Conclusie van de advocaat generaal
Inleiding
1 De Arbeidsrechtbank te Brussel verzoekt het Hof in deze zaak om uitlegging van de overgangsbepalingen van een verordening tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(1) (hierna: "verordening nr. 1408/71"), met betrekking tot de berekening van een invaliditeitspensioen.
De toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
2 Verordening nr. 1408/71 geeft, onder meer, regels betreffende de pensioenrechten van werknemers en zelfstandigen die aan de wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten onderworpen waren. Artikel 46 van de verordening bepaalde de berekeningswijze voor de toekenning en de vaststelling van deze uitkeringen.
3 Verordening nr. 1408/71 is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992(2) (hierna: "wijzigingsverordening"). Deze wijzigde met name de inhoud van artikel 46 en dus de berekeningswijze van de pensioenuitkeringen. Voorts bevat zij de volgende overgangsbepaling:
"Artikel 95 bis
Overgangsbepalingen voor de toepassing van [de wijzigingsverordening]
1. Aan [de wijzigingsverordening] kan geen enkel recht worden ontleend voor een tijdvak dat aan 1 juni 1992 voorafgaat.
2. Voor de bepaling van de aan [de wijzigingsverordening] te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering of van wonen dat krachtens de wetgeving van een Lid-Staat vóór 1 juni 1992 is vervuld.
3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 ontstaat krachtens [de wijzigingsverordening] zelfs dan een recht, wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis welke vóór 1 juni 1992 heeft plaatsgevonden.
4. De rechten van de betrokkenen wier pensioen vóór 1 juni 1992 werd vastgesteld, kunnen op hun verzoek met inachtneming van [de wijzigingsverordening] worden herzien.
5. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek binnen twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de aan [de wijzigingsverordening] te ontlenen rechten met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van enige Lid-Staat met betrekking tot het verval of de verjaring van rechten op de betrokkenen kunnen worden toegepast.
6. Indien het in lid 4 bedoelde verzoek na afloop van de termijn van twee jaar na 1 juni 1992 wordt ingediend, worden de niet vervallen of verjaarde rechten met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend verkregen, tenzij gunstigere bepalingen van de wetgeving van enige Lid-Staat van toepassing zijn."
De procedure in het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
4 S. Baldone werd op 4 mei 1970 arbeidsongeschikt in België en ontving een invaliditeitspensioen sinds 4 mei 1971. Voordien was hij achtereenvolgens in Italië (169 weken), in Duitsland (30 maanden) en in België (2 366 dagen) verzekerd geweest.
5 Baldone's recht op uitkeringen is ingevolge artikel 40 van verordening nr. 1408/71 onderzocht door Italië, Duitsland en België en vastgesteld overeenkomstig artikel 46 van die verordening. Het Belgische Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: "RIZIV") stelde op 13 september 1985 het bedrag van de Belgische uitkering vast.
6 Op 1 oktober 1985 stelde Baldone bij de Arbeidsrechtbank te Brussel beroep in tegen de beschikking van het RIZIV, op grond dat het bedrag van de uitkering verkeerd zou zijn berekend. De behandeling van de zaak werd evenwel geschorst in afwachting van de uitspraak van het Hof in een soortgelijke zaak. Bij arrest van 18 februari 1993(3) stelde het Hof vast, dat de Belgische autoriteiten de invaliditeitsuitkeringen voor migrerende werknemers verkeerd hadden berekend.
7 Gezien dit arrest trok het RIZIV op 4 mei 1994 zijn oorspronkelijke beschikking in en corrigeerde het het bedrag van Baldone's invaliditeitspensioen overeenkomstig het arrest. Deze nieuwe berekening volgens de tot dan toe geldende regels van verordening nr. 1408/71 leverde voor Baldone een hogere uitkering op dan hem voordien was toegekend. Het RIZIV kende Baldone deze hogere uitkering evenwel slechts toe voor de periode tot 31 mei 1992. Voor de periode na deze datum berekende het de uitkering volgens de nieuwe regels van de wijzigingsverordening.
8 Op 30 mei 1994 stelde Baldone bij de Arbeidsrechtbank te Brussel een nieuw beroep in tegen het RIZIV. Zijns inziens kon de beschikking van 4 mei 1994 niet worden beschouwd als de eerste beschikking tot toekenning van pensioenrechten, zodat het bevoegde orgaan krachtens artikel 95 bis, leden 4 tot en met 6, van de wijzigingsverordening zijn uitkering niet ambtshalve kon verlagen. Volgens het RIZIV daarentegen is de beschikking van 4 mei 1994 de eerste waarbij Baldone's pensioenrechten juist zijn vastgesteld, zodat ingevolge artikel 95 bis, leden 1 tot en met 3, van de wijzigingsverordening de nieuwe berekeningsregels moeten worden toegepast.
9 In deze context heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel bij beschikking van 5 september 1996 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1) Moeten de leden 1 tot en met 3 van het bij verordening nr. 1248/92 ingevoegde artikel 95 bis van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat het orgaan van een Lid-Staat, wanneer het na 31 mei 1992 de rechten van een invalide in het kader van de verordeningen vaststelt, voor het tijdvak eindigend op 31 mei 1992 de bepalingen van verordening nr. 1408/71 (met name artikel 46) in de geconsolideerde versie van verordening nr. 2001/83 moet toepassen, en met ingang van 1 juni 1992 de bepalingen van verordening nr. 1408/71 zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92?
2) Zo ja, zijn de bepalingen dan op dezelfde wijze van toepassing:
a) wanneer de in geding zijnde beschikking de eerste vaststelling door dat orgaan is van de rechten van de verzekerde in het kader van de verordeningen,
b) wanneer bij een vóór 1 juni 1992 vastgestelde eerste beschikking de rechten volgens de verordeningen niet correct waren vastgesteld en die beschikking na 1 juni 1992 moest worden geannuleerd en vervangen door een rectificatiebeschikking, die dus de eerste is waarbij de rechten in het kader van de verordeningen correct zijn vastgesteld,
c) wanneer een vóór 1 juni 1992 vastgestelde en overigens correcte eerste beschikking na 1 juni 1992 moet worden geannuleerd en vervangen, omdat een ander betrokken orgaan een rectificatiebeschikking heeft vastgesteld?
3) Indien de eerste twee vragen bevestigend worden beantwoord, kan de nieuwe vaststelling van de uitkering per 1 juni 1992 tot gevolg hebben, dat de verschuldigde uitkering beneden het bedrag komt te liggen dat op 31 mei 1992 ingevolge de tot die datum toepasselijke verordeningsbepalingen verschuldigd was, nu de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 119 bis van verordening nr. 574/72(4) bij verordening nr. 1248/92 niet zijn gewijzigd of aangevuld om ze per 1 juni 1992 toepasselijk te maken?"
10 Met deze vragen wenst de nationale rechter eigenlijk te vernemen, welke regels gelden voor de vaststelling van de rechten van een rechthebbende op een invaliditeitspensioen, wanneer die rechten reeds vóór 31 mei 1992 volgens de tot dan toe geldende regels van verordening nr. 1408/71 aan de betrokkene zijn toegekend, doch de pensioenbeschikking na 31 mei 1992 is gecorrigeerd naar aanleiding van de vaststelling door het Hof, dat de oorspronkelijke berekening onjuist was.
De procedure voor het Hof
11 Baldone stelt, dat wanneer een bevoegd orgaan, wegens een vergissing bij de berekening van een uitkering, het recht van een werknemer op een eerder op basis van de regels van verordening nr. 1408/71 toegekend invaliditeitspensioen na 1 juni 1992 moet herberekenen, dit orgaan de voordien toegekende uitkering voor de periode vanaf 1 juni 1992 niet ambtshalve kan verlagen volgens de nieuwe regels van de wijzigingsverordening.
12 Volgens het RIZIV en de Belgische regering moet het bevoegde orgaan van een Lid-Staat, wanneer het na 31 mei 1992 de rechten van een rechthebbende op een invaliditeitspensioen vaststelt, voor de periode tot 31 mei 1992 de voordien geldende bepalingen van verordening nr. 1408/71 en voor de periode na 1 juni 1992 de nieuwe bepalingen van de wijzigingsverordening toepassen. Dit geldt ook wanneer een eerdere beschikking na 1 juni 1992 wordt ingetrokken en vervangen door een rectificatiebeschikking.
13 Volgens de Commissie zijn de regels van artikel 95 bis, leden 1 tot en met 3, van de wijzigingsverordening niet van toepassing op uitkeringen die vóór 1 juni 1992 zijn toegekend, en betekent de regel van artikel 95 bis, lid 4, dat een bevoegde instantie uitkeringen die voor die datum zijn toegekend, niet ambtshalve kan herzien.
Discussie
14 Volgens artikel 95 bis, leden 1 tot en met 3, van de wijzigingsverordening kan aan deze verordening geen enkel recht op uitkeringen worden ontleend voor het tijdvak dat aan haar inwerkingtreding voorafgaat (lid 1), doch moet voor de bepaling van de aan de wijzigingsverordening te ontlenen rechten rekening worden gehouden met de rechten die vóór die datum worden verworven uit hoofde van tijdvakken van verzekering of van wonen (lid 2) of die in verband staan met een ingetreden gebeurtenis (lid 3). Deze regels betreffen dus uitkeringen die voor het eerst na de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening worden toegekend.
15 De bepalingen van artikel 95 bis, leden 4 tot en met 6, van de wijzigingsverordening betreffen daarentegen rechten die reeds vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening waren toegekend. Volgens het bepaalde in lid 4 laten de gewijzigde regels de volgens de tot dan toe toepasselijke regels toegekende uitkeringen onverlet, tenzij de betrokkenen zelf om herziening ervan verzoeken. Een dergelijk verzoek om herziening moet binnen een termijn van twee jaar worden ingediend. Bij latere indiening is de datum van het verzoek beslissend, tenzij de rechten op dat tijdstip vervallen of verjaard zijn (leden 5 en 6).
16 De vraag of een situatie onder de leden 1 tot en met 3 dan wel onder de leden 4 tot en met 6 van artikel 95 bis valt, hangt dus af van het tijdstip waarop de autoriteiten van een Lid-Staat hebben beslist dat een voormalig werknemer al dan niet recht op pensioen heeft. Indien vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening is beslist dat de betrokkene een dergelijk recht heeft, zijn de leden 4 tot en met 6 van artikel 95 bis van toepassing. Dat de autoriteiten van de Lid-Staat vervolgens het bedrag van de pensioenrechten corrigeren, is in dit verband zonder belang. De nationale autoriteiten zouden bijvoorbeeld op een gegeven tijdstip vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening kunnen vaststellen, dat een voormalig werknemer recht op pensioen heeft, doch dat het pensioenbedrag op dat tijdstip 0 bedraagt. In gewijzigde omstandigheden in de toekomst kan het bedrag van de pensioenrechten eveneens wijziging ondergaan, terwijl het recht op pensioen blijft bestaan.
17 Volgens artikel 95 bis, lid 4, van de wijzigingsverordening kunnen enkel wanneer de betrokkene zelf om herziening van de voordien toegekende uitkering verzoekt, de nieuwe berekeningsregels van de wijzigingsverordening worden toegepast op de vóór de inwerkingtreding van deze verordening toegekende rechten. De nieuwe berekeningswijze kan zowel een verhoging als een verlaging van de voordien betaalde uitkeringen tot gevolg hebben. De regels voor de berekening van pensioenuitkeringen die volgens artikel 46 van verordening nr. 1408/71 of artikel 46 van de wijzigingsverordening worden betaald aan werknemers die in meerdere Lid-Staten hebben gewerkt, zijn vrij ingewikkeld. Van de belanghebbende kan dus bezwaarlijk worden verwacht, dat hij deze regels beheerst en weet of een berekening volgens de nieuwe regels een gunstig resultaat zal opleveren. Mijns inziens kan een pensioengerechtigde derhalve een voorwaardelijk verzoek om herziening indienen, in die zin dat hij slechts een herberekening van zijn uitkering wenst indien deze op basis van de nieuwe berekeningsregels hoger zou zijn.
18 Uit de bepalingen van artikel 95 bis volgt dus, dat de leden 1 tot en met 3 de na 1 juni 1992 toe te kennen rechten en de leden 4 tot en met 6 de vóór 1 juni 1992 toegekende rechten betreffen. Uit de door de nationale rechter verstrekte feitelijke gegevens van de onderhavige zaak blijkt, dat het RIZIV Baldone bij beschikking van 13 december 1985 recht op pensioen had toegekend, doch het bedrag ervan verkeerd had berekend. Was er geen probleem geweest met de berekening van de uitkering volgens de voordien geldende regels, dus was de uitkering vanaf het begin correct vastgesteld, dan hadden de Belgische autoriteiten geen enkele aanleiding gehad om Baldone's uitkering na 1 juni 1992 te herzien, aangezien er geen enkele wijziging in zijn situatie was gekomen. De hem toegekende uitkering zou zonder meer zijn voortgegaan en er zou geen enkele twijfel over hebben bestaan, dat de situatie onder artikel 95 bis, leden 4 tot en met 6, viel.
19 Dat de Belgische autoriteiten later - negen volle jaren nadat Baldone beroep had ingesteld tegen de berekening van zijn pensioenrechten - na 1 juni 1992, de datum van inwerkingtreding van de wijzigingsverordening, hebben erkend dat de oorspronkelijke berekening van de pensioenrechten onjuist was, verandert mijns inziens niets aan het feit dat die rechten reeds in 1985 zijn toegekend. De beschikking van het RIZIV van 4 mei 1994 hield enkel in, dat de Belgische autoriteiten Baldone een pensioenuitkering toekenden, berekend overeenkomstig hetgeen waarop hij naar gemeenschapsrecht steeds recht had gehad. Zij wijzigde niets aan het feit dat het pensioen al in 1985 aan Baldone was toegekend. Dat de Belgische autoriteiten de uitkering aanvankelijk verkeerd berekenden en negen jaar wachtten om die fout te herstellen, kan niet ten nadele van de rechthebbende uitvallen.
20 Mijns inziens valt het onderhavige geval dus onder de overgangsbepaling van artikel 95 bis, lid 4, daar de pensioenrechten (ruim) vóór 1 juni 1992 aan Baldone zijn toegekend. Zoals gezegd kan in dit geval alleen de pensioengerechtigde zelf om herziening van de toegekende uitkeringen verzoeken. Deze bepaling biedt het bevoegde orgaan echter niet de mogelijkheid, een reeds volgens de voordien toepasselijke regels toegekende uitkering ambtshalve te verlagen.
21 In dezelfde zin heeft het Hof in een arrest van 13 oktober 1976(5) in een zaak betreffende de uitlegging van artikel 94, lid 5, van verordening nr. 1408/71, dat in gelijke termen was geformuleerd als artikel 95 bis, lid 4, verklaard (r.o. 15-18), dat
"(...) de overgangsbepalingen van de verordening, waartoe het genoemde lid behoort, uitgaan van het beginsel, dat de ingevolge [de eerdere regeling] toegekende uitkeringen die voordeliger zijn dan die welke uit de nieuwe verordening voortvloeien, niet zullen worden gekort;
dat de bepaling ten doel heeft de betrokkene het recht te geven om te zijnen voordele herziening te vragen van de onder vigeur van de vroegere verordening vastgestelde uitkeringen;
dat het met dit doel in strijd zou zijn als aan de bevoegde instelling het recht werd toegekend dergelijke uitkeringen ambtshalve te herzien ten nadele van betrokkene;
dat derhalve op de gestelde vraag moet worden geantwoord, dat artikel 94, lid 5, aldus is te verstaan, dat de bevoegde instelling van een Lid-Staat zich niet in de plaats van een verzekerde kan stellen voor de herziening van de rechten welke deze heeft verkregen vóór de inwerkingtreding van de verordening".
22 Volledigheidshalve merk ik op, dat partijen in de loop van het geding op artikel 51 van verordening nr. 1408/71 hebben gewezen. Ik meen echter, dat wij niet nader op deze bepaling behoeven in te gaan, omdat, naar ons is meegedeeld, de Belgische bepalingen inzake de vaststelling of berekening van uitkeringen niet zijn gewijzigd.
Conclusie
23 Mitsdien stel ik het Hof voor, de vragen te beantwoorden als volgt:
"De regels van artikel 95 bis, leden 1 tot en met 3, van verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij niet van toepassing zijn wanneer het recht op uitkering vóór de inwerkingtreding van eerstgenoemde verordening is toegekend, ongeacht of de desbetreffende beschikking op een later tijdstip wordt ingetrokken en vervangen door een andere beschikking om een verkeerde berekening van het uitkeringsbedrag volgens de voordien geldende regels te corrigeren.
De regel van artikel 95 bis, lid 4, van de verordening verzet zich ertegen, dat de autoriteiten van een Lid-Staat vóór de inwerkingtreding van de verordening toegekende uitkeringen ambtshalve verlagen."
(1) - PB 1971, L 149, blz. 2, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983; PB 1983, L 230, blz. 6.
(2) - PB 1992, L 136, blz. 7.
(3) - Zaak C-193/92, Bogana, Jurispr. 1993, blz. I-755.
(4) - Bedoeld is natuurlijk verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 (PB 1983, L 230, blz. 6).
(5) - Zaak 32/76, Saieva, Jurispr. 1976, blz. 1523.
Full & Egal Universal Law Academy