Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige procedure verzoekt de Commissie het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek, door artikel L 213-1 van de Code du travail te handhaven dat, op enkele uitzonderingen na, nachtarbeid door vrouwen verbiedt, terwijl voor mannelijke werknemers een dergelijk verbod niet geldt, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(1) (hierna: "richtlijn").
2 Het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals in de richtlijn voorzien, houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie, is uitgesloten (artikel 2, lid 1). Er bestaan echter een aantal uitzonderingen op dit beginsel, teneinde de vrouw, met name wat zwangerschap en moederschap betreft, te beschermen (artikel 2, lid 3).
Het in casu relevante artikel 5, lid 1, luidt als volgt: "De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht." Te dien einde nemen de Lid-Staten onder meer de nodige maatregelen om te bereiken dat de wettelijke bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling worden ingetrokken (artikel 5, lid 2, sub a) of worden herzien, wanneer de eraan ten grondslag liggende beschermende bedoeling niet meer gefundeerd is (artikel 5, lid 2, sub c).
De termijn waarbinnen de Lid-Staten de nodige maatregelen moeten nemen bedraagt op grond van artikel 9, lid 1, van de richtlijn dertig maanden volgende op de kennisgeving ervan. Wat artikel 5, lid 2, sub c, betreft, verplicht deze bepaling de nationale autoriteiten om het daarin bepaalde een eerste maal te onderzoeken en eventueel een eerste maal te herzien binnen een termijn van vier jaar, welke op 14 februari 1980 is verstreken.
3 Wat de Franse wettelijke regeling betreft, is in artikel L 213-1 van de Code du travail het beginsel van het verbod op nachtarbeid door vrouwen neergelegd. Dit artikel luidt: "Vrouwen mogen geen nachtarbeid verrichten in fabrieken, manufacturen, mijnen en steengroeven, werkplaatsen, ateliers en in de bijgebouwen ervan, ongeacht of het openbare of particuliere, seculiere of religieuze inrichtingen betreft, ook niet indien deze een charitatief of opleidingskarakter hebben, noch in openbare inrichtingen of ministeries, kantoren van vrije beroepsbeoefenaren, van burgerlijke vennootschappen, van vakbonden of van verenigingen van welke aard dan ook." Nadien(2) zijn bepaalde uitzonderingen opgenomen voor vrouwen in verantwoordelijke functies van leidinggevende of technische aard, en voor vrouwen die in de gezondheids- en welzijnssector werkzaam zijn en gewoonlijk geen handarbeid verrichten. Bovendien wordt het verbod op nachtarbeid opgeheven wanneer het nationale belang dit om bijzonder zwaarwichtige redenen vereist, en voor vrouwen die in ploegendienst werken. In dat geval dient een collectieve overeenkomst voor de bedrijfstak algemeen verbindend te worden verklaard en moet voor het bedrijf of voor de inrichting een door de arbeidsinspecteur goedgekeurde overeenkomst worden gesloten. Bij overtreding van deze bepalingen kunnen geldboetes worden opgelegd.
De bovenvermelde Franse wettelijke regeling is vastgesteld ter uitvoering van verdrag nr. 89 van 9 juli 1948 van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna: "IAO"). Dit verdrag - waarvan artikel 3, behoudens uitzonderingen, een verbod op nachtarbeid door vrouwen bevat - is door de Franse Republiek geratificeerd bij wet nr. 53-603 van 7 juli 1953.
4 Op dit punt moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in het arrest Stoeckel, waarin het zich over het betrokken verbod diende uit te spreken, voor recht heeft verklaard, dat "artikel 5 van richtlijn 76/207 voldoende nauwkeurig is om voor de Lid-Staten de verplichting te scheppen, het verbod op nachtarbeid door vrouwen niet als wettelijk beginsel vast te leggen, ook al bestaan er afwijkingen van dat verbod, wanneer er geen verbod staat op nachtarbeid door mannen".(3)
Na te hebben verklaard, dat artikel 5, lid 1, van de richtlijn rechtstreekse werking heeft en dat de belanghebbenden zich voor de nationale rechterlijke instanties daarom rechtstreeks op dit artikel kunnen beroepen(4), oordeelde het Hof vervolgens, kort samengevat, dat het in de Franse wetgeving opgenomen verbod op nachtarbeid, zelfs indien het vergezeld gaat van de bovengenoemde uitzonderingen, onverenigbaar met de richtlijn is, wanneer het uitsluitend voor vrouwen geldt. Hieruit volgt, dat verdrag nr. 89 van de IAO, vanuit het door het Hof aanvaarde oogpunt, in geen geval kan worden aangemerkt als rechtvaardiging voor een inbreuk op het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen, zoals dit uit artikel 5 van de richtlijn voortvloeit.
5 Later, in de zaak Levy, waarin het om dezelfde nationale wettelijke regeling ging, diende het Hof zich, tegen de achtergrond van artikel 234 van het Verdrag(5), expliciet uit te spreken over het probleem van de relatie tussen de toepassing van de gemeenschapsnorm en de eerbiediging van verplichtingen voortvloeiende uit een overeenkomst die vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag is gesloten, zoals dat met verdrag nr. 89 van de IAO het geval is. In antwoord op de prejudiciële vraag preciseerde het Hof in dit arrest, dat "de nationale rechter gehouden is de volledige eerbiediging te verzekeren van artikel 5 van richtlijn 76/207, door elke ermee strijdige bepaling van zijn nationale wetgeving buiten toepassing te laten, tenzij toepassing van een dergelijke bepaling noodzakelijk is om te verzekeren dat de betrokken Lid-Staat voldoet aan verplichtingen die voortvloeien uit een vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag met derde landen gesloten overeenkomst".(6)
Met andere woorden, het Hof heeft dus erkend, dat artikel 234 van het Verdrag de nationale rechter toestaat om de verplichtingen ex artikel 5 van de richtlijn buiten toepassing te laten, totdat de vastgestelde strijdigheid is opgeheven.
6 Inmiddels heeft de Franse regering op 26 februari 1992, juist na het arrest Stoeckel, verdrag nr. 89 van de IAO opgezegd. Deze opzegging is precies één jaar later, dat wil zeggen op 26 februari 1993(7), van kracht geworden.
7 Dit is de context van de onderhavige procedure. De Commissie heeft namelijk alleen de niet-nakomingsprocedure tegen de Franse Republiek ingeleid, omdat deze niet langer gebonden was aan de verplichtingen voorzien in verdrag nr. 89 van de IAO. Op 2 maart 1994 is de Franse regering de aanmaningsbrief gezonden, de verzending van een met redenen omkleed advies volgde op 8 november 1994. Aangezien de Franse regering dit advies niet binnen de haar gestelde termijn van twee maanden heeft opgevolgd, heeft de Commissie op 6 juni 1996 het onderhavige beroep ingesteld.
Kort samengevat stelt de Commissie, dat, aangezien de Franse regering verdrag nr. 89 van de IAO heeft opgezegd en deze opzegging rechtskracht heeft verkregen, de handhaving van artikel 213-1 van de Code du travail een schending van artikel 5 van de richtlijn vormt. Zij verzoekt het Hof daarom, deze schending vast te stellen.
8 De Franse regering betwist de haar verweten niet-nakoming en stelt, dat, aangezien de Franse Republiek niet langer gebonden is aan verdrag nr. 89 van de IAO, de nationale rechter voortaan gehouden is om de betrokken nationale bepaling, gezien de rechtstreekse werking van artikel 5 van de richtlijn, buiten toepassing te laten. Dit zou overigens duidelijk volgen uit een standpunt dat de minister in antwoord op een parlementaire vraag heeft ingenomen en dat in het Journal officiel de la République française(8) is gepubliceerd. Voorts wijst de Franse regering erop, dat een in 1992 ingediend wetsvoorstel is afgewezen door de sociale partners, die destijds waren uitgenodigd om zelf te onderhandelen over de invoering van waarborgen en vergoedingen in de sectoren waar nachtarbeid het meest voorkomt. De op dit gebied gevolgde praktijk zou hoe dan ook bevestigen, dat artikel L 213-1 van de Code du travail in feite niet meer wordt toegepast.(9)
Volgens de Franse regering is er daarom noch feitelijk noch rechtens sprake van discriminatie van mannen en vrouwen op het gebied van de arbeidsvoorwaarden, en in het bijzonder wat nachtarbeid betreft.
9 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Hiertoe volstaat immers de opmerking, dat volgens vaste rechtspraak, "de onverenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met de bepalingen van het Verdrag, ook al zijn deze rechtstreeks toepasselijk, enkel definitief kan worden opgeheven door middel van dwingende nationale voorschriften die dezelfde rechtskracht hebben als de te wijzigen bepalingen. Eenvoudige administratieve praktijken, die naar hun aard volgens goeddunken van de administratie kunnen worden gewijzigd en waaraan onvoldoende bekendheid is gegeven, zijn niet te beschouwen als een correcte uitvoering van de verplichtingen die het Verdrag oplegt."(10) Deze uitspraak, let wel, geldt zeer zeker voor een antwoord van de minister op een parlementaire vraag, zelfs al is dit antwoord gepubliceerd; dit geldt des te meer indien men overweegt, dat een beroep bij de nationale rechter blijkens dit antwoord noodzakelijk blijft om de nationale bepaling inzake het verbod op nachtarbeid door vrouwen buiten toepassing te verklaren, en om derhalve gebruik te kunnen maken van de uit artikel 5 van de richtlijn voortvloeiende rechten.
Daar komt voorts bij dat, gelijk het Hof herhaaldelijk heeft gepreciseerd, "de bepalingen van een richtlijn moeten worden uitgevoerd met een onbetwistbare dwingende kracht en met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die nodig zijn om te voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid".(11) Deze vereisten komen vanzelfsprekend nog een groter belang toe, wanneer de betrokken richtlijn rechten voor particulieren in het leven beoogt te roepen; in een dergelijk geval moeten de begunstigden immers "al hun rechten kunnen kennen en ze zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden".(12)
10 Uit bovengenoemde rechtspraak blijkt duidelijk, dat de middelen en argumenten die de Franse regering, weliswaar met weinig overtuigingskracht, heeft aangevoerd, geen enkele invloed hebben op de middelen inzake de vaststelling van de door de Commissie aangevoerde niet-nakoming.
11 Gelet op de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging:
- vast te stellen dat, door in artikel L 213-1 van de Code du travail een verbod op nachtarbeid door vrouwen in de industrie te handhaven, terwijl voor mannen een dergelijk verbod niet geldt, de Franse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden;
- verweerster in de kosten te verwijzen.
(1) - PB 1976, L 39, blz. 40.
(2) - Ik verwijs in het bijzonder naar de wetten van 2 januari 1979 en 19 juni 1987 alsmede naar beschikking nr. 82-41 van 16 januari 1982.
(3) - Arrest van 25 juli 1991, zaak C-345/89, Stoeckel, Jurispr. 1991, blz. I-4047, r.o. 20.
(4) - Zie in die zin reeds het arrest van 26 februari 1986, zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723, r.o. 55.
(5) - De eerste alinea van dit artikel luidt: "De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gesloten tussen een of meer Lid-Staten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, worden door de bepalingen van dit Verdrag niet aangetast." Voor zover voor deze zaak van belang, luidt de tweede alinea van dit artikel als volgt: "Voor zover deze overeenkomsten niet verenigbaar zijn met dit Verdrag maken de betrokken Lid-Staat of Lid-Staten gebruik van alle passende middelen om de vastgestelde onverenigbaarheid op te heffen. (...)"
(6) - Arrest van 2 augustus 1993, zaak C-158/91, Levy, Jurispr. 1993, blz. I-4287, r.o. 22.
(7) - Volgens artikel 15 van het verdrag kan dit worden opgezegd na verloop van elke periode van tien jaar, te rekenen vanaf de datum van de oorspronkelijke inwerkingtreding, in de loop van de twaalf volgende maanden. Overeenkomstig het bepaalde in dit artikel lopen de in het verdrag voorziene verplichtingen één jaar na de opzegging ervan af.
(8) - JORF van 13 december 1993, blz. 4517 en 4518. In dit ministeriële antwoord wordt, na de inhoud van de arresten Stoeckel en Levy in herinnering te hebben gebracht, duidelijk gepreciseerd, dat aan artikel 5 van de richtlijn volle werking moet worden verleend, en wel wegens de rechtstreekse werking van deze bepaling.
(9) - De Franse regering verwijst in het bijzonder naar het reeds genoemde antwoord van de minister, waaruit blijkt dat de twee nationale rechterlijke instanties hebben besloten om artikel L 213-1 van de Code du travail ten gunste van artikel 5 van de richtlijn buiten toepassing te laten, alsmede naar de omstandigheid dat de beroepsorganisaties zich volledig bewust zijn, dat de betrokken nationale bepaling niet wordt toegepast en dat het niet louter toeval is, dat de door hen onderhandelde deelakkoorden in overeenstemming zijn met de gemeenschapsregeling.
(10) - Arrest van 7 maart 1996, zaak C-334/94, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1996, blz. I-1307, r.o. 30; cursivering van mij. Zie in diezelfde zin arrest van 15 oktober 1986, zaak 168/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 2945, r.o. 13.
(11) - Arrest van 8 oktober 1996, gevoegde zaken C-178/94, C-179/94, C-188/94, C-189/94 en C-190/94, Dillenkofer e.a., Jurispr. 1996, blz. I-4845, r.o. 48. Zie bovendien arrest van 30 mei 1991, zaak C-59/89, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1991, blz. I-2607, r.o. 24, waarin het Hof erop heeft gewezen, dat "de overeenstemming van een praktijk met de beschermende voorschriften van een richtlijn geen reden kan zijn om deze richtlijn in de interne rechtsorde niet door bepalingen om te zetten die zo nauwkeurig, duidelijk en doorzichtig zijn, dat de particulier zijn rechten en plichten kan kennen. Zoals het Hof heeft beslist (...) moeten de Lid-Staten om de volledige toepassing van richtlijnen rechtens en niet alleen feitelijk te verzekeren, zorgen voor een duidelijk wettelijk kader op het betrokken gebied" (r.o. 28).
(12) - Arrest van 30 mei 1991, zaak C-361/88, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1991, blz. I-2567, r.o. 15.
Full & Egal Universal Law Academy