Conclusie van de advocaat generaal
A - Inleiding
1 De onderhavige zaak betreft een door verzoeker bestreden forfaitaire korting op de middelen van het EOGFL.(1) Deze korting wordt door de Commissie aldus gemotiveerd, dat de nationale autoriteiten in het kader van de interventieaankopen ongeoorloofde meervoudige offertes (groepsoffertes of gelieerde offertes) hebben aanvaard.(2) Deze zouden wellicht van speculatieve aard zijn. Indien namelijk zeer grote hoeveelheden rundvlees ten verkoop aan het interventiebureau worden aangeboden, moeten deze hoeveelheden worden verlaagd door de toepassing van een coëfficiënt.(3) Aangezien de aanbieders ook daarna hun totale vleesvoorraad aan het interventiebureau zullen willen verkopen, wordt door het indienen van te hoge offertes gespeculeerd, aldus de Commissie. Wanneer een aanbieder ervan uitgaat, dat er een bepaalde verminderingscofficiënt zal worden vastgesteld, zal hij het interventiebureau een dienovereenkomstig grotere hoeveelheid ten verkoop aanbieden. Indien nu een lagere coëfficiënt wordt vastgesteld dan de inschrijver vermoedt, moet hij meer vlees aan het interventiebureau leveren dan waarover hij eigenlijk beschikt. Zo hij niet voor ten minste 85 %, respectievelijk 95 % aan zijn verplichtingen ingevolge de overeenkomst met het interventiebureau kan voldoen, verbeurt hij de voor het totaalbedrag gestelde zekerheid geheel of gedeeltelijk.(4)
2 Indien de inschrijver nu zijn aanvankelijke offerte in meerdere kleine offertes splitst die hij via stromannen indient, vermindert daardoor het risico van verbeurte van de gestelde zekerheid. Zo hij niet de volledige aangeboden hoeveelheid kan leveren, kan hij in geval van verschillende kleine offertes in elk geval enkele daarvan gestand doen, zodat hij de zekerheid niet verbeurt. De zekerheid voor de overige offertes die hij vervolgens geen gestand meer kan doen, vervalt dan weliswaar, doch deze wordt niet berekend op basis van het totaalbedrag van de door hem gedane offertes, doch slechts op basis van het lagere bedrag van de desbetreffende offertes. Het bedrag van de vervallen zekerheid is dus lager en wordt vaak overtroffen door de gerealiseerde winst.
3 Volgens de Commissie blijkt hieruit eenduidig, dat de indiening van meerdere offertes speculatie bevordert, omdat de zekerheidstelling ten gevolge hiervan aan doeltreffendheid inboet.
4 Het voorwenden van grotere hoeveelheden met het oog op speculatie is in strijd met het doel van de interventie. Deze beoogt - wanneer de marktprijzen onder een bepaalde drempel zakken - de markt door middel van bijvoorbeeld interventieaankopen te stabiliseren en een zeer sterke prijsdaling tegen te gaan of te matigen.(5) Bij verordening nr. 859/89(6) is een inschrijvingsprocedure ingevoerd.(7) In het kader van deze inschrijvingsprocedure worden aankoopprijzen en -hoeveelheden op basis van de ontvangen offertes vastgesteld.(8)
5 Speculatieve offertes die - zoals gezegd - worden bevorderd door het indienen van meerdere offertes, beletten volgens de Commissie een succesvolle toepassing van de interventiemaatregelen. Omdat meer vlees wordt aangeboden dan eigenlijk op de markt voorhanden is, worden ook de aankoopprijzen en -hoeveelheden, die op grond van de ingediende offertes worden bepaald, niet langer overeenkomstig de marktsituatie vastgesteld. Speculatieve offertes verhinderen dus, dat de Commissie een juiste voorstelling van de marktsituatie krijgt. Om deze reden kan welhaast met zekerheid worden gesteld, dat op grond van speculatieve offertes en van de daarvoor vereiste meervoudige offertes meer vlees tegen hogere prijzen door de interventiebureaus wordt aangekocht. Bovendien dient men in dit verband voor ogen te houden, dat de indiening van meerdere offertes ook prijsspeculaties toelaat. Door de aankoop van te grote hoeveelheden ontstaan er méér kosten voor het EOGFL dan ter ondersteuning van de markt nodig is, aldus de Commissie.
B - Feiten en wettelijke bepalingen
6 Met het onderhavige beroep vordert het Koninkrijk Denemarken nietigverklaring van de beschikking van de Commissie, voor zover daarbij van de uitgaven van het Koninkrijk Denemarken voor de begrotingsjaren 1991 en 1992 een bedrag van 26 867 909 DKR, in verband met de aankoop van rundvlees, niet ten laste van het EOGFL is gebracht(9) (hierna: "beschikking"). De niet-erkenning van deze kosten volgt uit bijlage I bij de beschikking. Voornoemd bedrag komt overeen met een forfaitaire correctie van 2 % van de uitgaven voor 1991 en 1992.
7 De Commissie motiveert deze korting in haar syntheseverslag(10) aldus, dat Denemarken niet heeft gecontroleerd, of er sprake was van indiening van meerdere offertes per inschrijving.
8 Dit had gemakkelijk kunnen worden vastgesteld, omdat, zoals de Commissie betoogt, de 17 in het kader van een bepaalde inschrijving ontvangen offertes slechts afkomstig waren van 7 inschrijvers. Een bijzonder grote groep had alleen al 8 offertes met 8 verschillende prijzen ingediend. Door namen, adressen, faxnummers, zekerheden en betalingen met elkaar te vergelijken, kon het EOGFL voor iedere onderzochte inschrijvingsprocedure erachter komen, dat vele afzonderlijke offertes van dezelfde groep afkomstig waren. Uit de toegezonden facturen bleek bovendien, dat de betaling aan andere ondernemingen moest geschieden. De Deense autoriteiten moeten dus van meet af aan op de hoogte zijn geweest van de gedragingen van de inschrijvers.
9 Bijgevolg was de handelwijze van de bevoegde Deense autoriteiten in strijd met de communautaire voorschriften en heeft zij geleid tot discriminatie van de deelnemers die die voorschriften wel hebben nageleefd.
10 Volgens verzoeker daarentegen zijn alle voorschriften in het kader van de interventie nageleefd. Hij heeft zich ervan vergewist, dat elke natuurlijke of rechtspersoon die als onderneming was geregistreerd, niet meer dan één offerte per categorie en per inschrijving heeft ingediend. De controles van de Deense autoriteiten hielden in, dat werd nagegaan, of de offerte afkomstig van een onderneming was die bij de Deense autoriteiten geregistreerd stond. Voor nadere controles bestond op dat tijdstip geen aanleiding, aldus verzoeker.
11 De aan dit geschil ten grondslag liggende regeling is vervat in artikel 9 van verordening nr. 859/89, dat in lid 1 bepaalt: "De inschrijver kan slechts aan de inschrijving deelnemen, als hij zich er schriftelijk toe verbindt alle voorschriften met betrekking tot de betrokken aankopen na te leven."(11)
12 Lid 2 luidt: "De betrokkenen nemen aan de inschrijving bij het interventiebureau van de lidstaat waar zij gehouden wordt, deel door afgifte van een schriftelijke offerte tegen ontvangstbewijs of door indiening van een offerte via een door het interventiebureau aanvaard schriftelijk communicatiemiddel met bericht van ontvangst; elke inschrijver mag slechts één offerte per categorie en per inschrijving indienen."(12)
13 Het onderscheid tussen de begrippen "inschrijver" en "betrokkene" is volgens de Commissie in casu van belang. Uit de onderscheiden woordkeus zou blijken, dat betrokkenen niet kunnen worden vereenzelvigd met inschrijvers. Het begrip "betrokkenen" duidt volgens de Commissie niet alleen op degenen die daadwerkelijk tot actie zijn overgegaan en een offerte hebben ingediend. Het zou een veel ruimere kring van personen beslaan; dientengevolge zou het verbod om meer dan één offerte in te dienen niet alleen gelden voor de afzonderlijke inschrijver - dat wil zeggen, de inschrijver die de offerte daadwerkelijk indient - doch voor alle personen die dezelfde vleeshoeveelheid aanbieden.
14 Verzoeker is daarentegen de engere opvatting toegedaan, dat de begrippen "inschrijver" en "betrokkene" onderling verwisselbaar zijn, want van een verschil zou nergens blijken. In de considerans noch in de artikelen van de verordening wordt het begrip "inschrijver" uitgelegd. Bijgevolg moet het aldus worden uitgelegd, dat het iedere onafhankelijke natuurlijke of rechtspersoon betreft die in het kader van een inschrijving een offerte indient. Het verbod van artikel 9, lid 2, tweede volzin, houdt dus enkel in, dat de persoon die als inschrijver optreedt, slechts één offerte mag indienen.
15 Dat deze bepaling ook betrekking heeft op andere personen dan de inschrijver, volgt pas uit artikel 11, lid 3, van de ten tijde van de feiten van het geding nog niet in werking getreden verordening (EEG) nr. 2456/93 van de Commissie van 1 september 1993 tot uitvoering van verordening nr. 805/68 van de Raad wat de algemene en de speciale interventiemaatregelen in de sector rundvlees betreft.(13) Deze bepaling luidt als volgt:
"Elke inschrijver mag per categorie en per inschrijving slechts één offerte indienen.
De lidstaten vergewissen zich ervan dat de inschrijvers onderling niet verbonden zijn wat hun directie, personeel en werking betreft.
Als er ernstige aanwijzingen zijn dat dit niet het geval is of als een offerte niet aan de economische realiteit beantwoordt, wordt de bedoelde offerte slechts als ontvankelijk aangemerkt nadat degene die deze heeft ingediend terdege heeft aangetoond dat aan de eisen van de tweede alinea is voldaan.
Wanneer is komen vast te staan dat een inschrijver meer dan één offerte heeft ingediend, is geen enkele van de door hem ingediende offertes ontvankelijk."
16 Aangezien verzoeker in tegenstelling tot de Commissie meende, dat artikel 9, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 859/89 in het kader van de door hem gevolgde inschrijvingsprocedure volledig in acht was genomen, heeft hij zich uiteindelijk tot het bemiddelingsorgaan gewend.(14) Dit oordeelde - naar verzoeker verklaart - dat het niet met zekerheid kon vaststellen, of de handelwijze van de lidstaten in strijd was met de verordening. Het constateerde, dat het nadien hoe dan ook noodzakelijk was geacht de regels van verordening nr. 2456/93 te preciseren en dat de Commissie niet vóór 1993 had gereageerd.
17 De Commissie wijst er in dit verband op, dat zij hiervan - in tegenstelling tot de nationale autoriteiten - aanvankelijk niet op de hoogte was. Aangezien de offertes haar anoniem zijn meegedeeld, heeft zij de onregelmatigheden pas in het kader van de door haar in 1992 verrichte controles geconstateerd, waarna zij het Koninkrijk Denemarken hiervan terstond in kennis heeft gesteld.
18 Nadat de Commissie de in haar syntheseverslag voorgestelde korting van 2 % in haar beschikking had bevestigd, heeft verzoeker in juli 1996 beroep ingesteld bij het Hof, strekkende tot:
- nietigverklaring van de beschikking(15), voor zover daarbij de volgende uitgaven van het Koninkrijk Denemarken niet ten laste van het Europees Orintatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, worden gebracht: een bedrag ten belope van 26 867 909 DKR wegens interventieaankopen van rundvlees in de begrotingsjaren 1991 en 1992;
- veroordeling van de Commissie in de kosten.
De Commissie concludeert tot:
- verwerping van het beroep;
- veroordeling van verzoeker in de kosten.
C - Analyse
Strekking van artikel 9, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 859/89
19 Verzoeker betoogt in de eerste plaats, dat de Commissie artikel 9, lid 2, tweede volzin, verkeerd heeft uitgelegd. Deze bepaling vereist enkel, dat elke natuurlijke of rechtspersoon die ten overstaan van de autoriteiten als inschrijver optreedt, slechts één enkele offerte indient. Over eventuele banden tussen de afzonderlijke inschrijvers, waarmee rekening zou moeten worden gehouden, laat verordening nr. 859/89 zich niet uit. Artikel 9, lid 2, tweede volzin, zou slechts het aantal offertes regelen. Over de kenmerken van de inschrijvers wordt niets vermeld. Het aantal offertes is in Denemarken gecontroleerd. De nationale autoriteit heeft onderzocht, of de afzonderlijke inschrijvers telkens een geregistreerde rechtspersoon waren. Of de afzonderlijke ondernemingen die een offerte hebben ingediend, eventueel tot eenzelfde groep behoren, is in Denemarken niet gecontroleerd, omdat daartoe geen noodzaak bestond en hiervoor evenmin een rechtsgrond bestond.
20 Verzoeker vervolgt, dat het overeenkomstig de rechtspraak van het Hof in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL aan de Commissie is om aan te tonen, dat een lidstaat bepalingen van gemeenschapsrecht heeft geschonden. Dit bewijs heeft de Commissie - zoals aangetoond - niet kunnen leveren. Verzoeker wijst er bovendien op, dat regelingen die financiële gevolgen voor de lidstaten met zich kunnen brengen, duidelijk en helder moeten zijn geformuleerd.
21 Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof "worden uitsluitend de volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten verleende restituties en verrichte interventies door het EOGFL gefinancierd".(16) Het staat daarbij aan de Commissie om aan te tonen, dat sprake is van schending van de voorschriften van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten.(17)
22 Het Hof heeft bovendien met betrekking tot de eisen aan de formulering van de voorschriften overwogen: "Daar een voorschrift waarvan de niet-naleving financiële gevolgen met zich brengt, voldoende duidelijk en nauwkeurig moet zijn, kon de Commissie zich niet beroepen op de bewoordingen van post (...) om, op het ogenblik van de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, een uitlegging op te leggen die niet strookte met de normale betekenis van de gebruikte bewoordingen."(18)
23 Onderzocht moet derhalve worden, of de formulering van artikel 9, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 859/89 aan deze eisen voldoet, respectievelijk of zij een uitlegging als door de Commissie gehanteerd toelaat. Het lijkt in dit verband zinvol vooraf te onderzoeken, hoe de Commissie artikel 9, lid 2, tweede volzin, wenst uit te leggen. In de memories wordt veelal van "meervoudige" offertes gesproken. Het kan daarbij niet om offertes gaan die door een en dezelfde inschrijver onder één naam zijn ingediend. Dergelijke offertes zijn namelijk ook in Denemarken niet geldig. Zoals voorts uit de memories blijkt, veroordeelt de Commissie ook niet elke vorm van verband tussen de afzonderlijke offertes. Zo zet zij bijvoorbeeld uiteen dat, wanneer een persoon twee onderling van elkaar onafhankelijke slachtinrichtingen exploiteert, elk van deze inrichtingen een eigen offerte kan indienen. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd, verbiedt artikel 9, lid 2, tweede volzin, slechts offertes die betrekking hebben op dezelfde vleeshoeveelheid. Indien een betrokkene zijn vlees dus niet alleen zelf, doch ook via stromannen aanbiedt, is dit volgens de communautaire voorschriften ontoelaatbaar en moet dit door de autoriteiten van de betrokken lidstaat een halt worden toegeroepen.
24 De Commissie wijst op de rechtspraak van het Hof, volgens welke een bepaling niet alleen aan de hand van de formulering, doch ook van de aard en doelstelling ervan moet worden uitgelegd.(19) Dienovereenkomstig betoogt zij, dat de litigieuze regeling van haar doel zou worden beroofd, indien het mogelijk was meerdere offertes in te dienen om zodoende het verbod te omzeilen.
25 Door de praktijk rond de interventieaankopen in Denemarken wordt - zoals reeds aangetoond - de interventieregeling in gevaar gebracht, aldus de Commissie. Door de aankoop van te grote hoeveelheden ontstaan meer kosten dan nodig is om de markt te ondersteunen. Bovendien is de door artikel 6, lid 6, van verordening nr. 805/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 571/89, vereiste gelijke toegang voor alle betrokkenen niet verzekerd, aldus de Commissie.
26 Artikel 9, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 859/89 moet derhalve in het licht van de doelstelling ervan aldus worden uitgelegd, dat een belemmering van de interventiemaatregelen niet is toegestaan. Wanneer offertes betrekking hebben op dezelfde hoeveelheid vlees, zijn zij in werkelijkheid afkomstig van een en dezelfde inschrijver. Deze offertes zijn dus ontoelaatbaar.
27 Volgens de Commissie volgt dit uit de formulering. Dienaangaande zij opgemerkt, dat een verschillende aanduiding in de leden 1 en 2 van artikel 9 zeer wel kan duiden op een verschillende betekenis. Hieruit kan worden afgeleid, dat het niet volstaat te controleren, of degene die de offerte daadwerkelijk indient, slechts één enkele offerte indient, dat wil zeggen of er telkens een onafhankelijke (rechts)persoon optreedt. Zo kan onder een betrokkene worden verstaan iemand die zijn vlees aan de interventie wil verkopen. Deze hoeft - zoals we hebben gezien - niet noodzakelijkerwijs overeen te komen met de inschrijver, dat wil zeggen degene die de offerte daadwerkelijk indient. Wanneer het vlees bijvoorbeeld via stromannen wordt aangeboden, is er één betrokkene, doch zijn er meerdere inschrijvers. Indien men echter het gebruik van beide begrippen in andere verordeningen betreffende interventiemaatregelen voor rundvlees beziet, kan worden vastgesteld, dat voornoemd onderscheid niet altijd in acht wordt genomen. Zo moet er bijvoorbeeld luidens de eerste overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 2271/90(20) in worden voorzien, dat "elke inschrijver per categorie en per inschrijving slechts één offerte [mag] indienen". Voorts wordt in de Duitse versie van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 2456/93, dat artikel 9 van verordening nr. 859/89 heeft vervangen, enerzijds het begrip "Interessent" en anderzijds het begrip "Bieter" gehanteerd met betrekking tot de indiening van offertes.(21)
28 Aan het onderscheid tussen "inschrijver" en "betrokkene" in artikel 9 kunnen derhalve geen nadere conclusies worden verbonden.
29 Meer verhelderend is evenwel het onderzoek van de regelingen die aan de hier strijdige bepaling zijn voorafgegaan. Zo werd in het jaar 1990 de mogelijkheid geschapen om verschillende offertes tegen verschillende prijzen in te dienen. Na de wijziging bij verordening (EEG) nr. 1282/90(22) luidde artikel 9, lid 2, tweede volzin, als volgt:
"Elke inschrijver mag per categorie en per inschrijving meerdere offertes indienen waarin een verschillende prijs wordt geboden."
30 Deze regeling werd echter reeds in augustus 1990 weer ingetrokken. De desbetreffende verordening nr. 2271/90 bevatte in de eerste overweging van de considerans de verklaring, "dat op grond van de opgedane ervaring moet worden bepaald dat de inschrijver slechts één offerte (...) per categorie en per inschrijving mag indienen".
31 Volgens verzoeker wordt hiermee alleen het aantal offertes geregeld, dat de inschrijver mag indienen. Dit is weer teruggebracht vanwege de overbelasting van de administratie als gevolg van de vele offertes. Doel van verordening nr. 2271/90 was dus om door vermindering van het aantal offertes de administratie te ontlasten. Dit doel is in Denemarken bereikt. Bijgevolg is voldaan aan de eisen van de "nieuwe" versie van artikel 9, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 859/89.
32 Bovendien staat sinds de intrekking van de regeling van verordening nr. 1282/90 evenwel vast, dat de inschrijver niet langer meerdere offertes met betrekking tot dezelfde vleeshoeveelheden kan indienen. Doel van de hier bestreden regeling van artikel 9, lid 2, tweede volzin, is dus in elk geval, dat een bepaalde vleeshoeveelheid niet meerdere malen kan worden aangeboden. Aan deze regeling wordt elk nuttig effect ontnomen, indien zij zonder meer kan worden omzeild door het inzetten van stromannen.
33 Dit moet ook verzoeker hebben geweten, toen hij de offertes ontving. Enerzijds geldt voor elke regel, dat zij zinloos wordt wanneer zij wordt omzeild doordat bijvoorbeeld - zoals in casu gesteld - hetzelfde vlees door meerdere personen wordt aangeboden. Anderzijds kende ook verzoeker het doel van de interventie. Hij moet zich er derhalve van bewust zijn geweest, dat het in strijd met het doel van de interventie is om het op de markt voorradige vlees meerdere malen aan te bieden.
34 Bovendien heeft het Hof uitgemaakt, dat ook in gevallen waarin het gemeenschapsrecht op grond van een te goeder trouw door de nationale autoriteiten gegeven uitlegging objectief verkeerd wordt toegepast, de hieruit voortvloeiende kosten ingevolge de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 729/70(23) ten laste van de lidstaten blijven.(24) Deze enge uitlegging van de voorwaarden waaronder uitgaven ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht, is wegens het doel van verordening nr. 729/70 dwingend. Aangezien de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid de gelijkheid tussen de marktdeelnemers van de Gemeenschap moet waarborgen, kunnen nationale autoriteiten van een lidstaat niet aan de hand van een ruime uitlegging van een bepaald voorschrift de eigen marktdeelnemers begunstigen ten opzichte van die van andere lidstaten waarin een engere uitlegging wordt voorgestaan.(25)
35 Weliswaar wijst verzoeker er terecht op, dat artikel 9, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 859/89 niet regelt wie de afzonderlijke inschrijvers zijn en hoe hun onderlinge betrekkingen eruit dienen te zien, maar dit is ook niet vereist. Uit het doel van artikel 9, lid 2, tweede volzin, volgt, dat het verboden is om vlees via stromannen aan te bieden. Verzoeker kan niet volstaan met het betoog, dat hij volgens de formulering van artikel 9 niet verplicht is eventuele banden tussen afzonderlijke inschrijvers te onderzoeken. Dit aspect ziet enkel op de vraag, of de naleving van een verbodsbepaling als die van artikel 9, lid 2, tweede volzin, kan worden gecontroleerd.
36 In dit verband speelt evenmin een rol, dat de Commissie in het kader van de voorbereiding van verordening nr. 859/89 heeft voorgesteld het begrip toegelaten inschrijvers nader te preciseren, welk voorstel echter niet is overgenomen. Verzoeker concludeert hieruit, dat de verordening juist niet beoogde de afzonderlijke inschrijvers nader te definiëren. En daaruit zou volgens hem weer volgen, dat het begrip "inschrijver" niet nog restrictiever kan worden uitgelegd dan dat het om afzonderlijke, onafhankelijke natuurlijke of rechtspersonen naar nationaal recht moet gaan.
37 Ook al zou dit betoog tot een dergelijke conclusie kunnen voeren, dan nog doet dit er niet aan af, dat het inzetten van stromannen ingevolge artikel 9, lid 2, tweede volzin, verboden is.
38 De Commissie moet derhalve worden bijgevallen in haar betoog, dat artikel 9, lid 2, tweede volzin, ook offertes verbiedt die weliswaar van verschillende rechtspersonen afkomstig zijn, doch die hetzelfde vlees betreffen, zodat de slotsom gewettigd lijkt, dat zij door stromannen zijn ingediend.
Controleverplichting van de lidstaat
39 Volgens de Commissie is de om die reden in het kader van de goedkeuring van de rekeningen opgelegde korting gerechtvaardigd, omdat verzoeker niet op naleving van deze bepaling heeft toegezien.
40 Vaststaat dat offertes in Denemarken enkel worden getoetst aan de vraag, of zij van verschillende rechtspersonen afkomstig zijn. Een nader onderzoek wordt niet verricht. Onderzocht moet nu dus worden, of dit de conclusie wettigt, dat verzoeker heeft verzuimd een communautaire regeling na te leven, want de Commissie heeft geen enkel concreet voorbeeld genoemd waarin daadwerkelijk offertes door stromannen zijn ingediend.
41 De reden dat de Commissie dit niet met bewijzen kan staven, is gelegen in het feit dat verzoeker te dien aanzien in het geheel geen controles heeft verricht. Onderzocht is slechts, of de offertes afkomstig waren van een onafhankelijke (rechts)persoon. De Commissie beschikt dus niet over de benodigde gegevens om een onderzoek naar de nadere omstandigheden te kunnen instellen. Weliswaar kan de Commissie ook zelf controles verrichten, doch volgens de rechtspraak van het Hof berust het beheer van de EOGFL-financiering in de eerste plaats bij de nationale autoriteiten, die over de strikte naleving van de communautaire voorschriften moeten waken. Het Hof heeft voorts overwogen: "Deze - op vertrouwen gebaseerde - regeling voorziet niet in een stelselmatige controle door de Commissie, die deze materieel gezien overigens onmogelijk zou kunnen verrichten (...) Enkel de lidstaat zelf kan immers precies weten en vaststellen, welke gegevens nodig zijn om de EOGFL-rekeningen op te stellen, aangezien voor de Commissie de afstand tot de marktdeelnemers te groot is om bij hen de nodige inlichtingen te kunnen inwinnen."(26)
42 Aangezien de Commissie in het kader van de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen dus is aangewezen op de verklaringen van de lidstaten, is het haar niet mogelijk een concreet voorbeeld te geven van mogelijke schendingen die in het kader van de inschrijvingen zijn gepleegd. Zij kan - en moet - slechts aantonen, dat verzoeker niet alle met het oog op de naleving van het betrokken voorschrift noodzakelijke voorwaarden heeft onderzocht. Dit heeft de Commissie gedaan.
43 Bovendien heeft Denemarken betoogd, dat er mogelijkerwijs sprake was van een element van speculatie, teneinde het risico van verbeurte van de zekerheid te beperken.
44 In het kader van de beantwoording van de vraag, of daarmee een schending door verzoeker van het gemeenschapsrecht is aangetoond, moet ook worden nagegaan, of verzoeker tot een verder gaande controle gehouden was. Dienaangaande zij verwezen naar verordening nr. 729/70. In de overwegingen van de considerans daarvan is onder meer bepaald(27), "dat maatregelen moeten worden genomen om elke onregelmatigheid te voorkomen". De achtste overweging luidt: "Overwegende dat de uitgaven van de Gemeenschap aan een grondig onderzoek moeten worden onderworpen; dat, ter aanvulling van de door de lidstaten eigener beweging uit te oefenen controle, die hoofdzaak blijft, dient te worden voorzien in verificaties door functionarissen van de Commissie en in de mogelijkheid voor deze instelling om een beroep te doen op de lidstaten."
45 Het hiermee overeenkomende artikel 8 van de verordening bepaalt in lid 1:
"De lidstaten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om:
- zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze worden uitgevoerd;
- onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen;
- de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen;
(...)"
46 Volgens de rechtspraak van het Hof is het een aangelegenheid van de nationale autoriteiten om over de strikte naleving van de communautaire voorschriften te waken.(28) Tot hoever deze verplichting van de lidstaten in het kader van de financiering van het EOGFL reikt, heeft het Hof uitgemaakt in zijn arrest Exportslachterijen van Oordegem. Daarin overwoog het ten aanzien van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 729/70:
"Deze bepaling, die voor deze specifieke materie de bij artikel 5 van het Verdrag aan de lidstaten opgelegde verplichtingen formuleert, bevat volgens de rechtspraak van het Hof de beginselen waaraan de Gemeenschap en de lidstaten zich moeten houden bij de uitvoering van de uit middelen van het EOGFL gefinancierde communautaire landbouwinterventiemaatregelen en bij de bestrijding van bedrog en onregelmatigheden met betrekking tot deze maatregelen (arrest BayWa, reeds aangehaald, punt 13).
Zo legt dit artikel de lidstaten de algemene verplichting op, de nodige maatregelen te nemen om zich ervan te vergewissen dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze worden uitgevoerd, ook al verplicht de specifieke gemeenschapsregeling niet uitdrukkelijk tot het vaststellen van deze of gene controlemaatregel (arrest van 12 juni 1990, Duitsland/Commissie, C-8/88, Jurispr. blz. I-2321, punten 16 en 17)."(29)
47 Hieruit volgt, dat er een controleverplichting van de lidstaten kan bestaan, ook al voorziet de betrokken regeling daar niet uitdrukkelijk in.
48 Derhalve rijst de vraag, of verzoeker in casu tot nadere controles verplicht was; met andere woorden, had de lidstaat meer moeten doen, respectievelijk kunnen doen en zo ja, wat dan?
49 Zoals de Commissie naar voren heeft gebracht, ontstaat het nadeel voor het Fonds doordat de indiening van meerdere offertes door een betrokkene via stromannen het indienen van speculatieve offertes bevordert. Beziet men thans de handelwijze van de Commissie met betrekking tot speculatieve offertes op zich, dan kan men zich afvragen, of verzoeker gehouden was om verder gaande maatregelen te treffen.
50 Om speculatieve offertes tegen te gaan, waarbij in afwachting van een bepaalde verminderingscoëfficiënt een grotere vleeshoeveelheid wordt aangeboden dan voorradig is, is overeenkomstig artikel 10, lid 1, een zekerheidstelling ingevoerd(30), "om zo te waarborgen dat serieuze offertes worden ingediend en de gestelde voorwaarden in acht worden genomen".(31) Dat wil zeggen, dat de lidstaten er in zoverre slechts over hoeven te waken, dat het overeenkomstige bedrag van de zekerheid in bewaring wordt gegeven. Zij hoeven niet te controleren, of de afzonderlijke inschrijver meer vlees heeft aangeboden dan hij bezit.
51 In casu ging het echter om een aanvullende regeling, die moest worden nageleefd en niet mocht worden omzeild: een betrokkene die zijn vlees aan de interventie wilde verkopen, mocht niet meerdere offertes indienen. Dit volgde uit het doel van de interventie. Deze gedachte vond echter pas later concreet uitdrukking en wel in de regeling van verordening nr. 2456/93.(32) Dit doet echter niets af aan het feit dat zij - naar de geest ervan althans - reeds eerder bekend had moeten zijn.
52 Mitsdien moet ervan uit worden gegaan, dat verzoeker een nadere controle had moeten verrichten teneinde vast te stellen, of de ingediende offertes daadwerkelijk van een en dezelfde inschrijver afkomstig waren. Dit geldt met name vanwege de reeds genoemde duidelijke aanwijzingen, dat er banden tussen de afzonderlijke inschrijvers bestonden. Ook al zou hieruit niet met zekerheid kunnen worden afgeleid, dat er sprake was van schending van de regeling van artikel 9, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 859/89, dan nog waren de aanwijzingen van dien aard, dat een nadere controle noodzakelijk kon en moest lijken, en alleen dáárom gaat het hier.
53 Verzoeker heeft betoogd, dat een dergelijke controle niet kon worden verricht, omdat er in het kader van de inschrijvingsprocedure geen tijd meer was voor een uitgebreide controle. Anderzijds brengt hij echter naar voren, dat de bij verordening nr. 2456/93 ingevoerde controles in Denemarken wel degelijk zijn verricht. Laatstgenoemde controles hadden echter onbetwistbaar tot doel om het inzetten van stromannen te verhinderen.(33) Verzoeker kan derhalve niet staande houden, dat de reeds vóór de verordening van 1993 vereiste controles uit tijdgebrek achterwege zijn gebleven. De controleverplichting vloeide hier reeds lang vóór de regeling van verordening nr. 2456/93 voort uit het doel van de interventie. Van belang hierbij is, dat de lidstaat controleert, of daadwerkelijk verschillende vleeshoeveelheden zijn aangeboden. Hoe hij deze controles uitvoert, mag hij zelf weten. Daartoe is geen uitdrukkelijke regeling door de Commissie nodig. Men kan dan ook niet stellen, dat de Commissie - zoals verzoeker betoogt - verordening nr. 2456/93 met terugwerkende kracht op het onderhavige geval wil toepassen.
54 Mitsdien kan worden geconcludeerd, dat verzoeker een nadere controle had moeten verrichten, doch dit heeft nagelaten.
Bewijs van schade voor het EOGFL - bewijslast
55 Thans moet worden onderzocht, of de feiten een korting in het kader van de goedkeuring van de rekeningen, zoals door de Commissie toegepast, rechtvaardigen. Volgens verzoeker is dit niet het geval, omdat het Fonds geen schade heeft geleden.
56 Ter beantwoording van deze vraag zij verwezen naar de rechtspraak van het Hof over het bewijs van schade en de bewijslast in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL. Zo heeft het Hof overwogen, dat uitsluitend de volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten verleende restituties en verrichte interventies door het EOGFL worden gefinancierd.(34) Uiteindelijk, aldus het Hof, moet een lidstaat bewijzen, dat voldaan is aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de door de Commissie geweigerde financiering, wanneer de Commissie weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen op grond dat deze het gevolg waren van aan deze lidstaat toe te rekenen overtredingen van communautaire voorschriften.(35)
57 Daarbij is het de vraag, aan welke eisen het betoog van de Commissie aangaande de oorzaak van de financile schade moet voldoen. Volgens de rechtspraak van het Hof heeft de Commissie in gevallen waarin niet kan worden vastgesteld, in hoeverre een met het gemeenschapsrecht strijdige nationale maatregel tot een verhoging van de uitgaven op een begrotingspost van het EOGFL heeft geleid, "geen andere keuze" dan de financiering van de betrokken uitgaven volledig, dus niet procentueel, te weigeren.(36)
58 Van een dergelijk geval zou hier sprake kunnen zijn, omdat de Commissie nu juist vanwege de gebrekkige controle niet kon vaststellen, in hoeverre de handelwijze van verzoeker tot schade voor het EOGFL heeft geleid. Er kan slechts zuiver hypothetisch worden ingegaan op de vraag, welke kosten achterwege zouden zijn gebleven indien verzoeker naar behoren controles had verricht.
59 Aan de andere kant heeft het Hof in een geval waarin de Commissie de juistheid van de door de lidstaat meegedeelde cijfers betwijfelde, overwogen: "De Commissie behoeft namelijk de onregelmatigheid van de door de lidstaten toegezonden gegevens niet volledig aan te tonen; zij moet enkel een bewijs leveren voor de ernstige en gerede twijfel die zij omtrent de door de nationale autoriteiten meegedeelde cijfers koestert. Deze verlichting van de bewijslast voor de Commissie is te verklaren door het feit dat (...) de lidstaat zelf het best in staat is de voor de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen benodigde gegevens te verzamelen en te verifiëren, zodat dus de lidstaat gedetailleerd en volledig dient te bewijzen dat zijn cijfers juist zijn en, in voorkomend geval, de berekeningen van de Commissie onjuist."(37)
60 Ik geef toe dat dit geval niet direct vergelijkbaar is met het onderhavige geval, aangezien de Commissie verzoeker niet verwijt, dat de door haar meegedeelde cijfers onjuist zijn. Waar het hier om gaat, is dat die cijfers anders hadden kunnen uitvallen, indien verzoeker voldoende had gecontroleerd. Ook hier heeft de Commissie echter niet enkel gesteld, dat het EOGFL schade heeft geleden, doch heeft zij aangetoond, dat verzoeker het gemeenschapsrecht heeft geschonden en op welke wijze. Voorts heeft zij uiteengezet, hoe dit speculatie door de aanbieders in de hand kan hebben gewerkt. Tot slot heeft zij verduidelijkt, dat dit tot een verkeerde voorstelling van de markt en dus tot een te grote aankoop van rundvlees tegen wellicht te hoge prijzen kan hebben geleid. Mitsdien heeft zij hoe dan ook aangetoond, dat er schade voor het EOGFL kan zijn ontstaan.
61 Een zwaardere bewijslast kan de Commissie niet worden opgelegd, omdat de hierboven vermelde redenen voor verlichting van de bewijslast ook hier opgaan. Evenmin kan met zekerheid worden uitgesloten, dat verzoekers handelwijze de werking van de gemeenschappelijke marktorganisatie in gevaar heeft gebracht.
62 Derhalve is het aan verzoeker - zoals volgt uit het in punt 56 aangehaalde arrest - om aan te tonen, dat het hem verweten gedrag niet tot een verhoging van de kosten in het kader van het EOGFL heeft geleid. Verzoeker betoogt, dat de Commissie niet is aangewezen op de door de lidstaten meegedeelde offertes voor de verkoop ter interventie, doch tevens over andere mogelijkheden beschikt om zich op de hoogte te stellen van de actuele marktsituatie.
63 Verzoeker verwijst dienaangaande naar verordening (EEG) nr. 610/77 van de Commissie van 18 maart 1977 betreffende de vaststelling van de op de representatieve markten van de Gemeenschap geconstateerde prijzen voor volwassen runderen en betreffende de constatering van de prijzen voor sommige andere runderen in de Gemeenschap.(38) Op grond van deze verordening ontvangt de Commissie alle noodzakelijke gegevens om de situatie op de markt te kunnen beoordelen. Dienaangaande zij opgemerkt, dat het hier om de gegevens gaat die noodzakelijk zijn om de op de representatieve markten van de Gemeenschap geconstateerde prijzen te kunnen bepalen. Het respectieve prijspeil op de markten is van belang voor de beslissing, of er interventiemaatregelen moeten worden genomen. Dit gaat niet op voor het bepalen van de aankoopprijzen en -hoeveelheden in het kader van de interventie. Deze worden overeenkomstig verordening nr. 571/89 op basis van de ingediende offertes vastgesteld.(39)
64 Hieruit volgt, dat deze offertecijfers in elk geval mede bepalend zijn voor de beoordeling van de markt en de vaststelling van prijzen en hoeveelheden. Derhalve kan niet worden uitgesloten, dat te hoge offertes tot een onjuiste beoordeling kunnen leiden.
65 Daaraan doet zelfs niet af, dat - zoals verzoeker betoogt - alleen de Commissie een totaaloverzicht van de marktsituatie kan hebben en dat alleen zij beslist hoeveel vlees uit de markt moet worden genomen. Bovendien kan zij, aldus verzoeker, een maximumprijs vaststellen, zodat het prijspeil wordt gehandhaafd. Dienaangaande zij opgemerkt, dat de Commissie al deze beslissingen ook op grond van de haar meegedeelde offertes neemt. Wanneer deze offertes van speculatieve aard zijn, kunnen zij tot een onjuiste beoordeling leiden.
66 Verzoeker voert voorts aan, dat de inschrijving per definitie een speculatief karakter draagt en dus niet de werkelijke marktsituatie kan weerspiegelen. Zij motiveert dit door te stellen, dat de slachtdata na de datum van indiening van de offerte liggen. Wanneer ondernemingen offertes indienen, doen zij dit met betrekking tot het vlees dat zij de komende dagen op de markt kunnen betrekken. Doel van de interventie is evenwel, dat bij de inschrijver voorradig vlees dat niet op de normale markt kan worden afgezet, uit de markt wordt genomen. Zo moet een fokker bijvoorbeeld reeds vóór de slachtdatum kunnen beoordelen, welk vlees hij ter interventie wil of moet aanbieden. Daarbij gaat het er niet om, het vlees aan te kopen dat hij zich de volgende dagen nog kan verschaffen.
67 Aangezien de Commissie derhalve in ieder geval aannemelijk heeft gemaakt, dat de handelwijze van verzoeker het EOGFL schade kan hebben berokkend, staat het aan verzoeker om het tegendeel te bewijzen.
68 Een verdeling van de bewijslast zoals in casu lijkt ook aangewezen tegen de achtergrond van andere uitspraken van het Hof ter zake van de goedkeuring van de rekeningen. Zo heeft het Hof in gevallen waarin het gemeenschapsrecht de betaling van steun slechts toestond op voorwaarde dat aan bepaalde bewijs- en controleformaliteiten was voldaan, steun die was betaald zonder dat aan deze voorwaarden was voldaan, niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht geacht. De desbetreffende uitgave kon niet ten laste van het EOGFL worden gebracht, ook al zou worden vastgesteld dat geen enkele materiële onregelmatigheid had plaatsgevonden.(40)
69 Eveneens met betrekking tot de inachtneming van formaliteiten heeft het Hof overwogen: "Volstaan kan worden met de vaststelling dat, gelet op het wezenlijke karakter van de niet nageleefde vormvoorschriften, de onmogelijkheid om te controleren of de producten binnen de gestelde termijn waren uitgevoerd, en, bijgevolg, de waarschijnlijkheid van verliezen of zelfs fraudes ten koste van de gemeenschapsbegroting, het niet door de Commissie erkende bedrag - niet meer dan 2 % van de betrokken uitgaven - niet overtrokken en onevenredig kan worden geacht."(41) Hieruit volgt, dat ook de enkele waarschijnlijkheid van verliezen als beoordelingscriterium kan worden gehanteerd. Een dergelijke waarschijnlijkheid doet zich ook in casu voor, gelet op voormelde aanknopingspunten en het ontbreken van controles.
70 Rest dus enkel de vraag, of verzoeker met zijn betoog kan aantonen, dat er geen schade voor het EOGFL is ontstaan. Ten eerste voert verzoeker aan, dat de bewijslast van de schade op de Commissie rust. Dit is, zoals hierboven werd aangetoond, onjuist.
71 Verzoeker noemt bovendien voorbeelden ten betoge dat de gestelde meervoudige offertes de inschrijvers niet ten voordele hebben gestrekt. Met betrekking tot de voorbeelden die de Commissie noemt ter illustratie dat "meervoudige" offertes de speculatie bevorderen en tot een verkeerde voorstelling van de markt leiden, betoogt verzoeker, dat niet alleen voorbeelden kunnen worden bedacht waarin de splitsing van een afzonderlijke offerte voordelen voor de inschrijver met zich brengt doordat het risico van verbeuring van de zekerheid afneemt, doch dat er in plaats daarvan ook voorbeelden te bedenken zijn waarin de inschrijver baat heeft bij een afzonderlijke offerte.
72 Het valt niet uit te sluiten, dat er uitgaande van bepaalde speculaties en van verschillende verminderingscoëfficinten ook voorbeelden denkbaar zijn waarin een afzonderlijke offerte voor de inschrijver gunstiger is. Dit vormt echter geen weerlegging van de stelling van de Commissie, dat een splitsing van offertes in meerdere kleine offertes het risico van verbeuring van de zekerheid vermindert. Ook al zou dit risico op zich niet worden verkleind, dan kan in elk geval het bedrag van de verbeurde zekerheid worden verlaagd.
73 Derhalve staat vast, dat verzoeker de stellingen van de Commissie met betrekking tot de financiële schade voor het EOGFL niet heeft kunnen weerleggen.
Mogelijkheid van forfaitaire berekening van het financiële nadeel
74 Verzoeker betwist echter ook de door de Commissie toegepaste forfaitaire berekening van het financiële nadeel. Aangezien er geen verband met enige schade bestaat, zou het hier veeleer om een sanctie gaan, waarvoor een uitdrukkelijke rechtsgrondslag moet bestaan. Deze lijkt te ontbreken.
75 Dienaangaande zij opgemerkt, dat verzoeker er ten onrechte van uitgaat, dat in casu geen verband met enige schade kan worden vastgesteld. Schade voor het EOGFL kan, zoals hierboven aangetoond(42), niet worden uitgesloten. Verzoeker betoogt bovendien, dat in casu een exacte berekening mogelijk is, zodat de Commissie niet haar toevlucht hoeft te nemen tot een forfaitaire berekening. Op dit punt kan verzoeker niet worden gevolgd, omdat hier - zoals reeds aangetoond - alleen maar kan worden gegist, welke kosten hadden kunnen worden vermeden. Voor het overige volstaat een verwijzing naar de rechtspraak van het Hof betreffende de gevallen waarin de Commissie in plaats van alle uitgaven af te wijzen waarmee de inbreuk verband houdt, probeert om de financiële gevolgen van de onrechtmatige handeling te berekenen door na te gaan, wat de situatie op de betrokken markt zonder die inbreuk zou zijn geweest. In dergelijke gevallen - aldus het Hof - moet een lidstaat bewijzen, dat de voorwaarden voor het verkrijgen van de door de Commissie geweigerde financiering zijn vervuld.(43) Ook hier staat het dus aan verzoeker om aan te tonen, dat de beoordeling van de Commissie onjuist is. Zoals hiervoor is uiteengezet, is zij hierin niet geslaagd.
[Wat betreft de wijze van forfaitaire berekening en de door de Commissie dienaangaande opgestelde richtsnoeren, verwijs ik naar de punten 76 en volgende van mijn conclusie van 24 maart 1998 in de zaak Verenigd Koninkrijk/Commissie (C-209/96).]
Schending van artikel 190 EG-Verdrag?
76 Verzoeker betoogt tot slot, dat de beschikking van de Commissie moet worden nietig verklaard, omdat zij in strijd is met artikel 190 van het Verdrag. Zij zou onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat niet duidelijk blijkt, op welke grond is besloten de desbetreffende uitgaven niet te erkennen. In dit verband zij verwezen naar de rechtspraak van het Hof, volgens welke beschikkingen betreffende de goedkeuring van rekeningen geen gedetailleerde motivering behoeven, omdat de desbetreffende lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding van de beschikking en dus bekend was met de reden waarom de Commissie meende de litigieuze bijdragen niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen.(44) In casu blijkt de motivering van de afwijzende beschikking van de Commissie uit de beide syntheseverslagen. Bovendien heeft de Commissie verzoeker reeds na haar controles in 1992 van haar punten van kritiek in kennis gesteld. Denemarken was derhalve genformeerd over de redenen voor de weigering van de vergoeding van de kosten.
77 Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat de door verzoeker tegen de beschikking van de Commissie aangevoerde argumenten ongegrond zijn.
Kosten
78 Volgens artikel 69, lid 2, eerste volzin, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
D - Conclusie
79 Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1) het beroep te verwerpen;
2) het Koninkrijk Denemarken in de kosten te verwijzen.
(1) - Het betreft hier het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw.
(2) - Deze problematiek staat, althans voor een deel, ook centraal in de zaken Verenigd Koninkrijk/Commissie (C-209/96, Jurispr. 1998, blz. I-5655), Frankrijk/Commissie (C-232/96, Jurispr. 1998, blz. I-5699), Ierland/Commissie (C-238/96, Jurispr. 1998, blz. I-5801), en Italië/Commissie (C-242/96, Jurispr. 1998, blz. I-5863).
(3) - De dienovereenkomstige regeling is opgenomen in artikel 11, lid 3, van verordening (EEG) nr. 859/89 van de Commissie van 29 maart 1989 betreffende de wijze van toepassing van de interventiemaatregelen in de sector rundvlees (PB L 91, blz. 5).
(4) - Artikel 13, lid 4, van verordening nr. 859/89.
(5) - Vierde overweging van de considerans en artikel 5 van verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148, blz. 24).
(6) - Aangehaald in voetnoot 3.
(7) - Derde overweging van de considerans en artikelen 7 e.v. van verordening nr. 859/89.
(8) - Tweede overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 571/89 van de Raad van 2 maart 1989 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1302/73 en tot verlenging van verordening (EEG) nr. 4132/88 (PB L 61, blz. 43).
(9) - Beschikking 96/311/EG van de Commissie van 10 april 1996 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de lidstaten voor het begrotingsjaar 1992 hebben ingediend in verband met de door het Europees Orintatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven alsook voor bepaalde uitgaven voor het begrotingsjaar 1993 (PB L 117, blz. 19).
(10) - Document VI/320/94 en document VI/6355/95.
(11) - Cursivering van mij.
(12) - Cursivering van mij.
(13) - PB L 225, blz. 4.
(14) - Ingesteld bij beschikking 94/442/EG van de Commissie van 1 juli 1994 inzake de instelling van een bemiddelingsprocedure in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie (PB L 182, blz. 45).
(15) - Zie voetnoot 9.
(16) - Arrest van 10 november 1993, Nederland/Commissie (C-48/91, Jurispr. blz. I-5611, punten 13 en 14), met verdere verwijzingen.
(17) - Arrest Nederland/Commissie (aangehaald in voetnoot 16, punt 18) met verdere verwijzingen; arresten van 19 februari 1991, Italië/Commissie (C-281/89, Jurispr. blz. I-347, punt 19), met verdere verwijzingen; 24 maart 1988, Verenigd Koninkrijk/Commissie (347/85, Jurispr. blz. 1749, punt 16), en 6 oktober 1993, Italië/Commissie (C-55/91, Jurispr. blz. I-4813, punt 13), met verdere verwijzingen.
(18) - Arrest van 27 januari 1988, Denemarken/Commissie (349/85, Jurispr. blz. 169, punt 16).
(19) - Arresten van 3 december 1992, Contarini (C-283/91, Jurispr. blz. I-6359, punt 14), en 29 februari 1996, Frankrijk en Ierland/Commissie (C-296/93 en C-307/93, Jurispr. blz. I-795, punt 21).
(20) - Verordening van de Commissie van 1 augustus 1990 tot wijziging van verordening nr. 859/89 (PB L 204, blz. 45).
(21) - Dit onderscheid treft men ook aan in de Engelse versie, waar van "interested parties" en "tenderer" wordt gesproken.
(22) - Verordening van de Commissie van 15 mei 1990 tot wijziging van verordening nr. 859/89 (PB L 126, blz. 31).
(23) - Verordening van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94, blz. 13).
(24) - Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 729/70 bepaalt: "Op grond van artikel 1, lid 2, sub b, worden gefinancierd de interventies ter regulering van de landbouwmarkten, waartoe volgens de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten wordt overgegaan."
(25) - Arrest van 7 februari 1979, Nederland/Commissie (11/76, Jurispr. blz. 245, punten 8 en 9).
(26) - Arrest Nederland/Commissie (aangehaald in voetnoot 16, punt 11).
(27) - Zevende overweging van de considerans van verordening nr. 729/70.
(28) - Arrest Nederland/Commissie (aangehaald in voetnoot 16, punt 11); arresten van 9 oktober 1990, Frankrijk/Commissie (C-366/88, Jurispr. blz. I-3571, punt 20); 12 juni 1990, Duitsland/Commissie (C-8/88, Jurispr. blz. I-2321, punt 17), en 6 mei 1982, BayWa (146/81, 192/81 en 193/81, Jurispr. blz. 1503, punt 26).
(29) - Arrest van 2 juni 1994, Exportslachterijen van Oordegem (C-2/93, Jurispr. blz. I-2283, punten 17 en 18).
(30) - Artikel 10 van verordening nr. 859/89.
(31) - Derde overweging van de considerans van verordening nr. 859/89.
(32) - Derde overweging van de considerans van verordening nr. 2456/93.
(33) - Derde overweging van de considerans en artikel 11, lid 3, tweede alinea.
(34) - Arrest Nederland/Commissie (aangehaald in voetnoot 16, punt 14), met verdere verwijzingen.
(35) - Arresten Nederland/Commissie (aangehaald in voetnoot 16, punt 16) en Verenigd Koninkrijk/Commissie (aangehaald in voetnoot 17, punt 14).
(36) - Arresten van 4 juli 1996, Griekenland/Commissie (C-50/94, Jurispr. blz. I-3331, punt 26), en 7 februari 1979, Frankrijk/Commissie (15/76 en 16/76, Jurispr. blz. 321, punten 32 e.v.), en arrest Verenigd Koninkrijk/Commissie (aangehaald in voetnoot 17, punt 13).
(37) - Arrest Nederland/Commissie (aangehaald in voetnoot 16, punt 17).
(38) - PB L 77, blz. 1.
(39) - Tweede overweging van de considerans van verordening nr. 571/89 (aangehaald in voetnoot 8).
(40) - Arrest van 25 februari 1988, Nederland/Commissie (327/85, Jurispr. blz. 1065, punt 25).
(41) - Arrest van 14 september 1995, Ierland/Commissie (C-49/94, Jurispr. blz. I-2683, punt 22).
(42) - Zie punten 55-73.
(43) - Arrest Verenigd Koninkrijk/Commissie (aangehaald in voetnoot 17, punten 14 en 15).
(44) - Arrest Verenigd Koninkrijk/Commissie (aangehaald in voetnoot 17, punt 60).
Full & Egal Universal Law Academy