalstoffen, in die zin dat zij moesten worden teruggezonden naar de plaats van herkomst, en stelde hij hen in de gelegenheid de afvalstoffen zelf terug te zenden. Verzoekers hebben tegen die besluiten gezamenlijk een bezwaarschrift ingediend bij de minister. Bij twee afzonderlijke besluiten van 29 juni 1995 verklaarde de minister de bewaren van verzoekers ongegrond. Tegen deze besluiten hebben verzoekers gezamenlijk beroep ingesteld bij de Raad van State. Zoals ik al zei, stellen verzoekers dat krachtens de verordening geen kennisgeving vereist was voor de overbrenging van de afvalstoffen. Zij stellen ook, dat terugzending van de afvalstoffen hoe dan ook geen passende maatregel is.
De vragen van de nationale rechter
16 De Raad van State verzoekt het Hof om een antwoord op de volgende vragen:
"1) Dient het begrip $stedelijk/huishoudelijk afval' dat onder AD 160 wordt genoemd in bijlage III bij verordening (EEG) nr. 259/93/EEG van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB L 30, blz. 1), zoals nadien gewijzigd, aldus te worden uitgelegd, dat daaronder ook valt afval dat grotendeels bestaat uit de in bijlage II bij die verordening genoemde afvalstoffen van kunststof in vaste vorm, maar daarnaast uit andere in die bijlage genoemde afvalstoffen alsmede uit een geringe hoeveelheid van niet in die bijlage genoemde stoffen?
2) a) Wanneer de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, dient dan de zinsnede $Opslag van stoffen om een van de in deze bijlage genoemde handelingen te kunnen toepassen' in bijlage II B bij richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 47), zoals nadien gewijzigd, aldus te worden uitgelegd, dat daaronder niet alleen het geval valt dat opslag plaatsvindt bij het bedrijf waarbij een van de overige in die bijlage genoemde handelingen worden toegepast, maar ook bij opslag in afwachting van vervoer naar zo'n bedrijf, ongeacht of dat bedrijf binnen of buiten de Gemeenschap is gelegen?
b) Wanneer het eerste gedeelte van deze vraag bevestigend wordt beantwoord, welke gegevens moeten dan, wanneer een kennisgeving ontbreekt, minimaal beschikbaar zijn om te mogen aannemen dat daadwerkelijk van nuttige toepassing sprake is?
3) Wanneer op de vragen 1 en 2 a) een bevestigend antwoord is gegeven, moet dan uit de derde volzin van artikel 26, tweede lid, van de verordening worden afgeleid dat, in de gevallen waarop deze bepaling betrekking heeft, ook de bevoegde autoriteit van bestemming gehouden, dan wel bevoegd is om datgene te doen wat op grond van de eerste volzin van deze bepaling moet worden gedaan door de bevoegde autoriteit van verzending?"
17 De Nederlandse, de Duitse, de Deense en de Finse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De Nederlandse en de Deense regering en de Commissie waren ter terechtzitting vertegenwoordigd.
De eerste vraag
18 Met zijn eerste vraag wenst de Raad van State in wezen te vernemen, of voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen van kunststof die op de groene lijst van afvalstoffen staan (maar oorspronkelijk "stedelijk/huishoudelijk afval" waren uit de oranje lijst) kunnen worden vervoerd als groen afval en derhalve niet aan de kennisgevingsplicht zijn onderworpen, wanneer zij zijn gemengd met a) verschillende andere afvalstoffen van de groene lijst en b) een kleine hoeveelheid stoffen die niet op de groene lijst staan.
19 De Raad van State gaat ervan uit, dat onder "stedelijk/huishoudelijk" afval moet worden verstaan, uit huishoudens afkomstig afval dat niet is geselecteerd. De nationale rechter twijfelt evenwel, of bij de kwalificatie van de afvalstoffen de nadruk moet worden gelegd op de omstandigheid dat een aanzienlijk gedeelte van de afvalstoffen, naar het zich laat aanzien, niet is geselecteerd, dan wel dat het gegeven dat de meeste stoffen in de betrokken partij ieder afzonderlijk zijn vermeld op de groene lijst van afvalstoffen de doorslag moet geven.
20 De Nederlandse regering stelt, dat aangezien de afvalstoffen oorspronkelijk stedelijk/huishoudelijk afval waren en dergelijk afval op de oranje lijst staat, die stoffen steeds aldus moeten worden ingedeeld, ook al zijn ze gesorteerd. De Commissie is het niet eens met de stelling van de Nederlandse regering, dat de herkomst van de afvalstoffen bepalend is voor de kwalificatie ervan. Haars inziens is de aard van de afvalstoffen beslissend, en moet het mogelijk zijn, stedelijk/huishoudelijk afval door sortering om te zetten in groen afval, daar selectie anders ontmoedigd zou worden.
21 De Commissie is niettemin van mening, dat enkel homogene partijen afvalstoffen van dezelfde rubriek in bijlage II bij de verordening als groen afval kunnen worden vervoerd. De Deense regering steunt haar daarin. Ter terechtzitting verklaarde de gemachtigde van de Deense regering, dat een homogene partij groen afval zijns inziens bestaat uit afvalstoffen die onder dezelfde subrubriek in bijlage II vallen. Volgens de Duitse regering kunnen gemengde partijen afvalstoffen slechts worden toegestaan, indien de vermenging niet leidt tot een van de in de inleidende tekst van bijlage II bij de verordening bedoelde gevallen, en de verschillende soorten groen afval onder dezelfde hoofdrubriek van bijlage II vallen. De Finse regering deelt die mening.
22 Volgens de inleidende tekst van bijlage II bij de verordening (die de groene lijst van afvalstoffen bevat) mogen afvalstoffen niet als afvalstoffen van de groene lijst worden vervoerd, indien zij dermate "met andere stoffen verontreinigd zijn" dat de aan de afvalstoffen verbonden risico's zodanig toenemen dat ze voor opname op de oranje of rode lijst in aanmerking komen of terugwinning van de afvalstoffen op milieuverantwoorde wijze onmogelijk wordt.(20) Dat kan erop wijzen, dat sommige mengsels van afvalstoffen aanvaardbaar zijn (hoewel het niet duidelijk is, of daarbij is gedacht aan verontreiniging door niet-groen afval, door ander groen afval of door beide).
23 De Commissie stelt evenwel, dat die tekst enkel ziet op geringe verontreiniging en dat elke partij afvalstoffen in beginsel homogeen moet zijn. De Nederlandse en de Deense regering betogen in dezelfde zin, dat die tekst enkel ziet op mengsels die inherent zijn aan de ingezamelde stoffen, zoals metalen nietjes in papier of papieren etiketten op glazen flessen.
24 Voor de opvatting, dat groen afval niet gemengd mag zijn, worden verschillende argumenten aangevoerd. De Commissie stelt, dat de aard van de afvalstoffen duidelijk moet zijn omwille van het vervoer, de opslag en de behandeling voor nuttige toepassing, teneinde milieuproblemen te voorkomen.(21) In dezelfde geest stelt de Deense regering, dat indien groen afval vóór de overbrenging niet behoeft te worden geselecteerd, niet is gegarandeerd dat de verschillende soorten groen afval vóór de nuttige toepassing worden geselecteerd, en dat de aanwezigheid van rode of oranje afvalstoffen tussen de groene gemakkelijker verborgen kan worden.
25 Voorts merkt de Deense regering op, dat de Commissie tijdens een bijeenkomst op 6 juni 1996 als haar mening te kennen gaf, dat verschillende soorten groen afval niet mogen worden gemengd, aangezien de groene lijst reeds rubrieken met bepaalde mengsels van groen afval bevat.
26 De Deense regering wijst ook op het besluit van de OESO van 30 maart 1992(22) dat in de verordening wordt genoemd.(23) In bijlage I, deel III, eerste alinea, van dat besluit, dat een lijst van groen afval bevat, wordt gesteld, dat enkel de in een hoofdrubriek genoemde stoffen, en niet de hoofdrubrieken zelf een onderdeel vormen van de groene lijst.
27 Voorts argumenteert de Deense regering, dat de uitvoer van een mengsel van groen afval dat voor nuttige toepassing zou zijn bestemd, in geval van verbranding van het afval kan resulteren in zowel nuttige toepassing als verwijdering, daar het hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking een nuttige toepassing is, maar dat bepaalde stoffen bij verbranding daarvoor onvoldoende energie opleveren. Zo kan bijvoorbeeld van een partij afvalstoffen die zowel hout als metaal bevat, het hout nuttig worden toegepast en het metaal worden verwijderd, daar metaal weinig energie oplevert.
28 De Nederlandse regering stelt, dat door de veelzijdigheid van de aangetroffen kunststofmaterialen directe herverwerking van het afval nauwelijks te verwezenlijken is, en dat zelfs indien herverwerking technisch mogelijk zou zijn, er zoveel variatie is, dat de herwonnen hoeveelheid te klein is om herverwerking te rechtvaardigen. Dienaangaande verwijst zij naar artikel 7, lid 4, sub a, vijfde streepje, van de verordening, op grond waarvan de bevoegde autoriteiten bezwaren kunnen maken tegen de overbrenging van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen, indien de verhouding tussen de wel en niet nuttig toe te passen afvalstoffen, de geschatte waarde van het materiaal dat uiteindelijk nuttig wordt toegepast, of de kosten van de nuttige toepassing en de kosten van verwijdering van het niet nuttig toe te passen gedeelte de nuttige toepassing uit economisch en milieutechnisch oogpunt niet rechtvaardigen.
29 Mijns inziens moet de betekenis van de term "stedelijk/huishoudelijk afval" worden onderzocht. Daarover wil ik drie dingen zeggen. In de eerste plaats kan dergelijk afval een groot aantal verschillende soorten afvalstoffen bevatten. Een partij van dat afval kan zeer veel verschillende stoffen bevatten, of maar een paar. Bovendien kan het uitsluitend groen afval bevatten of een mengsel van groen en ander afval. De verscheidenheid van stedelijk afval blijkt uit het grote aantal onderverdelingen van de rubriek "Huishoudelijk afval en soortgelijk bedrijfsafval, inclusief gescheiden ingezamelde fracties" in beschikking 94/3/EG van de Commissie.(24) Op grond van artikel 1, sub a, van de afvalstoffenrichtlijn(25) stelt die beschikking een lijst van afvalstoffen op, de "Europese afvalcatalogus". Het doel van de lijst is, de terminologie in de hele Gemeenschap te uniformeren, zodat werkzaamheden voor het beheer van afvalstoffen efficiënter kunnen worden uitgevoerd.(26) De rubriek "Huishoudelijk afval, enz." omvat zeer uiteenlopende producten als organisch composteerbaar keukenafval, kleding, zuren, batterijen, spuitbussen, enz.
30 In de tweede plaats deel ik de mening van de Commissie, dat stedelijk/huishoudelijk afval na selectie heringedeeld moet kunnen worden. Eens geselecteerd, moet het wezenlijk criterium de samenstelling van het afval zijn.
31 In de derde plaats kan een niet-geselecteerde partij van dergelijk afval mijns inziens niet als groen afval worden aangemerkt op de enkele grond dat toevallig niets van de inhoud van die partij op de oranje of de rode lijst staat. Zelfs indien mocht blijken, dat een bepaalde partij geheel of bijna geheel bestaat uit stoffen van de groene lijst, kan dat niet volstaan om de zending van het kennisgevingsvereiste vrij te stellen. Het afval moet naar behoren zijn gesorteerd om niet te worden aangemerkt als "stedelijk/huishoudelijk afval" van de oranje lijst. Ik wil hierbij verwijzen naar voetnoot 19 van het OESO-besluit van 30 maart 1992.(27) In het Verdrag van Bazel(28) wordt huishoudelijk afval niet omschreven als gevaarlijk afval, maar als "ander afval", dat bij grensoverschrijdende overbrenging wordt gecontroleerd. In de voetnoot wordt daaruit afgeleid, dat krachtens het besluit alle huishoudelijk afval (en niet enkel het afval dat gevaarlijke eigenschappen heeft) onder de procedures van deel IV (oranje lijst) moet vallen.
32 Voor de onderhavige zaak volstaat de vaststelling, dat stedelijk/huishoudelijk afval dat karakter niet verliest vóór het naar behoren is geselecteerd en dat de stoffen die in casu zijn aangetroffen zo divers(29) lijken, dat waarschijnlijk geen afdoende sortering heeft plaatsgehad. Het antwoord op de twijfel die de Raad van State in de motivering van de verwijzingsbeschikking heeft geuit, moet dus zijn, dat het beslissend is, of de afvalstoffen naar behoren zijn geselecteerd, en niet of de meeste van de betrokken stoffen afzonderlijk op de groene lijst staan.
33 Ik zou hierbij echter nog het volgende willen aantekenen. Indien afval naar behoren is gesorteerd, is het goed mogelijk dat elke gesorteerde partij groen afval onder één enkele hoofdrubriek van bijlage II valt. Indien het evenwel de bedoeling is, dat groen afval van één hoofdrubriek (of zelfs een subrubriek) nooit wordt gemengd met afval van een andere hoofdrubriek (of subrubriek) (tenzij het mengsel inherent is aan de betrokken goederen, zoals papieren etiketten op glazen flessen), zoals de Commissie en verschillende lidstaten stellen, dan is het voor de rechtszekerheid wenselijk, dat de wetgeving aldus wordt gewijzigd, dat dit duidelijk tot uiting komt.
34 In antwoord op de eerste vraag concludeer ik, dat het begrip "stedelijk/huishoudelijk afval" dat onder AD 160 wordt genoemd in bijlage III bij de afvalstoffenverordening, zoals nadien gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd, dat daaronder ook valt afval dat grotendeels bestaat uit de in bijlage II bij die verordening genoemde afvalstoffen van kunststof in vaste vorm, maar bovendien uit verschillende andere in bijlage II genoemde afvalstoffen en een kleine hoeveelheid van niet in die bijlage genoemde stoffen, indien de betrokken afvalstoffen niet naar behoren zijn gesorteerd.
De tweede vraag, sub a
35 Kennelijk wordt met de tweede vraag beoogd te vernemen, of zelfs wanneer de samenstelling van het afval geen grond oplevert voor vrijstelling van het kennisgevingsvereiste van de verordening, dat afval toch kan worden vrijgesteld op grond dat het niet rechtstreeks bestemd is voor verwijdering of nuttige toepassing, maar voor opslag in afwachting van vervoer naar een bedrijf waar het nuttig zal worden toegepast. Het uitgangspunt lijkt te zijn, dat aangezien de verordening enkel voorziet in kennisgeving van de overbrenging van afvalstoffen bestemd voor verwijdering en voor nuttige toepassing, kan worden gesteld, dat de overbrenging van afvalstoffen voor opslag in afwachting van vervoer naar een ander bedrijf geen overbrenging van voor nuttige toepassing of voor verwijdering bestemde afvalstoffen is, en dat kennisgeving daarvan dus niet noodzakelijk is.
36 Opslag valt evenwel uitdrukkelijk binnen de definities van verwijdering en nuttige toepassing. De verordening verwijst naar de definitie van verwijdering en nuttige toepassing in de richtlijn.(30) De richtlijn noemt als verwijdering onder meer de opslag in afwachting van een andere in bijlage II A genoemde verwijderingshandeling, met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie; als nuttige toepassing noemt de richtlijn onder meer opslag om een van de in bijlage II B genoemde toepassingshandelingen te kunnen toepassen, met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie.
37 In de bijlagen II A en II B is niet bepaald, dat voor verwijdering of nuttige toepassing is vereist, dat de afvalstoffen worden opgeslagen in het bedrijf waar de andere in die bijlagen bedoelde handelingen plaatsvinden. Er is enkel een uitzondering voor opslag op de plaats waar het afval is geproduceerd, in welk geval dus geen sprake is van een grote verplaatsing van het afval. Bovendien bepaalt artikel 6, lid 2, van de verordening uitdrukkelijk het volgende: "Alle fasen van het vervoer van de plaats van verzending tot aan de eindbestemming moeten in de kennisgeving worden vermeld." Dat is zinvol, want niet enkel de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen kan schadelijk zijn voor het milieu of de volksgezondheid, maar ook het vervoer van afvalstoffen. Dat spreekt vanzelf. Dat blijkt ook uit het vereiste, dat kennisgevers informatie verstrekken over de te treffen maatregelen om de vervoersveiligheid te waarborgen(31), en uit de bevoegdheid voor de autoriteiten voorwaarden te verbinden aan het vervoer van de afvalstoffen binnen hun rechtsgebied.(32) Ik meen dan ook, dat het irrelevant is, of een bepaalde lading afval wordt opgeslagen op de plaats waar het uiteindelijk nuttig wordt toegepast of elders: in beide gevallen is kennisgeving van de overbrenging vereist.
38 Ik meen ook, dat aangezien de vermelde definities van verwijdering en nuttige toepassing geen geografische begrenzing bevatten en de werkingssfeer van de verordening ook de uitvoer uit de Gemeenschap omvat, het irrelevant is, of de nuttige toepassing na opslag binnen of buiten de Gemeenschap plaatsvindt.
39 Dat volstaat mijns inziens om de vraag van de nationale rechter te beantwoorden. Niettemin wil ik kort ingaan op een andere vraag die in de verwijzingsbeschikking wordt opgeworpen en waarop de Commissie commentaar heeft geleverd, namelijk of kennisgeving noodzakelijk is indien de uiteindelijke bestemming van de op te slane afvalstoffen nog niet bekend is. Ik geloof niet, dat afvalstoffen een bestemming kunnen hebben die niet valt onder de in de bijlagen II A en II B van de richtlijn genoemde handelingen inzake verwijdering en nuttige toepassing. De verordening wil duidelijk alle vervoer van afvalstoffen omvatten, ook al is de overbrenging van sommige afvalstoffen vrijgesteld van de kennisgevingsplicht. Zoals de Commissie betoogt, zou een uitlegging van de verordening, waarbij afval waarvoor nog geen eindbestemming is bepaald, van kennisgeving is vrijgesteld, tot de absurde conclusie leiden, dat vervoerders van afval die vóór het vervoer de bestemming nog niet hebben bepaald, vrijer zijn om het vervoer te organiseren dan vervoerders die de bestemming wel hebben bepaald, ofschoon de eerste situatie meer bezwaren oproept. Ook kan worden opgemerkt, dat een dergelijke uitlegging vervoerders ervan kan weerhouden een besluit te nemen over de eindbestemming van het te vervoeren afval, of te erkennen dat zij een dergelijk besluit hebben genomen. Het is dan ook duidelijk, dat het kennisgevingsvereiste van de verordening niet kan worden ontweken op grond dat de bestemming van een bepaalde partij afvalstoffen nog niet is bepaald.
40 In antwoord op de tweede vraag, sub a, concludeer ik dat de zinsnede in verband met opslag in bijlage II B van de afvalstoffenrichtlijn, zoals nadien gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd, dat daaronder niet alleen het geval valt dat opslag plaatsvindt bij het bedrijf waarbij een van de overige in die bijlage genoemde handelingen worden toegepast, maar ook de opslag in afwachting van vervoer naar zo'n bedrijf (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie), ongeacht of dat bedrijf binnen of buiten de Gemeenschap is gelegen.
De tweede vraag, sub b
41 Met het tweede deel van de tweede vraag wenst de Raad van State te vernemen, welke gegevens minimaal beschikbaar moeten zijn om te mogen aannemen dat van nuttige toepassing sprake is, wanneer een kennisgeving ontbreekt. De nationale rechter verzoekt om een antwoord op die vraag voor het geval de tweede vraag, sub a, bevestigend wordt beantwoord, en ik heb een bevestigend antwoord voorgesteld. Zoals de Commissie opmerkt, lijkt de tweede vraag, sub b, evenwel slechts relevant te zijn, indien in antwoord op de eerste vraag de betrokken afvalstoffen worden aangemerkt als groen afval, daar enkel voor nuttige toepassing bestemde groene afvalstoffen in de regel van het kennisgevingsvereiste van de verordening zijn vrijgesteld. Als het afval geen groen afval is, moet de overbrenging ervan hoe dan ook ter kennis worden gebracht, of het nu voor nuttige toepassing dan wel voor verwijdering is bestemd. Nu ik voorstel, dat de afvalstoffen niet als groen afval kunnen worden aangemerkt, kan een antwoord op de tweede vraag, sub b, dus overbodig lijken. Voor het geval over de indeling van de afvalstoffen anders mocht worden beslist, en daar in beginsel de nationale rechter over de noodzaak van zijn vragen heeft te beslissen, acht ik het niettemin gepast het tweede deel van de tweede vraag te beantwoorden.
42 De enige bepaling van de verordening die betrekking heeft op de informatie die is vereist in verband met voor nuttige toepassing bestemde groene afvalstoffen, is artikel 11, lid 1.(33) Artikel 11, lid 1, bepaalt, dat teneinde overbrengingen van de in bijlage II genoemde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen (d.w.z. groen afval) te kunnen volgen, deze vergezeld gaan van de volgende, door de houder ondertekende informatie:
a) naam en adres van de houder;
b) gebruikelijke handelsbenaming van de afvalstoffen;
c) de hoeveelheid van de afvalstoffen;
d) naam en adres van de ontvanger;
e) de handelingen op het gebied van nuttige toepassing, zoals genoemd in bijlage II B bij de afvalstoffenrichtlijn, en
f) de voorziene datum van overbrenging.
43 Met betrekking tot voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen waarvan krachtens de verordening kennis moet worden gegeven, bepaalt de verordening evenwel, dat de kennisgever met de ontvanger een contract moet afsluiten voor de nuttige toepassing van de afvalstoffen, en op verzoek een afschrift van dit contract aan de bevoegde autoriteit moet verstrekken. Indien de afvalstoffen worden overgebracht tussen twee tot dezelfde rechtspersoon behorende inrichtingen, kan het contract vervangen worden door een verklaring van die rechtspersoon.(34)
44 Verder bepaalt artikel 6, lid 4, van de verordening, dat de kennisgever het begeleidende document volledig moet invullen en op verzoek van de bevoegde autoriteiten aanvullende informatie en documentatie moet verstrekken, en bepaalt artikel 6, lid 5, dat het begeleidende document informatie moet bevatten over bepaalde zaken. Voor zover hier van belang, gaat het onder meer om:
- de oorsprong, samenstelling en hoeveelheid van de voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen alsmede de identiteit van de producent; bij afvalstoffen van uiteenlopende oorsprong een gedetailleerde inventaris van de afvalstoffen alsmede, indien bekend, de identiteit van de oorspronkelijke producenten;
- de identiteit van de ontvanger van de afvalstoffen, de plaats van het centrum voor nuttige toepassing en type en duur van de bedrijfsvergunning;
- de handelingen op het gebied van nuttige toepassing zoals vermeld in bijlage II B bij de afvalstoffenrichtlijn;
- de beoogde methode van verwijdering van de na recycling resterende afvalstoffen;
- de hoeveelheid gerecycleerd materiaal in verhouding tot de resterende afvalstoffen;
- de geschatte waarde van het gerecycleerde materiaal.
45 De in de punten 42 tot en met 44 genoemde informatie kan de vervoerders van afvalstoffen van nut zijn bij de beantwoording van de vraag, wat de bevoegde autoriteiten kunnen eisen als bewijs dat een bepaalde lading voor nuttige toepassing is bestemd. Ik ben het evenwel met de Commissie eens, dat moeilijk in abstracto kan worden bepaald welke gegevens noodzakelijk zijn, daar dit afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden van elke zaak. De verordening erkent trouwens de noodzaak van soepelheid, daar zij de bevoegde autoriteiten machtigt aanvullende informatie en documentatie te vragen (artikel 6, lid 4).
46 Hooguit kan dus worden gezegd, dat de verstrekte informatie en gegevens voldoende moeten zijn om de bevoegde autoriteit in kwestie ervan te overtuigen, dat de partij inderdaad voor nuttige toepassing is bestemd. De bevoegde autoriteiten behoren andere dan de in de verordening genoemde informatie en gegevens te kunnen verlangen, vooral gelet op hun verplichting om onder bepaalde omstandigheden ervoor te zorgen, dat illegaal vervoerde afvalstoffen worden teruggebracht of op een andere milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd of nuttig toegepast (zie artikel 26 van de verordening). Artikel 11, lid 1, beoogt geen uitputtende regeling van het bewijs dat met betrekking tot voor nuttige toepassing bestemde groene afvalstoffen kan worden verlangd. Het bepaalt enkel, van welke informatie dergelijke overbrengingen vergezeld moeten gaan teneinde ze te kunnen volgen. Ofschoon het gevaar bestaat, dat een bevoegde autoriteit op onredelijke wijze weigert te aanvaarden dat een bepaalde lading afvalstoffen voor nuttige toepassing is bestemd, is het niet juist dergelijke moeilijkheden te willen vermijden door strikt te regelen, wat als bewijs noodzakelijk en voldoende is.
47 De nationale rechter vraagt evenwel, welke gegevens minimaal beschikbaar moeten zijn. Hij doelt dus niet op een situatie waarin de bevoegde autoriteit te veel gegevens verlangt, maar integendeel te weinig. In het belang van de door de verordening nagestreefde milieubescherming mogen de bevoegde autoriteiten met betrekking tot de bewijslevering niet te laks zijn. Bij voor nuttige toepassing bestemde groene afvalstoffen waarvoor geen kennisgeving hoeft te geschieden is mijns inziens in de regel de in artikel 11 bedoelde informatie het minimum. Aan de hand van die informatie kan verdere controle en onderzoek plaatsvinden, en het enkele feit dat artikel 11 geen andere gegevens noemt, wijst erop, dat die gegevens worden geacht in normale gevallen te volstaan. Indien de bevoegde autoriteit twijfelt aan de juistheid van de verstrekte informatie zal zij die informatie evenwel dienen te controleren en zo nodig verdere informatie of documentatie te vragen.
48 Daar opslag enkel als een handeling voor nuttige toepassing kan worden aangemerkt wanneer dit gebeurt in afwachting van een handeling voor nuttige toepassing(35), moet bij de overbrenging van groen afval voor opslag niet alleen het voornemen tot opslag worden bewezen, maar ook de uiteindelijke handeling voor nuttige toepassing. Dat is zelfs het geval wanneer de uiteindelijke nuttige toepassing plaatsvindt buiten de Gemeenschap, daar de bevoegde autoriteiten krachtens de verordening verplichtingen hebben met betrekking tot de uitvoer van afvalstoffen uit de Gemeenschap.(36)
49 In antwoord op de tweede vraag, sub b, concludeer ik dan ook, dat de gegevens die de bevoegde autoriteit gewoonlijk dient te verlangen om te mogen aannemen dat groen afval voor nuttige toepassing is bestemd, de informatie is bedoeld in artikel 11, lid 1, van de verordening; die autoriteit is evenwel bevoegd, en kan zelfs verplicht zijn, alle verdere informatie of gegevens te verlangen die noodzakelijk zijn om aan te tonen dat de afvalstoffen voor nuttige toepassing zijn bestemd.
De derde vraag
50 Met zijn derde vraag wenst de Raad van State te vernemen, wat de omvang is van de verplichtingen en bevoegdheden van de bevoegde autoriteit van bestemming in verband met terugzending van illegaal vervoerd afval naar de lidstaat van verzending.
51 Artikel 26, lid 1, sub a(37), beschouwt als sluikhandel elke overbrenging van afvalstoffen die geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten. Daarom wordt gesteld, dat de overbrenging van afvalstoffen in deze zaak sluikhandel was, aangezien er geen kennisgeving is geschied. De kennisgevingsplicht berust, hoe kan het ook anders, op de kennisgever (artikel 3, lid 1, en artikel 6, lid 1, van de verordening). De "kennisgever" wordt in artikel 2, sub g, van de verordening uitvoerig gedefinieerd. Die definitie omvat onder bepaalde omstandigheden "de persoon die deze afvalstoffen in zijn bezit of onder zijn wettelijke controle heeft (houder)". Volgens de Raad van State was Beside in deze zaak houder van de afvalstoffen in de zin van de verordening, zodat zij, indien kennisgeving vereist was, overeenkomstig de verordening kennis had moeten geven van het vervoer van het afval.
52 Daar in casu de verantwoordelijkheid voor de gestelde sluikhandel bij de kennisgever ligt, is artikel 26, lid 2, van de verordening van toepassing. Zoals ik al zei(38), bepaalt artikel 26, lid 2, dat indien sluikhandel in afvalstoffen de verantwoordelijkheid is van de kennisgever, de bevoegde autoriteit van verzending ervoor zorgt dat de betrokken afvalstoffen a) door de kennisgever of, zo nodig, door de bevoegde autoriteit zelf, worden teruggebracht naar de staat van verzending, of, indien dit niet mogelijk is, b) op een andere milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd of nuttig toegepast.
53 Ik wil in dit verband in het bijzonder herinneren aan artikel 26, lid 2, tweede en derde zin, die luiden als volgt:
"In dat geval dient een nieuwe kennisgeving te geschieden. De lidstaat van verzending of de lidstaat van doorvoer verzet zich niet tegen terugzending van deze afvalstoffen op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de bevoegde autoriteit van bestemming waarin de redenen worden uiteengezet."
54 Volgens de minister kan uit die derde zin worden afgeleid, dat de bevoegde autoriteit van bestemming datgene moet of mag doen wat de bevoegde autoriteit van verzending krachtens de eerste zin van die bepaling moet doen.
55 De Raad van State vraagt zich af, of het feit dat de tweede zin van artikel 26, lid 2, bepaalt, dat van de terugzending kennis moet worden gegeven, betekent dat de vermelding van de lidstaat van verzending in de derde zin van artikel 26, lid 2, in feite verwijst naar de staat die de lidstaat van bestemming was voor de eerste, illegale overbrenging. Die uitlegging steunt op het feit, dat de lidstaat van bestemming van de oorspronkelijke overbrenging bij de terugzending optreedt als staat van verzending. In die opvatting rust de in de derde zin bedoelde verplichting van de "lidstaat van verzending" om zich niet tegen de terugzending te verzetten, op de staat die bij de oorspronkelijke overbrenging de lidstaat van bestemming was. Volgens de Raad van State zou daaruit volgen, dat de minister zich niet op artikel 26, lid 2, derde zin, kan beroepen om de terugzending van het afval naar Duitsland te gelasten.
56 Het lijkt mij evenwel duidelijk, dat, zoals de Nederlandse regering opmerkt, artikel 26, lid 2, tot doel heeft te verzekeren, dat de lidstaten sluikhandel vanuit hun grondgebied niet door de vingers zien, door hen te verplichten dergelijke zendingen terug te nemen wanneer de sluikhandel de verantwoordelijkheid is van de kennisgever. Zoals de Raad van State erkent, zou het bovendien vreemd zijn, als met de bevoegde autoriteit van verzending in de ene volzin en de bevoegde autoriteit van bestemming in een andere volzin van hetzelfde artikel dezelfde instantie zou worden bedoeld.(39) De in artikel 26, lid 2, derde zin, voorkomende verplichting om zich niet te verzetten tegen de terugzending van illegaal afval waarvoor de kennisgever verantwoordelijk is, rust mijns inziens dan ook op de lidstaat vanwaar het afval oorspronkelijk is verzonden.
57 Ik meen dan ook, dat de tweede en derde zin van artikel 26, lid 2, betekenen, dat de lidstaat van bestemming (d.w.z. de lidstaat waar het afval is aangekomen) niet eenzijdig de afvalstoffen kan terugzenden naar de lidstaat van verzending (d.w.z. de lidstaat vanwaar de goederen oorspronkelijk werden verzonden) zonder voorafgaande kennisgeving aan de lidstaat van verzending, maar dat de lidstaat van verzending zich niet kan verzetten tegen de terugzending van het afval indien het verzoek van de lidstaat van bestemming naar behoren is gemotiveerd.(40) (Niettemin zou de lidstaat van verzending zich wellicht tegen de terugzending van de afvalstoffen kunnen verzetten indien de kennisgever of de bevoegde autoriteit van verzending het afval niet terug kan nemen, aangezien in dergelijke omstandigheden artikel 26, lid 2, eerste zin, de lidstaat van verzending enkel verplicht ervoor te zorgen, dat de betrokken afvalstoffen op een andere milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd.)
58 Ofschoon de lidstaat van verzending moet zorgen voor de terugkeer of de milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering of nuttige toepassing van het afval, kan die staat de hulp van de lidstaat van bestemming nodig hebben. Mijns inziens volgt uit het doel en de structuur van artikel 26(41) juncto de algemene samenwerkingsplicht van artikel 5 van het Verdrag, dat de lidstaat van bestemming de lidstaat van verzending moet bijstaan om zijn verplichtingen uit artikel 26, lid 2, na te komen.
59 Uit de tekst van artikel 26, lid 2, blijkt evenwel niet, of de lidstaat van bestemming de terugzending van afval mag gelasten wanneer de lidstaat van verzending aan wie naar behoren kennis is gegeven, weigert het afval te aanvaarden. De Finse en de Nederlandse regering stellen, dat de lidstaat van bestemming een zelfstandige bevoegdheid moet hebben om de afvalstoffen terug te zenden wanneer hij daartoe vooraf een verzoek heeft ingediend. Tot staving daarvan verwijzen zij naar een "Common Understanding of Correspondents" die is opgesteld na bijeenkomsten op 7 november 1995 en 6 juni 1996.(42) Hierin gaat het evenwel om de vraag, of de bevoegde autoriteit van bestemming van de bevoegde autoriteit van verzending terugname kan "eisen" van afval waarvan geen kennis is gegeven omdat het was overgebracht als voor nuttige toepassing bestemd groen afval, maar dat volgens de bevoegde autoriteit van bestemming geen groen afval is, en lijkt ervan uit te gaan, dat de lidstaat van verzending en de lidstaat van bestemming overeenstemming moeten bereiken over de terugzending van het afval. Bovendien stelt de Commissie, dat de lidstaat van bestemming geen zelfstandige bevoegdheid mag hebben om het afval terug te zenden, omdat wanneer de lidstaat van verzending niet akkoord gaat, het afval aan de grens zou kunnen worden achtergelaten. Ook de Duitse regering meent, dat de lidstaat van bestemming het afval niet zonder de instemming van de lidstaat van verzending kan terugzenden.
60 Nu in deze zaak evenwel niet wordt gesteld, dat de lidstaat van verzending de terugkeer van het afval weigert te aanvaarden, behoeft die situatie niet te worden onderzocht. Niettemin wil ik opmerken, dat artikel 4 van de afvalstoffenrichtlijn de lidstaten verplicht de nodige maatregelen te nemen om "het onbeheerd achterlaten of het ongecontroleerd lozen of verwijderen van afvalstoffen" te verbieden en ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu.
61 In antwoord op de derde vraag concludeer ik, dat de bevoegde autoriteit van bestemming niet alleen bevoegd, maar ook verplicht is de bevoegde autoriteit van verzending bij te staan om haar verplichtingen uit artikel 26, lid 2, van de verordening na te komen. De lidstaat van verzending mag zich niet tegen de terugzending van de afvalstoffen verzetten, indien de terugzending niet onmogelijk is en hij van de bevoegde autoriteit van bestemming een naar behoren gemotiveerd verzoek ter zake heeft ontvangen.
Conclusie
62 Derhalve meen ik, dat de vragen van de Raad van State moeten worden beantwoord als volgt:
"1) Het begrip $stedelijk/huishoudelijk afval' dat onder AD 160 wordt genoemd in bijlage III bij verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, zoals nadien gewijzigd, moet aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook valt afval dat grotendeels bestaat uit de in bijlage II bij die verordening genoemde afvalstoffen van kunststof in vaste vorm, maar bovendien uit verschillende andere in bijlage II genoemde afvalstoffen en een kleine hoeveelheid van niet in die bijlage genoemde stoffen, indien de betrokken afvalstoffen niet naar behoren zijn gesorteerd.
2) a) De zinsnede in verband met opslag in bijlage II B van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals nadien gewijzigd, moet aldus worden uitgelegd, dat daaronder niet alleen het geval valt dat opslag plaatsvindt bij het bedrijf waarbij een van de overige in die bijlage genoemde handelingen worden toegepast, maar ook de opslag in afwachting van vervoer naar zo'n bedrijf (met uitsluiting van voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie), ongeacht of dat bedrijf binnen of buiten de Gemeenschap is gelegen.
b) De gegevens die de bevoegde autoriteit gewoonlijk dient te verlangen om te mogen aannemen dat groen afval voor nuttige toepassing is bestemd, is de informatie bedoeld in artikel 11, lid 1, van de verordening; die autoriteit is evenwel bevoegd, en kan zelfs verplicht zijn, alle verdere informatie of gegevens te verlangen die noodzakelijk zijn om aan te tonen dat de afvalstoffen voor nuttige toepassing zijn bestemd.
3) De bevoegde autoriteit van bestemming is niet alleen bevoegd, maar ook verplicht de bevoegde autoriteit van verzending bij te staan om haar verplichtingen uit artikel 26, lid 2, van de verordening na te komen. De lidstaat van verzending mag zich niet tegen de terugzending van de afvalstoffen verzetten, indien de terugzending niet onmogelijk is en hij van de bevoegde autoriteit van bestemming een naar behoren gemotiveerd verzoek ter zake heeft ontvangen."
(1) - PB L 30, blz. 1.
(2) - PB L 194, blz. 39. De materiële bepalingen van richtlijn 75/442 zijn vervangen bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 tot wijziging van richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen (PB L 78, blz. 32). De bij richtlijn 91/156 toegevoegde bijlagen II A en II B zijn gewijzigd bij beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996 houdende aanpassing van de bijlagen II A en II B bij richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen (PB L 135, blz. 32).
(3) - Artikel 44.
(4) - Zie voor de volledige definitie van dit begrip artikel 2, sub d, van de verordening.
(5) - Zie voor de volledige definitie van dit begrip artikel 2, sub c, van de verordening.
(6) - Zie voor de volledige definitie van dit begrip artikel 2, sub e, van de verordening.
(7) - Artikel 3, lid 1, wat voor verwijdering bestemde afvalstoffen betreft; artikel 6, lid 1, wat voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen betreft.
(8) - Artikel 4, lid 2, sub a.
(9) - Artikel 8, lid 1. In het geval van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die op de "rode lijst van afvalstoffen" in bijlage IV staan, moet de instemming evenwel vóór de aanvang van de overbrenging schriftelijk worden gegeven (artikel 10).
(10) - De bijlagen bij de verordening zijn gewijzigd bij beschikking 94/721/EG van de Commissie van 21 oktober 1994 tot aanpassing, overeenkomstig artikel 42, lid 3, van de bijlagen II, III en IV bij verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB L 288, blz. 36), en beschikking 96/660/EG van de Commissie van 14 november 1996 overeenkomstig artikel 42, lid 3, van bijlage II bij verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad (PB L 304, blz. 15).
(11) - Veertiende overweging van de considerans van de verordening.
(12) - Artikel 1, lid 3, sub a.
(13) - Aanvankelijk hoofdrubriek D; naderhand gewijzigd bij beschikking 94/721 (aangehaald in voetnoot 10).
(14) - Aanvankelijk subrubriek D 3915 10; naderhand gewijzigd bij beschikking 94/721 (aangehaald in voetnoot 10).
(15) - Reeds aangehaald in voetnoot 10.
(16) - Punt 5.
(17) - Artikel 2, sub k.
(18) - In de oorspronkelijke versie van bijlage III was sprake van "huishoudelijk afval", dat werd genoemd in de lijst van afvalstoffen van de oranje lijst die door het herzieningsmechanisme van de OESO prioritair moesten worden heronderzocht. "Stedelijk/huishoudelijk afval" werd als "AD 160" in de oranje lijst ingedeeld bij beschikking 94/721 (aangehaald in voetnoot 10).
(19) - Reeds aangehaald in de punten 8 en 9.
(20) - De volledige tekst is reeds aangehaald in punt 6.
(21) - Zie artikel 2, lid 2, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 377, blz. 20), dat de lidstaten verplicht, de nodige maatregelen te nemen opdat bedrijven en ondernemingen die gevaarlijke afvalstoffen verwijderen, nuttig toepassen, inzamelen of vervoeren, behoudens de uitzonderingen van artikel 2, lid 3, "de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen van elkaar gescheiden houden en gevaarlijke afvalstoffen gescheiden houden van niet-gevaarlijke afvalstoffen".
(22) - Besluit van de OESO betreffende de controle op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen voor nuttige toepassing, C(92) 39 def.
(23) - Derde overweging van de considerans.
(24) - Beschikking van 20 december 1993 houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a, van richtlijn 75/442/EEG (PB 1994, L 5, blz. 15).
(25) - Reeds aangehaald in voetnoot 2.
(26) - Zie punt 5 van de inleiding.
(27) - Reeds aangehaald in voetnoot 22.
(28) - Verdrag inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 93/98/EEG van de Raad van 1 februari 1993 (PB L 39, blz. 1). De tekst van het verdrag is aan het besluit gehecht. Door de afvalstoffenverordening is het verdrag in de Gemeenschap ten uitvoer gelegd.
(29) - Zie punt 14.
(30) - Zie artikel 2, sub k en i, van de verordening, en artikel 1, sub e en f, en bijlagen II A en II B van de richtlijn. De betrokken bepalingen van die bijlagen werden na de feiten van deze zaak gewijzigd, zij het niet inhoudelijk, bij beschikking 96/350 (reeds aangehaald in voetnoot 2).
(31) - Artikel 3, lid 5, wat voor verwijdering bestemde afvalstoffen betreft, en artikel 6, lid 5, wat voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen betreft.
(32) - Artikel 4, lid 2, sub d, wat voor verwijdering bestemde afvalstoffen betreft en artikel 7, lid 3, wat voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen betreft.
(33) - Zie artikel 1, lid 3, sub a.
(34) - Artikel 6, lid 6.
(35) - Zie punt 36.
(36) - Titel IV van de verordening.
(37) - Reeds aangehaald in voetnoot 8.
(38) - Punt 9.
(39) - Cf. artikel 9, lid 2, van het verdrag inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan ("Verdrag van Bazel"), dat vergelijkbaar is met artikel 26, lid 2, van de verordening. Het bepaalt enkel het volgende: "Geen van de betrokken partijen verzet zich tegen, belemmert of verhindert de terugkeer van die afvalstoffen naar de staat van uitvoer." (In de vierde overweging van de considerans van besluit 93/98, waarbij het verdrag namens de Gemeenschap is goedgekeurd, wordt gesteld, dat de afvalstoffenverordening onder meer tot doel heeft "het bestaande communautaire stelsel voor toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen in overeenstemming te brengen met de voorschriften van het Verdrag van Bazel en van de ACS-EEG-overeenkomst". Het Verdrag van Bazel wordt ook genoemd in de eerste overweging van de considerans van de verordening).
(40) - Wat de redactie van de laatste zin van artikel 26, lid 2, betreft, is mij niet geheel duidelijk, wat "waarin de redenen worden uiteengezet" toevoegt aan "een naar behoren gemotiveerd verzoek".
(41) - Zie met name de verwijzingen naar samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten in artikel 26, leden 3 en 4.
(42) - "Sheet Information Paper, Regulation (EEC) No 259/93 on Shipments of Waste, Subject: Illegal traffic", AMP D(96) (bijlage bij de opmerkingen van de Finse regering). Correspondenten worden krachtens artikel 37, lid 1, van de verordening aangewezen door de lidstaten en de Commissie; artikel 37, lid 2, bepaalt, dat de Commissie, indien daarom door de lidstaten wordt verzocht of daartoe anderszins aanleiding is, op gezette tijden de correspondenten bijeenroept teneinde met hen de vragen in verband met de toepassing van de verordening te bespreken.
Full & Egal Universal Law Academy