Conclusie van de advocaat generaal
1 Met deze hogere voorziening verzoekt het Europees Parlement (hierna: "Parlement") het Hof om vernietiging van het arrest waarbij het Gerecht het beroep van E. Gutiérrez de Quijano y Lloréns gegrond heeft verklaard, voor zover het strekte tot nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 10 januari 1994, de klacht van Gutiérrez de Quijano y Lloréns tegen de afwijzing van zijn sollicitatie naar een vacante post van tolk af te wijzen (hierna: "bestreden arrest").(1)
2 Het Parlement baseert zijn hogere voorziening in hoofdzaak op een middel ontleend aan schending van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, bepalende dat in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen. Het Gerecht zou het besluit van het Parlement immers nietig hebben verklaard op grond van een middel dat door verzoeker nooit was opgeworpen, niet in het stadium van de klacht, en niet in het stadium van de schriftelijke behandeling voor het Gerecht.
De feiten
3 Blijkens het bestreden arrest is Gutiérrez de Quijano y Lloréns, die op 6 januari 1986 als Spaanstalige tolk in dienst van het Parlement was getreden, op 1 januari 1990 overgegaan naar het Hof van Justitie.
4 Reeds op 4 juli 1991 gaf hij te kennen, dat hij wenste te worden herplaatst in de post die hij vóór zijn overgang bij het Parlement had bekleed, en zond hij verschillende brieven in die zin aan de bevoegde diensten van het Parlement. Ondanks zijn aandringen, ontving Gutiérrez de Quijano y Lloréns op dat verzoek pas een schriftelijk antwoord, toen hem op 30 juli 1992 bij brief van het directoraat-generaal Administratie van het Parlement werd meegedeeld, dat in de posten van tolk bij deze instelling werd voorzien volgens de "talencombinaties", en dat niet werd overwogen personeelsleden aan te werven met een "talenpakket" als het zijne.
5 Op 26 november 1992 publiceerde het Parlement aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA(2) voor de aanwerving van Spaanstalige tolken (hierna: "aankondiging van vergelijkend onderzoek"). Van mening dat de in die aankondiging bedoelde post identiek was aan die welke hij sedert zeven jaar had bekleed, en dat hij zelfs over betere taalkundige kwalificaties beschikte dan die welke daarin werden gevraagd, herinnerde Gutiérrez de Quijano y Lloréns bij brief van 11 januari 1993 het hoofd van de afdeling Personeel van het Parlement eraan, dat volgens artikel 29 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") de procedure van vergelijkend onderzoek moet worden voorafgegaan door een procedure van overgang, en herhaalde hij formeel zijn verzoek om herplaatsing in deze instelling.
6 Op 15 maart 1993 publiceerde het Parlement kennisgeving van vacature nr. 7281 betreffende post nr. VI/LA/2759, te vervullen bij wege van overplaatsing, overeenkomstig artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut, voor een Spaanstalige tolk (hierna: "kennisgeving van vacature"). Op dezelfde dag publiceerde het Parlement ook kennisgeving van vacature nr. PE/LA/91 betreffende dezelfde post nr. VI/LA/2759, te vervullen bij wege van overgang uit andere gemeenschapsinstellingen, overeenkomstig artikel 29, lid 1, sub c, van het Statuut (hierna: "kennisgeving van overgang").
7 Deze twee kennisgevingen waren identiek, wat de aard van de functie en de van de kandidaten geëiste kwalificaties en kennis betreft.
8 Onder deze laatste werden genoemd de "bekwaamheid in te staan voor bepaalde coördinatietaken" en de "bijzondere kennis van de problemen binnen de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschappen", welke voorwaarden niet voorkwamen in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, ofschoon die gericht was op het aanwerven van ambtenaren voor dezelfde functies als bedoeld in de vorige twee kennisgevingen.
9 Op 22 maart 1993 solliciteerde Gutiérrez de Quijano y Lloréns naar de in de kennisgeving van overgang bedoelde post. Dat verzoek werd bij brief van het Parlement van 16 augustus 1993 afgewezen, wegens het feit dat de vroegere hiërarchieke meerderen van Gutiérrez de Quijano y Lloréns zich niet voor zijn overgang hadden kunnen uitspreken, aangezien hij, gedurende de periode waarin hij in dienst was bij het Parlement, enerzijds op gespannen voet stond met zijn hiërarchieke meerderen en verschillende van zijn collega's, en anderzijds herhaaldelijk tot de orde moest worden geroepen.
10 In zijn krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht tegen dat besluit tot afwijzing van zijn verzoek tot overgang, weerlegde Gutiérrez de Quijano y Lloréns deze motivering als zijnde ongegrond, onvoldoende steekhoudend en statutair ongeldig, en betoogde hij, dat de kennisgeving van overgang het rechtskader was, dat het Parlement zich had gesteld, zodat de afwijzing van zijn verzoek tot overgang slechts had kunnen worden gemotiveerd door het ontbreken van de vereiste kwalificatie.
11 Deze klacht werd op 10 januari 1994 ook afgewezen op de dubbele grond, dat het tot aanstelling bevoegd gezag op het gebied van benoemingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, waaraan slechts bij kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid afbreuk kan worden gedaan, en dat, overeenkomstig het arrest van het Hof van 24 juni 1969, Fux/Commissie(3), het tot aanstelling bevoegd gezag niet verplicht is in een vacante post te voorzien, vooral wanneer er, zoals in het onderhavige geval, slechts een enkele sollicitant is en het tot aanstelling bevoegd gezag dus geen kans tot vergelijken en geen keuze heeft.
12 Tegen dit laatste besluit tot afwijzing stelde Gutiérrez de Quijano y Lloréns beroep tot nietigverklaring in bij het Gerecht.
Het arrest van het Gerecht
13 Ik zal van het bestreden arrest slechts de elementen in overweging nemen, die relevant zijn voor deze hogere voorziening.
14 Tot staving van zijn beroep voor het Gerecht, beriep Gutiérrez de Quijano y Lloréns zich op schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut, dat bepaalt:
"1. Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag:
a) de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling,
b) de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling,
c) de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen,
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.
Tot vergelijkend onderzoek kan eveneens worden overgegaan voor het vormen van een reserve ter vervulling van vacatures."
15 Gutiérrez de Quijano y Lloréns betoogde, dat het Parlement, door de aankondiging van vergelijkend onderzoek vóór de kennisgeving van overgang te publiceren, zich niet had gehouden aan de in die bepaling vastgestelde rangorde, die het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen te onderzoeken, alvorens tot een extern vergelijkend onderzoek over te gaan. Het Parlement voerde daarentegen aan, dat het feit dat de publicatie van de aankondiging van vergelijkend onderzoek voorafging aan die van de kennisgeving van overgang, in de onderhavige zaak geen schending van artikel 29 van het Statuut opleverde.
16 In punt 42 van het bestreden arrest overwoog het Gerecht allereerst, dat het feit dat de publicatie van de aankondiging van vergelijkend onderzoek voorafging aan die van de kennisgeving van overgang "(...) niet automatisch een schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut kan opleveren, aangezien, zoals het Parlement betoogt, de in het kader van [het] vergelijkend onderzoek (...) ingediende sollicitaties slechts in aanmerking zijn genomen, nadat het onderzoek van het in het kader van [de] kennisgeving van overgang (...) ingediende sollicitaties was beëindigd".
17 In punt 43 van het bestreden arrest herinnerde het er echter aan, dat uit de rechtspraak van het Hof en het Gerecht in ieder geval blijkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, wanneer het - zoals in het onderhavige geval - besluit, van de ene fase van de aanwervingsprocedure over te gaan tot een volgende fase, overeenkomstig de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde, het dit moet doen binnen het juridisch kader dat het zichzelf met de kennisgeving van vacature heeft gesteld, "(...) door ervoor te zorgen dat de in die kennisgeving genoemde voorwaarden worden overgenomen in de kennisgevingen betreffende de latere fasen en met name, zoals in het onderhavige geval, in de aankondiging van vergelijkend onderzoek (...)".(4)
18 In de onderhavige zaak wees het Gerecht, in de punten 44 en 45 van het bestreden arrest, er evenwel op, dat uit de vergelijking van de betrokken kennisgevingen blijkt, dat de door de rechtspraak vereiste strikte overeenstemming ontbreekt.(5) Het verwierp in dat verband de argumenten die het Parlement, in antwoord op een in punt 39 van het bestreden arrest vermelde schriftelijke vraag, had aangevoerd als verklaring voor het feit, dat het in de kennisgeving van overgang twee voorwaarden had opgenomen, die niet in de aankondiging van vergelijkend onderzoek voorkwamen.
19 Uit de analyse van de betrokken aanvullende voorwaarden concludeerde het in punt 46 van het bestreden arrest, dat de kennisgeving van overgang strengere voorwaarden voor deelneming aan de aanwervingsprocedure stelde dan de aankondiging van vergelijkend onderzoek.
20 Het Gerecht was, in punt 46 van het bestreden arrest, van oordeel, dat "(...) het tot aanstelling bevoegd gezag niet meer binnen het kader [kon] blijven dat het zich aanvankelijk had gesteld toen het, ondanks de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde, [de] aankondiging van vergelijkend onderzoek (...) publiceerde vóór [de] interne kennisgeving van vacature (...) en [de] kennisgeving van overgang (...), en evenmin binnen het kader dat het zich later door de publicatie van die twee kennisgevingen had gesteld. Voor zover die kennisgevingen en aankondiging betrekking hadden op dezelfde post, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag belet, dat zij de essentiële rol vervullen die hun volgens artikel 29, lid 1, van het Statuut in het kader van de aanwervingsprocedure toekomt, namelijk de belanghebbenden zo nauwkeurig mogelijk te informeren over de aard van de voorwaarden om in de betrokken post te worden aangesteld (...)."
21 In die omstandigheden verwierp het Gerecht, in punt 48 van het arrest, het betoog van het Parlement, dat het, ondanks het feit dat de publicatie van de aankondiging van vergelijkend onderzoek voorafging aan die van de kennisgeving van overgang, in werkelijkheid de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde in acht had genomen, door de op grond van de aankondiging van vergelijkend onderzoek ingediende sollicitaties pas te onderzoeken nadat het onderzoek van de in het kader van de kennisgeving van overgang ingediende sollicitaties was beëindigd, "(...) aangezien de voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek waren versoepeld in vergelijking met die van de kennisgeving van overgang, en verzoekers sollicitatie bijgevolg is onderzocht op grond van een kennisgeving van overgang die strengere voorwaarden stelde dan de aankondiging van vergelijkend onderzoek".
22 In punt 49 van het arrest leidde het Gerecht daaruit af, "(...) dat de afwijzing van verzoekers sollicitatie (...) in onregelmatige omstandigheden was geschied, en een schending vormde van artikel 29, lid 1, van het Statuut, dat (...) meebrengt dat de voorwaarden in de aan de verschillende fasen van de aanwervingsprocedure beantwoordende kennisgevingen dezelfde moeten zijn".
23 Het wees het beroep van Gutiérrez de Quijano y Lloréns dus toe, en verklaarde in punt 51 van het arrest voor recht: "In die omstandigheden moet het besluit van het Europees Parlement van 10 januari 1994 houdende afwijzing van verzoekers klacht tegen de afwijzing van zijn sollicitatie naar de in [de] kennisgeving [van overgang] bedoelde vacature, nietig worden verklaard, zonder dat het nodig is de andere door verzoeker aangevoerde middelen te onderzoeken of tot de door hem gevraagde maatregelen van instructie over te gaan."
De hogere voorziening
De bevoegdheid van het Gerecht om een "middel" op te werpen
24 Tot staving van zijn hogere voorziening betoogt het Parlement, dat het Gerecht uitspraak heeft gedaan in strijd met artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (hierna: "artikel 48, lid 2"), dat bepaalt:
"Nieuwe middelen mogen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken."(6)
25 Rekwirant betoogt, dat het Gerecht, door het besluit van het Parlement nietig te verklaren wegens gebrek aan overeenstemming tussen de tekst van de kennisgeving van overgang en die van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, terwijl dat middel door Gutiérrez de Quijano y Lloréns nooit was opgeworpen, eigener beweging, door het Parlement een aantal vragen te stellen, in de loop van het geding een nieuw middel heeft voorgedragen.
26 Die gestelde schending van artikel 48, lid 2, door het Gerecht, kan niet worden aanvaard.
27 Deze bepaling, die deel uitmaakt van titel II, hoofdstuk I, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, behoort tot de regels die de schriftelijke behandeling voor die rechterlijke instantie beheersen. Het daarin neergelegde verbod om nieuwe middelen voor te dragen, kan slechts worden gelezen als gericht tot de partijen, zonder dat het het Gerecht zou kunnen betreffen.
28 Het volstaat immers erop te wijzen, dat middelen, per definitie, enkel door de partijen bij het geding kunnen worden aangevoerd. Zij zijn de juridische vorm waarin hun aanspraken worden gegoten, om ze aan een rechterlijke instantie voor te leggen. Zo hebben de teksten betreffende de procedure voor het Hof of het Gerecht, wanneer zij over middelen handelen, noodzakelijk betrekking op het aanvoeren ervan door de partijen. Het inleidend verzoekschrift moet met name een "summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen" bevatten.(7)
29 Op dezelfde wijze kunnen nieuwe middelen, die, behoudens uitzondering, in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, enkel door de partijen worden aangevoerd, zoals niet alleen door de letter, maar ook door de ratio legis van dat verbod wordt bevestigd.
30 Artikel 48 in zijn geheel verwijst naar de partijen. Lid 1 van die bepaling luidt: "Partijen kunnen nog in de repliek en in de dupliek aanbieden hun stellingen nader te bewijzen. De vertraging waarmee zodanig bewijsaanbod geschiedt, dient te worden gemotiveerd."(8) De tweede alinea van lid 2 is nog duidelijker, en bepaalt: "Indien een partij tijdens de behandeling een nieuw middel voordraagt, als in de voorgaande alinea bedoeld, kan de president na het verstrijken van de normale procestermijnen (...) aan de wederpartij een termijn voor antwoord stellen."(9)
31 Wat de bestaansreden van dat verbod betreft, gaat het er in de regel om, de partijen voor te schrijven zich te houden aan het in het inleidend verzoekschrift omlijnde kader. Dit bepaalt het voorwerp van het geschil, dat, onder meer op gevaar af van de rechten van de verdediging te schenden, in de loop van het geding niet kan worden gewijzigd door het aanvoeren van nieuwe middelen. Overigens doelt artikel 48, lid 2, wanneer het in bijzondere gevallen toestaat, in de loop van het geding nieuwe middelen voor te dragen, op nieuwe middelen, feitelijk of rechtens, die ertoe bijdragen om de in het inleidend verzoekschrift geformuleerde vordering te staven. Zo overwoog het Hof, met betrekking tot artikel 42, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering, dat in dezelfde bewoordingen als de litigieuze tekst is gesteld: "Ingevolge deze bepaling is het een verzoeker in bijzondere gevallen (...) toegestaan, nieuwe middelen aan te voeren ter staving van de conclusies van het inleidend verzoekschrift. De bepaling beoogt echter niet, de verzoeker in staat te stellen nieuwe conclusies in te dienen (...)."(10)
32 Door de hem toevertrouwde opdracht recht te spreken, bevindt de rechter zich noodzakelijk in een positie van derde ten aanzien van het aan hem onderworpen geschil.
De motivering van een vonnis kan vanzelfsprekend niet als een nieuw middel, in de zin van artikel 48, lid 2, worden aangemerkt.
33 Ik concludeer daaruit, dat rekwirant zich niet op schending, door het Gerecht, van artikel 48, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering kan beroepen door te stellen, dat het Gerecht zelf in de loop van het geding een nieuw middel heeft opgeworpen.
34 Het voorwerp van de hogere voorziening zou echter, ondanks zijn formulering, anders kunnen worden begrepen. Waar het Parlement het Gerecht verwijt, zich te hebben gebaseerd op de overweging, dat de kennisgeving van overgang en de aankondiging van vergelijkend onderzoek niet overeenstemden, terwijl verzoeker deze overweging niet had laten gelden, zou het kunnen bedoelen, dat het Gerecht zich moet houden aan het zeer strikte kader dat partijen hebben omlijnd.(11)
35 Het is duidelijk, dat de rechter slechts over de vordering van de partijen uitspraak moet doen. Zoals gezegd, staat het aan deze laatsten, het kader van hun geschil te omlijnen, en kan de rechter in beginsel geen uitspraak doen die verder gaat dan de voor hem gebrachte aanspraken, en natuurlijk ook niet oordelen zonder rekening te houden met het geschil, zoals het in het inleidend verzoekschrift is omlijnd.
36 De rol van de rechter is evenwel niet passief, en hij kan niet worden gelast, slechts "de mond van partijen" te zijn. Zijn taak van juris dictio veronderstelt, dat hij in staat is de voor de oplossing van het geschil relevante rechtsregels toe te passen op de feiten die hem door de partijen worden voorgelegd. Hij moet zich niet beperken tot de argumenten die de partijen tot staving van hun aanspraken hebben aangevoerd. Anders zou hij zich in voorkomend geval gedwongen zien, zijn beslissing op onjuiste juridische overwegingen te baseren.
37 Daarom bieden de procedureregels de rechter de mogelijkheid, weliswaar binnen de perken van het hem voorgelegde geschil, op verschillende wijzen de best mogelijke oplossing te zoeken.
38 Zo kan de rechter, in bepaalde omstandigheden, ambtshalve een middel opwerpen, dat door een partij niet zou zijn aangevoerd.
Het lijdt bijvoorbeeld geen twijfel, dat het Hof (of het Gerecht), zelfs wanneer er geen betwisting is, ambtshalve zijn onbevoegdheid zou moeten opwerpen, indien het ingestelde beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht (of van het Hof) zou behoren.(12) Het Hof is ook van oordeel, dat het ambtshalve dient te toetsen of aan de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep is voldaan, zelfs indien de verweerder geen middel van niet-ontvankelijkheid heeft voorgedragen.(13)
39 Anders dan het Parlement(14), ben ik echter van mening, dat de wijze waarop het Gerecht in de onderhavige zaak is tewerk gegaan, moet worden gezien in het licht van die mogelijkheid om ambtshalve een middel op te werpen. De vaststelling van het gebrek aan overeenstemming tussen de voorwaarden van de kennisgeving en die van de aankondiging, kan niet met een middel worden gelijkgesteld. Zoals blijkt uit het bestreden arrest, gaat het veeleer om een argument tot staving van een door verzoeker aangevoerd middel, namelijk schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut.(15)
Het Gerecht heeft immers enkel bij het onderzoek van het middel ontleend aan schending van die bepaling, de overeenstemming tussen de door de kennisgeving en de aankondiging gestelde voorwaarden bestudeerd.
Het heeft dus geenszins ambtshalve een "middel" ontleend aan het gebrek aan overeenstemming tussen de kennisgeving en de aankondiging opgeworpen.
40 Op dezelfde wijze kan de rechter bepaalde maatregelen van instructie bevelen.(16) Die bevoegdheid is hier echter niet in het geding.
41 Ten slotte kan het Gerecht niet worden verweten, dat het partijen vragen heeft gesteld, aangezien het gaat om een van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, die het Gerecht uit hoofde van artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering ter beschikking staan. Dergelijke maatregelen hebben, volgens lid 1 van dat artikel, tot doel "(...) het voldingen van de zaken, het procesverloop en de afdoening van de geschillen zoveel mogelijk te bespoedigen". Ook kan het Hof, volgens artikel 29 van zijn Statuut-EG, van toepassing op het Gerecht krachtens artikel 46, lid 1, van dat Statuut(17): "Tijdens de mondelinge behandeling (...) de partijen zelf (...) horen (...)."
42 Het is daarentegen niet uitgesloten, dat eventueel aan het Gerecht had kunnen worden verweten, dat het in het kader van het middel ontleend aan schending van artikel 29 van het Statuut, de vraag van het gebrek aan overeenstemming tussen de kennisgeving en de aankondiging heeft onderzocht, zonder dat partijen zich daarover hebben uitgesproken. Door via zijn vragen een standpuntbepaling van het Parlement uit te lokken, heeft het Gerecht de inachtneming verzekerd van het beginsel van hoor en wederhoor, waarvan hem schending had kunnen worden verweten.
43 Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat het Gerecht niet kan worden verweten, dat het uitspraak heeft gedaan in strijd met artikel 48, lid 2, en evenmin, dat het de toepasselijke procedureregels heeft geschonden door zijn redenering te baseren op de antwoorden op de vragen die het in het kader van het onderzoek van de aangevoerde nietigheidsgrond aan partijen had gesteld.
Het ontbreken van een bezwarend besluit en het gebrek aan procesbelang
44 In zijn hogere voorziening(18) betoogt het Parlement bovendien, dat, voor het geval dat het middel ontleend aan schending van artikel 48, lid 2, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, het door het Gerecht naar voren gebrachte argument ontleend aan het gebrek aan overeenstemming tussen de kennisgeving en de aankondiging, niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens ontbreken van een bezwarend besluit en gebrek aan procesbelang. Het Parlement is immers van mening, dat aangezien Gutiérrez de Quijano y Lloréns niet aan vergelijkend onderzoek nr. PE/161/LA heeft deelgenomen, de tekst van de aankondiging van dat vergelijkend onderzoek niet kan worden geacht hem te hebben bezwaard. Bovendien zou het feit dat hij niet aan het vergelijkend onderzoek heeft deelgenomen, ook zijn gebrek aan procesbelang aantonen.
45 Allereerst zij erop gewezen, wat het ontbreken van een bezwarend besluit betreft, dat het door Gutiérrez de Quijano y Lloréns voor het Gerecht bestreden besluit niet de aankondiging van vergelijkend onderzoek was, maar het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie naar de in de kennisgeving van overgang bedoelde post. Het vereiste van een bezwarend besluit moest dus enkel met betrekking tot deze laatste kennisgeving worden beoordeeld.
46 Bovendien zij eraan herinnerd, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, dat aangezien "(...) verzoekers sollicitatie is onderzocht op grond van een kennisgeving van overgang die strengere voorwaarden stelde dan de aankondiging van vergelijkend onderzoek"(19), "(...) de afwijzing van verzoekers sollicitatie (...) in onregelmatige omstandigheden is geschied, en een schending vormde van artikel 29, lid 1, van het Statuut, dat, volgens de desbetreffende rechtspraak, meebrengt dat de voorwaarden in de aan de verschillende fasen van de aanwervingsprocedure beantwoordende kennisgevingen dezelfde moeten zijn".(20) Zo zou het niet dienstig zijn te stellen, dat de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek Gutiérrez de Quijano y Lloréns niet bezwaart, terwijl juist wegens het feit dat die tekst niet overeenstemde met die van de kennisgeving van overgang, de afwijzing van de sollicitatie werd geacht in onregelmatige omstandigheden te zijn geschied.
47 Evenmin te aanvaarden is het argument van het Parlement, dat het feit dat Gutiérrez de Quijano y Lloréns niet aan het vergelijkend onderzoek heeft deelgenomen, zijn gebrek aan procesbelang bewijst. Zoals het Gerecht immers in punt 41 van het bestreden arrest in herinnering brengt, "[verplicht] artikel 29, lid 1, van het Statuut het tot aanstelling bevoegd gezag (...) eerst de mogelijkheden tot bevordering en overplaatsing binnen de instelling te onderzoeken, alvorens over te gaan tot een van de volgende fasen, te weten, in die volgorde, het onderzoeken van de mogelijkheid van het organiseren van een intern vergelijkend onderzoek, het in aanmerking nemen van de verzoeken tot overgang uit een andere instelling en, in voorkomend geval, het organiseren van een algemeen vergelijkend onderzoek (...)". Daaruit volgt, dat het Parlement van een sollicitant naar een bij wege van overgang te vervullen post niet kan verlangen, dat hij slaagt voor een vergelijkend onderzoek, waarvan de resultaten slechts in aanmerking zouden worden genomen nadat het onderzoek van de in het kader van de kennisgeving van overgang ingediende sollicitaties is beëindigd, terwijl op de uiterste datum voor deelneming aan het vergelijkend onderzoek (in de onderhavige zaak 25 januari 1993), voorafgaande aan de datum van publicatie van de kennisgeving van overgang (in de onderhavige zaak 15 maart 1993), het bestaan van deze kennisgeving van overgang nog niet bekend was.
De verschillen tussen de kennisgeving van overgang en de aankondiging van vergelijkend onderzoek
48 Ten slotte herhaalt het Parlement(21), voor het geval dat het Hof van oordeel zou zijn, dat "het door het Gerecht aangevoerde middel toelaatbaar is", en dat er geen ontvankelijkheidsprobleem in verband met het ontbreken van een bezwarend besluit of een gebrek aan procesbelang is, onder verwijzing naar een bijlage bij de hogere voorziening, het voor het Gerecht gehouden betoog, dat de zuiver redactionele verschillen tussen de tekst van de kennisgeving van overgang en die van de aankondiging van vergelijkend onderzoek geen enkele rol hebben gespeeld bij het onderzoek van de sollicitatie van Gutiérrez de Quijano y Lloréns.
49 Volgens 's Hofs vaste rechtspraak kan een dergelijk betoog, dat slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt of letterlijk overneemt, niet worden aanvaard, aangezien het immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij die rechterlijke instantie ingediende verzoek beoogt, iets waartoe het Hof op grond van artikel 49 van zijn Statuut-EG niet bevoegd is.(22)
50 Gelet op het voorgaande ben ik van mening, dat de hogere voorziening dus moet worden afgewezen.
51 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Conclusie
52 Om de voorgaande redenen geef ik het Hof in overweging:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) het Europees Parlement in de kosten te verwijzen.
(1) - Arrest van 22 mei 1996, Gutiérrez de Quijano y Lloréns/Parlement (T-140/94, JurAmbt. blz. II-689).
(2) - PB C 308 A, blz. 8.
(3) - 26/68, Jurispr. blz. 145.
(4) - Het Gerecht verwees in dit verband naar het arrest van het Hof van 28 februari 1989, Van der Stijl en Cullington/Commissie (341/85, 251/86, 258/86, 259/86, 262/86, 266/86, 222/87 en 232/87, Jurispr. blz. 511, punt 52), bepalende: "Iedere andere uitlegging zou leiden tot uitholling van artikel 29 van het Statuut, dat de instellingen verplicht de mogelijkheid van interne aanwerving te onderzoeken alvorens een algemeen vergelijkend onderzoek te organiseren. Zouden de instellingen de toelatingsvoorwaarden van de ene tot de andere fase van de procedure kunnen wijzigen, met name door ze te verzachten, dan zouden zij in feite de vrije hand hebben om externe-aanwervingsprocedures te organiseren zonder interne sollicitaties te moeten onderzoeken."
(5) - Voor de verschillen tussen de betrokken kennisgevingen, zie punt 8 van de onderhavige conclusie.
(6) - Deze tekst is identiek aan artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
(7) - Artikel 19 van 's Hofs Statuut-EG en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
(8) - Cursivering van mij.
(9) - Cursivering van mij.
(10) - Arrest van 18 oktober 1979, Gema/Commissie (125/78, Jurispr. blz. 3173, punt 26, cursivering van mij).
(11) - In die zin zou de wezenlijk verschillende benadering kunnen worden begrepen, die het Parlement in zijn repliek heeft gevolgd, vergeleken met die in zijn hogere voorziening.
(12) - Krachtens artikel 47, lid 2, van 's Hofs Statuut-EG.
(13) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, Jurispr. blz. 1339, punt 19).
(14) - Met name in de punten 16-18 van zijn repliek.
(15) - Zie, onder de recentste arresten, dat van 29 mei 1997, De Rijk/Commissie (C-153/96 P, Jurispr. blz. I-2901, punt 19), waarin het Hof een zorgvuldig onderscheid maakt tussen het begrip middel en het begrip argument, en bijvoorbeeld overweegt, dat het aanvoeren van een argument tot staving van een middel dat door het Gerecht reeds is onderzocht, geen nieuw middel vormt.
(16) - Wat het Gerecht betreft, wordt die mogelijkheid geboden door artikel 65 e.v. van zijn Reglement voor de procesvoering.
(17) - Naar luid waarvan "De procedure voor het Gerecht wordt geregeld bij titel III van dit Statuut, met uitzondering van artikel 20."
(18) - Punt 19 e.v. van de hogere voorziening.
(19) - Punt 48 van het arrest.
(20) - Punt 49 van het arrest.
(21) - Punt 28 van de hogere voorziening.
(22) - Zie in die zin, bijvoorbeeld, beschikking van 15 januari 1998, Obst/Commissie (C-403/95 P, Jurispr. blz. I-27, punt 18).
Full & Egal Universal Law Academy