Conclusie van de advocaat generaal
1 Het Tribunale di Genova (Italië) heeft in deze gevoegde zaken twee prejudiciële vragen gesteld over de invloed van het gemeenschapsrecht, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, op bepaalde voorwaarden voor de uitoefening van het recht op terugbetaling van ten onrechte door de Italiaanse overheid geheven belastingen. Concreet gaat het om de terugbetaling van bedragen die bepaalde ondernemingen hebben betaald ter voldoening van een nationale belasting die in strijd is met de communautaire regeling.
De feiten, het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
2 In de zaken C-279/96 en C-281/96 zijn de verzoekende partijen vennootschappen die op grond van de bepalingen van presidentieel decreet nr. 641 van 26 oktober 1972 gedurende verscheidene jaren verschillende bedragen aan de Italiaanse schatkist hebben betaald uit hoofde van de jaarlijkse heffing op de overheidsvergunning voor de inschrijving van de vennootschap in het ondernemingsregister. In zaak C-280/96 is de Italiaanse belastingdienst de verzoekende partij, omdat deze jegens een andere onderneming was veroordeeld tot terugbetaling van die heffingen.
3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van 20 april 1993 in de zaak Ponente Carni en Cispadana Costruzioni(1) (hierna: "arrest Ponente Carni"), waarin verscheidene prejudiciële vragen waren gesteld over de uitlegging van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal(2), heeft de Italiaanse wetgever de jaarlijkse heffing afgeschaft en het bedrag van de heffing voor de eerste inschrijving van vennootschappen in het register verlaagd tot 500 000 LIT.(3)
4 Van hun zijde hebben de Italiaanse rechters eveneens de onverenigbaarheid van de jaarlijkse heffing(4) met het gemeenschapsrecht vastgesteld en daarmee ook het onverschuldigde karakter van de uit hoofde daarvan geheven belastingontvangsten.
5 Na de Italiaanse overheid zonder succes om terugbetaling van de onverschuldigd betaalde heffingen te hebben verzocht, hebben de verzoekende vennootschappen beroep ingesteld bij het Tribunale di Genova, tot veroordeling van het Italiaanse Ministerie van Financiën tot terugbetaling van voornoemde heffingen. In het geval van Marine Insurance Consultants Srl heeft de president van het Tribunale de vordering toegewezen bij beschikking van 21 juli 1995, waartegen de belastingdienst beroep heeft ingesteld.
6 Alvorens definitief uitspraak in deze zaken te doen, heeft het Tribunale di Genova besloten de twee volgende prejudiciële vragen aan het Hof te stellen:
"1) Is met het gemeenschapsrecht verenigbaar een nationale wettelijke regeling die voor de instelling van een actie tot bescherming van een door het gemeenschapsrecht verleend recht een vervaltermijn stelt die aanvangt vóórdat de richtlijn waarbij dat recht is verleend, naar behoren en volledig in nationaal recht is omgezet?
2) Is met het gemeenschapsrecht verenigbaar een regeling tot herstel van de rechten van een rechtssubject van wie is erkend dat zijn recht is geschonden en aan wie teruggaaf van de gevorderde bedragen wordt verleend, wanneer die regeling berekeningsmodaliteiten inhoudt die verschillen van en ongunstiger zijn dan die voor acties tot terugbetaling tussen particulieren, en die in wezen worden vastgesteld bij een handeling van dezelfde overheidsinstantie die door haar in gebreke blijven dat recht heeft geschonden?"
De eerste prejudiciële vraag
7 Gelet op de overeenkomst tussen deze prejudiciële vraag en die welke het Tribunale civile di Genova gesteld heeft in de zaak Edis (C-231/96), waarin ik vandaag eveneens conclusie neem, had ik kunnen volstaan met een eenvoudige verwijzing naar de tekst van andere conclusies. Maar omdat de zaken niet zijn gevoegd en het gaat om verschillende verwijzende rechters en verschillende partijen in het hoofdgeding, heb ik er de voorkeur aan gegeven, tenminste de identieke basisoverwegingen in beide zaken te herhalen, met eventuele toevoeging van een speciale vermelding of onder verwijzing naar de conclusie in de zaak Edis op sommige punten, die ook voor de onderhavige zaak opgaan.
8 De verwijzende rechter vraagt, of een nationale regeling die ter zake van vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen de dag van betaling aanmerkt als ingangsdatum van de driejarige vervaltermijn, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, wanneer de toepasselijke communautaire richtlijn op die dag nog niet correct was omgezet in nationaal recht.
9 De door de verzoekende ondernemingen, de Commissie en de verschillende lidstaten ingediende schriftelijke opmerkingen draaiden om de invloed van het arrest van het Hof van 25 juli 1991, Emmott(5), op dit vraagstuk. In dit arrest overwoog het Hof, "dat tot het moment waarop een richtlijn naar behoren is omgezet, een gebrekige lidstaat zich niet kan beroepen op termijnoverschrijding door een particulier die een procedure tegen hem instelt ter bescherming van de rechten die de bepalingen van die richtlijn de particulier toekennen, en dat een in het nationale recht vastgelegde beroepstermijn niet vóór dat tijdstip kan gaan lopen".(6)
10 Wel heeft het Hof de draagwijdte van het arrest Emmott achteraf beperkt door erop te wijzen, dat die uitspraak slechts toepassing kon vinden in dezelfde bijzondere omstandigheden als waarvan in die zaak sprake was. In zijn arresten van 27 oktober 1993, Steenhorst-Neerings(7), en 6 december 1994, Johnson(8), heeft het de toepasselijkheid bevestigd van nationale verjaringstermijnen op aanvragen om sociale uitkeringen, gebaseerd op de toepasselijkheid van bepaalde richtlijnen, ook al waren die richtlijnen nog niet naar behoren omgezet in nationaal recht.
11 Terwijl de onderhavige prejudiciële procedure nog aanhangig was, heeft het Hof uitspraak gedaan in de zaken Haahr Petroleum(9) en Texaco en Olieselskabet Danmark(10). In die uitspraken verwierp het opnieuw de toepasselijkheid van de in het arrest Emmott geformuleerde beginselen. In beide gevallen hadden de Deense douaneautoriteiten een verzoek tot terugbetaling - gebaseerd op schending van artikel 95 EG-Verdrag - afgewezen met een beroep op een nationale bepaling krachtens welke de rechtsvordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen verjaart door het verstrijken van een termijn van vijf jaar vanaf de dag van betaling. Het Hof herhaalde, dat, ook al verhinderde deze bepaling de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de betrokken belastingen, de toepassing ervan op die beide gevallen niet in strijd was met het gemeenschapsrecht.
12 Tot slot heeft het Hof twee maanden vóór de terechtzitting in de onderhavige zaak het arrest van 2 december 1997, Fantask e.a.(11), gewezen, dat in casu van bijzonder groot belang is, omdat de feitelijke en juridische elementen ervan overeenkomen met die van het onderhavige geding. Centraal in dat arrest stond de terugbetaling van onverschuldigd geheven belastingen en het had betrekking op:
- hetzelfde type nationale belastingen als in casu aan de orde is (Deense belasting op de inschrijving van vennootschappen in het vennootschapsregister);
- hetzelfde type onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht (in concreto, richtlijn 69/335) van de nationale bepaling inzake de in geding zijnde belasting;
- hetzelfde onderscheid tussen nationale verval- en verjaringstermijnen (vijf jaar volgens de nationale wettelijke regeling vanaf de datum van opeisbaarheid van de belasting).
13 Evenals in casu had de nationale rechter het Hof in de zaak Fantask e.a., met het oog op de oplossing van een geschil met de hierboven omschreven kenmerken, de vraag gesteld, of "het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat, dat een lidstaat zich tegen vorderingen tot terugbetaling van in strijd met de richtlijn geheven rechten op een nationale verjaringstermijn beroept zolang deze lidstaat de richtlijn niet naar behoren heeft omgezet". De stellingen van de verzoekende vennootschappen en van de Commissie waren eveneens gegrond op de leer van het arrest Emmott, tegen de toepassing waarvan de regeringen die in de onderhavige prejudiciële procedure opmerkingen hebben ingediend, zich verzetten.
14 Het Hof koos opnieuw voor die laatste oplossing en wel op grond van dezelfde redenering als ik hierboven heb weergegeven.
15 In de eerste plaats herinnerde het aan het algemene beginsel, dat het bij ontbreken van een desbetreffende gemeenschapsregeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de procesregels te geven voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, met dien verstande dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden, en dat zij de uitoefening van door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.
16 In de tweede plaats beklemtoonde het Hof - na erop te hebben gewezen, dat het met het gemeenschapsrecht verenigbaar is, dat in het belang van de rechtszekerheid, waarin zowel de contribuabele als de administratie bescherming vindt, redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht - dat dergelijke termijnen niet kunnen worden geacht de uitoefening van door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk te maken, ook al leidt het verstrijken ervan per definitie tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de ingediende vordering. Concreet was de in het Deense recht voorziene termijn van vijf jaar redelijk en gold zij gelijkelijk voor beroepen op grond van het gemeenschapsrecht en beroepen op grond van het nationale recht.
17 In de derde plaats ontkende het Hof wederom de toepasselijkheid op dit type geschil van de leer van het arrest Emmott, waar de oplossing gerechtvaardigd werd door de specifieke omstandigheden van het geval, omdat het verval van recht ertoe leidde, dat de verzoekende partij in het hoofdgeding volledig werd beroofd van de mogelijkheid haar recht op gelijke behandeling krachtens een communautaire richtlijn te doen gelden.
18 Tot slot concludeerde het Hof, dat "het gemeenschapsrecht bij zijn huidige stand niet eraan in de weg staat, dat een lidstaat die de richtlijn niet naar behoren heeft omgezet, zich tegenover vorderingen tot terugbetaling van in strijd met de richtlijn geheven rechten beroept op een nationale verjaringstermijn die ingaat op de datum van de opeisbaarheid van de betrokken rechten, mits die termijn niet ongunstiger is voor beroepen op grond van het gemeenschapsrecht dan voor beroepen op grond van het nationale recht, en hij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt".
19 Gelet op de helderheid van deze leer en de duidelijke overeenkomst tussen de situatie, feitelijk en rechtens, in de zaak Fantask e.a. en de onderhavige zaak, heeft de Commissie ter terechtzitting afstand genomen van haar eerdere standpunt en erkend, dat het vraagstuk in het arrest Fantask e.a. definitief was opgelost. Verzoeksters in de hoofdgedingen daarentegen hebben in het kader van dezelfde procedure(12) getracht, verschillende afwijkende elementen tussen de Deense en de Italiaanse rechtsorde te beklemtonen, waardoor de Fantask-doctrine in casu niet geldig zou kunnen worden toegepast.
20 Mijns inziens is deze poging gedoemd te mislukken. In de eerste plaats is het uitgangspunt ervan onjuist: in plaats van te speuren naar eventuele verschillen tussen de zaak Fantask e.a. en de onderhavige zaak, had de feitelijke overeenkomst moeten worden aangetoond tussen de zaak Emmott en de onderhavige zaak, aangezien de rechtspraak na het arrest Emmott had beklemtoond, dat de oplossing in dat arrest was ingegeven door de specifieke aard van de elementen van die zaak. De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft dienaangaande ter terechtzitting erop gewezen, dat - naast andere omstandigheden - het haar eigen instanties waren, die mevrouw Emmott in die zaak hadden verzocht geen beroep in te stellen. De Italiaanse vennootschappen daarentegen hebben geen enkel beletsel ondervonden bij de uitoefening van hun recht van beroep tegen de betrokken fiscale invorderingen.(13)
21 In de tweede plaats en los van het voorgaande zijn de gestelde verschillen tussen de beide nationale wettelijke regelingen irrelevant voor de gevolgen van het arrest Fantask e.a. voor het onderhavige geval. Of de termijn nu vijf of drie jaar is, of hij in een algemene bepaling is opgenomen dan wel in een specifieke bepaling voor een bepaalde categorie belastingen, of er al dan niet een ommekeer heeft plaatsgevonden in de rechtspraak over de uitlegging van deze bestaande bepaling, van belang is slechts dat het Hof heeft bevestigd, dat de vervaltermijn - van vijf of van drie jaar - die aan op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen tot terugbetaling van belastingen kan worden tegengeworpen, kan ingaan op de dag van betaling van deze belastingen, in plaats van op het moment dat de staat de richtlijn correct in zijn interne recht heeft omgezet.
22 Aan de gegrondheid van deze stelling - die uiteraard onderstelt, dat een gemeenschapsregeling ter zake ontbreekt en dat er een nationale rechtsregel is die op non-discriminerende wijze in een vervaltermijn voorziet - doet niet af, dat na verloop van deze termijn niet langer terugbetaling van de reeds geheven belasting kan worden gevorderd. Dit is nu eenmaal eigen aan een vervaltermijn met dergelijke kenmerken en het berust op het rechtszekerheidsbeginsel, doch het betekent nog niet, dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van het recht op rechterlijke bescherming: gedurende drie jaar na de betaling hebben de belastingplichtigen de mogelijkheid gehad de fiscale invordering te betwisten.
23 Men zou kunnen oordelen, dat deze oplossing weinig bevredigend is voor de belastingplichtigen die een met het gemeenschapsrecht strijdige belasting hebben moeten voldoen. En dat is ook zo. Een mogelijke oplossing, hoewel niet zonder ernstige problemen, zou zijn om ter zake een eenvormige communautaire regeling vast te stellen tot harmonisatie van de verschillende nationale regelingen. Zolang deze regeling er niet is, staat het aan de lidstaten om, volgens de reeds herhaaldelijk genoemde modaliteiten, de voorwaarden te bepalen waaraan de vorderingen tot terugbetaling zijn onderworpen.
24 Weliswaar moeten de lidstaten - en in casu de Italiaanse Republiek - bij de uitoefening van deze bevoegdheid handelen overeenkomstig de eisen van artikel 5 van het Verdrag, en weliswaar valt evenmin te ontkennen dat, volgens de opmerkingen van partijen, het door de Italiaanse autoriteiten ter zake van de terugbetaling van de bestreden heffing gevoerde beleid in sommige opzichten meer belemmeringen voor vorderingen tot terugbetaling lijkt te hebben opgeworpen dan in het licht van deze bepaling redelijk zou kunnen worden geacht(14), doch dit alles neemt niet weg, dat de onderhavige prejudiciële procedure niet kan worden omgezet in een procedure wegens niet-nakoming krachtens artikel 169 van het Verdrag en dat bovendien niet valt te loochenen, dat het officiële optreden van de Italiaanse Republiek in wezen in overeenstemming is met de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen: haar wetgevende organen hebben het onderdeel van de nationale heffing, dat in strijd met het gemeenschapsrecht was, afgeschaft en hebben uitdrukkelijk het recht op terugbetaling van die heffing erkend(15), welk recht door de Italiaanse rechterlijke instanties is gewaarborgd, zij het binnen de beperkingen van de nationale regeling inzake het verval van vorderingen.
De tweede prejudiciële vraag
25 De verwijzende rechter geeft een tamelijk beknopte omschrijving van de nationale bepalingen waarvan hij de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht in zijn tweede prejudiciële vraag aan de orde stelt. Ofschoon in uiterst ruime bewoordingen gesteld, waarin naar alle "berekeningsmodaliteiten" wordt verwezen, heeft deze vraag in feite betrekking op het tweeledige karakter van de nationale bepalingen inzake de inning van moratoire interessen in geval van terugbetaling van onverschuldigd geheven bedragen. Dit volgt uit de motivering van de verwijzingsbeschikking.
26 Bedoelde bepalingen worden in de verwijzingsbeschikking weergegeven als volgt:
- "Volgens de traditionele beginselen ter zake van onverschuldigde betaling ontvangen de schuldeisers wettelijke rente (10 % jaarlijks op grond van de geldende bepalingen) over de erkende schuldbedragen, te rekenen vanaf de instelling van de vordering, wanneer de partij die de betaling heeft ontvangen, te goeder trouw wordt geacht ten tijde van de inning.
- In casu daarentegen is de Avvocatura dello Stato, met een beroep op artikel 3 van besluitwet nr. 307 van 25 maart 1994, geratificeerd bij wet nr. 457 van 22 juli 1994, van mening, dat het rentetarief van 3 % per vervallen halfjaar moet worden toegepast, zoals dit meer in het algemeen voor de teruggaafverplichtingen van de staat geldt.
- Zo men de bepalingen van genoemde besluitwet, die voor het bepalen van de tarieven bovendien naar een nader vast te stellen administratieve maatregel verwijzen, toepasselijk acht, lijdt de persoon die de betaling heeft verricht, extra schade: indien men aanneemt, dat de overheidsinstantie die de betaling heeft ontvangen, te goeder trouw was, zal de betrokkene eerst vanaf de instelling van de vordering in rechte rente ontvangen over de bedragen waarvan hij de teruggaaf heeft weten te bewerkstelligen, welke rente bovendien aanmerkelijk zal worden verlaagd door dezelfde overheidsinstantie die haar verplichting heeft verzuimd om de communautaire richtlijn om te zetten."
27 Aldus geformuleerd werpt de vraag twee problemen op:
a) moet verenigbaar met het gemeenschapsrecht worden geacht een nationale regeling die de inning van moratoire interessen in het kader van de terugvordering van het onverschuldigde betaalde op verschillende wijze regelt, al naargelang het schulden tussen particulieren betreft dan wel schuldvorderingen op de fiscus?
b) welke invloed kan daarenboven de omstandigheid hebben, dat het rentetarief wordt vastgesteld "bij een handeling van dezelfde overheidsinstantie die door haar in gebreke blijven dat recht heeft geschonden"?
28 Ik zal eerst het laatste vraagstuk bespreken. Zowel de Commissie als de Italiaanse regering beklemtonen, dat de wijze waarop dit vraagstuk aan de orde is gesteld, onvoldoende rekening houdt met het feit dat de in geding zijnde bepaling niet is toegepast op de feiten van het hoofdgeding en zelfs niet ten uitvoer is gelegd in het nationale recht.
29 Artikel 3 van besluitwet nr. 307 van 23 mei 1994 (omgezet in wet nr. 457 van 22 juli 1994), dat met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan(16) het Ministerie van Financiën de bevoegdheid verleende, bij besluit de op schuldvorderingen en schulden jegens de staat toepasselijke rentevoeten vast te stellen, afhankelijk van de ontwikkeling van de monetaire en financiële markt, is immers niet toegepast, doordat het Ministerie van Financiën nimmer gebruik van deze bevoegdheid heeft gemaakt.
30 Het vaststellen van de tarieven van de moratoire interessen werd en wordt derhalve geregeld door bepalingen van algemene strekking met de rang van wet.(17) Concreet waren van toepassing de bepalingen van besluitwet nr. 557 van 30 december 1993, die in een halfjaarlijkse rentevoet van 3 % voor fiscale schuldvorderingen en schulden voorzag.
31 De door de verwijzende rechter vermelde omstandigheid hoeft dus niet in aanmerking te worden genomen, gelet op het zuiver hypothetische karakter ervan en het feit dat zij geen verband houdt met de realiteit van de in geding zijnde feiten.
32 De omstandigheid dat deze bepalingen voor schulden en schuldvorderingen op de fiscus voorzien in rentevoeten voor moratoire interessen, die verschillen van de rentevoeten die voor rechtsbetrekkingen tussen particulieren gelden, vormt de kern van de tweede prejudiciële vraag, overeenkomstig de overwegingen in de verwijzingsbeschikking. Bij deze vraag zal ik dan ook moeten stilstaan.
33 Voor wat de uitoefening betreft van het recht op teruggaaf van onverschuldigd betaalde belastingen, voor zover dit recht voortvloeit uit de onverenigbaarheid van de nationale belasting met het gemeenschapsrecht, is het sinds de arresten Rewe(18) en Comet(19) vaste rechtspraak van het Hof, dat de lidstaten gehouden zijn tot terugbetaling van die ontvangsten - als tegenhanger van het recht van de contribuabele op terugbetaling(20) - en dat dit recht gebonden is aan de gebruikelijke voorwaarden die de rechtsorde van elke staat voor de uitoefening ervan stelt.
34 Deze rechterlijke doctrine samenvattend, verklaarde het Hof in het arrest van 29 juni 1988, Deville(21): "Bij gebreke van een communautaire regeling inzake de terugbetaling van ten onrechte geheven nationale belastingen, [is het] een aangelegenheid van de rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, met dien verstande dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en dat zij in geen geval dusdanig mogen zijn, dat de uitoefening van de rechten welke de nationale rechter heeft te handhaven, in de praktijk onmogelijk wordt gemaakt."(22)
35 In navolging van de lidstaten die in casu opmerkingen hebben ingediend, zie ik niet in, waarom een nationale wetgever de instelling van vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen niet aan andere uitoefeningsvoorwaarden kan binden dan die welke voor soortgelijke vorderingen tussen particulieren gelden.
36 Het wettig karakter van dit onderscheid is bovendien door het Hof bevestigd in de punten 22 tot en met 25 van het arrest Denkavit italiana (reeds aangehaald). Na te hebben geconstateerd, dat het gemeenschapsrecht niet noodzakelijkerwijs voorschrijft, dat in alle lidstaten een eenvormige regeling wordt vastgesteld inzake de formele en materiële voorwaarden waaraan de betwisting of terugvordering van met dit recht strijdige heffingen moet voldoen, en dat de regeling van dit vraagstuk per lidstaat en zelfs binnen een zelfde lidstaat verschilt, afhankelijk van de soort heffing waarom het gaat, heeft het Hof de toelaatbaarheid erkend van de twee meest karakteristieke nationale regelingen op dit gebied:
- In sommige gevallen stelt de nationale wet zowel ten aanzien van tot de belastingdienst gerichte bezwaarschriften als van beroepen in rechte strenge voorwaarden met betrekking tot de vorm waarin en de termijn waarbinnen rechtsvorderingen en verzoeken tot terugbetaling van onwettig ingevorderde heffingen kunnen worden ingediend.
- In andere gevallen moeten beroepen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen voor de gewone rechter worden ingesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een actie uit onverschuldigde betaling. Voor deze beroepen gelden meer of minder lange termijnen, die soms kunnen overeenkomen met de verjaringstermijn van het gemene recht.
37 Daarop aansluitend heeft het Hof onder verwijzing naar zijn arresten Rewe en Comet (reeds aangehaald) verklaard, dat de door de verschillende nationale rechtsstelsels in het kader van vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven bedragen vanuit communautair oogpunt in acht te nemen voorwaarden bestaan in de reeds genoemde voorwaarde van non-discriminatie en de voorwaarde dat de uitoefening van de desbetreffende beroepsmogelijkheden in de praktijk niet onmogelijk mag zijn. Beide voorwaarden vormen volgens het arrest van 10 juli 1997, Palmisani(23), de uitdrukking van het "gelijkwaardigheidsbeginsel" (dezelfde voorschriften als die voor soortgelijke nationale vorderingen gelden), respectievelijk van het "doeltreffendheidsbeginsel" van het gemeenschapsrecht.
38 Deze voorwaarden gelden zowel voor de hoofdverplichting tot terugbetaling van de onverschuldigd geïnde bedragen, als voor de bijkomende verplichting om rente daarover te betalen. Deze laatste verplichting moet dus ook door de ter zake toepasselijke nationale bepalingen worden geregeld, ongeacht of de vorderingen hun oorsprong vinden in het nationale recht dan wel in het gemeenschapsrecht.
39 Dit is door het Hof uitdrukkelijk bevestigd in zijn arrest van 12 juni 1980, Express Dairy Foods(24): bij gebreke van gemeenschapsbepalingen t erzake staat het thans aan de nationale instanties en in het bijzonder aan de nationale rechter om in geval van terugbetaling van ten onrechte toegepaste heffingen een regeling te treffen voor alle daarmee verband houdende bijkomende vraagstukken, zoals de betaling van rente, zulks met toepassing van hun nationale voorschriften inzake de rentevoet en het tijdstip van waaraf de rente moet worden berekend.
40 In mijn conclusie in de zaak Edis heb ik betoogd, dat geen enkele gemeenschapsregel of -beginsel de nationale wetgever belet, voor de verjaring van rechten of het verval van vorderingen verschillende termijnen vast te stellen, afhankelijk van de betrokken tak van recht, mits deze termijnen gelijkelijk gelden voor rechten afgeleid van het nationale recht en die welke uit communautaire bepalingen voortvloeien. De nationale wetgever is immers vrij om verjarings- of vervaltermijnen op fiscaal gebied op te leggen, en deze termijnen hoeven niet noodzakelijkerwijs overeen te komen met die welke voor andere soorten civielrechtelijke betrekkingen gelden. Geen enkele gemeenschapsregel of -beginsel verplicht hem de fiscale rechtsbetrekkingen daartoe op één lijn te stellen met de betrekkingen tussen particulieren.
41 Deze overwegingen gaan ook op voor een ander aspect van de regeling inzake het recht op terugbetaling, namelijk de betaling van rente. Het gemeenschapsrecht schrijft niet voor, dat het tarief en de andere elementen die bepalend zijn voor de rente, hetzelfde moeten zijn voor betrekkingen tussen particulieren en voor fiscale rechtsbetrekkingen. Het vereist daarentegen, dat de tarieven en de andere elementen gelijkelijk gelden voor vorderingen die op het nationaal recht zijn gebaseerd, en voor vorderingen die aan het gemeenschapsrecht zijn ontleend.
42 Er zou dus sprake van discriminatie zijn, wanneer de Italiaanse bepaling inzake de rente over vorderingen tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde heffing in verschillende tarieven zou voorzien, afhankelijk van de oorzaak, nationaal of communautair, van de terugbetalingsverplichting. Dit zou immers het geval zijn, wanneer de voor de terugbetaling van de ten onrechte opgeëiste heffing geldende rentetarieven lager waren in het geval van strijdigheid van die heffing met het gemeenschapsrecht dan in het geval van strijdigheid ervan met het nationale recht. Aangezien dit echter niet het geval is en de door de belastingdienst overeenkomstig de door de verwijzingsrechter aangehaalde bepalingen te betalen rente gelijkelijk geldt voor alle vorderingen tot terugbetaling van heffingen, ongeacht de grondslag ervan, moet het antwoord op de tweede prejudiciële vraag luiden, dat deze bepalingen verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht.
43 Wat de andere aspecten van deze vraag betreft, die niet direct door de verwijzende rechter aan de orde zijn gesteld, doch wel door de Commissie en een van de verzoekende ondernemingen in hun opmerkingen(25), verwijs ik naar mijn conclusie in de zaak Edis (punten 51-65).
Conclusie
44 Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door het Tribunale di Genova gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Het gemeenschapsrecht verzet zich niet tegen de toepassing op een verzoek tot terugbetaling van een met een richtlijn strijdige belasting van een nationale wettelijke regeling krachtens welke de gerechtelijke actie tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde belastingen vervalt na het verstrijken van een termijn van drie jaar vanaf de dag van betaling, ook al leidt deze wettelijke regeling ertoe, dat bedoelde terugbetaling geheel of gedeeltelijk wordt verhinderd.
2) Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat de nationale rechtsstelsels, in het kader van tegen de belastingdienst ingestelde vorderingen tot terugbetaling van ten onrechte geheven rechten, andere rentetarieven voorschrijven dan die welke voor vorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren gelden, op voorwaarde dat deze tarieven gelijkelijk worden toegepast op vorderingen tot terugbetaling gebaseerd op het nationale recht, en op vorderingen voortvloeiend uit de toepassing van communautaire bepalingen."
(1) - C-71/91 en C-178/91, Jurispr. blz. I-1915.
(2) - PB L 249, blz. 25.
(3) - Zie besluitwet nr. 331 van 30 augustus 1993, omgezet in wet nr. 427 van 29 oktober 1993.
(4) - Zie in deze zin de arresten van de Corte suprema di cassazione (eerste civiele kamer) van 28 maart 1994, nr. 2992; 23 november 1994, nr. 9900, en 23 februari 1996, nr. 4468/96 en nr. 3458/96, welk laatste arrest in volle samenstelling (sezione unite) is gewezen. Zo ook heeft de Corte costituzionale in de tweede "overweging" van arrest nr. 56 van 24 februari 1995, na de wetgevingsperikelen rond de heffing in herinnering te hebben geroepen, met betrekking tot de jaren voorafgaande aan de afschaffing ervan (1993) gesteld: "Gelet op het feit dat de heffing ten onrechte door de Italiaanse Staat is geheven, met schending van artikel 10 van richtlijn 69/335/EEG van 17 juli 1969, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 20 april 1993 in de zaken C-71/91 en C-178/91, moeten de betaalde bedragen worden terugbetaald ingevolge het gemeenschapsrecht, welk recht rechtstreeks toepasselijk is in de Italiaanse rechtsorde."
(5) - C-208/90, Jurispr. blz. I-4269.
(6) - Punt 23.
(7) - C-338/91, Jurispr. blz. I-5475.
(8) - C-410/92, Jurispr. blz. I-5483.
(9) - Arrest van 17 juli 1997 (C-90/94, Jurispr. blz. I-4085).
(10) - Arrest van 17 juli 1997 (C-114/95 en C-115/95, Jurispr. blz. I-4263).
(11) - C-188/95, Jurispr. blz. I-6783, punten 42-52.
(12) - Voor de mondelinge behandeling waren de volgende zaken gevoegd: Edis (C-231/96); Spac (C-260/96); Ansaldo Energia (C-279/96); Marine Insurance Consultant (C-280/96), en GMB e.a. (C-281/96).
(13) - Dit heeft de raadsman van de vennootschap Edis beklemtoond, toen hij ter terechtzitting erkende, dat reeds in 1989 (dus niet alleen voordat het arrest Ponente Carni was gewezen, doch ook vóór indiening van het prejudiciële verzoek dat daarin centraal stond) een andere, aan zijn cliënte gelieerde, vennootschap Edis en bepaalde Italiaanse ondernemingen de invordering van de heffing op de inschrijving in het register voor de Italiaanse rechter hadden betwist. Ofschoon deze beroepen op inhoudelijke gronden zijn afgewezen, tonen zij aan, dat niemand het recht op toegang tot de rechter is ontzegd.
(14) - Eén van deze belemmeringen is de noodzaak beroep in rechte in te stellen om een executoriale titel tegen de fiscus te verkrijgen, een vereiste dat bovendien kan leiden tot een ongerechtvaardigde complicatie van de procedures - en dus tot een vertraging in de rechtsbedeling - ten detrimente van de belastingplichtigen.
(15) - Artikel 61 van besluitwet nr. 331 van 30 augustus 1993 regelt de voorwaarden voor terugbetaling van krachtens die regeling onverschuldigd betaalde bedragen, te weten door middel van een bezwaarschrift (voor bedragen betaald over het fiscale boekjaar 1992) of door middel van verrekening (voor bedragen betaald over het boekjaar 1993).
(16) - Per 1 januari 1995.
(17) - De wetten en besluitwetten ter regeling van deze rentetarieven zijn in de loop van de laatste jaren herhaaldelijk gewijzigd, kennelijk als gevolg van de ontwikkeling van de tarieven op de monetaire en financiële markt.
(18) - Arrest van 16 december 1976 (33/76, Jurispr. blz. 1989).
(19) - Arrest van 16 december 1976 (45/76, Jurispr. blz. 2043).
(20) - Voor zover terugbetaling van met het gemeenschapsrecht strijdige nationale belastingen wordt gevorderd, kan de grondslag van dit recht in verschillende bepalingen of beginselen liggen, waarvan sommigen in de rechtspraak van het Hof zijn genoemd. Zo is in het verleden een beroep op artikel 5 van het Verdrag toegestaan, omdat dit de lidstaten ertoe verplicht, de naleving van de uit dit Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren; bij andere gelegenheden is een beroep toelaatbaar geoordeeld op de noodzaak om de rechtstreekse werking te verzekeren van de gemeenschapsrechtelijke regel die in strijd is met de nationale bepaling tot invoering van de belasting; ook heeft men zich kunnen beroepen op het algemene verbod van ongerechtvaardigde verrijking, welke verrijking de staat ten deel zou vallen indien hij de onverschuldigd geïnde bedragen niet behoefde terug te betalen.
(21) - 240/87, Jurispr. blz. 3513.
(22) - Deze overwegingen vormen een constante in de reeds lange reeks arresten die sinds de arresten Rewe en Comet op dit gebied zijn gewezen: zie, onder meer, arresten van 26 juni 1979, Mc Carren (177/78, Jurispr. blz. 2161); 27 februari 1980, Just (68/79, Jurispr. blz. 501); 5 maart 1980, Ferwerda (265/78, Jurispr. blz. 617); 27 maart 1980, Denkavit italiana (61/79, Jurispr. blz. 1205); 10 juli 1980, Ariete (811/79, Jurispr. blz. 2545); 10 juli 1980, MIRECO (826/79, Jurispr. blz. 2559); 9 november 1983, San Giorgio (199/82, Jurispr. blz. 3595); 25 februari 1988, Bianco en Girard (331/85, 376/85 en 378/85, Jurispr. blz. 1099), en 23 mei 1996, Hedley Lomas (C-5/94, Jurispr. blz. I-2553).
(23) - C-261/95, Jurispr. blz. I-4025.
(24) - 130/79, Jurispr. blz. 1887, punt 17.
(25) - De Commissie heeft zich in casu beperkt tot een verwijzing naar haar opmerkingen in de zaak Edis.
Full & Egal Universal Law Academy