Conclusie van de advocaat generaal
1 Het Tribunale civile di Genova (Italië) stelt drie prejudiciële vragen over de invloed van het gemeenschapsrecht, zoals uitgelegd door het Hof, op bepaalde voorwaarden voor de uitoefening van het recht op terugvordering van ten onrechte door de Italiaanse overheid geheven belastingen. In concreto gaat het om de terugbetaling van door de verzoekende onderneming betaalde bedragen ter voldoening van een met de gemeenschapsregeling strijdige nationale heffing.
De feiten, het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
2 Verzoekster is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die is ingeschreven in het register van vennootschappen bij het Tribunale civile di Genova; ingevolge de bepalingen van decreet nr. 641 van de president van de Republiek van 26 oktober 1972 (hierna: "presidentieel decreet nr. 641/72") heeft zij tussen 1986 en 1992 een bedrag van 64 500 000 LIT aan de Italiaanse schatkist betaald uit hoofde van de jaarlijkse heffing op overheidsvergunningen voor de inschrijving van vennootschappen in het ondernemingsregister.
3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van 20 april 1993 in de zaak Ponente Carni en Cispadana Costruzioni(1) (hierna: "arrest Ponente Carni"), waarin verscheidene prejudiciële vragen waren gesteld over de uitlegging van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal(2), heeft de Italiaanse wetgever de jaarlijkse heffing afgeschaft en het bedrag van de heffing voor de eerste inschrijving van vennootschappen in het register verlaagd tot 500 000 LIT.(3)
4 Van hun zijde hebben de Italiaanse rechters eveneens de onverenigbaarheid van de jaarlijkse heffing(4) met het gemeenschapsrecht vastgesteld en daarmee ook het onverschuldigd karakter van de uit hoofde daarvan geheven belastingontvangsten.
5 Na zonder succes teruggaaf van de tussen 1986 en 1992 onverschuldigd betaalde heffingen te hebben gevorderd van de Italiaanse overheid, heeft Edis op 31 mei 1996 beroep ingesteld bij het Tribunale civile di Genova, met het verzoek(5) een rechterlijk bevel tegen de Italiaanse minister van Financiën uit te vaardigen tot terugbetaling van het bedrag van de bestreden heffingen ten belope van 64 500 000 LIT.
6 Alvorens hierover uitspraak te doen, heeft de president van het Tribunale civile di Genova besloten, de drie volgende prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen:
"1) Moeten, ter aanvulling en verduidelijking van 's Hofs arrest van 20 april 1993, Ponente Carni (C-71/91 en C-178/91), de bepalingen van het Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan de invoering dan wel handhaving door een lidstaat van een nationale wettelijke regeling als door de Italiaanse wetgever vastgesteld bij artikel 13, tweede alinea, van presidentieel decreet nr. 641/72 van 26 oktober 1972, wanneer de toepassing van die regeling tot gevolg heeft, dat de werking in de tijd van een arrest van het Hof wordt beperkt?
2) Is artikel 5 EG-Verdrag, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, verenigbaar met een nationale wettelijke regeling (artikel 13 van presidentieel decreet nr. 641/72), die in de procedurevoorschriften voor het instellen van vorderingen in rechte ter verzekering van de teruggaaf van in strijd met richtlijn 69/335/EEG van de Raad betaalde heffingen, voorziet in een vervaltermijn van drie jaar vanaf de dag van betaling, welke vervaltermijn naar nationaal recht niet geldt voor vorderingen wegens onverschuldigde betaling tussen particulieren?
3) Indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, is het dan verenigbaar met het gemeenschapsrecht, dat een nationale wettelijke regeling voorziet in een vervaltermijn die (ten nadele van de onderdaan van een lidstaat die zich op de bepalingen van een richtlijn beroept voor de terugvordering van een onverschuldigd betaalde heffing) ingaat voordat die richtlijn correct in nationaal recht is omgezet?"
De nationale regeling en de uitlegging ervan door de Italiaanse rechterlijke instanties
7 Allereerst zal ik de kenmerken beschrijven van de onverschuldigd betaalde heffing, zoals gepreciseerd in het arrest Ponente Carni (punten 5-11):
- De heffing op overheidsvergunningen voor de inschrijving van vennootschappen in het ondernemingsregister (hierna: "vergunningsheffing"), ingesteld bij besluit nr. 641 van de president van de Republiek van 26 oktober 1972 (GURI nr. 292 van 11 november 1972, supplement nr. 3), is van toepassing op inschrijvingen in het vennootschapsregister van de belangrijkste akten betreffende het bestaan van vennootschappen. Dit register wordt gehouden door de griffier van de rechtbanken, in afwachting van de instelling van een register van ondernemingen overeenkomstig artikel 2188 van de Codice civile.
- De vergunningsheffing, waar van toepassing op de inschrijving in het register van de oprichtingsakte van vennootschappen, heeft in de loop van de tijd diverse wijzigingen ondergaan wat betreft het bedrag en de periodieke verschuldigdheid ervan.
- Het bedrag van de heffing ter zake van bedoelde inschrijving werd bij artikel 3, lid 18, van besluitwet nr. 853 van 19 december 1984 (GURI nr. 347 van 19 december 1984), in wet omgezet bij wet nr. 17 van 17 februari 1985 (GURI nr. 41 bis van 17 februari 1985), verhoogd van 81 000 LIT tot 5 miljoen LIT voor naamloze vennootschappen en commanditaire vennootschappen op aandelen, tot 1 miljoen LIT voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, en tot 100 000 LIT voor de overige vennootschappen.
- Bij besluitwet nr. 173 van 30 mei 1988 (GURI nr. 125 van 30 mei 1988) werden genoemde bedragen verhoogd. Wet nr. 291 van 26 juli 1988 (GURI nr. 175 van 27 juli 1988), waarbij dit besluit in wet werd omgezet, stelde in artikel 1 het bedrag van de heffing op 2,5 miljoen LIT voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en op 500 000 LIT voor de overige vennootschappen. Voor naamloze vennootschappen en commanditaire vennootschappen op aandelen stelde deze wet, naar gelang van de hoogte van het geplaatste kapitaal, vijf verschillende bedragen vast, lopend van 9 tot 120 miljoen LIT.
- Besluitwet nr. 69 van 2 maart 1989 (GURI nr. 51 van 2 maart 1989), in wet omgezet bij wet nr. 154 van 27 april 1989 (GURI nr. 99 van 29 april 1989), stelde in artikel 36, lid 8, het bedrag van de heffing op 12 miljoen LIT voor naamloze vennootschappen en commanditaire vennootschappen op aandelen, op 3,5 miljoen LIT voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, en op 500 000 LIT voor de overige vennootschappen.
- Bij voornoemde wet nr. 154 van 27 april 1989 werd een lid 8 toegevoegd aan artikel 36 van de besluitwet van 2 maart 1989, volgens hetwelk de heffing voor het jaar 1988 15 miljoen LIT bedroeg voor naamloze vennootschappen en commanditaire vennootschappen op aandelen, 3,5 miljoen LIT voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, en 500 000 LIT voor de overige vennootschappen. Deze bepalingen kwamen in de plaats van de eerdergenoemde bepalingen van wet nr. 291 van 26 juli 1988.
- Met betrekking tot de periodieke verschuldigdheid van de heffing bepaalde de eerdergenoemde besluitwet nr. 853, dat de heffing niet alleen verschuldigd is bij de inschrijving van de oprichtingsakte in het register, maar ook op 30 juni van ieder volgend kalenderjaar.
8 Van de nationale bepalingen inzake het instellen van de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen, verdienen in casu de volgende de aandacht:
a) Artikel 13, tweede alinea, van presidentieel decreet nr. 641/72 bepaalt: "Op straffe van verval van recht kan de belastingplichtige abusievelijk betaalde belastingen terugvorderen binnen een termijn van drie jaar vanaf de dag van betaling (...)"
b) Dezelfde vervaltermijn van drie jaar geldt voor vorderingen tot terugbetaling van andere, douanerechtelijke ontvangsten van overheidsinstellingen, zulks overeenkomstig artikel 29, lid 1, van wet nr. 428/90, juncto artikel 91 van de gecodificeerde douanewet (presidentieel decreet nr. 43 van 23 januari 1973). Dit laatste artikel voorziet in een vervaltermijn van vijf jaar, die, vanaf de inwerkingtreding van de betrokken wet, toepasselijk moet worden geacht op alle verzoeken en vorderingen die kunnen worden ingediend tot terugbetaling van bedragen die in verband met douaneverrichtingen zijn betaald.(6)
9 Volgens het gewone nationale recht geldt voor de instelling van acties uit onverschuldigde betaling tussen particulieren geen enkele termijn, behoudens de in artikel 2946 van de Italiaanse Codice civile bepaalde gewone verjaringstermijn van tien jaar ("behoudens in gevallen waarin de wet anders bepaalt, vervallen rechten na tien jaar door verjaring").
10 De Corte suprema di cassazione heeft, in volle samenstelling, in het arrest nr. 3458/96 van 23 februari 1996 voor recht verklaard, dat het verzoek tot terugbetaling van de in geding zijnde heffing onder artikel 13, tweede alinea, van presidentieel decreet nr. 641/72 valt.
11 In het door dat arrest besliste geschil werden twee tegengestelde standpunten verdedigd:
a) Volgens de ene partij moest de krachtens artikel 13, tweede alinea, van presidentieel decreet nr. 641/72 opgeworpen exceptie van verval worden afgewezen op grond dat "er geen sprake van een vergissing was, daar de betaling immers niet abusievelijk kon zijn, nu er feitelijk noch rechtens een onjuiste voorstelling van zaken was gegeven, terwijl er daarentegen geen enkele bevoegdheid tot belastingheffing van de nationale staat bestond, gelet op de reeds bestaande communautaire wetgeving". Dit was de stelling van de Italiaanse rechter in de uitspraak waartegen cassatieberoep was ingesteld.
b) Volgens de andere partij "ziet artikel 13 mede op alle abusievelijk betaalde heffingen, ongeacht de oorzaak van de betaling, met inbegrip dus van de bestreden heffingen". Dit was het standpunt van de Italiaanse belastingdienst.
12 De door de Corte suprema di cassazione gevolgde redenering ten gunste van de stelling van de belastingdienst luidde als volgt:
"In het huidige fiscale stelsel geldt voor de terugbetaling van abusievelijk betaalde heffingen een vervaltermijn van drie jaar vanaf de dag van betaling; ook de betrokken heffing is aan dit stelsel onderworpen, aangezien het hier om een geval van niet-toepasselijkheid van het nationale recht gaat - wegens de strijdigheid ervan met communautaire bepalingen - die geenszins de intrekking of onverenigbaarheid van de Italiaanse wet met zich brengt.
Meer concreet heeft de Corte costituzionale zich reeds over de beperkingen van het recht op teruggaaf van abusievelijk betaalde belastingen kunnen uitspreken in zijn arrest nr. 56 van 24 februari 1995, waarin artikel 12 van presidentieel decreet nr. 641 van 26 oktober 1972 in strijd met de grondwet werd verklaard, omdat dit artikel met betrekking tot de in artikel 11 van hetzelfde decreet genoemde geschillen niet bepaalt, dat de vordering in rechte ook kan worden ingesteld zonder dat vooraf administratief beroep is ingesteld. Volgens de constitutionele rechter kon de beperking van het in artikel 24 van de grondwet verwoorde beginsel niet worden gerechtvaardigd door de ratio van de bepalingen van artikel 12. Dit geldt niet ten aanzien van een bepaling van algemene strekking, zoals artikel 13, tweede alinea, die de terugbetaling van abusievelijk en dus onverschuldigd door de belastingplichtige aan de staat betaalde belastingen aan een vervaltermijn van drie jaar bindt.
Deze bepaling is namelijk aldus geformuleerd, dat zij alle abusievelijk betaalde belastingen omvat, ongeacht de oorzaak van de onverschuldigde betaling, zodat kan worden geconstateerd, dat artikel 13 in een verval van algemene strekking voor elk verzoek tot terugbetaling voorziet, zulks overeenkomstig de neiging van de wetgever om verzoeken tot terugbetaling van heffingen op overheidsvergunningen altijd aan een vervalregeling te onderwerpen.
De stelling, dat de betaling in casu niet abusievelijk is verricht omdat er geen sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken, feitelijk en rechtens, met alle gevolgen van dien voor de wilsvorming, maar dat zij integendeel vrijwillig en met volledige kennis van zaken was verricht ter naleving van een fiscale bepaling, moet worden afgewezen. Anders geformuleerd, het bestreden arrest ontkent niet, dat er een vergissing in het spel is aangaande de toepassingsvoorwaarden van de fiscale verplichting, waardoor de betaling het karakter van een onverschuldigde betaling krijgt, doch acht het verval, hoewel algemeen toepasselijk op alle onverschuldigde betalingen, in casu zonder uitwerking, gelet op de ongeldigheid van de met de communautaire rechtsorde strijdige fiscale bepaling. Wordt het ontbreken van de bevoegdheid tot belastingheffing thans buiten beschouwing gelaten en wordt in aanmerking genomen, dat de rechter zich beperkt tot het buiten toepassing laten van nationaal recht dat in strijd is met communautaire bepalingen, dan ontplooit het vervalbeginsel, uit hoofde van het te laat ingediende verzoek tot terugbetaling van onverschuldigd of abusievelijk betaalde belastingen, zijn volle werking en moet het in casu derhalve toepassing vinden."
De eerste prejudiciële vraag
13 Met zijn eerste vraag wil het Tribunale civile di Genova in wezen vernemen, of een nationale regeling waarvan de toepassing ertoe leidt, dat de gevolgen van een arrest van het Hof in de tijd worden beperkt, geoorloofd is in het licht van het gemeenschapsrecht. De nationale regeling waarop de verwijzende rechter doelt, is artikel 13, tweede alinea, van presidentieel decreet nr. 641/72 en het arrest van het Hof waarop wordt gezinspeeld, is het reeds aangehaalde arrest Ponente Carni.
14 De beantwoording van deze prejudiciële vraag vergt een beknopte analyse, in de eerste plaats, van de gemeenschappelijke kenmerken van de uitspraken van het Hof over de beperking van de gevolgen van zijn arresten in de tijd en, in de tweede plaats, van het gevolg in de tijd van arresten in prejudiciële zaken. Op grond van deze analyse zal ik de conclusie kunnen trekken, dat de toepassing van de Italiaanse bepaling geen beperking in de tijd vormt van de gevolgen van het arrest Ponente Carni.
i) De beperking in de tijd van de gevolgen van de arresten van het Hof
15 Sinds zijn uitspraak van 8 april 1976 in de zaak Defrenne(7) heeft het Hof zich bij verschillende gelegenheden uitgesproken over de beperking in de tijd van de gevolgen van zijn arresten.(8) Het heeft in deze rechtspraak getracht, de eisen die het rechtszekerheidsbeginsel stelt, overeen te brengen met die welke in beginsel voortvloeien uit de onverenigbaarheid van een nationale bepaling met het gemeenschapsrecht.
16 De rechtsgrondslag van dit soort uitspraken wordt gevormd door artikel 174 EG-Verdrag, voor zover het gaat om een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring van communautaire bepalingen en handelingen.(9) Dit artikel kent het Hof een ruime beoordelingsvrijheid toe, die hem toestaat, "zo het dit nodig oordeelt", rechtssituaties te bekrachtigen die anders ongeldig zouden zijn omdat zij uit een nietig verklaarde verordening voortvloeien.
17 Ter verzekering van de "nodige samenhang" tussen arresten in beroepen tot nietigverklaring en arresten inzake prejudiciële vragen over de geldigheid van een communautaire bepaling, heeft het Hof de hem bij artikel 174 toegekende bevoegdheid tot laatstgenoemde categorie arresten uitgebreid. Dit ligt volstrekt voor de hand, omdat een arrest van het Hof tot ongeldigverklaring, bij wege van prejudiciële beslissing, van een communautaire handeling in beginsel dezelfde terugwerkende kracht, ex tunc, heeft als een arrest tot nietigverklaring: de mogelijkheid om deze terugwerkende kracht te beperken, dient dus voor beide soorten procedures te gelden.(10)
18 Ook los van deze tekst en niettegenstaande het ontbreken van soortgelijke bepalingen in artikel 177 van het Verdrag, heeft het Hof eenzelfde oplossing toegepast in het geval van prejudiciële uitleggingsvragen. Zo erkent het, dat het in uitzonderlijke situaties met het oog op bepaalde eisen in verband met de rechtszekerheid noodzakelijk kan zijn, ook de gevolgen van uitleggingsarresten in de tijd te beperken.(11) Deze bevoegdheid blijft hoe dan ook voorbehouden aan het Hof, met uitsluiting van elk ander rechtsprekend orgaan.
ii) De werking in de tijd van arresten inzake prejudiciële uitleggingsvragen
19 Een arrest inzake een prejudiciële uitleggingsvraag verplicht de nationale rechter in beginsel - behoudens de beperkingen die ik hierna zal bespreken - de communautaire bepaling toe te passen overeenkomstig de in dat arrest gegeven uitlegging en die bepaling volledige werking te verlenen, ook met betrekking tot rechtsbetrekkingen die vóór de desbetreffende uitspraak tot stand zijn gekomen.
20 Zoals het Hof immers in de arresten van 27 maart 1980, Denkavit italiana(12), en 11 augustus 1995, Roders e.a.(13), heeft verklaard: "De uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 177 verleende bevoegdheid geeft van een voorschrift van gemeenschapsrecht, verklaart, en preciseert zo nodig, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast." In het arrest van 3 juli 1997, Goldsmiths, verwees het Hof, meer beknopt, naar het beginsel, "dat de gevolgen van een uitleggingsarrest teruggaan tot de datum van inwerkingtreding van de uitgelegde regel".(14)
21 Met andere woorden, gelet op het feit dat de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke regel, vanuit het oogpunt van de werking ervan in de tijd, niets toevoegt aan de toepasselijkheid van die regel, kunnen de arresten van het Hof waarin een dergelijke uitlegging wordt gegeven, worden toegepast op elke rechtssituatie die wordt beheerst door de uitgelegde gemeenschapsrechtelijke regel, onafhankelijk van de temporele aspecten daarvan.
22 Dit betekent echter niet, dat de arresten van het Hof inzake prejudiciële uitleggingsvragen exorbitante werking hebben die voor alle eerdere rechtsbetrekkingen geldt, ongeacht of zij al dan niet zijn uitgewerkt. Immers:
a) ook al wordt in dezelfde arresten van het Hof enerzijds verklaard, dat "het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek tot uitlegging is beslist",
b) anderzijds wordt er terstond op gewezen, dat die bevoegdheid en die verplichting veronderstellen, dat "is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht".
23 Deze jurisprudentiële doctrine - nadien overigens nog bevestigd in de arresten van 15 december 1995, Bosman(15), en 13 februari 1996, Bautiaa en Société française maritime(16) - geeft de grenzen aan van de werking in de tijd van arresten inzake prejudiciële uitleggingsvragen.
24 Deze arresten, ook al leiden zij indirect tot onverenigbaarverklaring van een nationale bepaling met het gemeenschapsrecht, hebben dus niet een soort supratemporele werking waardoor feitelijk en rechtens kan worden geabstraheerd van de verschillende nationale rechtssituaties waarop zij van toepassing zouden kunnen zijn. Wel moeten zij hun werking kunnen ontplooien met betrekking tot rechtssituaties die naar nationaal recht nog voorwerp van geschil of herziening kunnen uitmaken, en die om die reden aan de beslissing van een rechtsprekend orgaan kunnen worden onderworpen.
25 Deze conclusie gaat volledig op voor de uitoefening van het recht op terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen, voor zover dit recht voortvloeit uit de onverenigbaarheid van de nationale belasting met het gemeenschapsrecht. Sinds de arresten Rewe(17) en Comet(18) heeft zich een vaste rechtspraak van het Hof ontwikkeld, waarin zowel de verplichting van de lidstaten tot terugbetaling van die ontvangsten is beklemtoond - als tegenhanger van het recht van de contribuabele op terugbetaling(19) - als de gebondenheid van dit recht aan de gebruikelijke voorwaarden die de rechtsorde van elke staat voor de uitoefening ervan stelt.
26 Deze rechterlijke doctrine samenvattend, verklaarde het Hof in het arrest van 29 juni 1988, Deville(20): "Bij gebreke van een communautaire regeling inzake de terugbetaling van ten onrechte geheven nationale belastingen, [is het] een aangelegenheid van de rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, met dien verstande dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en dat zij in geen geval dusdanig mogen zijn, dat de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, in de praktijk onmogelijk wordt gemaakt."(21)
27 Een van de voorwaarden waaraan de instelling van dit soort vorderingen kan worden onderworpen, houdt verband met het tijdsverloop. Het nationale recht kan immers meer of minder lange termijnen bepalen voor de verjaring van rechten of het verval van vorderingen uit onverschuldigde betaling. Indien die termijnen niet in strijd zijn met het gemeenschapsrecht - en deze laatste vraag zal in het kader van de twee andere prejudiciële vragen worden onderzocht - kunnen zij hun werking ontvouwen ten aanzien van elke soort vordering van deze aard, zonder dat dit juridisch gezien neerkomt op een beperking van de gevolgen in de tijd van de arresten van het Hof, waarin een nationale bepaling onverenigbaar met het gemeenschapsrecht is verklaard.
iii) Het verband tussen beide rechtsfiguren
28 De techniek om, bij wijze van uitzondering, de gevolgen van een arrest in de tijd te beperken, functioneert als een concentrische cirkel binnen een andere, ruimere cirkel, die door de "normale" gevolgen van dat arrest wordt gevormd. De draagwijdte van deze gevolgen - die, zoals ik reeds heb uiteengezet, niet de toepassing van in het nationale recht gestelde voorwaarden beletten, mits deze niet discriminerend zijn en de uitoefening van het door het Hof erkende recht in de praktijk niet onmogelijk maken - kan in uitzonderlijke gevallen ook worden beperkt door middel van een daartoe strekkende uitdrukkelijke verklaring.
29 De beperking van de gevolgen in de tijd van een uitleggingsarrest speelt zich dus af binnen de context van talloze rechtsbetrekkingen die naar nationaal recht nog lopen of nog niet zijn "uitgewerkt" en die normaliter zouden worden geraakt door 's Hofs uitlegging van de gemeenschapsrechtelijke regel. In bepaalde uitzonderlijke omstandigheden kan het Hof beslissen, dat deze uitlegging geen gevolgen heeft, ook niet voor rechtssituaties die nog niet zijn uitgewerkt.
30 Het ontbreken van dit soort verklaringen in de uitleggingsarresten van het Hof(22) belet de nationale rechter dus geenszins om op rechtsbetrekkingen die vóór de uitspraak van het arrest zijn ontstaan of tot stand gebracht, de algemene bepalingen toe te passen die procedureel gezien de uitoefening van de betrokken rechten regelen. De toepassing van dergelijke voorschriften wordt uitsluitend beperkt door het non-discriminatiebeginsel en het vereiste dat de uitoefening van de beroepsmogelijkheden in de praktijk niet onmogelijk mag zijn: ik zal op deze twee aspecten terugkomen in het kader van de analyse van de tweede en de derde prejudiciële vraag.
31 Zowel de Commissie als de regeringen van de lidstaten die opmerkingen hebben ingediend (Italië, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) hebben zich achter dit oordeel geschaard, waarbij zij het scherpe onderscheid tussen deze twee zaken hebben beklemtoond: de beperking in de tijd van de gevolgen van een arrest van het Hof, als uitzonderlijke maatregel die het Hof in een concreet geval treft, ligt op een ander niveau dan de algemene regeling van de uitoefening van rechten, vanuit procedureel oogpunt, die elke lidstaat moet vaststellen en die elke rechterlijke instantie van die lidstaat moet toepassen.
32 Ter terechtzitting heeft de Commissie evenwel een ander standpunt dan voorheen verdedigd. In haar schriftelijke opmerkingen had zij het Hof in overweging gegeven, de eerste prejudiciële vraag aldus te beantwoorden, dat het stellen van een termijn voor de instelling van acties uit onverschuldigde betaling niet onverenigbaar is met 's Hofs prerogatief om de gevolgen van zijn arresten in de tijd te beperken.(23) Doch ter terechtzitting gaf zij het Hof daarentegen formeel in overweging, de prejudiciële vraag op eendere wijze te beantwoorden als in de arresten Deville(24) (reeds aangehaald) en Barra(25), met dien verstande dat het Hof de beoordelingsvrijheid van de bevoegde nationale rechter uitdrukkelijk zou moeten beperken.(26)
33 Zij kwam tot deze conclusie na een analyse van de ontwikkeling van de Italiaanse rechtspraak over de uitlegging van het begrip "abusievelijk", zoals dit met betrekking tot de onverschuldigde betaling van bepaalde belastingen wordt gehanteerd, en over de daaropvolgende toepassing van de vervaltermijnen op de actie uit onverschuldigde betaling van deze bedragen. Volgens de Commissie had dit begrip in een vaste rechtspraak van de Corte suprema di cassazione een duidelijke betekenis gekregen (fouten bij de berekening of de betaling), waaronder niet de betalingen zonder oorzaak vallen, zoals met het gemeenschapsrecht strijdige belastingen. Deze rechtspraak zou, volgens de Commissie, een "spectaculaire" koerswijziging hebben ondergaan in voornoemd arrest van 1996, dat in grote lijnen overeen zou komen met de maatregelen die de Franse en de Belgische regering hadden getroffen om te ontkomen aan de ongunstige gevolgen van een eerder arrest van het Hof, en waarom het in het arrest Deville respectievelijk het arrest Barra gaat.
34 Ik ben het niet eens met deze analyse. De Italiaanse rechterlijke instanties - in concreto de Corte suprema di cassazione - hebben de consequenties van het arrest Ponente Carni doorgetrokken door te beslissen, dat de belastingplichtigen recht hebben op terugbetaling van de belasting. Zo zij een bepaalde vervaltermijn hebben toegepast, dan is dat geschied op basis van een niet onredelijke uitlegging van een bestaande rechtsregel; bovendien beoogde deze uitlegging een oplossing te vinden voor een concreet geval binnen het kader van de algemene vervalregeling die voor alle uit hoofde van overheidsvergunningen verschuldigde heffingen gold.(27) Zoals de gemachtigde van de Franse regering ter terechtzitting heeft opgemerkt, is er geen enkele aanwijzing, dat achter deze ommekeer in de rechtspraak bedoelingen schuilgaan die haaks staan op de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van die rechterlijke instantie. Deze instantie moet, evenals andere rechters op dat niveau, haar vroegere rechtspraak soms bijstellen en kan dat dan alleen in het kader van een concreet geschil doen.
35 Mitsdien ben ik van mening, dat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag het scherpe onderscheid moet beklemtonen tussen de beide rechtsbegrippen waarop deze vraag betrekking heeft: de omstandigheid dat het Hof de gevolgen in de tijd van zijn arrest Ponente Carni niet heeft beperkt, staat er niet aan in de weg, dat acties uit onverschuldigde betaling van de hier in geding zijnde heffing worden onderworpen aan de algemene voorschriften die in de Italiaanse rechtsorde voor dit soort acties gelden.
De tweede prejudiciële vraag
36 Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het uit communautair oogpunt toelaatbaar is, dat voor vorderingen tot terugbetaling van in strijd met de bepalingen van richtlijn 69/335 van de Raad betaalde heffingen een vervaltermijn van drie jaar vanaf de dag van betaling wordt gesteld, welke termijn afwijkt van de verjaringstermijn (tien jaar) die het nationale recht voor acties uit onverschuldigde betaling tussen particulieren voorschrijft.
37 Allereerst moet ik beklemtonen, dat naar Italiaans recht de vervaltermijn waarop de verwijzingsrechter doelt, niet alleen geldt voor vorderingen tot terugbetaling van belastingen die onverenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, doch voor alle vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen op overheidsvergunningen, ongeacht de oorzaak, nationaal of communautair, van de ongeldigheid ervan.
38 Zoals ik immers reeds heb beklemtoond in het kader van mijn beschrijving van de nationale regeling inzake de vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen(28), geldt artikel 13, tweede alinea, van presidentieel decreet nr. 641/72 niet uitsluitend voor belastingen die in strijd met het gemeenschapsrecht zijn betaald: het bepaalt daarentegen, dat de contribuabele terugbetaling kan vorderen van elke abusievelijk betaalde heffing op overheidsvergunningen en dat dit binnen de vervaltermijn van drie jaar vanaf de dag van betaling dient te geschieden. Soortgelijke termijnen gelden ook voor vorderingen tot terugbetaling van andere heffingen op douanegebied.
39 Het debat dat zich in de Italiaanse doctrine en rechtspraak heeft ontsponnen over de uitlegging van deze bepaling - en meer concreet over het begrip "abusievelijk betaalde [belastingen]" - is een polemiek van zuiver nationaal recht, waarover het Hof zich uiteraard niet heeft uit te spreken. Volstaan kan worden met de opmerking, dat de Corte suprema di cassazione in het eerdergenoemde arrest nr. 3458/96 heeft geoordeeld, dat de in artikel 13, tweede alinea, van presidentieel decreet nr. 641/72 bedoelde vervaltermijn van toepassing is op alle heffingen op overheidsvergunningen die abusievelijk of onverschuldigd zijn betaald, en dus ook op de in casu bestreden heffing.(29)
40 Op grond van deze premisse ben ik de mening toegedaan, dat geen enkele gemeenschapsrechtelijke regel of beginsel de nationale rechter belet, voor de verjaring van rechten of het verval van vorderingen verschillende termijnen te hanteren naar gelang van de in geding zijnde tak van het recht, op voorwaarde dat deze termijnen gelijkelijk worden toegepast op rechten voortvloeiend uit nationale bepalingen en op die welke van het gemeenschapsrecht zijn afgeleid.
41 Het staat de nationale wetgever immers vrij op fiscaal gebied verjarings- of vervaltermijnen op te leggen, en deze termijnen behoeven niet noodzakelijkerwijs overeen te komen met die welke voor andere soorten civielrechtelijke betrekkingen gelden. Geen enkele gemeenschapsrechtelijke regel of beginsel verplicht hem ertoe, fiscale rechtsbetrekkingen op dit punt op één lijn te stellen met rechtsbetrekkingen tussen particulieren.
42 De Italiaanse rechtsorde kent overigens zeer uiteenlopende termijnen, afhankelijk van de tak van het recht. Meer bepaald voorziet artikel 2946 van de Codice civile in de algemene verjaringstermijn (tien jaar), behoudens "gevallen waarin de wet anders bepaalt", en zijn er in feite tal van wettelijke bepalingen die kortere termijnen voorschrijven voor de verjaring van bepaalde rechten of de instelling van bepaalde vorderingen.(30)
43 In navolging van de lidstaten die in casu opmerkingen hebben ingediend, zie ik niet in, waarom een nationale wetgever de instelling van vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen niet aan andere termijnen kan binden dan die welke voor soortgelijke vorderingen tussen particulieren gelden.
44 Het wettig karakter van dit onderscheid is bovendien door het Hof bevestigd in de punten 22 tot en met 25 van het arrest Denkavit italiana (reeds aangehaald). Na te hebben geconstateerd, dat het gemeenschapsrecht niet noodzakelijkerwijs voorschrijft, dat in alle lidstaten een eenvormige regeling wordt vastgesteld inzake de formele en materiële voorwaarden waaraan de betwisting of terugvordering van met dit recht strijdige heffingen moet voldoen, en dat de regeling van dit vraagstuk per lidstaat en zelfs binnen eenzelfde lidstaat verschilt, afhankelijk van de soort heffing waarom het gaat, heeft het Hof de toelaatbaarheid erkend van de twee meest karakteristieke nationale regelingen op dit gebied:
- In sommige gevallen stelt de nationale wet zowel ten aanzien van tot de belastingdienst gerichte bezwaarschriften als van beroepen in rechte strenge voorwaarden met betrekking tot de vorm waarin en de termijn waarbinnen rechtsvorderingen en verzoeken tot terugbetaling van onwettig ingevorderde heffingen kunnen worden ingediend.
- In andere gevallen moeten beroepen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen voor de gewone rechter worden ingesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een actie uit onverschuldigde betaling. Voor deze beroepen gelden meer of minder lange termijnen, die soms kunnen overeenkomen met de verjaringstermijn van het gemene recht.
45 Daarop aansluitend heeft het Hof onder verwijzing naar zijn arresten Rewe en Comet (reeds aangehaald) verklaard, dat de door de verschillende nationale rechtsstelsels in het kader van vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven bedragen vanuit communautair oogpunt in acht te nemen voorwaarden bestaan in de reeds genoemde voorwaarde van non-discriminatie en de voorwaarde dat de uitoefening van de desbetreffende beroepsmogelijkheden in de praktijk niet onmogelijk mag zijn. Beide voorwaarden vormen volgens het arrest van 10 juli 1997, Palmisani(31), de uitdrukking van het "gelijkwaardigheidsbeginsel" (dezelfde voorschriften als die voor soortgelijke nationale vorderingen gelden), respectievelijk van het "doeltreffendheidsbeginsel" van het gemeenschapsrecht.
46 Het Hof heeft dit leerstuk nader uitgewerkt in een vergelijkbaar geval als het onderhavige, waarin een prejudiciële vraag aan de orde was die "voornamelijk [was] bedoeld te vernemen, in hoeverre de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht in de weg staan aan nationale wettelijke bepalingen, die voor verzoeken tot terugbetaling van ten onrechte geheven invoerrechten een dwingende verjaringstermijn van drie jaar voorschrijven, zonder een uitzondering te maken voor een geval van overmacht".
47 Het in het arrest van 9 november 1989, Bessin en Salson(32), gegeven antwoord gaat in casu volkomen op, want de respectieve rechtssituaties komen duidelijk met elkaar overeen. De betrokken nationale regeling was het Franse douanewetboek, dat een verjaringstermijn van drie jaar voorschreef voor verzoeken tot terugbetaling van ten onrechte geheven invoerrechten: deze specifieke bepaling week af van de verjaringstermijn van het gemene recht, die ingevolge het Franse burgerlijk wetboek voor acties uit onverschuldigde betaling gold.
48 In zijn beslissing op deze prejudiciële vraag heeft het Hof in de eerste plaats herinnerd aan de voorwaarde, dat bij de toepassing van een nationale wettelijke regeling niet mag worden gediscrimineerd ten opzichte van procedures ter beslissing van soortgelijke, doch zuiver nationale geschillen, en dat die regeling de uitoefening van door het gemeenschapsrecht toegekende rechten in de praktijk niet onmogelijk mag maken, alvorens te beslissen, dat de bestreden verjaringstermijn van drie jaar "berust op een keuze van de wetgever die geen afbreuk doet aan bovengenoemd vereiste".
49 Ten slotte heeft het Hof dezelfde leer herhaald in de arresten van 17 juli 1997, Texaco en Olieselskabet Danmark(33), en Haahr Petroleum(34), met de stelling, dat "de vaststelling van redelijke beroepstermijnen, die gelden op straffe van verval van recht, waarmee uitvoering wordt gegeven aan het grondbeginsel van rechtszekerheid, voldoet aan de twee bovengenoemde voorwaarden en inzonderheid niet kan worden geacht de uitoefening van door het gemeenschapsrecht verleende rechten in feite onmogelijk of uiterst moeilijk te maken, zelfs indien het verstrijken van deze termijnen per definitie tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de ingediende vordering leidt". Het heeft dus voor recht verklaard, dat de door de Deense wettelijke regeling voorgeschreven verjaringstermijn van vijf jaar voor vorderingen tot terugbetaling van met het gemeenschapsrecht strijdige nationale belastingen met dit recht verenigbaar is, ook wanneer dit ertoe leidt, dat de gevorderde terugbetaling geheel of gedeeltelijk wordt verhinderd.
50 Er zou dus sprake van discriminatie zijn, wanneer de Italiaanse bepaling inzake het verval van vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen in verschillende termijnen zou voorzien, afhankelijk van de oorzaak, nationaal of communautair, van de terugbetalingsverplichting. Dit zou het geval zijn, wanneer de wettelijke termijn voor de vordering tot terugbetaling van de heffing korter was in het geval van strijdigheid van die heffing met het gemeenschapsrecht dan in het geval van strijdigheid daarvan met het nationale recht. Aangezien dit echter niet het geval is en de termijn van artikel 13, tweede alinea, van presidentieel decreet nr. 641/72 gelijkelijk geldt voor alle vorderingen tot terugbetaling van heffingen, ongeacht de grondslag ervan, moet het antwoord op de tweede prejudiciële vraag luiden, dat deze bepaling verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
51 De Commissie komt in dit stadium van het debat met een andere benadering, die haar tot een "volledige herformulering" van de tweede prejudiciële vraag brengt. Volgens haar is de vraag in haar huidige formulering niet ontvankelijk, omdat zij een vraagstuk van uitlegging van nationaal recht betreft, dan wel dient zij, subsidiair, in elk geval opnieuw te worden geformuleerd en wel als volgt:
"Staat het gemeenschapsrecht in de weg aan een nationale wettelijke regeling die, zoals uitgelegd door de bevoegde nationale autoriteiten, aan vorderingen tot terugbetaling van een in strijd met artikel 10 van richtlijn 69/335/EEG geïnde heffingen een vervaltermijn stelt, die een bevoegdheid tot belastingheffing en een fiscale schuldvordering van de staat onderstelt, in plaats van een verjaringstermijn die volgens dezelfde wettelijke regeling van toepassing is in het geval waarin objectief onverschuldigd is betaald als gevolg van het ontbreken van een dergelijke bevoegdheid en schuldvordering?"
52 Ik onderschrijf deze benadering noch met betrekking tot de gestelde niet-ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag, noch met betrekking tot de noodzaak of de wenselijkheid ze te herformuleren.
53 Voor wat de niet-ontvankelijkheid aangaat, is het onjuist, dat de tweede prejudiciële vraag betrekking heeft op een vraagstuk van nationaal recht, zoals de enkele uitlegging van het begrip "abusievelijk betaalde belastingen" van artikel 13, tweede alinea, van presidentieel decreet nr. 641/72. Hetgeen de verwijzende rechter daarentegen wil vernemen, is of op basis van de uitlegging van dit begrip door de Italiaanse rechters de toepassing van een vervaltermijn van drie jaar op een vordering tot terugbetaling van de heffing, in plaats van de tienjarige verjaringstermijn die voor vorderingen tussen particulieren geldt, in strijd is met het gemeenschapsrecht. De vraag is dus ontvankelijk, want zij is erop gericht, de rechtspraak van het Hof te verduidelijken over de gelijke voorwaarden die moeten gelden voor vorderingen tot terugbetaling van met het gemeenschapsrecht strijdige heffingen.
54 Het voorstel om de tweede prejudiciële vraag te herformuleren, verdient mijns inziens ook geen gehoor. De verwijzende rechter gaat geenszins in op de geldigheids"voorwaarden" van artikel 13 van presidentieel decreet nr. 641/72 of op het bestaan of ontbreken van de bevoegdheid tot belastingheffing van de staat, teneinde hieruit de toepasselijkheid af te leiden van een vervaltermijn van drie jaar of van een andere, tienjarige verjaringstermijn. Deze problematiek is daarentegen aan de orde gesteld in de prejudiciële vragen van andere Italiaanse rechters over de terugbetaling van de bestreden heffing en moet dus in het kader van die procedures worden opgelost.(35)
55 Het is evenwel juist, dat de verwijzende rechter in de motivering van zijn verwijzingsbeschikking stelt, dat de "teruggaafregeling van artikel 13 van presidentieel decreet nr. 641/72" in de weg staat aan de algemene regeling van het nationale recht, volgens welke de instelling van de actie uit onverschuldigde betaling slechts aan de normale algemene verjaringstermijn van tien jaar is onderworpen. De verwijzende rechter voegt eraan toe, dat "de Corte costituzionale in zijn arrest nr. 56 van 20 februari 1995 de vordering van de belastingplichtige tot terugbetaling van de heffingen op overheidsvergunningen aan deze regeling - dat wil zeggen, de regeling van de actie uit onverschuldigde betaling - heeft onderworpen".
56 In dezelfde zin merkt de Commissie op, dat voornoemd arrest van de Corte costituzionale "zich lijkt te verzetten" tegen de door de Corte suprema di cassazione in zijn (eveneens reeds aangehaalde) arrest nr. 3458/96 geformuleerde doctrine: de Corte costituzionale zou de vorderingen tot terugbetaling van belastingen hebben aangemerkt als "acties uit onverschuldigde betaling", een begrip dat in het Italiaanse recht een heldere en ondubbelzinnige betekenis heeft, aangezien het naar artikel 2033 van de Codice civile verwijst ("objectief onverschuldigd"). Hieruit zou volgen, dat voor deze vorderingen de tienjarige verjaringstermijn geldt in plaats van de driejarige vervaltermijn van presidentieel decreet nr. 641/72.
57 Naar mijn mening bestaat dit gestelde verschil tussen de arresten van beide Italiaanse rechterlijke instanties niet(36), en zo het wel bestond, zou het niet aan het Hof staan om zich ten gunste van een van beide oplossingen uit te spreken. Hoe dan ook zou het hier louter om een conflict tussen nationale wettelijke regelingen gaan (de Italiaanse Codice civile enerzijds en presidentieel decreet nr. 641/72 anderzijds), waarvan de definitieve oplossing uitsluitend door de Italiaanse rechterlijke instanties moet worden gevonden aan de hand van hun eigen procedurevoorschriften.
58 Het beslissende punt is dus niet, dat de vorderingen tot terugbetaling aan verschillende termijnen zijn gebonden, afhankelijk of het vorderingen op fiscaal gebied dan wel civielrechtelijke kwesties betreft, doch dat de oplossing van het nationale recht, zoals uitgelegd door de rechtsprekende organen van die staat(37), gelijkelijk geldt voor vorderingen tot terugbetaling die op het gemeenschapsrecht zijn gebaseerd, en die welke hun grondslag in het nationale recht vinden. Volgens de elementen van het dossier van het nationale geding is dit nu precies het geval ten aanzien van de bestreden heffing.
59 De Commissie heeft zowel in haar schriftelijke opmerkingen als, meer uitgebreid, ter terechtzitting betoogd, dat inbreuk op het gelijkwaardigheidsbeginsel zou worden gemaakt, indien vorderingen tot terugbetaling van belastingen wegens schending van het gemeenschapsrecht ongunstiger werden behandeld dan terugbetalingsvorderingen in Italië die op een schending van een hogere regel van nationaal recht berusten, met name wanneer het belastingen betreft die zijn betaald uit hoofde van een nationale wettelijke regeling die in strijd is met de grondwet.
60 De "maatregelen van nationaal recht", die volgens haar als maatstaf moeten dienen voor de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel, zijn de vorderingen tot terugbetaling die worden ingesteld door belastingplichtigen die een belasting hebben betaald overeenkomstig een achteraf in strijd met de grondwet verklaarde nationale wettelijke regeling. In haar schriftelijke opmerkingen had de Commissie gesteld, dat deze vorderingen zowel in de Italiaanse wettelijke regeling als in de Italiaanse rechtspraak werden aangemerkt als "acties uit onverschuldigde betaling", onderworpen aan de regeling van het gemene recht van de Codice civile (zie artikel 2033) en dus aan de verjaringstermijn van tien jaar. Ter terechtzitting heeft de Commissie deze stellingen aanmerkelijk genuanceerd door te erkennen, dat dit probleem "niet gemakkelijk op te lossen is" en dat dit een taak van de Italiaanse rechters is.
61 Wanneer men van de premisse uitgaat, dat de Italiaanse rechterlijke instanties hierover het laatste woord hebben, blijkt het standpunt van de Commissie niet geheel te stroken met de gegevens die de Italiaanse regering dienaangaande ter terechtzitting heeft verstrekt.
62 De door de Corte suprema di cassazione (in volle samenstelling) in haar arrest nr. 2876 van 9 juni 1989 verdedigde stelling over de gevolgen van een uitspraak tot ongrondwettigverklaring van een fiscale wettelijke regeling voor ingevolge die regeling reeds betaalde belastingen, luidt namelijk als volgt:
- De arresten van de Corte costituzionale houdende onwettigverklaring van bepalingen met de rangorde van wet leiden ertoe, dat deze bepalingen met terugwerkende kracht uit de rechtsorde worden geschrapt, zodat zij niet meer kunnen worden toegepast op lopende rechtsbetrekkingen; deze beslissingen zijn echter niet van invloed op reeds uitgewerkte rechtsbetrekkingen, dat wil zeggen rechtsbetrekkingen waarvan de constitutieve gevolgen in die mate zijn verwezenlijkt, dat zij onaantastbaar zijn geworden.
- Meer concreet hebben deze arresten geen gevolgen voor fiscale rechtsbetrekkingen die, om welke reden ook, als uitgewerkt moeten worden beschouwd. Deze redenen kunnen onder meer zijn, dat er een eerdere gerechtelijke uitspraak bestaat, dat de fiscale invordering een definitief karakter heeft gekregen (omdat zij niet is betwist of omdat de ertegen ingestelde procedure niet tot succes heeft geleid) of dat de in de toepasselijke fiscale regeling voorziene verjarings- of vervaltermijnen zijn verstreken.
- Onaantastbaar zijn derhalve de betalingen verricht ter voldoening van fiscale verplichtingen die voortvloeien uit een ongrondwettig verklaarde fiscale regeling, voor zover de belastingplichtigen die die betalingen hebben verricht, niets hebben ondernomen om de verwezenlijking van de overeenkomstige rechtsbetrekking te stuiten.
- De stelling moet uitdrukkelijk worden verworpen, dat de fiscale verplichting, gelet op de terugwerkende kracht van de ongrondwettigverklaring, van meet af aan non-existent zou zijn, als gevolg waarvan de algemene bepaling inzake de terugvordering van het onverschuldigd betaalde (dat wil zeggen, artikel 2033 van de Italiaanse Codice civile) er rechtstreeks en onmiddellijk toe zou leiden, dat de vordering kan worden ingesteld buiten de procedures van betwisting van fiscale invorderingen om en los van de in de fiscale regeling voorziene vervaltermijn.
- Concluderend is de stelling ongegrond, dat in dergelijke gevallen (en zelfs wanneer er van meet af aan geen geldige fiscale rechtsbetrekking heeft bestaan of achteraf gezien niet blijkt te hebben bestaan) de in de Codice civile vervatte regeling van de actie uit ongerechtvaardigde betaling zou moeten worden toegepast, in plaats van de specifieke regels, zowel formeel als materieel, van het fiscale procesrecht.
63 Deze zelfde leer is herhaald in het arrest nr. 5731 van de Corte suprema di cassazione (verenigde burgerlijke kamers) van 21 juni 1996, waarin het is samengevat als volgt: "De ongrondwettigverklaring van de bepaling tot invoering van een bepaalde heffing is niet van invloed op fiscale rechtsbetrekkingen waar de aan de belastingplichtige vergunde termijnen ter betwisting van de invordering van de heffing zijn verstreken; de ongrondwettigverklaring van de bepaling houdende verlening van de bevoegdheid tot belastingheffing kan er niet toe leiden, dat het geschil wordt onttrokken aan de specifieke termijnen en voorwaarden van het fiscaal procesrecht. De strijdigheid van de fiscale bepaling met de grondwet rechtvaardigt niet, dat de specifieke termijnen en voorwaarden van het fiscale procesrecht buiten beschouwing worden gelaten en laat niet toe, dat de invordering van niet tijdig betwiste belastingen ter discussie wordt gesteld binnen de ingevolge de regeling geldende termijnen."
64 Het argument van de Commissie inzake de gestelde ongelijke behandeling van vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen, al naargelang zij op schending van een hogere rechtsregel van nationaal recht dan wel op schending van een gemeenschapsregel zijn gebaseerd, moet dus worden verworpen.
65 Mitsdien is het niet noodzakelijk, de tweede prejudiciële vraag te herformuleren of ze aan te passen onder verwijzing naar de gestelde ongelijke voorwaarden voor de instelling van diverse vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen. De tweede prejudiciële vraag is duidelijk en het Hof moet er dan ook een antwoord op geven. Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, in zijn antwoord de eerdere rechtspraak te bevestigen en dus te herhalen, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat de nationale rechtsstelsels een vervaltermijn van drie jaar voorschrijven voor het instellen van vorderingen tegen de fiscus tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen, ook al verschilt deze termijn van die welke voor acties uit onverschuldigde betaling tussen particulieren geldt, op voorwaarde dat de termijn gelijkelijk geldt voor vorderingen tot terugbetaling gebaseerd op het nationale recht en die voortvloeiend uit de toepassing van communautaire bepalingen.
De derde prejudiciële vraag
66 De derde prejudiciële vraag, die een bevestigend antwoord op de vorige vraag onderstelt, is erop gericht te vernemen, of een nationale wettelijke regeling die ter zake van vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen de dag van betaling aanmerkt als ingangsdatum van de driejarige vervaltermijn, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, wanneer de toepasselijke communautaire richtlijn op die dag nog niet correct was omgezet in nationaal recht.
67 De door de verzoekende onderneming, de Commissie en verschillende lidstaten ingediende schriftelijke opmerkingen draaiden om de invloed van het arrest van het Hof van 25 juli 1991, Emmott(38), op dit vraagstuk. In dat arrest overwoog het Hof, "dat tot het moment waarop een richtlijn naar behoren is omgezet, een gebrekige lidstaat zich niet kan beroepen op termijnoverschrijding door een particulier die een procedure tegen hem instelt ter bescherming van de rechten die de bepalingen van die richtlijn de particulier toekennen, en dat een in het nationale recht vastgelegde beroepstermijn niet vóór dat tijdstip kan gaan lopen".(39)
68 Wel heeft het Hof de draagwijdte van het arrest Emmott achteraf beperkt door erop te wijzen, dat die uitspraak slechts toepassing kon vinden in dezelfde bijzondere omstandigheden als waarvan in die zaak sprake was. In zijn arresten van 27 oktober 1993, Steenhorst-Neerings(40), en 6 december 1994, Johnson(41), heeft het de toepasselijkheid bevestigd van nationale verjaringstermijnen op aanvragen om sociale uitkeringen, gebaseerd op de toepasselijkheid van bepaalde richtlijnen, ook al waren die richtlijnen nog niet naar behoren omgezet in nationaal recht.
69 Terwijl de onderhavige prejudiciële procedure nog aanhangig was, heeft het Hof uitspraak gedaan in de reeds aangehaalde zaken Haahr Petroleum, en Texaco en Olieselskabet Danmark. In die uitspraken verwierp het opnieuw de toepasselijkheid van de in het arrest Emmott geformuleerde beginselen. In beide gevallen hadden de Deense douaneautoriteiten een verzoek tot terugbetaling - gebaseerd op schending van artikel 95 van het Verdrag - afgewezen met een beroep op een nationale bepaling krachtens welke de rechtsvordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen verjaart door het verstrijken van een termijn van vijf jaar vanaf de dag van betaling. Het Hof herhaalde, dat, ook al verhinderde deze bepaling de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de betrokken belastingen, de toepassing ervan op die beide gevallen niet in strijd was met het gemeenschapsrecht.
70 Tot slot heeft het Hof twee maanden vóór de terechtzitting in de onderhavige zaak het arrest van 2 december 1997, Fantask e.a.(42), gewezen, dat in casu van bijzonder groot belang is, omdat de feitelijke en juridische elementen ervan overeenkomen met die van het onderhavige geding. Centraal in dat arrest stond de terugbetaling van onverschuldigd geheven belastingen en het had betrekking op:
- hetzelfde type nationale belastingen als in casu aan de orde is (Deense belasting op de inschrijving van vennootschappen in het vennootschapsregister);
- hetzelfde type onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht (in concreto, richtlijn 69/335) van de nationale bepaling inzake de in geding zijnde belasting;
- hetzelfde onderscheid tussen nationale verval- en verjaringstermijnen (vijf jaar volgens de nationale wettelijke regeling vanaf de datum van opeisbaarheid van de belasting).
71 Evenals in casu had de nationale rechter het Hof in de zaak Fantask e.a., met het oog op de oplossing van een geschil met de hierboven omschreven kenmerken, de vraag gesteld, of "het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat, dat een lidstaat zich tegen vorderingen tot terugbetaling van in strijd met de richtlijn geheven rechten op een nationale verjaringstermijn beroept zolang deze lidstaat de richtlijn niet naar behoren heeft omgezet". De stellingen van de verzoekende vennootschappen en van de Commissie waren eveneens gegrond op de leer van het arrest Emmott, tegen de toepassing waarvan de regeringen die in de onderhavige prejudiciële procedure opmerkingen hebben ingediend, zich verzetten.
72 Het Hof koos opnieuw voor die laatste oplossing en wel op grond van dezelfde redenering als ik hierboven heb weergegeven.
73 In de eerste plaats herinnerde het aan het algemene beginsel, dat het bij ontbreken van een desbetreffende gemeenschapsregeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procesregels te geven voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, met dien verstande dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden, en dat zij de uitoefening van door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.
74 In de tweede plaats beklemtoonde het Hof - na erop te hebben gewezen, dat het met het gemeenschapsrecht verenigbaar is, dat in het belang van de rechtszekerheid, waarin zowel de contribuabele als de administratie bescherming vindt, redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht - dat dergelijke termijnen niet kunnen worden geacht de uitoefening van door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk te maken, ook al leidt het verstrijken ervan per definitie tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de ingediende vordering. Concreet was de in het Deense recht voorziene termijn van vijf jaar redelijk en gold zij gelijkelijk voor beroepen op grond van het gemeenschapsrecht en beroepen op grond van het nationale recht.
75 In de derde plaats ontkende het Hof wederom de toepasselijkheid op dit type geschil van de leer van het arrest Emmott, waar de oplossing gerechtvaardigd werd door de specifieke omstandigheden van het geval, omdat het verval van recht ertoe leidde, dat de verzoekende partij in het hoofdgeding volledig werd beroofd van de mogelijkheid haar recht op gelijke behandeling krachtens een communautaire richtlijn te doen gelden.
76 Tot slot concludeerde het Hof, dat "het gemeenschapsrecht bij zijn huidige stand niet eraan in de weg staat, dat een lidstaat die de richtlijn niet naar behoren heeft omgezet, zich tegenover vorderingen tot terugbetaling van in strijd met de richtlijn geheven rechten beroept op een nationale verjaringstermijn die ingaat op de datum van de opeisbaarheid van de betrokken rechten, mits die termijn niet ongunstiger is voor beroepen op grond van het gemeenschapsrecht dan voor beroepen op grond van het nationale recht, en hij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt".
77 Gelet op de helderheid van deze leer en de duidelijke overeenkomst tussen de situatie, feitelijk en rechtens, in de zaak Fantask e.a. en de onderhavige zaak, heeft de Commissie ter terechtzitting afstand genomen van haar eerdere standpunt en erkend, dat het vraagstuk in het arrest Fantask e.a. definitief was opgelost. Verzoeksters in de hoofdgedingen daarentegen hebben in het kader van dezelfde procedure(43) getracht, verschillende afwijkende elementen tussen de Deense en de Italiaanse rechtsorde te beklemtonen, waardoor de Fantask-doctrine in casu niet geldig zou kunnen worden toegepast.
78 Mijns inziens is deze poging gedoemd te mislukken. In de eerste plaats is het uitgangspunt ervan onjuist: in plaats van te speuren naar eventuele verschillen tussen de zaak Fantask e.a. en de onderhavige zaak, had de feitelijke overeenkomst moeten worden aangetoond tussen de zaak Emmott en de onderhavige zaak, aangezien de rechtspraak na het arrest Emmott had beklemtoond, dat de oplossing in dat arrest was ingegeven door de specifieke aard van de elementen van die zaak. De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft dienaangaande ter terechtzitting erop gewezen, dat - naast andere omstandigheden - het haar eigen instanties waren, die mevrouw Emmott in die zaak hadden verzocht geen beroep in te stellen. De Italiaanse vennootschappen daarentegen hebben geen enkel beletsel ondervonden bij de uitoefening van hun recht van beroep tegen de betrokken fiscale invorderingen.(44)
79 In de tweede plaats en los van het voorgaande zijn de gestelde verschillen tussen de beide nationale wettelijke regelingen irrelevant voor de gevolgen van het arrest Fantask e.a. voor het onderhavige geval. Of de termijn nu vijf of drie jaar is, of hij in een algemene bepaling is opgenomen dan wel in een specifieke bepaling voor een bepaalde categorie belastingen, of er al dan niet een ommekeer heeft plaatsgevonden in de rechtspraak over de uitlegging van deze bestaande bepaling, van belang is slechts dat het Hof heeft bevestigd, dat de vervaltermijn - van vijf of van drie jaar - die aan op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen tot terugbetaling van belastingen kan worden tegengeworpen, kan ingaan op de dag van betaling van deze belastingen, in plaats van op het moment dat de staat de richtlijn correct in zijn interne recht heeft omgezet.
80 Aan de gegrondheid van deze stelling - die uiteraard onderstelt, dat een gemeenschapsregeling ter zake ontbreekt en dat er een nationale rechtsregel is die op non-discriminerende wijze in een vervaltermijn voorziet - doet niet af, dat na verloop van deze termijn niet langer terugbetaling van de reeds geheven belasting kan worden gevorderd. Dit is nu eenmaal eigen aan een vervaltermijn met dergelijke kenmerken en het berust op het rechtszekerheidsbeginsel, doch het betekent nog niet, dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van het recht op rechterlijke bescherming: gedurende drie jaar na de betaling hebben de belastingplichtigen de mogelijkheid gehad de fiscale invordering te betwisten.
81 Men zou kunnen oordelen, dat deze oplossing weinig bevredigend is voor de belastingplichtigen die een met het gemeenschapsrecht strijdige belasting hebben moeten voldoen. En dat is ook zo. Een mogelijke oplossing, hoewel niet zonder ernstige problemen, zou zijn om ter zake een eenvormige communautaire regeling vast te stellen tot harmonisatie van de verschillende nationale regelingen. Zolang deze regeling er niet is, staat het aan de lidstaten om, volgens de reeds herhaaldelijk genoemde modaliteiten, de voorwaarden te bepalen waaraan de vorderingen tot terugbetaling zijn onderworpen.
82 Weliswaar moeten de lidstaten - en in casu de Italiaanse Republiek - bij de uitoefening van deze bevoegdheid handelen overeenkomstig de eisen van artikel 5 van het Verdrag, en weliswaar valt evenmin te ontkennen dat, volgens de opmerkingen van partijen, het door de Italiaanse autoriteiten ter zake van de terugbetaling van de bestreden heffing gevoerde beleid in sommige opzichten meer belemmeringen voor vorderingen tot terugbetaling lijkt te hebben opgeworpen dan in het licht van deze bepaling redelijk zou kunnen worden geacht(45), doch dit alles neemt niet weg, dat de onderhavige prejudiciële procedure niet kan worden omgezet in een procedure wegens niet-nakoming krachtens artikel 169 van het Verdrag en dat bovendien niet valt te loochenen, dat het officiële optreden van de Italiaanse Republiek in wezen in overeenstemming is met de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen: haar wetgevende organen hebben het onderdeel van de nationale heffing, dat in strijd met het gemeenschapsrecht was, afgeschaft en hebben uitdrukkelijk het recht op terugbetaling van die heffing erkend(46), welk recht door de Italiaanse rechterlijke instanties is gewaarborgd, zij het binnen de beperkingen van de nationale regeling inzake het verval van vorderingen.
Conclusie
83 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door het Tribunale civile di Genova gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Het toepassen van in een nationale wettelijke regeling voorziene vervaltermijnen voor het instellen van de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen komt niet neer op een beperking in de tijd van de gevolgen van een arrest van het Hof, tot welke beperking enkel het Hof zelf mag besluiten.
2) Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat de nationale rechtsstelsels het instellen van vorderingen tegen de belastingdienst tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen aan een vervaltermijn van drie jaar binden, ook al verschilt deze termijn van die voor acties uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, mits de termijn gelijkelijk geldt voor vorderingen tot terugbetaling gebaseerd op het nationale recht en die welke voortvloeien uit de toepassing van gemeenschapsrechtelijke regels.
3) Het gemeenschapsrecht verzet zich niet tegen de toepassing op een verzoek tot terugbetaling van een met een richtlijn strijdige belasting van een nationale wettelijke regeling krachtens welke de gerechtelijke actie tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen vervalt na het verstrijken van een termijn van drie jaar vanaf de dag van betaling, ook al leidt deze wettelijke regeling ertoe, dat bedoelde terugbetaling geheel of gedeeltelijk wordt verhinderd."
(1) - C-71/91 en C-178/91, Jurispr. blz. I-1915.
(2) - PB L 249, blz. 25.
(3) - Zie besluitwet nr. 331 van 30 augustus 1993, omgezet in wet nr. 427 van 29 oktober 1993.
(4) - Zie in deze zin de arresten van de Corte suprema di cassazione (eerste civiele kamer) van 28 maart 1994, nr. 2992; 23 november 1994, nr. 9900, en 23 februari 1996, nr. 4468/96 en nr. 3458/96, welk laatste arrest in volle samenstelling (sezione unite) is gewezen. Zo ook heeft de Corte costituzionale in de tweede "overweging" van arrest nr. 56 van 24 februari 1995, na de wetgevingsperikelen rond de heffing in herinnering te hebben geroepen, met betrekking tot de jaren voorafgaande aan de afschaffing ervan (1993) gesteld: "Gelet op het feit dat de heffing ten onrechte door de Italiaanse Staat is geheven, met schending van artikel 10 van richtlijn 69/335/EEG van 17 juli 1969, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 20 april 1993 in de zaken C-71/91 en C-178/91, moeten de betaalde bedragen worden terugbetaald ingevolge het gemeenschapsrecht, welk recht rechtstreeks toepasselijk is in de Italiaanse rechtsorde."
(5) - Voor zover aan bepaalde voorwaarden is voldaan (de schulden moeten vaststaan, vlottend en opeisbaar zijn, en op bewijsstukken zijn gebaseerd), kan de Italiaanse rechter krachtens artikel 633 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering een "decreto ingiuntivo", uitvoerbaar bij voorraad, uitvaardigen waarin de schuldenaar wordt gelast het gevorderde bedrag te betalen.
(6) - Over de toepassing van wet nr. 428/90 op verzoeken om teruggaaf van bepaalde belastingen zijn prejudiciële vragen gesteld in de zaken Aprile II (C-228/96) en Dilexport (C-343/96).
(7) - 43/75, Jurispr. blz. 455.
(8) - Dezelfde techniek is veelvuldig door constitutionele of daarmee vergelijkbare rechterlijke instanties gehanteerd, wanneer zij werden geconfronteerd met problemen voortvloeiend uit de ongrondwettigheid van wetten. Zie in deze zin het artikel van E. García de Enterría, "Un paso importante para el desarrollo de nuestra justicia constitucional: la doctrina prospectiva en la declaración de ineficacia de las leyes inconstitucionales", Revista Española de Derecho Administrativo, 1989, nr. 61, blz. 5 e.v.
(9) - "Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het Hof van Justitie nietig verklaard. Wat echter de verordeningen betreft, wijst het Hof van Justitie, zo het dit nodig oordeelt, die gevolgen van de vernietigde verordening aan, welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd."
(10) - Arrest van 26 april 1994, Roquette Frères (C-228/92, Jurispr. blz. I-1445, punt 17).
(11) - Zo valt in het arrest van 16 juli 1992, Legros e.a. (C-163/90, Jurispr. blz. I-4625, punt 30) te lezen: "Opgemerkt zij, dat het Hof slechts bij uitzondering, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid, aanleiding kan vinden om voor iedere belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid, met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen (...) Bij de beslissing of de werking van een arrest in de tijd moet worden beperkt, moet volgens de rechtspraak van het Hof worden bedacht, dat de praktische gevolgen van een rechterlijke uitspraak weliswaar zorgvuldig moeten worden afgewogen, doch dat dit er niet toe mag leiden, dat de objectiviteit van het recht geweld wordt aangedaan en omwille van de weerslag die een rechterlijke beslissing voor het verleden kan hebben, de toepassing van dat recht in de toekomst in gevaar wordt gebracht (arrest van 2 februari 1988, Blaizot, 24/86, Jurispr. blz. 379, punten 28 en 30)."
(12) - 61/79, Jurispr. blz. 1205, punt 16.
(13) - C-367/93-C-377/93, Jurispr. blz. I-2229, punt 42.
(14) - C-330/95, Jurispr. blz. I-3801, punt 28.
(15) - C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 141.
(16) - C-197/94 en C-252/94, Jurispr. blz. I-505, punt 47.
(17) - Arrest van 16 december 1976 (33/76, Jurispr. blz. 1989).
(18) - Arrest van 16 december 1976 (45/76, Jurispr. blz. 2043).
(19) - Voor zover terugbetaling van met het gemeenschapsrecht strijdige nationale belastingen wordt gevorderd, kan de grondslag van dit recht in verschillende bepalingen of beginselen liggen, waarvan sommige in de rechtspraak van het Hof zijn genoemd. Zo is in het verleden een beroep op artikel 5 van het Verdrag toegestaan, omdat dit de lidstaten ertoe verplicht, de naleving van de uit dit Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren; bij andere gelegenheden werd een beroep gedaan op de noodzaak de rechtstreekse werking te verzekeren van de gemeenschapsrechtelijke regel die in strijd was met de nationale bepaling tot invoering van de belasting; ook heeft men zich kunnen beroepen op het algemene verbod van ongerechtvaardigde verrijking, welke verrijking zich zou voordoen indien de staat de onverschuldigd betaalde bedragen niet behoefde terug te betalen.
(20) - 240/87, Jurispr. blz. 3513.
(21) - Deze overwegingen vormen een constante in de reeds lange reeks arresten die sinds de arresten Rewe en Comet op dit gebied zijn gewezen: zie, onder meer, arresten van 26 juni 1979, Mc Carren (177/78, Jurispr. blz. 2161); 27 februari 1980, Just (68/79, Jurispr. blz. 501); 5 maart 1980, Ferwerda (265/78, Jurispr. blz. 617); Denkavit italiana, reeds aangehaald; 10 juli 1980, Ariete (811/79, Jurispr. blz. 2545); 10 juli 1980, Mireco (826/79, Jurispr. blz. 2559); 9 november 1983, San Giorgio (199/82, Jurispr. blz. 3595); 25 februari 1988, Bianco en Girard (331/85, 376/85 en 378/85, Jurispr. blz. 1099), en 23 mei 1996, Hedley Lomas (C-5/94, Jurispr. blz. I-2553).
(22) - Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan een dergelijke beperking slechts worden uitgesproken in het arrest waarin de gevraagde uitlegging wordt gegeven. Uiteraard is alleen het Hof bevoegd de gevolgen van zijn arresten in de tijd te beperken.
(23) - In haar schriftelijke opmerkingen had de Commissie weliswaar reeds verwezen naar het arrest Deville en de eventuele overeenkomst tussen dit arrest en de onderhavige zaak, doch op een nogal hypothetische wijze. Zo vraagt de Commissie zich in punt 16 van die opmerkingen af, "of het in het arrest Deville geformuleerde uitleggingsbeginsel niet ook van toepassing is (...) De Commissie sluit niet uit, dat men tot een dergelijke conclusie komt, met parafrasering van het dictum van het arrest Deville."
(24) - Hierin verklaarde het Hof, dat een nationale wetgever, na een arrest van het Hof waarbij een bepaalde wettelijke regeling onverenigbaar met het Verdrag is verklaard, geen procedureregels mag invoeren waardoor de mogelijkheden tot het vorderen van terugbetaling van belastingen die ten onrechte krachtens die wettelijke regeling zijn geheven, specifiek worden bekort.
(25) - Arrest van 2 februari 1988 (309/85, Jurispr. blz. 355).
(26) - Het voorgestelde antwoord luidde: "Na een arrest van het Hof waarbij een bepaalde belastingregeling onverenigbaar met een communautaire richtlijn is verklaard, kunnen de rechterlijke instanties van een lidstaat geen nieuwe uitlegging geven aan een procedurevoorschrift, waardoor de mogelijkheid voor de betrokkenen tot het vorderen van terugbetaling van ten onrechte door die lidstaat geheven belasting specifiek wordt beperkt."
(27) - Punt 12 van deze conclusie.
(28) - Punt 7 van deze conclusie.
(29) - Zie, voor de in het arrest van de Corte suprema di cassazione aangevoerde argumenten, punt 12 van deze conclusie.
(30) - De Codice civile noemt zelf in de artikelen 2947 e.v., onder de rubrieken "Korte verjaringstermijn" en "Vermoeden van verjaring" de gevallen waarin de termijnen korter zijn dan in het gemene recht. Zo bijvoorbeeld op het terrein van de schadevergoeding (vijf jaar), de rechtsbetrekking tussen vennoten (vijf jaar), vervoer- en verzekeringsovereenkomsten (een jaar), arbeidsverhoudingen (een of drie jaar, naar gelang van het geval), enzovoort.
(31) - C-261/95, Jurispr. blz. I-4025.
(32) - 386/87, Jurispr. blz. 3551, punten 15-18.
(33) - C-114/95 en C-115/95, Jurispr. blz. I-4263, punten 45-49.
(34) - C-90/94, Jurispr. blz. I-4085, punten 46-53.
(35) - C-10/97-C-22/97. Ter terechtzitting heeft de Commissie zich onthouden van opmerkingen over de gevolgen van een eventuele "juridische non-existentie" van met het gemeenschapsrecht strijdige nationale wettelijke regelingen, die volgens haar uit het arrest Simmenthal voortvloeit; zij heeft uitdrukkelijk gesteld, dat zij haar betoog dienaangaande wenste uit te stellen tot de mondelinge behandeling van die zaken.
(36) - Het arrest van de Corte costituzionale had uitsluitend betrekking op de verplichting om vooraf alle administratieve rechtsmiddelen aan te wenden, als absolute voorwaarde voor het instellen van beroep in rechte. Deze voorwaarde is in strijd met de grondwet geoordeeld op grond van de volgende redenering: "Het is vaste rechtspraak van deze rechter, dat het instellen van beroep in rechte slechts afhankelijk kan worden gesteld van de voorafgaande aanwending van alle administratieve rechtsmiddelen, met de vertraging van dien voor de mogelijkheid dit beroep vóór het verstrijken van een zekere periode sinds de indiening van het bezwaarschrift in te stellen, wanneer zulks gerechtvaardigd is uit hoofde van eisen van algemene orde of hogere justitiële doelstellingen, zonder dat dit de wetgever, ook in dergelijke omstandigheden, van de verplichting bevrijdt om een zo min mogelijk zware last op te leggen.Voor wat betreft de in artikel 12 van presidentieel decreet nr. 641/72 en de analoge bepalingen van de decreten nrs. 640 en 642 bedoelde geschillen, bestaat er geen enkele rechtvaardigingsgrond voor de beperking van het in artikel 24 van de grondwet vervatte beginsel. Het gaat hier om geschillen die geen technisch onderzoek vergen, zodat het niet noodzakelijk is, de gerechtelijke fase te doen voorafgaan door een administratief onderzoek (zie arrest nr. 15 van 1991), te meer wanneer het, zoals in casu, een verzoek betreft tot terugbetaling van ten onrechte door de belastingdienst ingevorderde heffingen. Er bestaat geen enkele rechtvaardigingsgrond voor een speciale regeling, ten gunste van de schuldenaar, van tegen de fiscus ingestelde vorderingen uit onverschuldigde betaling."Deze laatste volzin is door de Commissie uit het verband van het arrest getrokken om haar te kunnen toepassen op de vervaltermijnen van die vorderingen, hetgeen de ratio decidendi van dit arrest mijns inziens zeer duidelijk te buiten gaat, omdat bedoeld arrest geenszins betrekking heeft op de problematiek rond de termijnen voor het instellen van de vordering tot terugbetaling, doch op het ongerechtvaardigde karakter van de verplichting om vooraf alle administratieve rechtsmogelijkheden uit te putten.
(37) - Het Hof heeft herhaaldelijk beslist (zie, onder de meer recente uitspraken, arrest van 29 mei 1997, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-300/95, Jurispr. blz. I-2649, punt 37), dat de strekking van nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen moet worden beoordeeld met inachtneming van de uitlegging die de nationale rechterlijke instanties daaraan geven.
(38) - C-208/90, Jurispr. blz. I-4269.
(39) - Punt 23.
(40) - C-338/91, Jurispr. blz. I-5475.
(41) - C-410/92, Jurispr. blz. I-5483.
(42) - C-188/95, Jurispr. blz. I-6783, punten 42-52.
(43) - Voor de mondelinge behandeling waren de volgende zaken gevoegd: Edis (C-231/96); Spac (C-260/96); Ansaldo Energia (C-279/96); Marine Insurance Consultant (C-280/96), en GMB e.a. (C-281/96).
(44) - Dit heeft de raadsman van de vennootschap Edis beklemtoond, toen hij ter terechtzitting erkende, dat reeds in 1989 (dus niet alleen voordat het arrest Ponente Carni was gewezen, doch ook vóór indiening van het prejudiciële verzoek dat daarin centraal stond) een andere, aan zijn cliënte gelieerde, vennootschap Edis en bepaalde Italiaanse ondernemingen de invordering van de heffing op de inschrijving in het register voor de Italiaanse rechter hadden betwist. Ofschoon deze beroepen op inhoudelijke gronden zijn afgewezen, tonen zij aan, dat niemand hun het recht op toegang tot de rechter heeft ontzegd.
(45) - Eén van deze belemmeringen is de noodzaak beroep in rechte in te stellen om een executoriale titel tegen de fiscus te verkrijgen, een vereiste dat bovendien kan leiden tot een ongerechtvaardigde complicatie van de procedures - en dus tot een vertraging in de rechtsbedeling - ten detrimente van de belastingplichtigen.
(46) - Artikel 61 van besluitwet nr. 331 van 30 augustus 1993 voorziet in de voorwaarden voor terugbetaling van krachtens die regeling onverschuldigd betaalde bedragen, te weten door middel van een bezwaarschrift (voor bedragen betaald over het fiscale boekjaar 1992) of door middel van verrekening (voor bedragen betaald over het boekjaar 1993).
Full & Egal Universal Law Academy