Conclusie van de advocaat generaal
1 In de onderhavige zaak heeft het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) het Hof prejudiciële vragen voorgelegd over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(1) (hierna: "douanewetboek") en van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek(2) (hierna: "toepassingsverordening").
De relevante gemeenschapsbepalingen
2 De volgende bepalingen van het douanewetboek zijn in casu relevant:
"II. Vereenvoudigde procedures
Artikel 76
1. Teneinde, met inachtneming van de regelmatigheid van de verrichtingen, het vervullen van de formaliteiten en de procedures zoveel mogelijk te versoepelen, staan de douaneautoriteiten onder de volgens de procedure van het comité vastgestelde voorwaarden toe dat:
a) de in artikel 62 bedoelde aangifte bepaalde van de in lid 1 van dat artikel bedoelde vermeldingen niet bevat of dat bepaalde van de in lid 2 van genoemd artikel bedoelde documenten niet bij deze aangifte worden gevoegd;
b) in plaats van de in artikel 62 bedoelde aangifte een handels- of administratief document wordt overgelegd, vergezeld van een verzoek tot plaatsing van de goederen onder de betrokken douaneregeling;
c) de aangifte van de goederen voor de betrokken regeling door inschrijving van de goederen in de administratie geschiedt; in dat geval kunnen de douaneautoriteiten de aangever ontheffen van de verplichting de goederen bij de douane aan te brengen.
(...)
4. Bijzondere vereenvoudigde procedures voor de regeling communautair douanevervoer worden vastgesteld volgens de procedure van het comité.
(...)
Artikel 249
1. De bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit wetboek (...), worden vastgesteld volgens de in de leden 2 en 3 omschreven procedure (...)
(...)"
3 De volgende bepalingen van de toepassingsverordening zijn in casu relevant:
"Formaliteiten bij het kantoor van vertrek
Artikel 398
De douaneautoriteiten van elke lidstaat kunnen elke persoon, hierna $toegelaten afzender' genoemd, die aan de in artikel 399 gestelde voorwaarden voldoet en communautair douanevervoer wil verrichten, op zijn verzoek vergunning verlenen om noch de goederen noch de bijbehorende aangifte voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek aan te bieden."(3)
De zaak voor de nationale rechter en de prejudiciële vragen
4 Göritz Intransco International GmbH (hierna: "Göritz") exploiteert een vervoersonderneming op het terrein van de luchthaven van Düsseldorf, die onder het Hauptzollamt Düsseldorf, Zollamt Flughafen (kantoor van vertrek(4)), ressorteert.
5 Op 4 april 1995 verzocht Göritz het Hauptzollamt Düsseldorf om erkenning als "toegelaten afzender", teneinde inkomende luchtvracht onder de regeling communautair douanevervoer verder te vervoeren. Met een dergelijke vergunning had Göritz formulieren voor de aangifte van communautair douanevervoer kunnen gebruiken, waarop het kantoor van vertrek vooraf zijn stempel aanbrengt, en had zij niet hoeven te wachten op de afhandeling van de aangiften tijdens de openingstijd van het kantoor van vertrek.
6 Bij besluit van 23 juni 1995 wees het Hauptzollamt Düsseldorf de aanvraag af. Het bezwaar van Göritz bij de Oberfinanzdirektion Düsseldorf, werd bij beschikking van 12 december 1995 afgewezen, op grond dat de verlangde vergunning iedere rechtsgrondslag miste, aangezien de plaats van aanbieding van de goederen, zoals voorgeschreven bij artikel 398 van de toepassingsverordening, niet kan worden gewijzigd wanneer de goederen zich reeds in het kantoor van vertrek bevinden.
7 Daarop stelde Göritz beroep in bij het Finanzgericht Düsseldorf, dat bij beschikking van 14 augustus 1996 de behandeling van de zaak schorste en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
"1) Vormt artikel 76, lid 1, van [het douanewetboek], junctis de artikelen 398 e.v. van [de toepassingsverordening], de rechtsgrondslag voor de erkenning als $toegelaten afzender', of gelden voor deze erkenning overeenkomstig artikel 76, lid 4, van [het douanewetboek], uitsluitend de artikelen 398 e.v.?
2) Verzet artikel 398 van [de toepassingsverordening] zich tegen de erkenning als $toegelaten afzender' wanneer een aanbieding reeds heeft plaatsgevonden, zodat de in deze bepaling voorziene ontheffing van de aanbiedingsplicht dus niet meer mogelijk is?"
Standpuntbepaling
8 Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de rechtsgrondslag voor de erkenning als toegelaten afzender in het kader van het communautair douanevervoer wordt gevormd door artikel 76, lid 1, van het douanewetboek juncto artikel 398 van de toepassingsverordening, dan wel door deze laatste bepaling alleen.
9 Volgens de Commissie en het Hauptzollamt Düsseldorf komt artikel 76, lid 1, van het douanewetboek als rechtsgrondslag niet in aanmerking. Daarin is namelijk sprake van een bijzondere versoepeling voor het communautair douanevervoer, die krachtens artikel 249 juncto artikel 76, lid 4, van het douanewetboek wordt geregeld bij artikel 398 van de toepassingsverordening.
10 Zoals door de Commissie en het Hauptzollamt Düsseldorf is opgemerkt, worden de vereenvoudigde procedures voor de regeling communautair douanevervoer ingevolge artikel 76, lid 4, van het douanewetboek volgens de procedure van het comité vastgesteld, dat wil zeggen volgens de procedure van artikel 249 van het douanewetboek. Artikel 398 van de toepassingsverordening bevat bijzondere versoepelingen van de regeling communautair douanevervoer, en is dus vastgesteld op basis van artikel 249 in samenhang met artikel 76, lid 4, van het douanewetboek.
11 Ik ga dus meteen over naar de tweede vraag, waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 398 van de toepassingsverordening aldus moet worden uitgelegd, dat ontheffing van de aanbieding van de aangiften voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek kan worden verleend, ook al kan geen ontheffing van de aanbieding van de betrokken goederen bij het kantoor van vertrek worden verleend, omdat de toegelaten afzender is gevestigd binnen het ambtsgebied van het kantoor van vertrek.
12 Volgens het Hauptzollamt Düsseldorf staat artikel 398 van de toepassingsverordening geen ontheffing van de aanbieding van de goederen toe, maar voorziet het in de mogelijkheid de goederen elders dan bij het kantoor van vertrek bij de douane aan te bieden. De tweede vraag betreft dus eigenlijk het punt of een erkenning als toegelaten afzender kan worden verleend, wanneer de plaats van aanbieding niet meer kan worden gewijzigd. Uit de tekst van artikel 398 alsmede uit de afweging van de belangen van een doelmatige controle en van een versoepeling van de procedures voor de marktdeelnemers volgt, dat in deze situatie geen erkenning als toegelaten afzender kan worden verleend. Wanneer de onderneming binnen het ambtsgebied van het kantoor van vertrek is gevestigd, kan niet op transportkosten worden bespaard door de plaats van aanbieding van de goederen te wijzigen, en ligt het belang van de onderneming dus alleen in de ontheffing van de aanbieding van de aangiften voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek. Deze aangiften moeten zowel in de normale als in de vereenvoudigde procedure worden ingevuld. Wanneer de onderneming binnen het ambtsgebied van het kantoor van vertrek is gevestigd, zijn met de overlegging van de aangiften geen kosten en slechts geringe tijd gemoeid, en zelfs als toegelaten afzender zou de onderneming de vooraf afgestempelde aangifteformulieren bij het kantoor van vertrek moeten gaan afhalen.
13 Volgens de Commissie volgt uit de tekst van artikel 398 in de verschillende taalversies, dat ontheffing van de aanbieding van de aangifte voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek kan worden verleend, ook al kan de aanbieding van de betrokken goederen bij het kantoor van vertrek niet achterwege worden gelaten, omdat de toegelaten afzender binnen het ambtsgebied van het kantoor van vertrek is gevestigd. Deze uitlegging wordt gestaafd door een vergelijking met artikel 406 van de toepassingsverordening betreffende de toegelaten geadresseerde, alsmede door het oogmerk van de artikelen 398 e.v. om in het kader van het communautaire douanevervoer de formaliteiten voor de ondernemingen en de douane te versoepelen. De ontheffing van de aangifte voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek is een voordeel zowel voor de betrokken onderneming als voor de douane, ook al is de onderneming binnen het ambtsgebied van het kantoor van vertrek gevestigd. Een ontheffing in deze situatie bedreigt de douanebelangen niet. Indien een erkenning als toegelaten afzender kan worden verleend wanneer de goederen zich niet binnen het ambtsgebied van het kantoor van vertrek bevinden, moet de erkenning als toegelaten afzender a fortiori kunnen worden verleend, wanneer de goederen zich wel binnen het ambtsgebied van het kantoor van vertrek bevinden.
14 Ik wijs erop dat het einde van artikel 398 van de toepassingsverordening in de verschillende taalversies verschillen vertoont. De Duitse, de Nederlandse, de Franse, de Spaanse, de Griekse en de Zweedse versie gebruikt de woorden "noch (...) noch". De Engelse versie gebruikt de woorden "either (...) or", doch na een ontkenning, wat in feite ook neerkomt op "noch (...) noch". Naar de letter uitgelegd zouden de aangehaalde versies op basis van het gebruik van deze woorden misschien aldus kunnen worden opgevat, dat een ontheffing niet tot één enkele van de twee in artikel 398 genoemde vergunningen kan worden beperkt.
15 De Deense, de Italiaanse en de Portugese versie gebruiken het woord "en". De Finse versie gebruikt het woord "of". Uit deze versies volgt dus niet, dat een ontheffing niet tot één enkele van de twee vergunningen kan worden beperkt.
16 Mijns inziens leveren de verschillende taalversies geen eenduidige uitlegging van artikel 398 op, zodat doel en strekking van deze voorschriften van beslissende betekenis zijn.
17 Zoals gesteld door de Commissie, kan een vergelijking worden gemaakt met de voorschriften betreffende de toegelaten geadresseerde in artikel 406. Deze bepaling maakt het mogelijk om onder de regeling communautair douanevervoer vervoerde goederen niet bij het kantoor van bestemming aan te bieden. Volgens artikel 409, lid 1, sub b, is de toegelaten geadresseerde met name gehouden, de exemplaren van het document voor communautair douanevervoer die de zending hebben begeleid, onverwijld naar het kantoor van bestemming te zenden. Er kan dus geen ontheffing worden verleend van de aanbieding van het document voor communautair douanevervoer bij het kantoor van bestemming onder de voorwaarden die krachtens artikel 398 gelden voor de ontheffing van de aanbieding van de aangifte voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek. Dit staat evenwel niet in de weg aan een ontheffing van de aanbieding van de goederen bij het kantoor van bestemming.
18 Mijns inziens kan de omgekeerde situatie, namelijk de praktische onmogelijkheid om ontheffing te verlenen van de aanbieding van de goederen bij het kantoor van vertrek, bezwaarlijk in de weg staan aan het verlenen van een ontheffing van de aanbieding van de aangiften voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek.
19 Het lijkt daarentegen logisch aan te nemen, dat a fortiori ook de ontheffing van de aanbieding van de aangiften voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek moet kunnen worden verleend, wanneer ontheffing kan worden verleend van de aanbieding van de aangifte voor communautair douanevervoer én van de aanbieding van de goederen bij het kantoor van vertrek.
20 Deze uitlegging strookt ook het best met het doel van deze voorschriften, dat erin bestaat de formaliteiten en procedures zoveel mogelijk te versoepelen. Bovendien volgt uit inlichtingen van de Commissie, dat de douanebelangen niet worden bedreigd indien ontheffing wordt verleend van de aanbieding van de aangiften voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek ingeval de goederen zich aldaar bevinden.
Conclusie
21 Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vragen van het Finanzgericht Düsseldorf te beantwoorden als volgt:
"De rechtsgrondslag voor erkenning als toegelaten afzender ligt in artikel 398 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek. Deze bepaling moet aldus worden uitgelegd, dat ontheffing van de aanbieding van de aangiften voor communautair douanevervoer bij het kantoor van vertrek kan worden verleend, ook wanneer ontheffing van de aanbieding van de betrokken goederen bij het kantoor van vertrek niet mogelijk is, omdat de toegelaten afzender binnen het ambtsgebied van het kantoor van vertrek is gevestigd."
(1) - PB L 302, blz. 1.
(2) - PB L 253, blz. 1.
(3) - In de andere talen die ten tijde van de vaststelling van de toepassingsverordening officiële gemeenschapstalen waren, luidt het einde van artikel 398 als volgt: "til ikke at frembyde de pågældende varer og til ikke at fremlægge den dertil hørende angivelse til fællesskabsforsendelse for afgangsstedet". "der Abgangsstelle weder die Waren zu gestellen noch die Anmeldung zum gemeinschaftlichen Versandverfahren für diese Waren vorzulegen". "à ne présenter au bureau de départ ni les marchandises, ni la déclaration de transit communautaire dont ces marchandises font l'objet". "a no presentar en la oficina de partida ni las mercancías ni la declaración de tránsito comunitario de la que éstas sean objeto". "íá ìçí ðñïóêïìßóåé óôï ôåëùíåßï áíá÷þñçóçò ïýôå ôá åìðïñåýìáôá ïýôå ôç äÞëùóç êïéíïôéêÞò äéáìåôáêüìéóçò ôçò ïðïßáò ôá åìðïñåýìáôá áõôÜ áðïôåëïýí áíôéêåßìåíï". "not to present at the office of departure either the goods concerned or the Community transit declaration in respect of those goods". "a non presentare all'ufficio di partenza le merci e la relativa dichiarazione di transito comunitario". "da apresentação na estância de partida das mercadorias e da declaração de trânsito comunitário de que essas mercadorias são objecto". In de talen die na de vaststelling van de richtlijn officiële talen zijn geworden, luidt deze zin als volgt: "luvan olla esittämättä lähtötoimipaikassa tavaroita tai niitä koskevaa yhteisön passitusilmoitusta". "at inte behöva uppvisa varken varorna i fråga eller deklarationen för transitering för dessa varor för avgångskontoret".
(4) - Artikel 309, sub b, van de toepassingsverordening verstaat onder kantoor van vertrek, het douanekantoor waar het communautair douanevervoer begint.
Full & Egal Universal Law Academy