CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MISCHO
van 28 mei 2002 (1)
Zaak C-301/96
Bondsrepubliek Duitsland
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Staatssteun – Beschikking 96/666/EG – Compensatie van economische nadelen als gevolg van deling van Duitsland – Ernstige verstoring van economie van lidstaat – Regionale economische ontwikkeling”
1. Bij verzoekschrift, ingediend op 16 september 1996, heeft de Bondsrepubliek Duitsland het Hof verzocht om nietigverklaring van beschikking 96/666/EG van de Commissie van 26 juni 1996 betreffende steun van Duitsland aan het Volkswagen-concern voor de fabrieken in Mosel en in Chemnitz (2) (hierna: bestreden beschikking).
2. De onderhavige zaak was geschorst bij beschikking van het Hof van 4 februari 1997, omdat deze hetzelfde voorwerp heeft als de zaken T-132/96 en T-143/96, die enerzijds de Freistaat Sachsen en anderzijds Volkswagen AG en Volkswagen Sachsen GmbH (hierna: verzoeksters) aanhangig hadden gemaakt.
3. In deze zaken heeft het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen op 15 december 1999 arrest gewezen (Freistaat Sachsen e.a./Commissie (3) ), waarin de door verzoeksters ingestelde beroepen zijn verworpen.
4. Verzoeksters hebben hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht ingesteld. Deze hogere voorzieningen zijn ingeschreven onder de nummers C-57/00 P en C-61/00 P.
5. De Duitse regering heeft in de zaken T-132/96 en T-143/96 en in de zaken C-57/00 P en C-61/00 P geïntervenieerd aan de zijde van verzoeksters. Alle in de onderhavige zaak ingeroepen middelen, op twee na, zijn identiek aan de middelen die eerst bij het Gerecht en vervolgens in hogere voorziening zijn aangevoerd.
6. Wat die identieke middelen betreft, verwijs ik naar mijn conclusie van vandaag in de zaken C-57/00 P en C-61/00 P, waaruit blijkt dat ik deze ongegrond acht.
7. De Duitse regering voert nog een middel aan, dat zij in repliek presenteert onder het kopje Onjuiste vaststelling van feiten en excessieve steuncontrole door de Commissie, en dat in werkelijkheid uit twee onderdelen bestaat.
8. Het eerste onderdeel, onjuiste vaststelling van feiten door de Commissie, is in wezen identiek aan het middel dat het Gerecht in de punten 220 tot en met 257 van het bestreden arrest onder het kopje De kwalificatie van de lakstraat en de eindmonteringswerkplaats van Mosel II en van de fabriek Chemnitz II als uitbreidingsinvesteringen heeft behandeld.
9. Aangezien deze punten van het bestreden arrest niet zijn betwist in hogere voorziening, heb ik mij hierover niet kunnen uitspreken in mijn genoemde conclusie. Ik sluit mij echter geheel aan bij de gedetailleerde overwegingen die het Gerecht aan dit middel wijdt en stel dan ook voor, het eerste onderdeel van het door de Duitse regering ingeroepen middel te verwerpen.
10. Het tweede onderdeel, excessieve steuncontrole door de Commissie, is geheel gebaseerd op de opvatting dat de Commissie artikel 92, lid 2, sub c, EG-Verdrag [thans, na wijziging, artikel 87, lid 2, sub c, EG] had moeten toepassen. Daarom had zij een meer beperkte controle moeten uitoefenen dan op grond van artikel 92, lid 3, van het Verdrag heeft plaatsgehad.
11. Uit mijn reeds aangehaalde conclusie volgt dat de Commissie naar mijn oordeel geen beoordelingsfout heeft begaan door bij de vaststelling van de bestreden beschikking artikel 92, lid 2, sub c, van het Verdrag niet toe te passen.
12. Ik stel daarom voor, ook het tweede onderdeel en daarmee het middel in zijn geheel te verwerpen.
13. Tot slot beroept de Duitse regering zich nog op een middel dat niet voor het Gerecht aan de orde is geweest en logischerwijze evenmin in hogere voorziening.
14. Volgens de Duitse regering is de motivering van de bestreden beschikking tegenstrijdig en wordt aldus artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG) geschonden.
15. In concreto bestaat deze tegenstrijdigheid eruit dat de Commissie enerzijds in punt III verklaart dat VW op 13 januari 1993 besloot [...] essentiële onderdelen van de geplande investeringen drie jaar uit te stellen, terwijl zij anderzijds in punt XII stelt dat de toekomstige investeringen voor een nieuwe lakstraat en een eindmonteringswerkplaats in Mosel II [...] een uitbreiding van bestaande capaciteiten [vormen]. Volgens de Duitse regering betekent een uitstel van de investeringen, dat deze nog niet waren gerealiseerd, terwijl een uitbreiding van de bestaande capaciteit logischerwijs de realisering van investeringen veronderstelt.
16. De Commissie merkt terecht op dat deze twee overwegingen niet met elkaar in tegenspraak zijn, aangezien zij ieder in een totaal verschillende context staan.
17. De constatering dat de investeringen zijn uitgesteld, is zuiver feitelijk en betreft de door Volkswagen vastgestelde investeringsagenda.
18. Hetgeen de Commissie heeft opgemerkt over de uitbreiding van de bestaande capaciteit, houdt daarentegen verband met de beoordeling van de aard van de investering, een investering op het open veld of ter uitbreiding van bestaande capaciteiten. Deze begrippen hebben uitsluitend betrekking op de omgeving waarin wordt geïnvesteerd, en vooral op de staat van de ontwikkeling van de locatie op het moment van inbedrijfstelling van een fabriek of een eenheid (4) .
19. Het feit dat een investering ooit is uitgesteld, verhindert dus niet dat deze investering, wanneer zij eenmaal is gedaan, vanuit het oogpunt van de ontwikkeling van de locatie een uitbreidingsinvestering is.
20. Ik stel dan ook voor, het middel van de Duitse regering inzake tegenstrijdige motivering van de bestreden beschikking te verwerpen.
Conclusie
21. Gezien het bovenstaande concludeer ik tot:
─ verwerping van het beroep van de Bondsrepubliek Duitsland;
─ verwijzing van de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 308, blz 46.
3 – T-132/96 en T-143/96, Jurispr. blz. II-3663.
4 – Zie de vaststellingen van het Gerecht betreffende de begrippen investering in het open veld en uitbreiding in de punten 238 tot en met 257 van het bestreden arrest. Zie vooral punt 246.
Full & Egal Universal Law Academy