Conclusie van de advocaat generaal
1 Bij beschikking van 10 juli 1996 heeft het Supremo Tribunal Administrativo (Pleno da Secçao de Contencioso Tributário) het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de mogelijkheid tot verlenging van de door de douaneautoriteiten gestelde termijn voor het verrichten van veredelingshandelingen aan ingevoerde goederen, alvorens die goederen, verwerkt in veredelingsproducten, weer worden uitgevoerd.
2 Die vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen de Portugese douanedienst en de onderneming Fábrica de Queijo Eru Portuguesa Ld.° (hierna: "Eru Portuguesa"), met betrekking tot de gedeeltelijke uitvoer van een partij boter die onder de regeling actieve verdeling uit Nieuw-Zeeland was ingevoerd.
3 In maart 1988 voerde Eru Portuguesa krachtens vergunning nr. 128/88 van de douanedienst te Lissabon, 108 ton boter in uit Nieuw-Zeeland, in het kader van de regeling actieve veredeling, conform de administratieve documenten nrs. 5801 en 6236 van 18 respectievelijk 23 maart 1988, afgegeven door de Delegación Aduanera de Jardim do Tabaco.
Volgens de door de douane afgegeven vergunning zou de Nieuw-Zeelandse boter samen met andere grondstoffen dienen voor de bereiding van smeltkaas, het door Eru Portuguesa uit te voeren veredelingsproduct.
4 De termijn voor wederuitvoer was in de vergunning voor actieve veredeling vastgesteld op zes maanden. Die termijn werd door de Portugese douaneautoriteiten evenwel twee maal verlengd op verzoek van Eru Portuguesa, die zich daartoe op overmacht beriep. Met de eerste verlenging, van zes maanden, werd de termijn verlengd tot maart 1989 en bij de tweede met twee maanden, tot 23 mei 1989.
5 Bij brief van 21 juni 1989 verzocht Eru Portuguesa de directeur-generaal van de douanedienst nogmaals om verlenging van de termijn krachtens artikel 27 van verordening (EEG) nr. 3677/86(1), opdat het restant van de Nieuw-Zeelandse boter, naar schatting ongeveer 30 ton, "in het uit te voeren eindprodukt zou kunnen worden verwerkt"; subsidiair vroeg zij om toestemming de goederen "in ongewijzigde staat" weer uit te voeren, overeenkomstig artikel 18, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1999/85.(2)
6 De adjunct-directeur van de douanedienst wees dit verzoek af bij beschikking van 12 juli 1989, die was gebaseerd op het afwijzende advies van de directie van de diensten van de internationale samenwerking op douanegebied van het directoraat-generaal douane.
7 Eru Portuguesa verzocht het Tribunal Tributário de Segunda Instância om nietigverklaring van deze afwijzende beschikking met het betoog, dat deze onvoldoende was gemotiveerd en in strijd was met het bepaalde in de ter zake toepasselijke communautaire verordeningen; deze rechterlijke instantie verwierp het beroep bij vonnis van 5 februari 1991. Eru Portuguesa stelde daarop hoger beroep in bij het Supremo Tribunal Administrativo, dat bij arrest van 1 juli 1992 het hoger beroep verwierp en het vonnis in eerste aanleg bekrachtigde. Eru Portuguesa wendde zich vervolgens tot de Pleno da Secçao de Contencioso Tributário del Supremo Tribunal Administrativo (de voltallige belastingkamer), die het nodig achtte het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1) Moet artikel 28 van verordening (EEG) nr. 3677/86 van de Raad van 24 november 1986 aldus worden uitgelegd, dat de daarin gestelde termijn niet kan worden verlengd?
2) Of moet deze bepaling veeleer aldus worden uitgelegd, dat op die termijn de algemene regeling voor verlenging als bedoeld in artikel 27 van die verordening en in artikel 14, lid 2, laatste volzin, van verordening (EEG) nr. 1999/85 van de Raad van 16 juli 1985 moet worden toegepast?"
8 Alvorens een antwoord op deze prejudiciële vragen voor te stellen, zal ik de meest relevante punten bespreken van de communautaire regeling voor actieve veredeling, zoals die op het relevante tijdstip gold.
De communautaire regeling inzake actieve veredeling
9 Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding was de economische douaneregeling voor actieve veredeling neergelegd in verordening nr. 1999/85, de basisverordening op dit gebied. Verordening nr. 3677/86 bevatte de uitvoeringsbepalingen. Beide verordeningen zijn op 1 januari 1987 in werking getreden.
10 De bepalingen ervan maken van de actieve veredeling een economische douaneregeling, die bedoeld is om voor communautaire ondernemingen het gebruik van goederen uit derde landen voor de vervaardiging en bewerking van voor uitvoer bestemde goederen te vergemakkelijken. Op grond van de regeling actieve veredeling "kunnen uit derde landen ingevoerde goederen worden vrijgesteld van douanerechten wanneer zij in de Gemeenschap bepaalde bewerkingen of verwerkingen ondergaan en vervolgens als veredelingsprodukten opnieuw uit de Gemeenschap worden uitgevoerd".(3) Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1999/85 noemt twee vormen van actieve veredeling, namelijk het schorsings- en het terugbetalingssysteem.
Volgens het schorsingssysteem kunnen onder de regeling actieve veredeling niet-communautaire goederen het communautaire douanegebied worden binnengebracht zonder vervulling van inklaringsformaliteiten en zonder betaling van invoerrechten, met het doel deze goederen te bewerken of te verwerken en vervolgens weer uit de Gemeenschap uit te voeren in de vorm van veredelingsproducten als het resultaat van deze handelingen.(4) Aangezien de buitenlandse goederen niet in de communautaire economische circuits zullen worden opgenomen, is het logisch dat zij vrij van rechten kunnen worden ingevoerd, waardoor de verwerking ervan door een communautaire onderneming onder de best mogelijke mededingingsvoorwaarden wordt bevorderd met het oog op de latere uitvoer naar derde landen.(5)
11 De actieve veredeling vormt een uitzondering op de algemene regel, dat goederen afkomstig uit derde landen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, onderworpen zijn aan de inklaringsverplichtingen en aan de betaling van invoerrechten. Het gebruik van deze douaneregeling, die de exportcapaciteit van de communautaire ondernemingen beoogt te bevorderen, is dan ook onderworpen aan een vergunning van de douaneautoriteit van de Lid-Staat waar de veredelingshandelingen worden verricht. Deze vergunning wordt volgens de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 1999/85 verleend, indien aan de noodzakelijke economische voorwaarden is voldaan, dat wil zeggen, indien de regeling actieve veredeling bijdraagt tot het scheppen van gunstige voorwaarden voor de uitvoer van de veredelingsproducten, zonder dat de wezenlijke belangen van de communautaire producenten worden geschaad.
12 Wanneer zij de vergunning verleent, beslist de douaneautoriteit van de betrokken Lid-Staat tevens over de termijn waarbinnen de veredelingsproducten een van de in artikel 18 genoemde bestemmingen moeten krijgen (de normale bestemming is uitvoer onder douanetoezicht uit het douanegebied van de Gemeenschap), waarmee de regeling actieve veredeling wordt beëindigd. Te dien einde bepaalt artikel 14 van verordening nr. 1999/85:
"1. De douaneautoriteit stelt de termijn vast waarbinnen de veredelingsprodukten een van de in artikel 18 bedoelde bestemmingen moeten hebben gekregen. Bij de vaststelling van deze termijn wordt rekening gehouden met de tijd die nodig is voor het verrichten van de veredelingshandelingen en het afzetten van de veredelingsprodukten.
2. De termijnen beginnen te lopen vanaf de datum waarop de niet-communautaire goederen onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst. De douaneautoriteit kan deze termijnen verlengen op met redenen omkleed verzoek van de vergunninghouder.
(...)
4. Volgens de procedure van artikel 31, leden 2 en 3, kunnen voor bepaalde veredelingshandelingen of voor bepaalde invoergoederen specifieke termijnen worden vastgesteld."
13 De bepalingen ter uitvoering van dit artikel van de basisverordening zijn te vinden in de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3677/86. Artikel 27 luidt als volgt: "Indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen kan een verlenging van de termijn die is gesteld om een van de in artikel 18 of in artikel 27 van de basisverordening bedoelde bestemmingen te krijgen worden toegestaan, zelfs na het verstrijken van de oorspronkelijk toegestane termijn."
Artikel 28 is als volgt geformuleerd: "Voor de landbouwprodukten van dezelfde soort als bedoeld in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 565/80 (...) mag, wanneer deze produkten bestemd zijn om te worden uitgevoerd in de vorm van verwerkte produkten of goederen in de zin van artikel 2, onder b) of c), van genoemde verordening, de termijn waarbinnen aan de invoergoederen een van de in artikel 18 van de basisverordening bedoelde bestemmingen moet zijn gegeven, niet meer dan zes maanden bedragen."
14 Bij verordening (EEG) nr. 2281/88(6), in werking getreden op 26 juli 1988, is aan artikel 28 van verordening nr. 3677/86 de volgende alinea toegevoegd: "Voor de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad bedoelde produkten die bestemd zijn voor de vervaardiging van in laatstgenoemd artikel bedoelde produkten of van in de bijlage van die verordening bedoelde goederen, mag evenwel de termijn voor wederuitvoer niet langer zijn dan vier maanden."
De prejudiciële vragen
15 Met de twee prejudiciële vragen wenst de nationale rechter van het Hof te vernemen, of de in artikel 28 van verordening nr. 3677/86 gestelde termijn van zes maanden niet verlengbaar is of toch kan worden verlengd krachtens de algemene regeling voor verlenging, neergelegd in artikel 27 van die verordening.
16 Eru Portuguesa betoogt in haar opmerkingen, dat artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1999/85 de vaststelling van de termijn voor uitvoer van veredelingsproducten bij wijze van algemene regel aan de nationale douaneautoriteiten overlaat. Artikel 28 van verordening nr. 3677/86 stelt evenwel krachtens artikel 14, lid 4, van de basisverordening, voor de wederuitvoer van landbouwproducten waarvoor een vergunning voor actieve veredeling is afgegeven, een maximumtermijn van zes maanden. Bij verordening nr. 2281/88 is deze uitzonderlijke termijn teruggebracht tot vier maanden voor zuivelproducten.
Eru Portuguesa meent dat zowel de algemene termijnen als de specifieke uitvoertermijnen voor landbouw- en zuivelproducten op naar behoren gemotiveerde aanvraag kunnen worden verlengd, overeenkomstig artikel 14, lid 2, van de basisverordening en artikel 27 van verordening nr. 3677/86. Voorts meent zij dat zelfs indien de specifieke termijnen voor uitvoer van landbouw- en zuivelproducten, niet uit hoofde van artikel 27 van verordening nr. 3677/86 verlengbaar zouden zijn, zij in geval van overmacht of samenloop van omstandigheden zoals in casu, toch moeten kunnen worden verlengd. Overmacht en toeval zijn omstandigheden op grond waarvan de producten in ongewijzigde staat weer mogen worden uitgevoerd, zonder de actieve veredeling te hebben ondergaan waardoor zij verwerkt in de veredelingsproducten kunnen worden uitgevoerd.
Eru Portuguesa wijst er bovendien op dat de douanedienst de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid heeft geschonden door, na eerst twee maal een verlenging van de uitvoertermijn te hebben toegestaan, haar derde verzoek om verlenging ongemotiveerd af te wijzen. Deze weigering van de Portugese autoriteiten levert volgens Eru Portuguesa misbruik van bevoegdheid op.
17 De Franse en de Portugese regering en de Commissie menen daarentegen, dat de uitvoertermijn van maximaal zes maanden, zoals in verordening nr. 3677/86 voor landbouwproducten vastgesteld, niet verlengbaar is, omdat hier sprake is van een speciale regel die afwijkt van de algemene bepaling die de douaneautoriteiten toestaat de uitvoertermijn vast te stellen en in gerechtvaardigde gevallen te verlengen.
18 Naar mijn mening is het duidelijk, dat de gemeenschapswetgever bij de invoering van de regeling actieve veredeling rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden die kenmerkend zijn voor het handelsverkeer in landbouwproducten en meer concreet met de termijnen waarbinnen die regeling haar beslag moest krijgen.
19 De algemene regel, die geldt voor alle goederen behalve landbouwproducten, is te vinden in artikel 14, lid 1, van de basisverordening, die aan de douaneautoriteiten de verantwoordelijkheid laat om de termijn vast te stellen voor de afwikkeling van de regeling actieve veredeling. Daarnaast machtigen artikel 14, lid 2, en artikel 27 van verordening nr. 3677/86 de douaneautoriteiten om de oorspronkelijk voor de veredelingshandelingen gestelde termijn te verlengen, op met redenen omkleed verzoek van de vergunninghouder en op voorwaarde dat de omstandigheden het rechtvaardigen. In beginsel wordt verlenging van de termijn toegestaan wanneer aan de daarvoor geldende economische voorwaarden nog steeds is voldaan, dat wil zeggen wanneer de uitvoer van de veredelingsproducten daardoor wordt bevorderd en geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de communautaire producenten.
20 In de onderhavige zaak is het onder de actieve veredeling geplaatste product boter uit Nieuw-Zeeland, bestemd om te worden verwerkt in smeltkaas, het uit te voeren veredelingsproduct. Het gaat dus om landbouwproducten waarvoor niet de hierboven genoemde algemene regel geldt, maar de bijzondere regel betreffende de uitvoertermijn, in artikel 28 van verordening nr. 3677/86 vastgesteld op grond van de machtiging van artikel 14, lid 4, van de basisverordening. Deze bijzondere regel geldt voor de in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 565/80(7) bedoelde landbouwproducten, waaronder melk en zuivelproducten, die bestemd zijn om te worden uitgevoerd als verwerkte goederen of producten die in aanmerking komen voor restitutie bij uitvoer.
21 Artikel 28 van verordening nr. 3677/86 stelt een termijn van maximaal zes maanden voor de uitvoering van de regeling actieve veredeling en daarmee voor de uitvoer van het veredelingsproduct, waarmee een dergelijke regeling gewoonlijk een einde neemt. Gelet op de overschotsituatie van de communautaire zuivelproductie is bij verordening nr. 2281/88 de termijn voor de afwikkeling van deze regeling beperkt tot vier maanden voor producten, waaronder boter en kaas, die onder de gemeenschappelijke marktordening voor zuivelproducten vallen.(8)
Dat de gemeenschapswetgever strikte termijnen stelt voor de afwikkeling van de regeling actieve veredeling van landbouwproducten, beantwoordt, gelijk de Franse regering en de Commissie hebben opgemerkt, aan de noodzaak een evenwicht te bewaren tussen die regeling en het stelsel van restitutie bij uitvoer, die beide instrumenten zijn voor de bevordering van de communautaire uitvoer. De termijnen voor de uitvoering van de actieve veredeling zijn teruggebracht, daar dit de enige manier is om de essentiële belangen van de communautaire producenten te beschermen, aangezien aan de economische omstandigheden die op een bepaald moment reden zijn om actieve veredeling van landbouwproducten uit derde landen toe te staan, bij stijging van de communautaire productie snel een einde kan komen.
22 Gelet op het doel dat de gemeenschapswetgever nastreeft met deze specifiek voor landbouwproducten geldende termijnen voor de afwikkeling van de regeling actieve veredeling, meen ik dat artikel 27 van verordening nr. 3677/86 op dergelijke gevallen niet toepasselijk is. Naar mijn mening zijn de voor landbouw- en zuivelproducten geldende maximumtermijnen van zes respectievelijk vier maanden niet verlengbaar en kan de algemene verlengingsregeling van artikel 27 daarop niet worden toegepast, want deze bepaling geldt alleen voor de termijnen voor de uitvoering van de actieve veredeling die door de nationale douaneautoriteiten zijn vastgesteld. Het doel dat de gemeenschapswetgever nastreeft met de vaststelling van maximumtermijnen voor de afwikkeling van de actieve veredeling, zou niet kunnen worden bereikt wanneer de douaneautoriteiten de mogelijkheid hadden die termijnen op met redenen omkleed verzoek van de vergunninghouder te verlengen.
23 Ook op grond van de bewoordingen van artikel 28 van verordening nr. 3677/86 moet worden aangenomen, dat de termijnen van zes en vier maanden niet kunnen worden verlengd. Dit artikel bepaalt, dat de termijn waarbinnen aan de invoergoederen een van de bestemmingen moet zijn gegeven waarmee de regeling actieve veredeling een einde neemt, "niet meer dan zes maanden mag bedragen". Gelijksoortige bewoordingen treft men aan in de tweede alinea, betreffende melk en zuivelproducten, die is ingevoegd bij verordening nr. 2281/88; volgens deze bepaling mag de termijn voor wederuitvoer "niet langer zijn dan vier maanden". De dwingende bewoordingen van dit artikel sluiten de mogelijkheid uit, dat de specifieke termijnen voor de afwikkeling van de actieve veredeling op de voet van artikel 27 van verordening nr. 3677/86 kunnen worden verlengd. Daarvoor zou de gemeenschapswetgever uitdrukkelijk in de mogelijkheid van verlenging van zulke specifieke termijnen moeten hebben voorzien, maar het zou nogal onlogisch geweest zijn een kortere maximumtermijn vast te stellen maar tegelijkertijd de douaneautoriteiten de mogelijkheid te geven om deze op gemotiveerd verzoek van de vergunninghouder te verlengen.
24 Bij systematische uitlegging van artikel 28 van verordening nr. 3677/86 komt men eveneens tot de conclusie, dat de daarin vastgelegde termijnen niet kunnen worden verlengd. Dit artikel is een bijzondere bepaling, die voorrang heeft boven de algemene regel van artikel 27, dat wel verlenging van de termijnen voor afwikkeling van de regeling actieve veredeling toestaat. Verordening nr. 2281/88, waarbij aan artikel 28 van verordening nr. 3677/86 een tweede alinea werd toegevoegd en de termijn voor wederuitvoer voor melk en zuivelproducten tot vier maanden werd teruggebracht, bevat bovendien in de derde overweging van de considerans de verklaring dat "het wenselijk is de niet verder verlengbare maximumtermijn, waarbinnen de veredelingsproducten een van de toegelaten bestemmingen moeten hebben gekregen, vast te stellen". Ongeacht of de bij verordening nr. 2281/88 aangebrachte wijziging nu wel of niet van toepassing is op de onderhavige casus, een vraag die door de nationale rechter moet worden beantwoord en niet van invloed is voor de aan het Hof gevraagde uitlegging, is deze vermelding van de niet-verlengbaarheid van de maximimtermijn voor wederuitvoer een bruikbare aanwijzing bij de uitlegging van artikel 28 van verordening nr. 3677/86 in zijn geheel. De latere communautaire wetgeving die de actieve veredeling sindsdien regelt, handhaaft deze tweesporigheid tussen een algemene, door de douaneautoriteiten vast te stellen termijn, die verlengbaar is en voor alle onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen geldt, en specifieke termijnen, die niet verlengbaar zijn en gelden voor landbouwproducten die voor restitutie bij uitvoer in aanmerking komen.(9)
25 Het feit ten slotte dat de douaneautoriteiten van een Lid-Staat onjuiste toepassing hebben gegeven aan artikel 28 van verordening nr. 3677/86 en, zoals in casu is gebeurd, verlengingen van de aanvankelijk vastgestelde termijn hebben toegestaan voor de uitvoering van de regeling actieve veredeling van een landbouwproduct, is geen omstandigheid op grond waarvan een vergunninghouder een nieuwe verlenging van die termijn kan vragen en zich bij weigering kan beroepen op schending van de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid, misbruik van bevoegdheid of overmacht.
26 Het rechtszekerheidsbeginsel is een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, dat onder meer verlangt dat een regeling waarbij aan de belastingplichtige lasten worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de belastingplichtige ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen en dienovereenkomstig zijn voorzieningen kan treffen.(10) Naar mijn mening beantwoordt artikel 28 van verordening nr. 3677/86 volledig aan de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het voldoende duidelijk de termijn stelt waarbinnen de regeling actieve veredeling voor landbouwproducten die voor restitutie bij uitvoer in aanmerking komen, moet worden uitgevoerd.
27 Wat het vertrouwensbeginsel betreft, dat eveneens behoort tot de fundamentele beginselen van gemeenschapsrecht(11), lijkt het mij duidelijk dat een beroep hierop niet mogelijk is in een geval waarin administratieve beslissingen op basis van een onjuiste toepassing van een gemeenschapsbepaling zijn genomen. Het middel inzake misbruik van bevoegdheid verdient evenmin lang beraad, omdat de weigering door de douaneinstanties van een nieuwe verlenging van de termijn voor de beëindiging van de actieve veredeling in casu volledig beantwoordt aan het met artikel 28 van verordening nr. 3677/86 nagestreefde doel: de douaneinstanties hebben dus hun bevoegdheden niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheden hun zijn verleend.(12)
28 Evenmin kan in deze zaak een beroep op overmacht(13) dienen ter rechtvaardiging van een verzoek om verlenging van de termijn voor de uitvoering van de regeling actieve veredeling of voor de uitvoer van de boter in ongewijzigde staat, want er is niet gesteld dat zich abnormale en onvoorzienbare, van de wil van de betrokken ondernemer onafhankelijke omstandigheden hebben voorgedaan die de verwerking van de waren tot veredelingsproduct, door middel van daartoe strekkende veredelingshandelingen, hebben belet. Bovendien is de actieve veredeling een economische douaneregeling die voordelen in zich bergt voor degenen die er gebruik van maken, maar niet-vervulling van de aan die regeling verbonden verplichtingen betekent, dat de goederen uit het derde land in het vrije verkeer moeten worden gebracht en invoerrechten verschuldigd worden, zoals dat in de regel het geval is bij de invoer van goederen.
Conclusie
29 Gelet op voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"Artikel 28 van verordening (EEG) nr. 3677/86 van de Raad van 24 november 1986 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1999/85 betreffende de regeling actieve veredeling, moet aldus worden uitgelegd, dat de maximumtermijn voor zes maanden voor beëindiging van de regeling actieve veredeling, in het geval van landbouwproducten die aan het stelsel van restitutie bij uitvoer zijn onderworpen, niet verlengbaar is en niet kan worden verlengd uit hoofde van de algemene bepaling inzake verlenging, neergelegd in artikel 27 van die verordening."
(1) - Verordening van de Raad van 24 november 1986 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1999/85 betreffende de regeling actieve veredeling (PB 1986, L 351, blz. 1).
(2) - Verordening van de Raad van 16 juli 1985 betreffende de regeling actieve veredeling (PB 1985, L 188, blz. 1).
(3) - Arrest van 29 juni 1995 (zaak C-437/93, Temic Telefunken, Jurispr. 1995, blz. I-1687, r.o. 19).
(4) - Zie mijn conclusie in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 maart 1997 (zaak C-103/96, Eridania Beghin-Say, Jurispr. 1997, blz. I-1453, r.o. 8-11).
(5) - Zie voor de bijzonderheden van de regeling actieve veredeling onder meer U. Baumann "Le régime douanier du perfeccionement actif", Revue du marché commun, 1984, nr. 280, blz. 406; C.-J. Berr en H. Tremeau: Le droit douanier, Economica, Parijs, 1992; J.-F. Durand: "Régimes douaniers économiques. Régimes de transformation à l'importation", Juris-Classeur Europe, fascikel 542, 1995.
(6) - Verordening van de Comissie van 25 juli 1988 tot wijziging van verordening nr. 3677/86 (PB 1988, L 200, blz. 20).
(7) - Verordening van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (PB 1980, L 62, blz. 5).
(8) - Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13).
(9) - Zie de artikelen 26 en 28 van verordening (EEG) nr. 2228/91 van de Comissie van 26 juni 1991 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1999/85 (PB 1991, L 210, blz. 1), die per 1 oktober 1994 van toepassing werden. Sinds 1 januari 1994 is de toepasselijke regeling te vinden in artikel 118 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), en in de artikelen 559 en 560 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Comissie van 2 juli 1993, tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2913/92 (PB 1993, L 253, blz. 1).
(10) - Zie onder meer arresten van 13 februari 1996 (zaak C-143/93, Van Es Douane Agenten, Jurispr. 1996, blz. I-431, r.o. 27), en 17 juli 1997 (zaak C-354/95, Farmer's Union e.a., Jurispr. 1997, blz. I-4559, r.o. 57).
(11) - Zie onder meer arresten van 14 februari 1990 (zaak C-350/88, Delacre e.a., Jurispr. 1990, blz. I-395, r.o. 33 en 34), en 5 october 1994 (gevoegde zaken C-133/93, C-300/93 en C-362/93, Crispoltoni e.a., Jurispr. 1994, blz. I-4863, r.o. 57-59).
(12) - Zie onder meer arrest van 13 juli 1995 (zaak C-156/93, Parlement/Comissie, Jurispr. 1995, blz. I-2019, r.o. 31-33).
(13) - Zie onder meer arresten van 12 juli 1979 (zaak 149/78, Rumi, Jurispr. 1979, blz. 2523); 9 februari 1984 (zaak 284/82, Busseni, Jurispr. 1984, blz. 557), en 10 juli 1990 (zaak C-334/87, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-2849, summiere publicatie).
Full & Egal Universal Law Academy