Conclusie van de advocaat generaal
1 De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag beoogt de exacte draagwijdte te bepalen van de financiële gevolgen van de niet-uitvoering van zijn verplichtingen door degene aan wie een opdracht is gegund voor het leveren van mageremelkpoeder als voedselhulp.
I - De relevante gemeenschapsbepalingen
2 Verordening (EEG) nr. 1354/83 van de Commissie van 17 mei 1983(1) (hierna: "verordening"), stelt de algemene voorschriften vast voor de beschikbaarstelling en de levering van mageremelkpoeder als voedselhulp.
3 Volgens artikel 9, lid 1, van de verordening wordt voor de bepaling van de leveringskosten met inbegrip, in voorkomend geval, van de prijs voor de aankoop of de vervaardiging en van het verpakken van het mageremelkpoeder, een openbare inschrijving gehouden.
4 Artikel 11, lid 6, sub b, bepaalt, dat de offerte van de inschrijver slechts geldig is indien tevens het bewijs wordt verstrekt dat de in artikel 12 bedoelde inschrijvingswaarborg is gesteld vóór het verstrijken van de voor de indiening van de offertes vastgestelde termijn.
5 Overeenkomstig artikel 12, lid 1, tweede streepje, bedraagt de inschrijvingswaarborg voor melk die op de markt van de Gemeenschap is gekocht, 3 % van de interventieprijs van mageremelkpoeder, en wordt hij gesteld voor de hoeveelheid waarop de offerte betrekking heeft.
6 Artikel 11, lid 7, bepaalt, dat een offerte niet mag worden ingetrokken.
7 Uit artikel 14, lid 1, blijkt, dat wordt gegund aan de inschrijver met de laagste offerte.
8 Volgens artikel 16, lid 2, kan degene aan wie is gegund, niet unilateraal afzien van de uitvoering van de hem gegunde opdracht. Artikel 16, lid 4, schrijft voor, dat degene aan wie is gegund, zo snel mogelijk alle nuttige inlichtingen verstrekt aan de betrokken bevoegde instanties, die deze onmiddellijk mededelen aan de Commissie.
9 Artikel 25 van de verordening bepaalt:
"1. Degene aan wie is gegund draagt alle financiële gevolgen van niet-levering, geheel of ten dele, van de goederen overeenkomstig de vastgestelde voorwaarden, indien de begunstigde levering op deze voorwaarden mogelijk heeft gemaakt.
Indien de goederen, door de schuld van degene aan wie is gegund, niet in het schip zijn geladen binnen een tijdvak van drie maanden na de datum waarop het in het inschrijvingsbericht vastgestelde (...) tijdvak voor het laden van de goederen verstrijkt, ontheft de met de betaling belaste instantie degene aan wie is gegund van zijn verplichtingen. De Commissie neemt in zulk een geval de nodige maatregelen.
2. De kosten in verband met niet-levering van de goederen ten gevolge van overmacht komen ten laste van de met betaling belaste instantie."(2)
10 Artikel 26, leden 5 en 6, van de verordening luiden als volgt:
"5. Indien het in het bericht van inschrijving vastgestelde (...) tijdvak waarbinnen de goederen moesten worden geladen, door de schuld van degene aan wie is gegund, niet in acht wordt genomen, houdt de betrokken instantie per dag vertraging naar rata van de niet geladen hoeveelheden:
- 1 % af van de inschrijvingswaarborg in geval de goederen op de markt van de Gemeenschap zijn gekocht of zijn vervaardigd uit op de markt van de Gemeenschap gekochte producten, en
(...)
6. Alle waarborgen worden verbeurd ingeval degene aan wie is gegund overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, lid 1, tweede alinea, van zijn verplichtingen wordt ontheven."(3)
11 Bij besluit 87/203/EEG van 10 maart 1987, stelde de Commissie de voor 1987 als voedselhulp te verstrekken hoeveelheid melkpoeder vast op maximaal 94 100 ton.(4)
II - Feiten en nationale procedure
12 Twee verordeningen van de Commissie voorzagen in de levering van verschillende partijen mageremelkpoeder als voedselhulp door de interventiebureaus (voor België gaat het om het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau; hierna: "Bureau").(5)
De eerste toewijzing
13 Prolacto NV, een vennootschap naar Belgisch recht, (hierna: "Prolacto" of "de onderneming waaraan is gegund") diende op de uiterste datum, te weten 23 februari 1987, uit hoofde van verordening nr. 345/87 offertes in met betrekking tot twee partijen. Het mageremelkpoeder diende door Prolacto op de markt van de Gemeenschap te worden gekocht.
14 Op 5 maart 1987 deelde het Bureau Prolacto mee, dat haar offertes waren aanvaard, waarbij het eraan herinnerde dat de levering van de melk volgens de voorschriften van de verordening diende te gebeuren. De melk moest ten laatste op 30 april 1987 in door de begunstigde van de voedselhulp ter beschikking gestelde schepen zijn geladen.
15 Op 7 augustus 1987 deelde Prolacto het Bureau mee dat zij niet in staat was de leveringen uit te voeren.
16 Bij aangetekende brief van 20 augustus 1987 deelde het Bureau Prolacto mee, dat de gestelde inschrijvingswaarborgen, die 573 330 BFR respectievelijk 667 238 BFR bedroegen, wegens de niet-levering verbeurd zouden worden verklaard, tenzij Prolacto de overeenkomstige bedragen betaalde, hetgeen deze deed.
De tweede toewijzing
17 Uit hoofde van verordening nr. 1358/87 diende Prolacto op de uiterste datum, te weten 20 mei 1987, offertes in met betrekking tot vier partijen. Het mageremelkpoeder moest door Prolacto op de markt van de Gemeenschap worden gekocht.
18 Op 22 mei 1987 deelde het Bureau Prolacto mee, dat haar offertes waren aanvaard, waarbij het eraan herinnerde dat de levering volgens de voorschriften van de verordening diende te gebeuren. De melk moest ten laatste op 30 juni 1987 in door de begunstigde van de voedselhulp ter beschikking gestelde schepen zijn geladen.
19 Prolacto voerde de levering waartoe zij zich verbonden had, niet uit. Op 13 oktober 1987 deelde Prolacto het Bureau mee, dat zij niet in staat was de levering uit te voeren.
20 Bij brief van 16 oktober 1987 liet het Bureau Prolacto weten, dat het zich verplicht zag de voor de betrokken vier partijen gestelde waarborgen verbeurd te verklaren.
21 Overeenkomstig artikel 25, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, van de verordening, besloot de Commissie een nieuwe openbare inschrijving te houden voor de door Prolacto niet geleverde partijen.
22 Hoewel de partijen werden toegewezen aan de inschrijver met de laagste offerte, bedroegen de bijkomende kosten in totaal 50 781 099 BFR. Dit bedrag is het verschil tussen de totale kosten van de nieuwe openbare inschrijvingen voor de zes door Prolacto niet geleverde partijen en de prijs van de oorspronkelijke offerte van Prolacto voor deze partijen.
23 Volgens een brief van de Commissie van 17 juli 1991, kwam dit bedrag ten laste van de Belgische Staat, die werd verzocht dit bedrag op Prolacto te verhalen.
24 Bij aangetekende brief van 3 oktober 1991 stelde het Bureau Prolacto in gebreke voor de betaling van 50 781 099 BFR uit hoofde van artikel 25 van de verordening, vermeerderd met moratoire interessen vanaf 1 november 1991, waarna het haar op 15 april 1992 voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft gedagvaard tot betaling.
III - De prejudiciële vraag
25 Aangezien de nationale rechter zich afvroeg wat de draagwijdte was van de verplichtingen, die krachtens de verordening rusten op de onderneming waaraan is gegund, wanneer zij in gebreke blijft, besloot hij de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vraag voor te leggen:
"Kan een rechtspersoon, in het kader van een offerte, strekkende tot levering van mageremelkpoeder in het kader van voedselhulp, gebaseerd op de EEG-verordeningen nrs. 345/87 en 1358/87 van de Commissie van respectievelijk 3 februari 1987 en 15 mei 1987, en de hiermee gepaard gaande inschrijvingswaarborgen verstrekt conform artikel 12 van de EEG-verordening 1354/83 van de Commissie van 17 mei 1983, die nadien zijn verplichtigen niet nakwam en de levering niet uitvoerde, nog worden aangesproken door het Belgisch interventie- en restitutiebureau, tot betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 25, lid 1, van voornoemde EEG-verordening nr. 1354/83, nadat alle inschrijvingswaarborgen werden verbeurdverklaard ten voordele van voormeld bureau?"
26 De verwijzende rechter vraagt het Hof in wezen, of de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat degene aan wie is gegund, indien hij zijn verplichting tot levering van goederen, waarmee hij uit hoofde van voedselhulp is belast, niet uitvoert, gehouden is overeenkomstig artikel 25, lid 1, van de verordening de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden, wanneer de inschrijvingswaarborgen krachtens artikel 26, lid 6, van deze tekst verbeurd zijn verklaard.
27 Mijns inziens moet in het antwoord op de gestelde vraag een onderscheid worden gemaakt tussen twee punten.
28 In de eerste plaats moet de vraag worden gesteld, of de betaling van de waarborgen al dan niet uitsluit, dat degene aan wie is gegund alle "financiële gevolgen" van de niet-levering van de goederen draagt. Indien op degene aan wie is gegund de twee verplichtingen rusten, moet in de tweede plaats worden onderzocht, of de bedragen daarvan worden gecumuleerd, dan wel of de waarborg moet worden afgetrokken van de "financiële gevolgen" die degene aan wie is gegund, zal moeten dragen.
Het naast elkaar bestaan van de twee verplichtingen
29 Het recht om degene aan wie is gegund, indien hij in gebreke blijft, naast de verbeurdverklaarde waarborgen, ook de in artikel 25, lid 1, van de verordening bedoelde "financiële gevolgen" te doen betalen, is een letterlijk uitvloeisel van de tekst.
30 Door voor te schrijven, dat "degene aan wie is gegund alle financiële gevolgen van niet-levering (...) van de goederen overeenkomstig de vastgestelde voorwaarden [draagt]", stelt de gemeenschapswetgever duidelijk als beginsel, dat de bijkomende kosten van niet-uitvoering van de opdracht ten laste komen van eerstgenoemde.
31 Op dit beginsel bestaat een uitzondering, nu de kosten ten laste komen van de met betaling belaste instantie(6) wanneer de niet-uitvoering van de levering te wijten is aan overmacht.(7)
32 In casu is een dergelijke hypothese uitdrukkelijk van de hand gewezen door de verwijzende rechter, die oordeelde, dat "er geen overmacht was in hoofde van verweerster".(8)
33 Volgens Prolacto blijkt uit de tekst van artikel 25 in samenhang met artikel 26, lid 6, van de verordening, dat de sanctie wegens niet-uitvoering niet hoger kan zijn dan het bedrag van de gestelde waarborg indien degene aan wie is gegund van zijn verplichtingen is ontheven. De waarborg komt in de plaats van de bijkomende kosten als bedoeld in artikel 25, lid 1. Hij speelt in zekere zin de rol van een boetebeding, aangezien deze substitutie de situatie van de interventiebureaus beoogt te vrijwaren, die vergoeding krijgen zonder het bewijs van de geleden schade te moeten leveren.(9)
34 Zelfs indien zij tezamen worden gelezen, kunnen deze teksten niet aldus worden uitgelegd.
35 Artikel 26, lid 6, van de verordening voorziet in de verbeurte van de waarborg wanneer degene aan wie is gegund, "overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, lid 1, tweede alinea, van zijn verplichtingen wordt ontheven". De eerste verplichting van degene aan wie is gegund, is evenwel de levering van de goederen aan de begunstigde, zodat de verplichting waarvan hij wordt ontheven en die het lot van de waarborg bepaalt, niet - zoals Prolacto suggereert - de verplichting tot het dragen van de in artikel 25, lid 1, bedoelde "financiële gevolgen" van de niet-levering is. Wanneer de met betaling belaste instantie vaststelt, dat de vertraging van degene aan wie is gegund een redelijke termijn, in casu drie maanden, overschrijdt, ziet zij ervan af de geplande opdracht met hem voort te zetten. Nieuwe openbare inschrijvingen kunnen worden gehouden teneinde het verzuim van laatstgenoemde te verhelpen. Daarbij wordt de waarborg verbeurd verklaard, evenwel zonder dat degene aan wie is gegund ontsnapt aan betaling van de bijkomende kosten van artikel 25, lid 1, aangezien zowel de ene als de andere verplichting een uitvloeisel is van de niet-uitvoering van de opdracht.
36 Zoals de Commissie opmerkt(10), mag volgens de verordening een ingediende offerte niet worden ingetrokken(11), en kan degene aan wie de opdracht is gegund, niet unilateraal afzien van de uitvoering ervan.(12) In die omstandigheden is het normaal, dat hij eerst na een formeel besluit van de met betaling belaste instantie, zoals dat bedoeld in artikel 25, lid 1, tweede alinea, van uitvoering van zijn verplichtingen kan worden ontheven. Het ware evenwel niet logisch, dat hetzelfde besluit hem ook zou ontheffen van de verplichting om de gevolgen van zijn verzuim te herstellen.
37 Overigens zij beklemtoond, dat de procedure van artikel 25, lid 1, tweede alinea, de met de betaling belaste instantie geen beoordelingsmarge laat. Deze instantie moet degene aan wie is gegund van zijn verplichtingen ontheffen na verloop van een tijdvak van drie maanden, zodat een dergelijke vertraging steeds de verbeurte van de waarborg tot gevolg heeft. Zou de verbeurte van de waarborg de vergoeding van de "financiële gevolgen" van niet-uitvoering van de offerte uitsluiten, dan valt niet in te zien wat het bestaan zou rechtvaardigen van artikel 25, lid 1, eerste alinea, waarvan de werkingssfeer beperkt zou zijn tot de vergoeding van de "financiële gevolgen" van vertragingen van minder dan drie maanden.
38 Laat ik er ook op wijzen, dat de in voornoemde bepaling voorziene vergoeding afhankelijk is van niet-levering van de goederen overeenkomstig de vastgestelde voorwaarden, hetgeen, meer dan op vertragingen van korte duur, wijst op een definitieve niet-uitvoering zoals die welke aan Prolacto wordt verweten.
39 Overigens valt moeilijk aan te nemen, dat een interventiebureau, teneinde lange en ingewikkelde berekeningen te vermijden, genoegen neemt met een waarborgsom en afziet van de vergoeding van alle bijkomende kosten die het heeft gemaakt, wanneer men bedenkt, dat de respectieve bedragen misschien zeer verschillend zijn.
40 De betrokken kosten kunnen immers aanzienlijk zijn, zoals in het onderhavige geval, waarin de koersverschillen en de nieuwe openbare inschrijvingen de oorzaak zijn van meerkosten van 50 781 099 BFR, terwijl de inschrijvingswaarborg is vastgesteld op 3 % van de interventieprijs van mageremelkpoeder, toegepast op de hoeveelheid waarop de offerte betrekking heeft, en dus 5 400 000 BFR bedraagt.
41 De twee teksten sluiten elkaar dus niet uit, en de verbeurdverklaring van de waarborg lijkt mij verenigbaar met het dragen van de bijkomende kosten die het gevolg zijn van niet-uitvoering van de offerte.
Cumulatie van de bedragen
42 Ofwel is de cumulatie volledig, en dan draagt degene aan wie is gegund, wanneer hij in gebreke blijft, zowel de waarborg als de "financiële gevolgen" van niet-levering van de goederen, ofwel is de cumulatie beperkt tot het bedrag van de geleden schade, zodat dat bedrag wordt verminderd met de verbeurdverklaarde waarborg.
43 In hoeverre cumulatie plaatsvindt, is mijns inziens afhankelijk van het door elk van beide teksten nagestreefde doel. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, zijn deze doelstellingen verschillend.(13)
44 Ingevolge artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening is degene aan wie is gegund, aansprakelijk voor de niet-uitvoering van de opdracht tot levering van goederen. Zoals het Hof heeft vastgesteld, gaat het inzake voedselhulp om een contractuele aansprakelijkheid.(14)
45 Degene aan wie is gegund is de door zijn verzuim veroorzaakte bijkomende kosten verschuldigd, wanneer hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de goederen overeenkomstig de oorspronkelijk vastgestelde voorwaarden te leveren.
46 De door het Bureau verbeurdverklaarde waarborgen zouden slechts van het bedrag van het krachtens artikel 25, lid 1, van de verordening gevorderde verzoek kunnen worden afgetrokken, wanneer ook de waarborgen het karakter van een schadevergoeding hadden. In dat geval zou de waarborg als vergoeding van de schade een overeenkomstige vermindering van de gevraagde schadevergoeding rechtvaardigen, aangezien het Bureau deels door middel van de verbeurdverklaarde waarborgen schadeloos zou worden gesteld.
47 Dat is evenwel niet de functie van de waarborg.
48 De waarborg is in de eerste plaats een garantie.(15) In een vergelijkbare zaak heeft het Hof voor recht verklaard, dat de waarborg "enkel moet verzekeren, dat de begunstigde handelaar zijn verplichtingen nakomt".(16) Dankzij de waarborg kan men zich vergewissen van de ernst van de door een inschrijver ingediende offerte tot levering, nu de geldigheid van de offerte afhangt van het bewijs dat de waarborg "is gesteld vóór het verstrijken van de voor de indiening van de offertes vastgestelde termijn".(17) In de tweede plaats garandeert hij, dat de onderneming waaraan is gegund, de voorwaarden van de gekozen offerte in acht zal nemen.
49 Bovenal wordt de waarborg een sanctie wanneer de daardoor gewaarborgde verplichting niet wordt nagekomen.(18) Een groot aantal regelingen inzake landbouw, met name die betreffende de voedselhulp van de Gemeenschap bestemd voor derde landen, voorzien in een systeem van zekerheidstelling.(19) Het Hof dient zich regelmatig uit te spreken over de verenigbaarheid met het evenredigheidsbeginsel van het verlies van een waarborg na schending van de in de betrokken teksten vermelde verplichtingen. Bij die gelegenheden heeft het Hof steeds overwogen, althans impliciet, dat het verlies van de waarborg een sanctie voor de niet-nakoming van deze verplichtingen uitmaakte.(20)
50 Deze kwalificatie blijkt nog duidelijker uit het arrest Maizena (reeds aangehaald). Het Hof diende zich in die zaak uit te spreken over de geldigheid van een communautaire regeling, die voorschreef dat de waarborg ter verzekering van de aan de houder van een uitvoercertificaat opgelegde verplichting om tijdens de geldigheidsduur van dat certificaat uit te voeren, opnieuw moest worden gesteld. Volgens de toepasselijke regeling "wordt de waarborg, hoewel de verplichting tot uitvoer nog niet is nagekomen en dus nog bestaat, op verzoek van de belanghebbende vrijgegeven (...). De vrijgegeven waarborg moet evenwel opnieuw worden gesteld en wordt verbeurd, wanneer later blijkt dat de verplichting tot uitvoer niet is nagekomen tijdens de geldigheidsduur van het uitvoercertificaat."(21)
51 Het Hof heeft voor recht verklaard, dat "wanneer een reeds vrijgegeven waarborg die een bepaalde verplichting moest garanderen, opnieuw moet worden gesteld, hij zijn karakter van zekerheid verliest en een sanctie wordt ingeval de betrokken verplichting niet is nagekomen en dit ook niet meer mogelijk is".(22) Deze redenering kan mijns inziens ook in de onderhavige zaak gelden, nu in casu de verbeurte van de waarborg afhankelijk is van het feit dat degene aan wie is gegund, vooraf en definitief van zijn verplichtingen is ontheven na een aan hem toe te rekenen uitstel van het laden.(23)
52 Bijgevolg kan Prolacto's kwalificatie van de waarborg als boetebeding, onder meer omdat het zou gaan om een bedrag ter vergoeding van schade, niet worden aanvaard. Het feit dat de waarborg niettemin, net zoals een boetebeding, forfaitair wordt vastgesteld(24), is in de eerste plaats de uitdrukking van zijn karakter van sanctie, wat valt af te leiden uit de vaststelling van een bedrag zonder verband met de omvang van de schade.
53 De inhoud van artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening geeft daarentegen de wil van de gemeenschapswetgever weer, om de vergoeding te verzekeren van alle schade die veroorzaakt is door de niet-levering van de voedselhulp.
54 Laat ik hieraan toevoegen, dat de waarborg weinig effect zou hebben indien de betaling ervan afhing van het bestaan van schade. Meer nog, een dergelijke analyse zou ertoe leiden dat het interventiebureau, zelfs als de opdracht niet is uitgevoerd, het bedrag van de waarborg gewoon terugbetaalt aan degene aan wie is gegund wanneer een nieuwe openbare inschrijving wordt gehouden tegen prijsvoorwaarden die de meerkosten compenseren welke zijn veroorzaakt door het verzuim van de eerste onderneming waaraan was gegund. In een dergelijk geval zou immers geen schade kunnen worden aangetoond. Volgens artikel 26, lid 6, van de verordening volstaat voor het verbeurdverklaren van de waarborgen evenwel, dat degene aan wie is gegund ingevolge de niet-levering van de goederen binnen een tijdvak van drie maanden, van zijn verplichtingen wordt ontheven. Het volstaat dus, dat de opdracht niet wordt uitgevoerd.
55 Het verschil in aard en functie tussen het mechanisme van de waarborg en dat van de vergoeding van de "financiële gevolgen" van de niet-levering, staat er bijgevolg aan in de weg, dat het bedrag van de waarborg in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het bedrag dat Prolacto wegens de niet-levering aan het Bureau verschuldigd is. Ik ben integendeel van mening, dat het bedrag van de waarborg moet worden opgeteld bij het bedrag van de schade die voortvloeit uit de niet-uitvoering van zijn verbintenis door degene aan wie is gegund.
Conclusie
56 Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de vraag van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel te beantwoorden als volgt:
"Verordening (EEG) nr. 1354/83 van de Commissie van 17 mei 1983 tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling en de levering van mageremelkpoeder, boter en butteroil als voedselhulp, moet aldus worden uitgelegd, dat de onderneming die bij wege van openbare inschrijving voor de levering van goederen is aangeduid, en die haar verplichting niet nakomt, overeenkomstig artikel 25, lid 1, eerste alinea, van de verordening alle financiële gevolgen van deze niet-levering draagt, ook indien de inschrijvingswaarborg krachtens artikel 26, lid 6, van de verordening verbeurd is verklaard, en zonder dat deze waarborg kan worden afgetrokken van de bedragen die verschuldigd zijn uit hoofde van de in voornoemde bepalingen van artikel 25 bedoelde financiële gevolgen."
(1) - Verordening tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling en de levering van mageremelkpoeder, boter en butteroil als voedselhulp (PB L 142, blz. 1).
(2) - Cursivering van mij.
(3) - Ibidem.
(4) - Besluit tot vaststelling van de totale hoeveelheden voedselhulp en de opstelling van de lijst van de uit hoofde van steun te verstrekken produkten voor 1987 (PB L 80, blz. 32).
(5) - Verordeningen (EEG) nr. 345/87 van 3 februari 1987, en nr. 1358/87 van 15 mei 1987 van de Commissie betreffende de levering van verschillende partijen mageremelkpoeder als voedselhulp (PB L 34, blz. 8, en L 131, blz. 1).
(6) - De met betaling belaste instantie is volgens artikel 23 van de verordening het interventiebureau waarbij de offerte is ingediend.
(7) - Artikel 25, lid 2, van de verordening.
(8) - Blz. 7 van de verwijzingsbeschikking, zie ook blz. 5 en 6.
(9) - Blz. 8 en 9 van haar schriftelijke opmerkingen.
(10) - Punt 39 van haar schriftelijke opmerkingen.
(11) - Artikel 11, lid 7.
(12) - Artikel 16, lid 2.
(13) - Punten 60-67 van haar schriftelijke opmerkingen.
(14) - Zie onder meer arresten van 18 oktober 1984, Eurico (109/83, Jurispr. blz. 3581, punt 19), en 11 februari 1993 (Cebag/Commissie, C-142/91, Jurispr. blz. I-553, punten 11 en 12). In dat laatste arrest baseerde het Hof zich op de verordeningen na verordening nr. 1354/83, maar de elementen op grond waarvan het Hof kon concluderen dat de verhoudingen tussen de Commissie en degene aan wie is gegund contractueel van aard zijn, zijn in de in casu relevante wetgeving terug te vinden. Zoals in het reeds aangehaalde arrest, zijn de vaststelling van de prijs van de levering op basis van de offertes van de inschrijvers en de aanvaarding ervan door de Commissie, overeenkomstig de artikelen 11, lid 4, sub e, 13, lid 1, en 14, lid 1, van de verordening, kenmerkend voor een contractuele verhouding.
(15) - Zie W. Alexander: "Perte de la caution (ou acquisition de la garantie) en droit agricole communautaire", Cahiers de droit européen, 1998, nr. 4, blz. 384, I, B.
(16) - Arrest van 5 februari 1987, Plange Kraftfutterwerke (288/85, Jurispr. blz. 611, punt 10). Zie bijvoorbeeld ook arresten van 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft (11/70, Jurispr. blz. 1125, punt 6), en 18 november 1987, Maizena (137/85, Jurispr. blz. 4587, punt 22).
(17) - Artikel 11, lid 6, sub b, van de verordening.
(18) - Zie W. Alexander, reeds aangehaald, III, H.
(19) - Zie arrest van 2 juni 1994, Exportslachterijen van Oordegem (C-2/93, Jurispr. blz. I-2283, punt 22).
(20) - Zie onder meer arrest van 23 mei 1996, Maas (C-326/94, Jurispr. blz. I-2643, punt 36).
(21) - Punt 11.
(22) - Punt 12.
(23) - Aan de transpositie van de in dat arrest vastgestelde kwalificatie staat niet in de weg dat de waarborg verbeurd is na opnieuw te zijn gesteld, aangezien de situatie ervan na het opnieuw stellen niet verschillend is van die van een waarborg die nooit is vrijgegeven.
(24) - Ik herinner eraan, dat de waarborg vooraf wordt gesteld en berekend, naar evenredigheid van de interventieprijs van de betrokken goederen.
Full & Egal Universal Law Academy