Conclusie van de advocaat generaal
1 Het Tribunal de grande instance de Briey heeft het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
"1) Moet artikel 95 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen de toepassing van een methode voor de vaststelling van het administratief vermogen van voertuigen, die tot gevolg heeft dat het administratief vermogen van bepaalde voertuigen hoger is, zodat de consumenten minder geneigd zijn deze te kopen, nu in de zwaarst belaste categorieën alleen ingevoerde voertuigen vallen die rechtstreeks in concurrentie komen met in Frankrijk verkochte soortgelijke voertuigen, die evenwel in gunstiger fiscale categorieën worden ingedeeld?
2) Moet artikel 95 EG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen het gelijktijdig gebruik van twee berekeningswijzen voor de vaststelling van het administratief vermogen van voertuigen, waarvan de minst gunstige met name op uit andere Lid-Staten ingevoerde voertuigen wordt toegepast en tot gevolg heeft, dat deze voor de Franse consumenten minder aantrekkelijk worden, zodat deze de voorkeur geven aan in Frankrijk verkochte soortgelijke voertuigen?"
2 Deze zaak is de meest recente van een aantal zaken betreffende motorvoertuigenbelastingen in Frankrijk. Het gaat in deze zaak met name om de berekeningswijze van het fiscaal vermogen. Volgens Tabouillot, verzoeker in het hoofdgeding, is de wijze van berekening van de motorvoertuigenbelasting die hij als eigenaar van een Chevrolet Corvette moet betalen, in strijd met artikel 95 van het Verdrag. Deze berekeningswijze is vastgesteld in een administratieve circulaire van 1956, die in uitzonderlijke gevallen van toepassing is, en afwijkt van de normale berekeningswijze zoals uiteengezet in een administratieve circulaire van 1977. Alvorens de feiten van de zaak uiteen te zetten, zal ik nader ingaan op de toepasselijke Franse wettelijke regeling en de eerdere uitspraken van het Hof. Wat de wettelijke regeling betreft, zal ik mij baseren op informatie uit de rechtspraak van het Hof en de opmerkingen van de Franse regering en de Commissie, aangezien de verwijzingsbeschikking geen nauwkeurige uiteenzetting van de toepasselijke regels bevat.
Toepasselijke Franse wettelijke bepalingen en eerdere uitspraken van het Hof
3 In de artikelen 1599 C tot 1599 J van de Code général des impôts zijn de basisregels neergelegd betreffende de differentiële belasting op motorvoertuigen. De structuur van de belasting wordt op nationaal niveau bepaald, doch de belasting wordt per departement geheven. Voor elk type voertuig dat in Frankrijk in het verkeer wordt gebracht, wordt met het oog op de belasting een "fiscaal vermogen" vastgesteld, dat wordt berekend volgens een complexe formule, waarover ik het verder nog zal hebben. Het fiscaal vermogen wordt ingedeeld in een categorie, die telkens twee of drie vermogens omvat. Op nationaal niveau wordt per categorie een coëfficiënt vastgesteld. Jaarlijks wordt door de autoriteiten van elk departement voor de belasting een basistarief vastgesteld. Het bedrag van de differentiële belasting die voor de overeenkomstige fiscale categorie verschuldigd is, wordt berekend door het basistarief te vermenigvuldigen met de coëfficiënt. Dit brengt mee, dat het belastingbedrag voor een bepaald voertuig van departement tot departement kan verschillen, hoewel de belastingstructuur op nationaal vlak wordt vastgesteld en voor het hele land dezelfde is.
4 Het Hof heeft zich reeds in vier eerdere zaken uitgesproken over de verenigbaarheid van de Franse motorvoertuigenbelasting met artikel 95 van het Verdrag. In de eerste zaak, Humblot(1), werd het Hof de vraag gesteld of het verenigbaar was met artikel 95 van het Verdrag, gelijktijdig een differentiële belasting te heffen op motorvoertuigen van 16 pk of minder, en daarnaast een specifieke belasting tegen een uniform en veel hoger tarief op motorvoertuigen van meer dan 16 pk. In verband met progressieve motorvoertuigenbelastingen heeft het Hof vooraf de volgende algemene opmerking gemaakt:
"Vooreerst zij erop gewezen, dat de Lid-Staten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht vrij blijven om producten als motorrijtuigen te onderwerpen aan een verkeersbelasting, die progressief stijgt volgens een objectief criterium als het fiscaal vermogen, dat op verschillende wijzen kan worden vastgesteld."(2)
5 Het Hof heeft daaraan evenwel toegevoegd, dat een dergelijke binnenlandse belastingregeling zich evenwel slechts met artikel 95 verdraagt, voor zover zij geen discriminerende of beschermende werking heeft.(3)
6 Het Hof was van oordeel, dat aan deze voorwaarde niet was voldaan in het geval van een regeling als de Franse, die voorzag in een bijzondere belasting waarvan het bedrag een veelvoud was van de progressieve belasting verschuldigd op voertuigen van 16 pk of minder, en die bovendien alleen gold voor ingevoerde voertuigen, met name uit andere Lid-Staten.
7 Daarop heeft de Franse wetgever, om zich naar dit arrest te voegen, artikel 18 van wet nr. 85/695 van 11 juli 1985 vastgesteld. Bij artikel 18 werd de bijzondere belasting op motorvoertuigen met een hogere administratief vermogen dan 16 pk afgeschaft. Alleen de differentiële belastingregeling bleef dus bestaan. De werking daarvan is hierboven toegelicht. Daarentegen werden bij artikel 18 van deze wet vier nieuwe categorieën ingesteld, zodat er in totaal negen categorieën bestonden: tot 4 pk, 5 tot 7 pk, 8 en 9 pk, 10 en 11 pk, 12 tot 16 pk, 17 en 18 pk, 19 en 20 pk, 21 en 22 pk, en 23 pk en meer. Tevens werd voor elke categorie een coëfficiënt vastgesteld (respectievelijk 1; 1,9; 4,5; 5,3; 9,4; 14,1; 21,1; 31,7; 47,6). De formule voor de berekening van het vermogen werd vastgesteld in een administratieve circulaire van 23 december 1977.
8 In de tweede zaak, Feldain(4), is het Hof verzocht om een uitspraak over de verenigbaarheid met artikel 95 van het Verdrag van de regeling zoals zij ingevolge het arrest in de zaak Humblot is gewijzigd bij wet nr. 85/695 van 11 juli 1985. Een van de aspecten van de zaak was, of het verenigbaar was met artikel 95 van het Verdrag, een regeling in te voeren waarbij de progressievoet van de coëfficiënten "exponentieel" werd na de categorie 12 tot 16 pk, de laatste categorie die nog in Frankrijk gebouwde voertuigen omvat. Het Hof was van oordeel, dat in de progressie geen verschillen optraden die zouden kunnen wijzen op een discriminerende of beschermende werking.(5) Wel was het Hof van oordeel, dat de belastingregeling in twee opzichten discriminerend was.
9 In de eerste plaats zijn de belastingcategorieën aldus ingedeeld, dat in Frankrijk gebouwde luxewagens in de categorie 12 tot 16 pk vielen, en alleen voertuigen uit andere Lid-Staten in de categorieën van meer dan 16 pk vielen. Nu de categorie 12 tot 16 pk zeer ruim was (de enige categorie met vijf vermogens, waar alle andere categorieën slechts twee tot drie vermogens omvatten) waren in Frankrijk gebouwde luxewagens beschermd tegen de normale belastingprogressie.(6)
10 In de tweede plaats was de berekeningswijze van het vermogen zelf, zoals vastgesteld in de administratieve circulaire van 23 december 1977, niet objectief, en leidde zij tot een bevoordeling van in Frankrijk gebouwde wagens.(7) Deze berekeningswijze was neergelegd in de volgende formule:
P = m (0.0458 . C/K) 1.48
In deze formule geeft P het fiscaal vermogen aan, en is m gelijk aan 1 voor benzinemotoren en aan 0,7 voor dieselmotoren; C is de cilinderinhoud van de motor in kubieke centimeter. De cilinderinhoud werd gedeeld door de factor K, die gelijk is aan het "gemiddelde van de theoretische snelheden van het voertuig in de verschillende versnellingen, bij een motortoerental van 1 000 toeren per minuut".(8) Het Hof stelde evenwel vast, dat voor voertuigen met een reëel vermogen van meer dan 100 kW de factor K maximaal 21 bedroeg.
11 Het Hof stelde vast, dat de betrokken bepaling, door aan de factor K een beperking te stellen zoals hierboven uiteengezet, tot gevolg had dat wagens met een manuele versnellingsbak en een cilinderinhoud van meer dan 3 109,7 cm3 in een hogere categorie dan die van 16 pk vielen. Wanneer bovendien de factor K werd beperkt, was uitsluitend de cilinderinhoud bepalend voor het fiscaal vermogen. Aangezien op de cilinderinhoud exponent 1,48 werd toegepast, had elke vergroting van de cilinderinhoud tot gevolg, dat de betrokken wagens in de hoogste belastingcategorieën vielen.(9)
12 Het Hof kwam eveneens tot de conclusie, dat geen enkele wagen van Franse makelij een cilinderinhoud had van meer dan 3 109,7 cm3. Bijgevolg bracht de beperking van de factor K tot 21 mee, dat alleen ingevoerde voertuigen in de hogere belastingcategorieën werden ingedeeld, terwijl zij zonder deze beperking een geringer fiscaal vermogen zouden hebben. Overwegingen inzake het brandstofverbruik konden een dergelijke beperking niet rechtvaardigen. Er was immers geen belangrijk verschil tussen voertuigen naargelang de beperking van de factor K daarvoor al dan niet gevolgen had. Het Hof kwam derhalve tot de conclusie, dat deze wijze van bepaling van het fiscaal vermogen niet objectief was en tot een bevoordeling van in Frankrijk gebouwde voertuigen leidde.(10)
13 Het Hof kwam in de derde zaak, Seguela e.a.(11), tot dezelfde conclusie als in de zaak Feldain.
14 De Franse wetgever had een nieuwe regeling vastgesteld om de wetgeving in overeenstemming te brengen met het arrest in de zaak Feldain. Artikel 20 van wet nr. 87-1061 van 30 december 1987 bepaalde, dat artikel 1599 G van de Code général des impôts aldus werd gewijzigd, dat de vroegere categorie 12 tot 16 pk in twee categorieën werd gesplitst, zodat er voortaan tien in plaats van negen categorieën bestonden. Thans bestaat er dus een categorie 12 tot 14 pk, en een categorie 15 en 16 pk. Bovendien werd bij een nieuwe administratieve circulaire van 12 januari 1988 de berekeningswijze van het vermogen zoals neergelegd in de circulaire van 23 december 1977, gewijzigd. De nieuwe circulaire wijzigde het element van de berekeningswijze dat volgens het Hof in strijd was met artikel 95 van het Verdrag, door aan factor K niet langer een bovengrens te stellen. Bij wet nr. 93/859 van 22 juni 1993 werd met terugwerkende kracht aan deze circulaire kracht van wet verleend.
15 Naderhand had het Hof zich nogmaals over de Franse differentiële voertuigenbelasting uit te spreken in de zaak Casarin(12), waarin werd beslist, dat artikel 95 van het Verdrag niet in de weg staat aan een progressieve belastingregeling zoals die welke voortvloeide uit de recente wijziging van de Franse regels. Het Hof ging in die zaak niet in op de berekeningswijze van het vermogen van motorvoertuigen.
16 Deze berekeningswijze is thans andermaal aan de orde. Gebleken is, dat de circulaire van 1977, zoals gewijzigd, niet in alle gevallen wordt toegepast. Er bestaat een tweede methode, die is neergelegd in een administratieve circulaire van 28 december 1956, en die blijkbaar nog steeds wordt toegepast in hoofdzakelijk drie soorten gevallen:
a) motorvoertuigen waarvan het type in Frankrijk is goedgekeurd vóór 1 januari 1978;
b) motorvoertuigen die niet overeenstemmen met een na 1 januari 1978 in Frankrijk goedgekeurd type;
c) motorvoertuigen die overeenstemmen met een na 1 januari 1978 goedgekeurd type, doch die wat het fiscaal vermogen betreft niet als gelijkwaardig met dat type worden beschouwd.
17 De in de circulaire van 1956 neergelegde methode is opgenomen in de volgende formule:
P = K n D2 L ù
waarin P het fiscaal vermogen is, K een numerieke coëfficiënt, n het aantal cilinders, D de boring in centimeter, L de zuigerslag in centimeter, en ù het toerental per seconde.
18 In haar schriftelijke opmerkingen stelt de Commissie, dat deze formule eenvoudiger kan worden voorgesteld als de vermenigvuldiging van de cilinderinhoud in liter met een coëfficiënt van 5,7294 voor voertuigen met benzinemotor en 4,0106 voor voertuigen met dieselmotor. In antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof, heeft de Franse regering bevestigd, dat volgens deze formule, de berekening van het fiscaal vermogen van voertuigen naar volstrekte evenredigheid met de cilinderinhoud van de motor geschiedt.
19 Eveneens in antwoord op een schriftelijke vraag, heeft de Franse regering opgemerkt, dat bedoelde formule alleen wordt toegepast wanneer de informatie over de technische kenmerken van het voertuig, die noodzakelijk is voor de toepassing van de gewone formule als bedoeld in de circulaire van 1977, niet of slechts zeer moeilijk te verkrijgen is (bijvoorbeeld door het voertuig te demonteren). Daarentegen is de cilinderinhoud gewoonlijk gemakkelijk vast te stellen.
20 De circulaire van 1956 was aan de orde in de zaak Bresle(13), waarin het Hof de prejudiciële verwijzing evenwel niet-ontvankelijk verklaarde wegens ontbreken van informatie.
De feiten en het hoofdgeding
21 Tabouillot is eigenaar van een Chevrolet Corvette, die op 1 januari 1980 voor het eerst in het verkeer is gebracht. Op 10 september 1994 is tegen hem proces-verbaal opgesteld omdat hij het belastingvignet niet op de voorruit van zijn auto had aangebracht. Van hem werd betaling verlangd van een belastingbedrag van FF 6 031, vermeerderd met een boete van FF 11 710 krachtens artikel 1840 N quater van de Code général des impôts. Tabouillot heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend, dat evenwel door de belastingadministratie is verworpen. Daarop heeft hij voor het Tribunal de grande instance een vordering ingeleid strekkende tot a) vaststelling dat de bepalingen tot instelling van een differentiële belasting op motorvoertuigen van meer dan 16 pk niet in overeenstemming zijn met artikel 95 van het Verdrag en derhalve buiten toepassing dienen te blijven, en b) nietigverklaring van de belastingaanslag en de aanmaning die hij had ontvangen.
22 Blijkens de verwijzingsbeschikking waren de bezwaren van Tabouillot gericht tegen zowel het progressief karakter van de Franse motorvoertuigenbelasting als tegen de berekeningswijze van het vermogen van zijn auto. Het gaat daarbij om de berekeningswijze neergelegd in de circulaire van 1956. De verwijzende rechter wees het eerste middel af op basis van het arrest Cassarin(14) en verzocht het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de hierboven weergegeven vragen(15) in verband met de berekeningswijze van het vermogen.
Ontvankelijkheid
23 In haar schriftelijke opmerkingen, doch niet ter terechtzitting, heeft de Franse regering de ontvankelijkheid van de verwijzingsbeschikking betwist. Zij stelt in wezen, dat de verwijzingsbeschikking onvoldoende informatie bevat. Zij bevat geen uiteenzetting van de complexe berekeningsmethode van het vermogen in de zin van de circulaire van 1956, en preciseert evenmin in welke gevallen deze methode moet worden toegepast. Bovendien is daarin niet gepreciseerd op welke gronden de verwijzende rechter twijfelt aan de verenigbaarheid van de Franse regels met het gemeenschapsrecht. Bijgevolg was het voor de andere Lid-Staten of andere belanghebbende partijen niet mogelijk op basis van de verwijzingsbeschikking opmerkingen te maken overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut.
24 Mijns inziens kan inderdaad worden betwijfeld, of het Hof de prejudiciële vragen moet beantwoorden.
25 In de eerste plaats staat vast, dat wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, het noodzakelijk is dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd.(16) Aan dit vereiste is in casu niet voldaan, nu in de verwijzingsbeschikking verschillende essentiële inlichtingen ontbreken. Er wordt namelijk niet in vermeld wat de herkomst is van de auto van Tabouillot (hierover hierna meer). De toepasselijke nationale regels worden niet voldoende gedetailleerd: de twee bestaande formules voor de berekening van het vermogen zijn niet beschreven, en evenmin is uiteengezet in welke omstandigheden de formule die is neergelegd in de circulaire van 1956 wordt toegepast. De verwijzingsbeschikking preciseert niet wat de gevolgen zijn van de keuze van de berekeningswijze voor de belastingheffing op motorvoertuigen in Frankrijk in het algemeen, en evenmin wordt gepreciseerd wat meer in het bijzonder de gevolgen daarvan zijn voor de belastingheffing op motorvoertuigen die uit andere Lid-Staten zijn ingevoerd. Hieruit volgt, dat de verwijzende rechter zijn twijfels over de verenigbaarheid van de Franse regels met artikel 95 van het Verdrag niet heeft toegelicht. Ten slotte is in de verwijzigingsbeschikking niet gepreciseerd wat de relevantie is van de uitspraak van het Hof voor het hoofdgeding (ook hierover hierna meer): indien de toepassing van de circulaire van 1956 in strijd is met het gemeenschapsrecht, betekent dit dan, dat de circulaire van 1977 moet worden toegepast, en zo ja, zou dit tot gevolg hebben dat een ander belastingbedrag wordt geheven?
26 Wel is het zo, dat zoals het Hof zelf heeft erkend, het vereiste dat de nationale rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader van de vragen, minder absoluut is wanneer de vragen betrekking hebben op specifieke technische punten, en het Hof ook dan een antwoord kan geven wanneer de nationale rechter de juridische en feitelijke context niet in bijzonderheden heeft uiteengezet.(17) In de onderhavige zaak is veel informatie terug te vinden in de eerdere arresten van het Hof, in de opmerkingen van de Commissie, en in de antwoorden van de Franse regering en Tabouillot op de schriftelijke vragen van het Hof. Het is evenwel de vraag, of al deze informatie een passende grondslag vormt voor een nuttige uitspraak van het Hof. Zo is bijvoorbeeld ter terechtzitting gebleken, dat de Commissie en de Franse regering het niet eens zijn over a) de omstandigheden waarin de circulaire van 1956 moet worden toegepast, en b) de gevolgen van een dergelijke toepassing voor de handel tussen Lid-Staten. Om tot een nuttig antwoord op de vragen van de verwijzende rechter te kunnen komen, zou het Hof dienen uit te gaan van diverse veronderstellingen, en dus het gevaar lopen een hypothetische uitspraak te doen. Tevens zou het Hof zich in het algemeen uitspreken over de verenigbaarheid van de Franse regeling met het gemeenschapsrecht, en het komt mij voor dat dit eerder dient te geschieden in het kader van een niet-nakomingsprocedure in de zin van artikel 169 van het Verdrag (natuurlijk voor zover de Commissie van mening is dat een dergelijke procedure moet worden ingeleid).
27 Zelfs indien het Hof bereid zou zijn deze bezwaren naast zich neer te leggen, is er nog het feit dat, zoals het Hof destijds heeft geoordeeld, de in de verwijzingsbeschikkingen verstrekte gegevens niet enkel dienen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen der Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, opmerkingen te maken overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut. Het Hof dient erop toe te zien, dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft nu ingevolge genoemde bepalingen alleen de verwijzingsbeschikkingen ter kennis van de betrokken partijen worden gebracht.(18) Ik betwijfel of het Hof deze verplichting zou naleven indien het in de onderhavige zaak de prejudiciële vragen zou beantwoorden.
28 Naast het ontbreken van informatie in de verwijzingsbeschikking zijn er nog andere gronden om de onderhavige verwijzing als niet-ontvankelijk te beschouwen. Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat het uitsluitend aan de nationale rechter staat om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede de relevantie van de aan het Hof voorgelegde vraag te beoordelen. Het verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing mag slechts worden verworpen wanneer duidelijk blijkt dat de door deze rechter gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met de feiten of het onderwerp van het hoofdgeding.(19) In de onderhavige zaak kan men zich afvragen of de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht enig verband houdt met het onderwerp van het hoofdgeding, en wel om twee redenen.
29 In de eerste plaats heeft Tabouillot in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof verklaard, dat hij zijn auto heeft gekocht in de Verenigde Staten; gebleken is, dat hij hem heeft gekocht op 27 augustus 1991 in New Jersey, en direct ingevoerd in Frankrijk, waar hij door de autoriteiten is toegelaten op 29 mei 1992. Het geschil waarover de verwijzende rechter zich heeft uit te spreken, valt dus hoe dan ook buiten de sfeer van artikel 95 van het Verdrag, waarin uitdrukkelijk sprake is van "produkten van de overige Lid-Staten". Wel is het zo, dat dit begrip ook producten omvat die van oorsprong zijn uit derde landen, in een Lid-Staat zijn ingevoerd, en daarna in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht.(20) De Chevrolet Corvette van Tabouillot is evenwel geen dergelijk product. Hij is in Frankrijk rechtstreeks ingevoerd uit de Verenigde Staten, en komt dus niet in aanmerking voor het vrij verkeer van goederen binnen de Gemeenschap. Ik betwijfel of de verwijzende rechter, indien hij kennis had gehad van deze feiten, van oordeel zou zijn geweest dat een uitspraak van het Hof van Justitie over de uitlegging van artikel 95 van het Verdrag noodzakelijk was voor het wijzen van zijn vonnis, zoals artikel 177 van het Verdrag verlangt.
30 Ter terechtzitting verklaarde de raadsman van Tabouillot, dat deze ingevolge het Franse rechtsbeginsel van gelijke behandeling van belastingbetalers, zich toch kan beroepen op een uitspraak van het Hof over de onverenigbaarheid van de Franse regeling met artikel 95 van het Verdrag. Niets in de verwijzingsbeschikking van de nationale rechter wijst er evenwel op dat dit het doel van de beschikking zou kunnen zijn; de nationale rechter heeft zijn vragen integendeel geformuleerd op basis van de veronderstelling dat de auto uit een andere Lid-Staat was ingevoerd. Ik zie overigens hoe dan ook niet in, hoe een beginsel van gelijke behandeling van belastingbetalers hier zou kunnen gelden. Het is te betwijfelen, dat een belastingbetaler wiens auto rechtstreeks uit een ander land dan een Lid-Staat is ingevoerd, in dezelfde positie verkeert als een belastingbetaler wiens auto uit een andere Lid-Staat is ingevoerd.
31 In de tweede plaats is de relevantie van ten minste de tweede vraag twijfelachtig, omdat het volgens de Franse regering uit fiscaal oogpunt niet uitmaakt, of het vermogen van de auto van Tabouillot wordt berekend volgens de circulaire van 1956 dan wel volgens die van 1977: wegens zijn grote cilinderinhoud zou de Chevrolet Corvette, waarvan het vermogen thans op 33 pk is vastgesteld, hoe dan ook een groter vermogen hebben dan 23 pk, en dus in de hoogste belastingcategorie vallen. Deze zienswijze is door Tabouillot niet betwist en in de opmerkingen van de Commissie blijkbaar bevestigd. Op basis van een onderzoek van de gevolgen van de twee berekeningsmethoden van het vermogen van een grote gamma auto's, komt de Commissie namelijk tot de vaststelling dat het verschil nooit meer dan 3 pk bedraagt. Aangezien in de onderhavige zaak precies de verenigbaarheid met artikel 95 van het Verdrag aan de orde is van het naast elkaar bestaan in Frankrijk van twee berekeningsmethoden van het fiscaal vermogen, komt het mij voor, dat een uitspraak van het Hof geen gevolgen kan hebben voor het hoofdgeding.
32 Op de hierboven uiteengezette gronden kan dus worden gesteld, dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. Ik zal evenwel niettemin kort ingaan op de grond van de zaak.
Ten gronde
33 Gelet op de schaarse informatie in de verwijzingsbeschikking, zal een bespreking van de vragen van de verwijzende rechter noodzakelijkerwijs een vrij algemeen karakter hebben. Deze vragen betreffen hoofdzakelijk de kwestie onder welke voorwaarden een Lid-Staat, in het kader van een systeem van differentiële en progressieve motorvoertuigenbelasting, twee verschillende methoden kan toepassen voor de berekening van het fiscaal vermogen van voertuigen. Deze kwestie moet worden bezien tegen de volgende achtergrond: het is blijkbaar onbetwist, dat de toepassing van de ene methode (die van 1956) in de regel tot een hoger vermogen leidt, en dus vaak tot een hoger belastingbedrag, dan de toepassing van de andere, de standaardmethode (van 1977). Zulks wordt bevestigd door onbetwiste cijfers van de Commissie. De betwisting gaat evenwel over de vraag, of a) de toepassing van de circulaire van 1956 in de eerste plaats gevolgen heeft voor ingevoerde voertuigen, en b) of deze circulaire alleen wordt toegepast wanneer het materieel onmogelijk is die van 1977 toe te passen.
34 Uit 's Hofs rechtspraak volgt, dat een progressieve belasting toelaatbaar is, voor zover zij neutraal is wat haar gevolgen ten aanzien van binnenlandse en ingevoerde producten betreft. Voor voertuigen geldt dit vereiste van neutraliteit eveneens wat de berekeningswijze van het fiscaal vermogen betreft.(21) Ook wanneer twee verschillende methoden worden gebruikt, die tot een verschillend belastingniveau leiden, zoals in casu blijkbaar het geval is, moet het systeem neutraal zijn: de regels betreffende de keuze van de methode moeten gebaseerd zijn op objectieve criteria die gelijkaardige ingevoerde producten niet discrimineren, en niet van dien aard zijn dat zij de binnenlandse productie beschermen.
35 Het is absoluut niet duidelijk, of de Franse regeling in overeenstemming is met dit vereiste, en zoals de Commissie heeft opgemerkt, is er blijkbaar een gebrek aan transparantie wat de toepassing ervan betreft. Het Hof heeft in dit verband verklaard, dat het bij gebrek aan transparantie, aan de betrokken Lid-Staat staat om te bewijzen dat de betrokken regeling geen discriminerende gevolgen teweeg kan brengen.(22) Hoewel het Hof zulks heeft verklaard in het kader van een niet-nakomingsprocedure in de zin van artikel 169 van het Verdrag, is dit beginsel duidelijk van algemene toepassing. Artikel 95 van het Verdrag heeft rechtstreekse werking en moet voor de nationale rechter kunnen worden aangevoerd. Een belastingregeling die dermate ondoorzichtig is, dat de nationale rechterlijke instanties niet kunnen vaststellen of zij al dan niet discriminerend is, maakt voor de belastingbetaler elk beroep op artikel 95 van het Verdrag onmogelijk. Alleen reeds op deze grond is een dergelijke regeling in strijd met artikel 95. Het verbod op fiscale discriminatie zou grondig worden uitgehold, wanneer een Lid-Staat een ondoorzichtig belastingstelsel zou kunnen invoeren of in stand houden, met name wanneer het om een differentiële en progressieve belasting gaat op een vanuit fiscaal oogpunt zeer gevoelig product dat op grote schaal internationaal wordt verhandeld, zoals auto's.
36 Uitgaande van hetzelfde beginsel van het nuttig effect, verklaarde het Hof dat het discriminatieverbod in andere materies, met name de beginselen van gelijke behandeling en bezoldiging van mannen en vrouwen, voor de nationale rechterlijke instanties moet kunnen worden aangevoerd; dit was voor het Hof aanleiding om een regeling die zo ondoorzichtig was dat iedere vorm van controle door de nationale rechterlijke instanties onmogelijk was, onverenigbaar met het gemeenschapsrecht te verklaren, en te stellen dat in bepaalde gevallen wijzigingen van de nationale bewijsregels noodzakelijk kunnen zijn voor een daadwerkelijke toepassing van het gelijkheidsbeginsel.(23)
37 Om soortgelijke redenen moet mijns inziens het beginsel dat de regels betreffende de keuze van de methode objectief en neutraal dienen te zijn, ook gelden voor de bewijsregels. Indien de minder gunstige regels inzake de berekening van belasting alleen gelden wanneer informatie ontbreekt over de technische kenmerken van het ingevoerde product, die de toepassing van de gunstige methode mogelijk zouden maken, dient de belastingbetaler de mogelijkheid te hebben met alle passende middelen het bewijs van deze technische kenmerken te leveren. Ook op dit punt is twijfel gerezen, nu de Commissie en Tabouillot stellen dat in sommige gevallen de Franse administratie heeft geweigerd rekening te houden met betrouwbare technische informatie op basis waarvan de gunstige methode van de circulaire van 1977 had kunnen worden toegepast.
Conclusie
38 Ik ben dus absoluut niet overtuigd van de ontvankelijkheid van de onderhavige prejudiciële verwijzing. Voor het geval dat een antwoord noodzakelijk is, geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 95 EG-Verdrag verzet zich niet tegen de toepassing door een Lid-Staat van een berekeningsmethode van het fiscaal vermogen van voertuigen die is gebaseerd op objectieve criteria die zonder onderscheid gelden voor in die Lid-Staat gebouwde voertuigen en voor uit andere Lid-Staten ingevoerde voertuigen.
2) Artikel 95 van het Verdrag verzet zich niet tegen de toepassing door een Lid-Staat van twee regelingen voor de vaststelling van het fiscaal vermogen van voertuigen, voor zover de keuze tussen deze twee regelingen gebaseerd is op objectieve criteria die niet discriminerend zijn voor soortgelijke ingevoerde producten en niet van dien aard zijn dat binnenlandse producten worden beschermd.
3) Bij gebrek aan transparantie van de door een Lid-Staat toegepaste methode voor de vaststelling van het fiscaal vermogen van voertuigen, staat het aan de Lid-Staat om voor de nationale rechter het bewijs te leveren, dat de regeling niet tot discriminerende gevolgen kan leiden."
(1) - Arrest van 9 mei 1985, zaak 112/84, Jurispr. 1985, blz. 1367.
(2) - R.o. 12 van het arrest.
(3) - R.o. 13 van het arrest.
(4) - Arrest van 17 september 1987, zaak 433/85, Jurispr. 1987, blz. 3521.
(5) - R.o. 13 van het arrest.
(6) - R.o. 14 van het arrest.
(7) - R.o. 15 en 16 van het arrest.
(8) - R.o. 6 van het arrest.
(9) - R.o. 15 van het arrest.
(10) - R.o. 16 van het arrest.
(11) - Arrest van 28 april 1988, gevoegde zaken 76/87, 86/87, 87/87, 88/87, 89/87 en 149/87, Jurispr. 1988, blz. 2397.
(12) - Arrest van 30 november 1995, zaak C-113/94, Jurispr. 1995, blz. I-4203.
(13) - Beschikking van 2 februari 1996, zaak C-257/95, Jurispr. 1996, blz. I-233.
(14) - Aangehaald in voetnoot 12.
(15) - Punt 1 van onderhavige conclusie.
(16) - Zie met name arrest Hof van 26 januari 1993, gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo e.a., Jurispr. 1993, blz. I-393, r.o. 6; beschikkingen van 19 maart 1993, zaak C-157/92, Banchero, Jurispr. 1993, blz. I-1085, r.o. 4; 9 augustus 1994, zaak C-378/93, La Pyramide, Jurispr. 1994, blz. I-3999, r.o. 14; 23 maart 1995, zaak C-458/93, Saddik, Jurispr. 1995, blz. I-511, r.o. 12; en Bresle, reeds aangehaald in voetnoot 13, r.o. 16.
(17) - Arrest van 3 maart 1994, zaak C-316/93, Vaneetveld, Jurispr. 1994, blz. I-763, r.o. 13, en beschikking Saddik, reeds aangehaald in voetnoot 16, r.o. 14.
(18) - Arrest van 1 april 1982, gevoegde zaken 141/81, 142/81 en 143/81, Holdijk e.a., Jurispr. 1982, blz. 1299, r.o. 6, en beschikking Saddik, reeds aangehaald in voetnoot 16, r.o. 13.
(19) - Zie met name arresten van 16 juni 1981, zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r.o. 6; 16 juli 1992, zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673, r.o. 18; 26 oktober 1995, zaak C-143/94, Furlanis, Jurispr. 1995, blz. I-3633, r.o. 12; 28 maart 1996, zaak C-129/94, Ruiz Bernáldez, Jurispr. 1996, blz. I-1829, r.o. 7; 17 oktober 1996, gevoegde zaken C-283/94, C-291/94 en C-292/94, Denkavit e.a., Jurispr. 1996, blz. I-5063, r.o. 44, en 12 december 1996, gevoegde zaken C-320/94, C-328/94, C-329/94, C-337/94, C-338/94 en C-339/94, Reti Televisive Italiane e.a., Jurispr. 1996, blz. I-6471, r.o. 23.
(20) - Arrest van 7 mei 1987, zaak 193/85, Co-Frutta, Jurispr. 1987, blz. 2085, r.o. 24-29.
(21) - Zie r.o. 10-12 supra.
(22) - Arresten van 26 juni 1991, zaken C-152/89, Commissie/Luxemburg, Jurispr. 1991, blz. I-3141, r.o. 25, en C-153/89, Commissie/België, Jurispr. 1991, blz. I-3171, r.o. 16.
(23) - Zie arresten van 30 juni 1988, zaak 318/86, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1988, blz. 3559, r.o. 27, en 17 oktober 1989, zaak 109/88, Danfoss, Jurispr. 1989, blz. 3199.
Full & Egal Universal Law Academy