Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige zaak verzoekt de Commissie het Hof:
"1) vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de voorgeschreven termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om gevolg te geven aan de bepalingen van richtlijn 92/119/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van de vesiculaire varkensziekte(1) (hierna: $richtlijn'), niet heeft voldaan aan de krachtens die richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen;
2) het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen".
2 Ingevolge artikel 27 van de richtlijn moesten de Lid-Staten de nodige bepalingen in werking doen treden om vóór 1 oktober 1993 aan deze richtlijn te voldoen. Zij moesten de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Aangezien de Belgische regering de maatregelen tot omzetting van de richtlijn niet meedeelde, en de Commissie over geen andere informatie beschikte waaruit zij kon afleiden dat het Koninkrijk België aan die verplichting had voldaan, leidde de Commissie de niet-nakomingsprocedure van artikel 169 EG-Verdrag in door de Belgische regering op 3 december 1993 schriftelijk aan te manen.
4 Toen haar brief onbeantwoord bleef, bracht de Commissie op 26 september 1994 een met redenen omkleed advies uit, waarnaar het Koninkrijk België zich binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, diende te voegen.
5 Bij brief van 9 oktober 1995 deelden de Belgische autoriteiten de Commissie mee, dat de bestaande wettelijke regeling ten dele aan de eisen van de richtlijn voldeed en dat werd gewerkt aan een ontwerp van koninklijk besluit om de omzetting van de richtlijn te vervolledigen.
6 Toen de Commissie vervolgens geen nadere informatie ontving, heeft zij bij op 19 juni 1996 ter griffie van het Hof ingeschreven verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
7 De Belgische regering betoogt, dat de richtlijn door een aantal bepalingen reeds gedeeltelijk in nationaal recht was omgezet. Zij merkt op, dat nog twee koninklijke besluiten moeten worden vastgesteld om de omzetting van de richtlijn te vervolledigen. De vertraging bij de vaststelling van die bepalingen rechtvaardigt zij door te wijzen op de budgettaire gevolgen van één van die twee besluiten.
8 Het Koninkrijk België ontkent niet, dat het tot op heden niet alle voor de omzetting van de richtlijn noodzakelijke bepalingen heeft vastgesteld.
9 De rechtvaardiging van de vertraging bij de vaststelling van de omzettingsmaatregelen, die aan overwegingen van budgettaire aard zou zijn toe te schrijven, kan niet worden aanvaard. Volgens vaste rechtspraak kan een Lid-Staat zich immers niet beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen.(2)
10 Aangezien de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is omgezet, moet het beroep van de Commissie gegrond worden verklaard en het Koninkrijk België overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten worden verwezen.
11 Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de voorgeschreven termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om gevolg te geven aan de bepalingen van richtlijn 92/119/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van de vesiculaire varkensziekte, niet heeft voldaan aan de krachtens die richtlijn en het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen;
2) het Koninkrijk België in de kosten te verwijzen.
(1) - PB 1993, L 62, blz. 69.
(2) - Zie, onder meer, arrest van 5 juni 1997 (zaak C-107/96, Commissie/Spanje, Jurispr. 1997, blz. I-3193, r.o. 10).
Full & Egal Universal Law Academy