Conclusie van de advocaat generaal
1 In deze prejudiciële zaak wordt het Hof verzocht de draagwijdte te preciseren van de beginselen van gemeenschapsrecht tot regeling en, meer bepaald, beperking van de bevoegdheid van de lidstaten om de uitzetting van gemeenschapsonderdanen uit hun grondgebied te bevelen.
2 De zaak die tot de prejudiciële vragen aanleiding heeft gegeven, wordt hierna beknopt beschreven. D. Calfa, Italiaans onderdaan, was met vakantie in Griekenland toen zij werd betrapt op het bezit van verdovende middelen. Zij werd aangeklaagd wegens het bezit, uitsluitend voor eigen gebruik, van verboden verdovende middelen en tot een gevangenisstraf van drie maanden veroordeeld. Als bijkomende straf beval de rechtbank te Heraklion de uitzetting uit het Griekse grondgebied voor haar leven.(1) Calfa kwam voor de verwijzende rechter op tegen dat besluit, doch enkel voor zover daarin haar uitzetting was gelast.
Blijkens de verwijzingsbeschikking wordt het bezit van verdovende middelen in de nationale rechtsorde verschillend bestraft naargelang de verdachte de Griekse nationaliteit bezit dan wel onderdaan van een andere lidstaat is. Het verschil ligt niet in de hoofdstraf die aan de veroordeelde verdachte wordt opgelegd, maar in de mogelijkheid om hem bijkomende straffen op te leggen. De rechter dient immers de levenslange uitzetting uit Griekenland van de wegens overtreding van de narcoticawet veroordeelde vreemdeling te gelasten, behoudens wanneer gewichtige redenen, met name van familiale aard, het verblijf in het land rechtvaardigen; drie jaar na zijn uitzetting mag hij evenwel naar Griekenland terugkeren indien de minister van Justitie daarvoor bij discretionair besluit zijn toestemming verleent.(2) Griekse onderdanen kunnen daarentegen niet worden uitgezet. De rechter kan hen een verbod van verblijf in bepaalde delen van het grondgebied opleggen, maar enkel wanneer zij worden veroordeeld voor het ernstiger misdrijf van handel in verdovende middelen, en niet voor het eenvoudig bezit voor eigen gebruik.(3) In dat geval is de straf bovendien facultatief en kan zij hoe dan ook niet voor een periode van langer dan vijf jaar worden opgelegd.
De verwijzende rechter vraagt het Hof of deze handelwijze ten aanzien van vreemdelingen in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Hij stelt met name de volgende vragen:
"1) Is met de in de rechtsoverwegingen genoemde bepalingen van het gemeenschapsrecht en inzonderheid met de artikelen 8, leden 1 en 2, 8 A, lid 1, 48, 52 en 59 EEG-Verdrag en de in diezelfde rechtsoverwegingen genoemde relevante richtlijnen, of met andere daarmee samenhangende, het vrije verkeer van personen en diensten betreffende bepalingen van het gemeenschapsrecht, alsook met het uit artikel 7 van het Verdrag voortvloeiende gelijkheidsbeginsel verenigbaar een bepaling van nationaal recht die - behoudens in geval van gewichtige redenen, met name van familiale aard - de nationale rechter verplicht de uitzetting van een onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap voor zijn leven te gelasten om redenen van openbare orde en veiligheid die worden gerechtvaardigd door het enkele feit dat de onderdaan van de andere lidstaat in het land van ontvangst, waar hij zich op rechtmatige wijze bevond als persoon te wiens behoeve toeristische diensten werden verricht, strafbare feiten, namelijk het bezit van verdovende middelen uitsluitend voor eigen gebruik, en het gebruik van verdovende middelen, heeft gepleegd, wanneer die uitzetting tot gevolg heeft dat de dader - behoudens indien na een periode van drie jaar bij discretionair besluit van de minister van Justitie zijn terugkeer wordt toegestaan - in de wettelijke onmogelijkheid verkeert om naar het land terug te keren teneinde de in die bepalingen van gemeenschapsrecht bedoelde werkzaamheden te verrichten, en wanneer voor een dader die onderdaan is van de lidstaat van ontvangst, in dezelfde gevangenisstraf is voorzien, zij het niet gepaard gaand met een vergelijkbare maatregel, zoals een verblijfsbeperking, die hem alleen wordt opgelegd wanneer hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan vijf jaar, zoals die met name op de handel in verdovende middelen staat, en dan nog enkel facultatief?
2) Ingeval de uitzetting van een onderdaan van een andere lidstaat uit de lidstaat van ontvangst op grond van een dergelijke nationale bepaling (zie de eerste vraag), die met betrekking tot de uitzetting aan de rechtbank geen andere discretionaire bevoegdheid laat, dan het vaststellen van de gewichtige redenen, met name van familiale aard, die het verblijf in het land van ontvangst rechtvaardigen, in beginsel verenigbaar is met voornoemde bepalingen van gemeenschapsrecht, kan een dergelijke maatregel dan als strijdig met het communautaire evenredigheidsbeginsel worden beschouwd, dat wil zeggen, is hij onevenredig aan de ernst van de (in de eerste vraag) genoemde strafbare feiten, gelet op het feit dat die in de nationale wet als een misdrijf worden gekwalificeerd en bestraft, zoals [in de rechtsoverwegingen van het verwijzingsarrest] uiteengezet, en anderzijds de door de nationale rechter gelaste uitzetting levenslang is, met een louter facultatieve bevoegdheid van de minister van Justitie om na drie jaar de terugkeer van de uitgezette dader naar het land van ontvangst toe te staan?"
3 Om te beginnen zij opgemerkt, dat de twee vragen van de verwijzende rechter welbeschouwd hetzelfde probleem betreffen: de gestelde schending van het evenredigheidsbeginsel - het voorwerp van de tweede vraag - vormt tevens een van de criteria waaraan de wettigheid van de nationale maatregelen inzake uitzetting van gemeenschapsonderdanen - het voorwerp van de eerste vraag - moet worden getoetst. De prejudiciële vragen kunnen bijgevolg tezamen worden onderzocht.
Ik wil bovendien opmerken, dat de situatie waarin Calfa zich bevindt, behoort tot het gebied dat wordt beschermd door artikel 59 van het Verdrag, en niet, zoals de verwijzende rechter in zijn beschikking verkeerdelijk heeft gesteld, door de artikelen 48 en 52 van het Verdrag. De betrokkene verricht in Griekenland immers geen werkzaamheden in loondienst, en zij lijkt evenmin van plan te zijn om een beroep te doen op de door artikel 52 beschermde vrijheid van vestiging. In haar hoedanigheid van toerist moet zij eerder worden beschouwd als een persoon te wiens behoeve diensten worden verricht, zodat zij volgens de rechtspraak van het Hof(4) een beroep kan doen op de door artikel 59 geboden bescherming voor de toegang tot en het verblijf op het Griekse grondgebied.
4 Deze zaak draait derhalve om de afbakening van het begrip "openbare orde", dat de Griekse regering inroept om de uitzetting van Calfa te rechtvaardigen. Volgens het gemeenschapsrecht kan immers de vrijheid van een ontvanger van diensten om zich naar een andere lidstaat te begeven teneinde daar de dienst te ontvangen, worden onderworpen aan beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, zoals in artikel 56 van het Verdrag letterlijk wordt bepaald. Bovendien voorziet richtlijn 64/221/EEG(5) in de mogelijkheid om ten aanzien van een gemeenschapsonderdaan maatregelen te treffen die zijn vrijheid van verkeer en verblijf beperken, indien deze maatregelen gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde of de openbare veiligheid.
De Griekse regering betoogt juist met een beroep op die bepalingen, dat zij met de betrokken nationale wettelijke regeling het ernstige probleem van het gebruik van en de handel in verdovende middelen wil bestrijden, zodat die regeling gerechtvaardigd is uit hoofde van de door haar nagestreefde doelstellingen van openbare orde.
5 Het verweer van de Griekse regering kan mijns inziens niet worden aanvaard. Weliswaar kan niet worden betwist, dat de voornoemde communautaire bepalingen de lidstaten de bevoegdheid verlenen om het verkeer en het verblijf van gemeenschapsonderdanen om redenen van openbare orde te beperken; ook staat vast, dat een strafrechtelijke bepaling die een verbod op het gebruik van verdovende middelen bevat, althans in abstracto kan worden geacht door dergelijke overwegingen te zijn ingegeven. Het Hof heeft evenwel reeds gepreciseerd, dat hoewel "de lidstaten krachtens het in artikel 48, lid 3, gemaakte voorbehoud in hoofdzaak vrij blijven de eisen van openbare orde op hun nationale behoeften af te stemmen", de inhoud van dit begrip "niet zonder controle van de instellingen der Gemeenschap eenzijdig door de onderscheiden lidstaten kan worden bepaald".(6) Het gaat immers om een uitzondering op het fundamentele beginsel van het vrije verkeer, zodat de toepassing ervan moet worden beperkt tot uitzonderlijke gevallen, waarin de persoon die uit het nationale grondgebied wordt uitgezet, inderdaad een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging vormt, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.(7) Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof inzake de toepassing van richtlijn 64/221(8), dat wanneer de nationale autoriteiten een onderdaan van een andere lidstaat om redenen van openbare orde uitzetten, zij specifiek met de individuele situatie van de betrokkene rekening moeten houden, en dat een dergelijke maatregel niet kan worden gerechtvaardigd door het enkele bestaan van een strafrechtelijke veroordeling van de betrokkene.(9) Een uitzettingsmaatregel mag derhalve niet bedoeld zijn als "preventie" - in de zin van andere vreemdelingen af te schrikken van het begaan van soortgelijke strafbare feiten(10) - en hij moet in ieder geval het evenredigheidscriterium in acht nemen.(11)
6 Het geheel van de door het Hof in verband met het begrip "openbare orde" uitgewerkte beginselen vormt een beslissende sleutel voor de uitlegging in deze zaak.
Om te beginnen lijkt de nationale wettelijke regeling die in de verwijzingsbeschikking is beschreven, een door het Verdrag verboden discriminatie in te voeren tussen de nationale onderdanen enerzijds en de andere gemeenschapsonderdanen anderzijds. De discriminatie ligt niet in het feit dat de nationale wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid om de eigen onderdanen uit te zetten: het Hof heeft reeds verklaard dat ten aanzien van hen niet een dergelijke maatregel kan worden genomen, zodat hun situatie niet volledig vergelijkbaar is met die van de andere gemeenschapsonderdanen.(12) Hier is derhalve geen sprake van verboden discriminatie voor zover de in de nationale wettelijke regeling neergelegde verschillende behandeling niet gelijke situaties betreft. In dit geval moet de discriminatie evenwel vanuit een ander gezichtspunt worden bekeken: blijkens de beschrijving van het rechtskader door de verwijzende rechter wordt het strafbare feit van bezit van verdovende middelen voor eigen gebruik anders bestraft naargelang de dader een Grieks onderdaan dan wel een vreemdeling is. In het eerste geval is veroordeling tot een gevangenisstraf mogelijk, terwijl in het tweede geval daarnaast een bijkomende straf moet worden opgelegd, namelijk de uitzetting uit het nationale grondgebied. Een dergelijke maatregel kan weliswaar niet ten aanzien van de nationale onderdanen worden genomen, maar dat doet niets af aan het feit dat wanneer laatstgenoemden schuldig worden bevonden aan het bezit van verdovende middelen, hen geen enkele bijkomende straf wordt opgelegd. De discriminatie ligt met andere woorden hierin, dat met betrekking tot dezelfde misdrijven op de eigen onderdanen enkel de hoofdstraf wordt toegepast, terwijl aan de vreemdelingen bovendien een bijkomende straf wordt opgelegd.
7 Zelfs indien de in de verwijzingsbeschikking beschreven bepalingen niet discriminerend zijn, zijn zij hoe dan ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals dat door het Hof juist is uitgelegd met betrekking tot de wettigheid van om redenen van "openbare orde" gerechtvaardigde uitzettingsmaatregelen. Dienaangaande volstaat het een passage van het beroemde arrest Adoui en Cornuaille(13) aan te halen, dat hier bijzonder relevant lijkt: "De in de artikelen 48 en 56 van het Verdrag gemaakte voorbehouden leiden ertoe dat de lidstaten, om de in die bepaling genoemde redenen, en wel met name om redenen van openbare orde, maatregelen kunnen nemen waartoe ten aanzien van eigen onderdanen niet kan worden overgegaan, in dier voege dat zij laatstgenoemden niet van het nationale grondgebied kunnen verwijderen, noch ook hun de toegang tot dat grondgebied kunnen ontzeggen. Moet dit verschil in behandeling, dat de aard der te nemen maatregelen betreft, derhalve worden aanvaard, nochtans mag de overheid van een lidstaat die tot zulke maatregelen overgaat, aan de uitoefening van haar bevoegdheden geen beoordelingen van bepaalde gedragingen ten grondslag leggen die op een willekeurig onderscheid ten nadele van de onderdanen van andere lidstaten zouden neerkomen. Er zij in zoverre aan herinnerd dat, naar het Hof in zijn arrest van 27 oktober 1977 (Bouchereau, 30/77, Jurispr. blz. 1999) heeft overwogen, een nationaal overheidsorgaan de openbare orde alleen mag inroepen wanneer er sprake is van een werkelijke, voldoende ernstige bedreiging, die een wezenlijk belang van de maatschappij raakt. Ofschoon het gemeenschapsrecht niet medebrengt dat de lidstaten bij de beoordeling van mogelijkerwijs met het openbaar belang strijdig te achten gedragingen een uniforme waardenschaal hanteren, dient te worden vastgesteld dat een gedraging, op het grondgebied van een lidstaat door een onderdaan van een andere lidstaat begaan, niet kan worden geacht te zijn van de ter rechtvaardiging van beperkingen van toegang of verblijf nodige ernst, wanneer eerstgenoemde lidstaat wegens diezelfde gedragingen, door eigen onderdanen begaan, geen repressieve maatregelen neemt, noch ook andere daadwerkelijke, op bestrijding van zulke gedragingen gerichte maatregelen."
Uit de zonet aangehaalde rechtspraak volgt, dat in elk geval de wettelijke behandeling van de nationale onderdanen moet worden vergeleken met die van de gemeenschapsonderdanen, en wel, voor zover het persoonlijk gedrag van de gemeenschapsonderdaan een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging voor de fundamentele belangen van de staat van ontvangst vormt - en bijgevolg een eventuele uitzettingsmaatregel kan rechtvaardigen -, enkel wanneer de nationale autoriteiten met betrekking tot een soortgelijke handelwijze van hun eigen onderdanen maatregelen treffen, die misschien niet identiek zijn, maar daadwerkelijk beogen die handelwijze te bestrijden.(14) Het is evenwel duidelijk, dat die voorwaarde in casu niet is vervuld. Voor het strafbare feit van het loutere bezit van verdovende middelen voorziet de nationale wetgever niet in een maatregel van verwijdering van het nationale grondgebied van zijn eigen onderdanen en om de hiervóór uiteengezette redenen kon hij dit niet doen. Voor die gevallen heeft de nationale wetgever evenwel ook geen andere maatregelen vastgesteld waaruit blijkt dat het bezit en het gebruik van verdovende middelen in de nationale rechtsorde worden aangemerkt als gedragingen die een bijzonder ernstige reactie rechtvaardigen. De toepassing van bijkomende straffen op nationale onderdanen - met name het verbod van verblijf in bepaalde plaatsen - wordt immers enkel opgelegd in geval van handel in verdovende middelen, dat wil zeggen voor een ernstiger strafbaar feit dan het loutere bezit voor eigen gebruik. Geen enkele bijkomende straf is evenwel bepaald voor het loutere bezit voor eigen gebruik.
Ik ben derhalve van mening, dat een maatregel van uitzetting uit het nationale grondgebied, vergelijkbaar met de door de verwijzende rechter beschreven maatregel, in strijd is met het gemeenschapsrecht. Het is van geen belang of een dergelijke maatregel wordt getoetst aan het non-discriminatiebeginsel of aan het evenredigheidsbeginsel. Het praktische resultaat verandert hoe dan ook niet: het gaat steeds om een maatregel die indruist tegen de beginselen welke het Hof heeft uitgewerkt ter zake van maatregelen die het recht van verkeer en verblijf van gemeenschapsonderdanen beperken.
8 Ik wil hieraan toevoegen, dat de in de verwijzingsbeschikking beschreven nationale wettelijke regeling ook vanuit andere gezichtspunten met de rechtspraak van het Hof onverenigbaar kan zijn. Ik verwijs daarbij inzonderheid naar het feit dat de uitzettingsmaatregel een quasi automatisch gevolg van de strafrechtelijke veroordeling is. De onderzochte wettelijke regeling schrijft immers voor, dat de rechter de uitzetting van de communautaire vreemdeling beveelt tenzij gewichtige redenen, met name van familiale aard, een andere oplossing rechtvaardigen. Die familiale redenen voeren dus een mogelijke afwijking van de algemene regel, de uitzetting, in. Een dergelijke bepaling is evenwel kennelijk in strijd met artikel 3, lid 2, van richtlijn 64/221, volgens hetwelk "het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf geen motivering [vormt] van deze maatregelen" van uitzetting uit het nationale grondgebied. In het arrest Bouchereau(15) heeft het Hof gepreciseerd, dat de bewoordingen van dit artikel aldus moeten worden opgevat, "dat zij van de nationale autoriteiten een specifieke beoordeling eisen vanuit een oogpunt van de belangen, verbonden met de handhaving van de openbare orde, welke beoordeling niet noodzakelijkerwijze samenvalt met de beoordeling die ten grondslag lag aan de strafrechtelijke veroordeling. Hieruit volgt dat het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling slechts ter zake doet, voor zover uit de omstandigheden die tot deze veroordeling hebben geleid, blijkt van het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt. In het algemeen houdt de vaststelling van een bedreiging van dien aard weliswaar in, dat bij de betrokkene een neiging bestaat om dit gedrag in de toekomst te handhaven, doch het is ook mogelijk dat het enkele feit van het voorafgaand gedrag voldoet aan de voorwaarden voor een dergelijke bedreiging van de openbare orde."
Mijns inziens zijn in het geval van de in de verwijzingsbeschikking beschreven nationale wettelijke regeling deze voorwaarden niet vervuld. Volgens die regeling volgt de uitzetting van de vreemdeling op de strafrechtelijke veroordeling als het ware als een "natuurlijk gevolg", dat enkel wordt getemperd door de mogelijkheid van een beroep op redenen van familiale aard. Volgens voornoemde rechtspraak veronderstelt "het beroep (...) op het begrip openbare orde in elk geval, afgezien van de storing van de sociale orde die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, het bestaan van een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast". Het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling kan daarentegen op zichzelf niet als een dergelijke bedreiging worden beschouwd.
9 Op grond van bovenstaande overwegingen ben ik van mening, dat niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder op redenen van openbare orde een beroep kan worden gedaan ter rechtvaardiging van een uitzettingsmaatregel zoals die welke de verwijzende rechter heeft beschreven, ongeacht of dit een permanente dan wel een tijdelijke maatregel is. In het eerste geval gelden naast de hiervoor uiteengezette voorbehouden betreffende de onderhavige nationale wettelijke regeling weliswaar nog andere voorbehouden, die verband houden met de kennelijke onevenredigheid van een maatregel van uitzetting voor het leven uit het nationale grondgebied.(16) Mijns inziens staat de twijfel omtrent de verenigbaarheid van de litigieuze maatregel met het gemeenschapsrecht los van de gevolgen in de tijd van de betrokken handeling. De omstandigheid dat Calfa na verloop van drie jaar en met toelating van de bevoegde minister naar Griekenland mag terugkeren, doet niets af aan het feit dat de uitzettingsmaatregel is vastgesteld in verband met een strafbaar feit dat niet even zwaar wordt gestraft wanneer het door een Grieks onderdaan wordt gepleegd. Volgens vaste rechtspraak van het Hof vormt dit een door het Verdrag verboden discriminatie, of althans een onevenredige maatregel, aangezien gemeenschapsonderdanen op grond daarvan sancties worden opgelegd die niet aangepast noch evenredig zijn aan de ernst van de begane overtreding, zoals die door de nationale wetgever is beoordeeld.
Met andere woorden, de bij de nationale wettelijke regeling opgelegde uitzetting is niet het resultaat van een specifieke beoordeling van het gedrag van de verdachte, maar lijkt bedoeld ter afschrikking van andere gemeenschapsonderdanen, hetgeen het Hof reeds in andere zaken duidelijk heeft veroordeeld.(17)
10 Ten slotte een laatste opmerking over de rol die in deze zaak kan worden gespeeld door het beginsel van het burgerschap van de Unie, ingevoerd bij artikel 8 A van het Verdrag, dat door de verwijzende rechter in de verwijzingsbeschikking wordt aangehaald. In de zaak Martínez Sala(18) heb ik reeds het belang van dit nieuwe fundamentele begrip uiteengezet. Ik denk evenwel niet dat het in casu relevant is, aangezien de vragen van de verwijzende rechter reeds volledig worden beantwoord door de rechtspraak van het Hof die ik hiervóór in herinnering heb gebracht. Calfa wordt afdoende beschermd in haar hoedanigheid van persoon te wiens behoeve diensten worden verricht, en door de bepalingen van richtlijn 64/221. Mijns inziens is het derhalve overbodig een beroep te doen op de nadere bescherming uit hoofde van het burgerschap van de Unie.
Conclusie
11 Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Areios Pagos te beantwoorden als volgt:
"De artikelen 56 en 59 EG-Verdrag en artikel 3 van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een bepaling van nationaal recht, die de rechter verplicht om een onderdaan van een andere lidstaat om redenen van openbare orde of openbare veiligheid voor het leven uit te zetten, op de enkele grond dat die onderdaan in de staat van ontvangst, waar hij als toerist verbleef, het strafbare feit van bezit van verdovende middelen voor eigen gebruik heeft gepleegd, terwijl een onderdaan van de staat van ontvangst voor hetzelfde strafbare feit niet met een even ernstige sanctie wordt bestraft."
(1) - Volgens de verwijzingsbeschikking is de uitzetting bevolen op basis van artikel 17, lid 2, van wet nr. 1729/1987, waarin wordt bepaald, dat "buitenlandse meerderjarigen of minderjarigen, die wegens overtreding van deze wet worden veroordeeld, voor hun leven uit het land worden uitgezet, behoudens wanneer gewichtige redenen, met name van familiale aard, het verblijf in het land rechtvaardigen".
(2) - Volgens artikel 74 van het Wetboek van strafrecht kunnen uitgezette vreemdelingen slechts naar het land terugkeren, indien sedert hun uitzetting drie jaren zijn verstreken en de minister van Justitie toestemming voor hun terugkeer heeft verleend.
(3) - De verwijzende rechter verwijst dienaangaande naar artikel 17, lid 1, van wet nr. 1729/1987. Ingevolge deze bepaling wordt die bijkomende straf enkel opgelegd aan de eigen onderdanen die worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar of meer.
(4) - Zie arresten van 31 januari 1984, Luisi en Carbone (286/82 en 26/83, Jurispr. blz. 377, punt 10), en 2 februari 1989, Cowan (186/87, Jurispr. blz. 195, punt 55).
(5) - Richtlijn van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PB 1964, blz. 850). Voor het onderhavige geding is vooral artikel 3, leden 1 en 2, van belang, dat luidt:
"1. De maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid moeten uitsluitend berusten op het persoonlijke gedrag van de betrokkene.
2. Het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen vormt op zichzelf geen motivering van deze maatregelen."
(6) - Zie arrest van 28 oktober 1975, Rutili (36/75, Jurispr. blz. 1219, punten 26 en 27).
(7) - Zie arrest van 27 oktober 1977, Bouchereau (30/77, Jurispr. blz. 1999, punt 35).
(8) - Zie, inzonderheid, artikel 3 van de reeds aangehaalde richtlijn, waaraan het Hof in zijn arrest van 4 december 1974, Van Duyn (41/74, Jurispr. blz. 1337, punten 6 en 7), rechtstreekse werking heeft toegekend.
(9) - Zie arrest Bouchereau, reeds aangehaald, punt 28.
(10) - Zie arrest van 26 februari 1975, Bonsignore (67/74, Jurispr. blz. 297, punt 7).
(11) - Zie arrest van 7 juli 1976, Watson en Belmann (118/75, Jurispr. blz. 1185, punt 21).
(12) - Zie arrest Van Duyn, reeds aangehaald, punten 22 en 23, en arrest van 18 mei 1982, Adoui en Cornuaille (115/81 en 116/81, Jurispr. blz. 1665, punt 7).
(13) - Reeds aangehaald, punten 7 en 8 (cursivering van mij).
(14) - Vgl. ter zake mijn conclusie van 23 september 1997 in de nog aanhangige zaak Pereira Roque (C-171/96), waarin ik opmerk dat het in feite de evenredigheid is die de gelijkheid van behandeling verzekert (punt 49).
(15) - Reeds aangehaald, punten 27, 28 en 29.
(16) - Zie, in die zin, arrest van 17 juni 1997, Shingara en Radiom (C-65/95 en C-111/95, Jurispr. blz. I-3343).
(17) - Zie arrest Bonsignore, reeds aangehaald, punt 7.
(18) - C-85/96 (Jurispr. 1998, blz. I-2691, I-2694).
Full & Egal Universal Law Academy