Conclusie van de advocaat generaal
I - Inleiding
1 Kenmerkend voor de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit is, dat te allen tijde een compenserende heffing kan worden ingevoerd om verstoringen op de markt door invoer uit derde landen tegen abnormaal lage prijzen te voorkomen. De heffing wordt opgelegd wanneer de invoerprijzen met een bepaald bedrag onder een telkenjare vast te stellen referentieprijs komen te liggen. De importeur in deze zaak verzet zich tegen betaling van deze heffing, die de Griekse douaneautoriteiten na inklaring van hem vorderen, omdat zij hem, ondanks herhaalde navraag zijnerzijds, op het moment van de invoer niet hadden medegedeeld, dat de Commissie een heffing had ingesteld.
2 Blijkens de verwijzingsbeschikking was Covita AVE, een Griekse industriële vennootschap, op 28 mei 1992 begonnen met invoer van verse kersen uit Bulgarije, bestemd voor industriële verwerking. De hier in geding zijnde kersen werden tussen 24 juni en 1 juli ingevoerd. Bij invoer werden zij bij het douanekantoor Skydras aangegeven als kersen van GN-code 0809 20 10 09900. Covita blijkt zich bewust te zijn geweest van het risico van een compenserende heffing die haar invoertransacties onrendabel zou maken. Wegens dit vooruitzicht hield zij dagelijks contact met het douanekantoor Skydras, en eenmaal nam zij per telex contact op met het Ministerie van Landbouw. Op 3 juli ontving Covita bericht, dat met ingang van 24 juni een heffing was ingesteld bij verordening (EEG) nr. 1591/92 van de Commissie van 22 juni 1992 houdende instelling van een compenserende heffing voor kersen van oorsprong uit Bulgarije(1); zij heeft toen de invoer onmiddellijk gestaakt. De Commissie verwittigde het Ministerie van Landbouw van verordening nr. 1591/92 bij telex van 29 juni 1992, die de bevoegde dienst op 30 juni bereikte.(2) Het ministerie stelde het douanekantoor Skydras van de verordening op de hoogte bij telex van 2 juli, die aldaar op 3 juli werd ontvangen.
II - Het wettelijk kader
3 Het instrument van de compenserende heffing is geregeld in verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit(3), die meermaals is gewijzigd.(4) Artikel 2, lid 1, van deze verordening regelt de vaststelling van kwaliteitsnormen voor bepaalde producten, waaronder kersen, "die zijn bestemd om in verse toestand aan de consument te worden geleverd". Artikel 3 bepaalt, dat de verplichting om aan de kwaliteitsnormen te voldoen, niet geldt voor producten die naar de verwerkende industrie worden verzonden. In bijlage I bij verordening (EEG) nr. 899/87 van de Commissie van 30 maart 1987 tot vaststelling van kwaliteitsnormen voor kersen en aardbeien(5), is een kwaliteitsnorm vastgesteld voor kersen "van de variëteiten (cultivars) afgeleid van Prunus avium L., Prunus cerasus L. of kruisingen daarvan, bestemd voor levering in verse toestand aan de consumenten, met uitzondering van voor industriële verwerking bestemde kersen". Er zijn vier kwaliteitsklassen: de klasse "extra" en de klassen I, II en III.
4 Artikel 23, lid 1, van verordening nr. 1035/72 regelt de jaarlijkse vaststelling van referentieprijzen, die voor de gehele Gemeenschap gelden. Artikel 24, lid 2, bepaalt, dat voor elk van de producten waarvoor een referentieprijs geldt, elke marktdag een invoerprijs wordt berekend "voor een product van de kwaliteitsklasse die voor de vaststelling van de referentieprijs is gekozen". "Wanneer de invoerprijs van een uit een derde land ingevoerd product zich gedurende twee opeenvolgende marktdagen handhaaft op een peil dat ten minste 0,6 ECU beneden de referentieprijs ligt", moet ingevolge artikel 25, lid 1, van dezelfde verordening een compenserende heffing worden ingesteld.
5 Ten tijde van de feiten gold ingevolge verordening (EEG) nr. 2587/91 van de Commissie van 26 juli 1991 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief(6), voor kersen de volgende tariefindeling:
"0809 Abrikozen, kersen, perziken (nectarines daaronder begrepen), pruimen en sleepruimen, vers:
(...)
0809 20 - Kersen:
0809 20 10 - - van 1 mei tot en met 15 juli
0809 20 90 - - van 16 juli tot en met 30 april."
6 Bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 956/92 van de Commissie van 15 april 1992 tot vaststelling van de referentieprijzen voor kersen voor het verkoopseizoen 1992(7), werd voor verschillende perioden van dat seizoen een referentieprijs vastgesteld voor kersen van GN-code 0809. Die prijzen werden uitgedrukt in "ecu per 100 kg nettogewicht, voor de producten van kwaliteitsklasse I, alle groottesorteringen, in verpakking".
7 Bij verordening nr. 1591/92 werd op de invoer van kersen (GN-code ex 0809 20) van oorsprong uit Bulgarije een compenserende heffing toegepast van 37,86 ECU per 100 kilo netto. Die verordening werd gepubliceerd op 23 juni 1992 en trad op 24 juni 1992 in werking.
8 Artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide(8) (hierna: "navorderingsverordening"), luidt als volgt:
"Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten.
Deze procedure kan echter niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan."
9 Artikel 5, lid 2, van de navorderingsverordening bepaalt, voor zover hier relevant:
"De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte."
10 Verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten(9), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986(10), bepaalt in artikel 13, lid 1:
"Tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in situaties die het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden die geen enkele nalatigheid of manipulatie van de zijde van de betrokkene inhouden.
De gevallen waarin de eerste alinea kan worden toegepast, alsmede de daarbij in acht te nemen procedurevoorschriften, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 25.[(11)] Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden."
11 Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer(12), bepaalt bij wijze van algemene regel, dat wanneer door aanvaarding van een aangifte van een goed voor een douaneregeling een douaneschuld ontstaat, de boeking van het met die douaneschuld overeenkomende bedrag dient te geschieden zodra dit bedrag is berekend en ten laatste op de tweede dag volgende op de dag waarop de goederen zijn vrijgegeven of de toestemming tot uitvoer ervan is verleend. Artikel 3, lid 3, bepaalt:
"Ingeval een douaneschuld onder andere omstandigheden ontstaat dan die bedoeld in lid 1, dient de boeking van het overeenkomstige bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteit in staat is:
a) het bedrag van de betrokken rechten te berekenen, en
b) de persoon te bepalen die tot betaling van dat bedrag gehouden is."
Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1854/89 luidt als volgt:
"De in artikel 3 bedoelde termijnen voor de boeking kunnen worden verlengd:
a) hetzij om met de administratieve organisatie van de Lid-Staten, met name een gecentraliseerde comptabiliteit, verband houdende redenen;
b) hetzij in gevallen waarin bijzondere omstandigheden de douaneautoriteit beletten deze termijnen na te leven.
De aldus verlengde termijnen kunnen niet langer zijn dan veertien dagen."
Artikel 5 van dezelfde verordening bepaalt:
"Wanneer het uit een douaneschuld voortvloeiende bedrag aan rechten niet overeenkomstig de artikelen 3 en 4 is geboekt, of een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient het te innen of na te vorderen bedrag aan rechten te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteit deze situatie heeft geconstateerd en in staat is het wettelijk verschuldigde bedrag te berekenen en te bepalen welke persoon tot betaling van dat bedrag gehouden is. Deze termijn kan overeenkomstig artikel 4 worden verlengd."
III - De nationale procedure
12 Covita vordert nietigverklaring van de beschikking van 21 december 1992 van het douanekantoor Skydras om de tussen 24 juni en 1 juli 1992 uit Bulgarije ingevoerde kersen achteraf te belasten met een compenserende heffing. Het hoofdgeding dient in hoger beroep voor het Dioikitiko Efeteio Thessalonikis (hierna: "nationale rechter"). Voor de nationale rechter heeft Covita de volgende argumenten aangevoerd:
- de compenserende heffing die bij verordening nr. 1591/92 is ingesteld, geldt alleen voor vers te consumeren tafelkersen, de enige categorie waarvoor kwaliteitsnormen gelden;
- na de inklaring van de goederen door de douaneautoriteiten kunnen geen extra rechten meer worden opgelegd, en
- het achteraf opleggen van de heffing is in strijd met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
13 Krachtens artikel 177 van het Verdrag heeft de nationale rechter het Hof verzocht om een uitspraak over de volgende prejudiciële vragen:
"1) Kunnen de termen $buitengewone omstandigheden' en $vergissing van de bevoegde autoriteiten' in artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad respectievelijk artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad aldus worden uitgelegd, dat zij, elk afzonderlijk dan wel in hun onderlinge samenhang of in samenhang met andere relevante bepalingen of beginselen, ook het geval betreffen waarin de importeur te goeder trouw de uit een derde land ingevoerde producten met toestemming van de douaneautoriteit in ontvangst heeft genomen en in het vrije verkeer heeft gebracht, zonder de in verordening (EEG) nr. 1591/92 van de Commissie bedoelde compenserende heffing te betalen, wanneer dit laatste te wijten is aan het feit dat de bevoegde douaneautoriteit het bestaan van laatstgenoemde verordening niet kende, hetzij wegens het ontbreken van een mechanisme om haar tijdig van de vaststelling van een rechtstreeks toepasselijke communautaire rechtsregel in kennis te stellen, hetzij wegens gebrekkige coördinatie tussen de betrokken communautaire en nationale organen, hetzij om enige andere reden die hoe dan ook geen verband houdt met een gedraging van de importeur, of is het enkele feit dat de verordening is vastgesteld, voldoende om de compenserende heffing alsnog op te leggen?
2) Zijn de in de artikelen 3 en 5 van verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad gestelde termijnen voor boeking van een douaneschuld vervaltermijnen in die zin, dat het laten verstrijken ervan het recht van de douaneautoriteit om tot boeking en inning van de compenserende heffing over te gaan, doet vervallen? Kan voorts, wanneer er geen sprake is van een buitengewone omstandigheid of van overmacht, het verstrijken van meer dan vijf maanden sinds het tijdstip waarop de douaneautoriteit de situatie heeft geconstateerd en in staat was het verschuldigde bedrag te berekenen, worden geacht de redelijke termijn te overschrijden waarbinnen die autoriteit moest handelen?
3) Is de compenserende heffing enkel van toepassing op verse tafelkersen of ook op kersen die voor industriële verwerking zijn bestemd?"
IV - Opmerkingen en analyse
14 De volgende partijen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend: Covita; de Helleense Republiek; de Franse Republiek; het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
15 Aangezien de eerste en de tweede vraag niet behoeven te worden beantwoord wanneer de bij verordening nr. 1591/92 ingestelde compenserende heffing niet van toepassing blijkt te zijn op ingevoerde kersen die voor industriële verwerking zijn bestemd, ligt het voor de hand eerst de derde vraag te behandelen.
i) De derde vraag
16 Covita betoogt, dat de door haar ingevoerde kersen niet vielen onder de compenserende heffing die bij artikel 1 van verordening nr. 1591/92 is ingesteld op de invoer van kersen (GN-code ex 0809 20) van oorsprong uit Bulgarije. Deze heffing is volgens haar ingesteld op de kersen waarvoor kwaliteitsnormen gelden krachtens verordening nr. 1035/72, in het bijzonder kersen van kwaliteitsklasse I, die tevens dienen als berekeningsgrondslag voor de referentieprijs. Ingevolge artikel 3 van verordening nr. 1035/72 zouden voor verwerking bestemde kersen dus zijn uitgezonderd. Dit argument is nagenoeg geheel ontleend aan de aanduiding "ex" in artikel 1 van verordening nr. 1591/92. Deze aanduiding zou betrekking hebben op een van deze ruimere tariefpost afgezonderde deelgroep. Covita zet uiteen, dat deze tariefpost is onderverdeeld in zure kersen (0809 20 20) en kersen (0809 20 40), welke laatste weer zijn onderverdeeld in tafelkersen (0809 20 40 01000), bestemd voor levering in verse toestand aan de consumenten, en andere kersen (0809 20 40 09000), waaronder kersen bestemd voor industriële verwerking.(13) Daarom, en niet om de heffing te beperken tot kersen van oorsprong uit Bulgarije (ongeacht hun bestemming), zou de aanduiding "ex" zijn gebruikt. Covita noemt een aantal gemeenschapsmaatregelen waarin de aanduiding "ex" uitdrukkelijk wordt toegelicht als inhoudende, dat de betrokken goederen behoren tot een kleinere, nader omschreven categorie dan die welke door de enkele GN-code wordt aangeduid.(14)
17 De Griekse en de Franse regering en de Commissie betogen, dat alle kersen van oorsprong uit Bulgarije onder de heffing vallen, nu er geen uitdrukkelijke uitzondering geldt. Volgens de Griekse regering houdt de aanduiding "ex" in, dat de heffing uitsluitend geldt voor kersen uit GN-code 0809, en niet voor de andere aldaar genoemde vruchten. De Commissie gaat niet rechtstreeks in op het gebruik van de aanduiding "ex", maar volgens haar wordt de invoerprijs op basis waarvan wordt bepaald of een compenserende heffing moet worden ingesteld, voor een bepaalde kwaliteitsklasse berekend, om vergelijking met de referentieprijs voor diezelfde klasse mogelijk te maken (in dit geval kwaliteitsklasse I). De uiteindelijke heffing geldt voor alle kersen die uit het betrokken derde land worden ingevoerd. De Commissie merkt bovendien op, dat Covita niet verwijst naar de versie van de GN zoals die op het relevante tijdstip gold.(15)
18 Naar mijn mening was de bij verordening nr. 1591/92 ingestelde compenserende heffing, gedurende de perioden waarin zij gold, van toepassing op alle kersen van oorsprong uit Bulgarije. De referentieprijs en de invoerprijs worden vastgesteld voor producten van één enkele kwaliteitsklasse ingevolge de artikelen 24, lid 2, en 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72, teneinde te vergelijken wat ook vergelijkbaar is. Noch verordening nr. 1035/72 noch de verordeningen nrs. 956/92 en 1591/92 bevatten een aanwijzing, dat het in het algemeen of in dit bijzondere geval de bedoeling is geweest de toepassing van de compenserende heffing te beperken tot producten van de voor die vergelijking gekozen kwaliteitsklasse. Volgens de opvatting van Covita zouden niet alleen de voor industriële verwerking ingevoerde producten van de werkingssfeer van de compenserende heffing worden uitgesloten, maar ook de in verse toestand aan de consument geleverde producten van andere kwaliteitsklassen dan die voor de berekening van de referentieprijs. Dit zou in strijd zijn met de tekst en de opzet van de artikelen 23 tot en met 25 van verordening nr. 1035/72, die de berekening van representatieve referentie- en invoerprijzen beogen. Voorts zou volgens de opvatting van Covita de toepassing van de compenserende heffingen op kersen die voor industriële verwerking worden ingevoerd, altijd zijn uitgesloten, omdat voor die kersen ingevolge artikel 3 van verordening nr. 1035/72 nooit kwaliteitsnormen gelden.
19 Aan het Hof is nooit een algemene definitie voorgelegd van de aanduiding "ex" in de communautaire douanewetgeving.(16) Evenmin is het Hof ooit om uitlegging van deze term gevraagd. Het Hof heeft vaak bepalingen uitgelegd waarin de term voorkwam, zonder zich echter uit te spreken over de mogelijke betekenis daarvan.(17) Niettemin vindt de aanduiding "ex" een zeer wijdverbreid gebruik; in sommige gevallen wordt zij gedefinieerd in de context van een bepaalde communautaire maatregel op douanegebied of een daaraan verwant gebied. De volgende verklaring is een standaardtekst, die onder meer te vinden is in maatregelen die kort voor en na de vaststelling van verordening nr. 1591/92 werden uitgevaardigd(18):
"Onverminderd de algemene bepalingen voor de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur wordt de omschrijving van de goederen slechts geacht een indicatieve waarde te hebben, aangezien de preferentiële regeling wordt bepaald, in het kader van deze bijlage, door de draagwijdte van de nummers van de GN-code. Wanneer $ex' GN-codes zijn opgenomen, zijn de GN-codes samen met de daarbij horende omschrijving bepalend voor de toepassing van de preferentiële regeling."
20 Overal waar men deze formulering aantreft, houdt dit kennelijk in, dat de toepassing van een bepaalde communautaire maatregel beperkt blijft tot een nader omschreven deelgroep uit de categorie goederen die normalerwijze onder de GN-code vallen waaraan de aanduiding "ex" is toegevoegd. Een onderzoek van de codes en omschrijvingen in communautaire maatregelen waarbij de term "ex" zonder nadere definitie wordt gebruikt, voert tot dezelfde conclusie. In de willekeurige verzameling die ik heb onderzocht, is de omschrijving van de goederen onder een "ex"-code in alle gevallen restrictiever dan de omschrijving in het gemeenschappelijk douanetarief of in de gecombineerde nomenclatuur, zoals die gold op het moment waarop de betrokken maatregel werd vastgesteld.(19)
21 Ook is het mogelijk, dat een bepaalde GDT of GN-code in een maatregel meermaals wordt genoemd, telkens voorafgegaan door de term "ex" en gevolgd door de omschrijving van een andere deelgroep van goederen van die code. Zo wordt code ex 8542 11 99 meermaals genoemd in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3393/89 van de Raad van 16 oktober 1989 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële producten (micro-elektronica en aanverwante sectoren)(20), uitgelegd in het arrest Analog Devices, met een reeks omschrijvingen van goederen die volgens de definitie in verordening nr. 2658/87 onder die code vallen.(21)
22 Tussen de uitlegging die Covita bepleit, en die van de Griekse regering bestaat klaarblijkelijk niet meer dan een semantisch verschil: een "ex code" heeft betrekking op een categorie goederen die is afgezonderd van de ruimere categorie van de betrokken code; zij heeft dus uitsluitend betrekking op die engere categorie. Het is echter duidelijk, dat de door Griekenland voorgestelde uitlegging in het concrete geval van verordening nr. 1591/92 niet aanvaardbaar is. De aanduiding "ex" voorafgaande aan code 0809 20 was niet nodig om de compenserende heffing te beperken tot alleen kersen, met uitsluiting van de andere in code 0809 genoemde vruchten, omdat dit onderscheid reeds blijkt uit de toevoeging van het cijfer 20. Evenzeer is duidelijk, dat het argument van Covita niet opgaat, als zou een impliciete beperking van de categorie kersen die normaal onder code 0809 20 vallen, met uitsluiting van kersen voor industriële verwerking of alle kersen van andere kwaliteitsklassen dan kwaliteitsklasse I, volgen uit het gebruik van alleen klasse I als gemeenschappelijke basis voor de berekening van de referentie- en invoerprijs en daarmee voor de compenserende heffing. Zoals ik reeds zei, is het gebruik van één enkele kwaliteitsklasse eenvoudig bedoeld om te vergelijken wat ook vergelijkbaar is, bij de beoordeling van de noodzaak en de hoogte van een compenserende heffing, die dan over de gehele lijn toepasselijk is.
23 In ieder geval, voor zover deze voorbeelden uit de legislatieve praktijk conclusies toelaten, verwacht men bij een "ex code" een gedetailleerde omschrijving van de engere categorie van goederen waarop zij betrekking heeft, en niet enkel een impliciete of speculatieve beperking. In casu kent verordening nr. 1591/92 als enige uitdrukkelijke beperking voor het toepassingsgebied van de compenserende heffing op kersen, dat die kersen van oorsprong moeten zijn uit Bulgarije.(22) De nadere invulling van het derde land van oorsprong geschiedt echter uit hoofde van verordening nr. 1035/72 en is niet van invloed op de indeling van het product.
24 Een uitdrukkelijke beperking van het toepassingsgebied van de compenserende heffing valt volgens mij niet af te leiden uit de verdere onderverdeling van GN-code 0809 20 in twee verschillende perioden: van 1 mei tot en met 15 juli (0809 20 10) en van 16 juli tot en met 30 april (0809 20 90). Zou men uit een "ex code" enkel een impliciete beperking van de onder de normale code begrepen categorie goederen moeten afleiden, dan lijkt beperking naar periode mij nochtans het meest voor de hand liggend. Wellicht heeft men wegens de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1591/92 volgens artikel 2 (24 juni 1992), en het gemis van terugwerkende kracht, de compenserende heffing willen toepassen op alleen die deelgroep kersen uit code 0809 20, die na die datum zijn ingevoerd.
25 Geen van deze uitleggingsmogelijkheden kan Covita echter baten; de door haar bepleite uitlegging moet volgens mij van de hand worden gewezen. Ik geef het Hof daarom in overweging om op de derde vraag te antwoorden, dat de compenserende heffing, ingesteld bij verordening nr. 1591/92, ook geldt voor kersen die zijn bestemd voor industriële verwerking.
ii) De eerste vraag
26 Covita verwijst naar de drie voorwaarden waaraan ingevolge artikel 5, lid 2, van de navorderingsverordening moet zijn voldaan, en stelt dat de bevoegde nationale autoriteiten van navordering moeten afzien nu i) het achterwege blijven van heffing aan een vergissing van de douaneautoriteiten zelf is toe te schrijven; ii) de vergissing redelijkerwijze niet kon worden ontdekt door de importeur die te goeder trouw heeft gehandeld, en iii) de importeur aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte heeft voldaan. De nationale rechter neemt aan, dat aan de derde voorwaarde is voldaan en dat Covita te goeder trouw heeft gehandeld. De verzekering van het douanekantoor Skydras, dat er geen heffing was ingevoerd, beschouwt Covita als een aan de bevoegde douaneautoriteit toerekenbare vergissing als bedoeld in de eerste voorwaarde.
27 Omtrent de tweede voorwaarde merkt Covita op, dat haar bedrijfservaring beperkt is, aangezien zij eerst in 1991 is opgericht. Uit de telex waarmee de Commissie op 29 juni 1992 het Griekse Ministerie van Landbouw op de hoogte bracht van de compenserende heffing, is op te maken dat het Publicatieblad van 23 juni 1992, waarin verordening nr. 1591/92 werd gepubliceerd, vóór die datum nog niet was verspreid. Volgens Covita kan van haar niet worden verwacht dat zij beter op de hoogte is van de geldende heffingen dan de bevoegde douaneautoriteit. Deze combinatie van omstandigheden is ook aan te merken als "bijzondere situatie" in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79, aangezien er niet kan worden gesproken van manipulatie of kennelijke nalatigheid van haar kant.
28 Volgens de Franse regering en de Commissie kan het enkele feit dat het douanekantoor Skydras de douaneaangiften van Covita heeft aanvaard, en dit - anders dan in het arrest Hewlett Packard France(23) het geval was - gedurende een zeer korte periode, geen vergissing oplevert in de zin van artikel 5, lid 2, van de navorderingsverordening. Volgens de Griekse en de Franse regering en de Commissie had de invoering van de compenserende heffing redelijkerwijs kunnen worden ontdekt bij raadpleging van de gezaghebbende bron, het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.(24) Om die reden moet worden aangenomen dat Covita kennelijk nalatig is geweest in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79. Dit geldt te meer in deze zaak, omdat Covita, gezien de marktprijzen, elk moment een compenserende heffing kon verwachten, en inderdaad ook verwachtte. Alleen het bewijs dat het betrokken nummer van het Publicatieblad niet tijdig was verspreid, zou Covita kunnen baten. Dat Covita ook met het Griekse Ministerie van Landbouw rechtstreeks contact had opgenomen in verband met de vaststelling van verordening nr. 1591/92, kan volgens de Commissie niet als bewijs daartoe dienen. De Griekse regering merkt op, dat navordering altijd onmogelijk zou zijn wanneer de marktdeelnemers niet werden geacht beter op de hoogte te zijn dan de douaneautoriteiten en dus niet waren gehouden zich te vergewissen van de heffingen die op de door hen verhandelde goederen van toepassing zijn.
29 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het bepaalde in artikel 5, lid 2, van de navorderingsverordening door de nationale rechter in het licht van de feiten van de zaak worden toegepast.(25) De bevoegde instanties mogen na inklaring niet overgaan tot navordering van niet-geïnde rechten, wanneer aan de drie voorwaarden van artikel 5, lid 2, is voldaan.(26) Een vergissing van de douaneautoriteiten zelf moet aan hun eigen handelen zijn toe te schrijven(27), en kan niet het gevolg zijn van de aanvankelijke aanvaarding van de douaneaangifte op het moment van invoer, die naderhand nog aan controles wordt onderworpen.(28) De vraag of een vergissing van de douaneautoriteiten redelijkerwijs door de te goeder trouw handelende belastingschuldige kon worden ontdekt, moet de nationale rechter beantwoorden, lettend op "de aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemers en de mate van door hen betrachte zorgvuldigheid".(29)
30 Ten aanzien van de vraag of een vergissing redelijkerwijs kon worden ontdekt door een te goeder trouw handelende importeur, luidt de vaste rechtspraak inzake artikel 5, lid 2, van de navorderingsverordening, dat een zorgvuldig handelaar die een zekere ervaring heeft opgedaan op het gebied van in- en uitvoer, wordt geacht het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen te raadplegen om zich te vergewissen van de gemeenschapswetgeving die op de door hem verrichte transacties van toepassing is. Zowel in het arrest Binder(30) als in het arrest Behn Verpackungsbedarf(31) verklaarde het Hof dan ook, dat die handelaar zich voor het bepalen van het toepasselijke douanetarief niet mag verlaten op de in een nationaal gebruikstarief vermelde gegevens. Van een marktdeelnemer mag dus worden verlangd, dat hij beter op de hoogte is dan de bevoegde nationale autoriteiten.(32) Naar mijn mening moet hetzelfde gelden ten aanzien van de verzekeringen die Covita van het douanekantoor Skydras ontving. De nationale rechter moet bij de beoordeling van de goede trouw en de zorgvuldigheid van een marktdeelnemer als Covita bedenken, dat haar regelmatige navraag wellicht een aanwijzing is voor haar goede trouw, maar tevens bewijst dat zij zich er levendig van bewust was, dat zij zich op zeer riskant terrein bewoog. Tegenover hoge winsten staan ook hoge risico's. Het effect van de compenserende heffing zou worden ondergraven wanneer marktdeelnemers daaraan zouden kunnen ontsnappen met een beroep, hoe oprecht ook, op hun onwetendheid.
31 Het enige argument dat Covita op dit punt zou kunnen baten, is dat de Griekse editie van het Publicatieblad van 23 juni 1992 op de op de omslag vermelde datum nog niet was verspreid. In dat geval kon Covita niet worden verondersteld te zijn geïnformeerd omtrent de vaststelling van verordening nr. 1591/92.(33) Bovendien zou de compenserende heffing in het geheel niet van toepassing zijn vóór de feitelijke datum van bekendmaking, nu nergens blijkt van de bedoeling, aan verordening nr. 1591/92 terugwerkende kracht te geven.(34) Bij gebreke van bewijs van het tegendeel moet een verordening worden geacht in de gehele Gemeenschap te zijn bekendgemaakt op de datum welke is vermeld op het nummer van het Publicatieblad waarin de verordening is opgenomen.(35) Van belang is echter dat het Hof spreekt van de daadwerkelijke datum van uitgifte, dat wil zeggen de dag waarop het betrokken nummer bij het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen te Luxemburg voor het publiek verkrijgbaar is.(36) Wanneer de datum op dat nummer niet overeenstemt met de feitelijke datum van publicatie, dan moet de dag van de daadwerkelijke uitgifte in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de vraag, in hoeverre Covita van de verordening op de hoogte kon zijn. Anderzijds is van belang, dat de dag waarop een verordening moet worden geacht te zijn bekendgemaakt, niet verschilt naar gelang van de dag waarop het Publicatieblad op het grondgebied van de respectieve lidstaten verkrijgbaar is, ongeacht de vertraging die zich ondanks de inspanningen om een snelle verspreiding van het Publicatieblad in de gehele Gemeenschap te verzekeren, zouden kunnen voordoen.(37) Of zich bij de uitgifte van het Publicatieblad van 23 juni 1992 in Luxemburg vertraging heeft voorgedaan, moet door de nationale rechter worden uitgemaakt.(38) Het enkele feit echter dat de Commissie een extra telex of fax heeft verstuurd om de Griekse autoriteiten rechtstreeks van de vaststelling van verordening nr. 1591/92 op de hoogte te brengen, vormt naar mijn mening geen bewijs van vertraging bij de uitgifte.
32 Nu voor het Hof geen bewijs is overgelegd dat de uitgifte van het Publicatieblad was vertraagd, en omdat het in artikel 5, lid 2, van de navorderingsverordening om cumulatieve voorwaarden gaat, behoef ik niet in te gaan op de afzonderlijke vraag, of er in dit geval sprake was van een vergissing die aan een handeling van de bevoegde instanties is toe te schrijven.
33 In het arrest Hewlett Packard France verklaarde het Hof, dat artikel 13 van verordening nr. 1430/79 en artikel 5, lid 2, van de navorderingsverordening hetzelfde doel dienen, "te weten betaling $achteraf' van in- of uitvoerrechten te beperken tot de gevallen waarin een dergelijke betaling gerechtvaardigd is en verenigbaar met een zo fundamenteel beginsel als het vertrouwensbeginsel".(39) Het Hof vervolgde:
"Zo gezien komt de omstandigheid dat de vergissing kan worden ontdekt in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, overeen met klaarblijkelijke nalatigheid of manipulatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, zodat de voorwaarden van deze bepaling van verordening nr. 1430/79 moeten worden beoordeeld in het licht van die van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79."(40)
34 De twee voorwaarden die artikel 13 van verordening nr. 1430/79 noemt, zijn eveneens cumulatief: er moet zich een bijzondere situatie voordoen en er mag geen sprake zijn van manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid.(41) Wij hebben zojuist gezien dat de laatstbedoelde voorwaarde verband houdt met de vraag, of een vergissing had kunnen worden ontdekt als bedoeld in artikel 5, lid 2, van de navorderingsverordening.(42) Hoewel de omstandigheden waaronder Covita zaken doet, in sommige opzichten overeenstemmen met die van relatief kleine, ver van Athene verwijderde ondernemingen als in het arrest Oryzomyli Kavallas/Commissie(43), kan naar mijn mening toch niet worden gesteld dat zij niet nalatig is geweest in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, tenzij komt vast te staan dat de Griekse versie van verordening nr. 1591/92 bij het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen niet verkrijgbaar was gedurende de betrokken periode of een deel daarvan. In die omstandigheden behoef ik niet in te gaan op de vraag, of zich een bijzondere situatie heeft voorgedaan in de zin van bedoeld artikel.
iii) De tweede vraag
35 Met deze vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de in de artikelen 3 en 5 van verordening nr. 1854/89 gestelde termijnen dwingend zijn en rechtstreekse werking hebben, zoals Covita stelt, zodat het verzuim van die termijnen de boeking en invordering van een douanerecht achteraf belet.
36 Volgens de Franse en de Britse regering dienen de in verordening nr. 1854/89 genoemde termijnen alleen om de boekingsmethoden en daarmee de mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap te harmoniseren en het tijdstip vast te leggen waarop de gelden naar de gemeenschapsbegroting moeten worden overgemaakt; zij zouden geen verband houden met de navordering achteraf van douanerechten. Genoemde regeringen en de Commissie betogen voorts, dat de datum waarop de in artikel 5 van verordening nr. 1854/89 bedoelde termijn begint, dat wil zeggen het moment waarop de douaneautoriteiten in staat zijn een douaneschuld te berekenen, in het normale geval niet aan individuele marktdeelnemers bekend is. Evenals de Griekse regering zijn zij van mening, dat artikel 2, lid 1, van de navorderingsverordening de enige tijdslimiet bevat die het gemeenschapsrecht voor navorderingsacties kent. De Franse regering merkt op, dat het bepaalde in artikel 2, lid 1, tweede alinea, waarin sprake is van een termijn van drie jaar in het geval geen boeking heeft plaatsgevonden, erop wijst, dat zulk verzuim het recht van de autoriteiten tot navordering onverlet laat.
37 Ik onderschrijf alle argumenten die door de Franse en de Griekse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie naar voren zijn gebracht tegen de uitlegging, dat de artikelen 3 en 5 van verordening nr. 1854/89 dwingende termijnen stellen aan de navordering van douanerechten. Het is duidelijk, dat de in deze bepalingen genoemde termijnen verband houden met de boeking en niet met de navordering van de betrokken bedragen, en dat zij zijn bedoeld voor boekhoudkundige doeleinden en niet om rechten te scheppen ten behoeve van de individuele marktdeelnemers. Dit blijkt afdoende uit het feit dat artikel 2, lid 1, van de navorderingsverordening een afzonderlijke termijn voor navordering stelt van drie jaar, welke termijn volgens die bepaling ingaat ofwel op de datum van boeking van de douaneschuld of, wanneer geen boeking heeft plaatsgevonden, op het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan. Artikel 2, lid 1, bevat de enige vervaltermijn voor de navordering van douaneschulden.
V - Conclusie
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
"1) De compenserende heffing bedoeld in verordening (EEG) nr. 1591/92 van de Commissie van 22 juni 1992 houdende instelling van een compenserende heffing bij invoer van kersen van oorsprong uit Bulgarije, drukt ook op kersen die voor industriële verwerking zijn bestemd.
2) Een marktdeelnemer met ervaring op het gebied van in- en uitvoertransacties kan geen bescherming ontlenen aan het bepaalde in artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, of in artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten, indien hij zich door raadpleging van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen op de hoogte had kunnen stellen van de voor de door hem verrichte handelingen geldende gemeenschapsbepalingen, en hij dit niet heeft gedaan.
3) De termijnen gesteld in de artikelen 3 en 5 van verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer, zijn geen vervaltermijnen voor het recht van de bevoegde douane-instanties om met inachtneming van de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1697/79 gestelde termijn tot navordering van douanerechten over te gaan."
(1) - PB L 168, blz. 18.
(2) - De Commissie zegt reeds op 23 juni 1992 een eerste fax aan het Ministerie van Landbouw te hebben gezonden over de vaststelling van verordening nr. 1591/92.
(3) - PB L 118, blz. 1.
(4) - De laatste wijziging vóór de feiten in deze zaak vond plaats bij verordening (EEG) nr. 1156/92 van de Raad van 28 april 1992 tot wijziging van verordening nr. 1035/92 (PB L 122, blz. 3).
(5) - PB L 88, blz. 17.
(6) - PB L 259, blz. 1.
(7) - PB L 102, blz. 27.
(8) - PB L 197, blz. 1.
(9) - PB L 175, blz. 1.
(10) - PB L 286, blz. 1.
(11) - Zie de artikelen 4 en 6 van verordening (EEG) nr. 3799/86 van de Commissie van 12 december 1986 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 bis, 6 bis, 11 bis en 13 van verordening nr. 1430/79 (PB L 352, blz. 19).
(12) - PB L 186, blz. 1.
(13) - Deze versie van de gecombineerde nomenclatuur is niet aangehaald.
(14) - Zie noot (a) in de bijlagen C I, C II en C IV van verordening (EEG) nr. 3953/92 van de Raad van 21 december 1992 betreffende de regeling voor de invoer in de Gemeenschap van producten van oorsprong uit de republieken Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Slovenië en het grondgebied van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (PB L 406, blz. 1), en noot 1.1 in bijlage 9 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1).
(15) - Zie verordening nr. 2587/91, waarvan de relevante gedeelten hierna worden geciteerd.
(16) - Deze term wordt eveneens gebruikt, zonder te worden gedefinieerd, in de bijlagen I en II van het Verdrag.
(17) - Zie, voor een voorbeeld uit vele, het arrest van 1 juni 1995, Analog Devices (C-467/93, Jurispr. blz. I-1403).
(18) - Noot (a) in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 1509/92 van de Raad van 5 juni 1992 waarbij Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije met ingang van 1 maart 1992 worden geschrapt van de lijst van landen die voor de algemene tariefpreferenties van de Gemeenschap in aanmerking komen (PB L 159, blz. 1); noot (a) in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 2245/92 van de Raad van 27 juli 1992 tot instelling van een communautair statistisch toezicht op de invoer van bepaalde landbouwproducten van oorsprong uit Cyprus, Egypte, Jordanië, Israël, Tunesië, Syrië, Malta, Marokko en Libanon, waarvoor referentiehoeveelheden gelden (1992) (PB L 218, blz. 125), en noot (a) in de bijlagen C I, C II en C IV bij verordening nr. 3953/92, waarop Covita in haar opmerkingen doelt. De formulering in noot 1.1 in bijlage 9 bij verordening nr. 2454/93, die eveneens door Covita wordt geciteerd, lijkt, hoewel enigszins afwijkend, dezelfde betekenis te hebben.
(19) - Ik heb uitsluitend gekeken naar maatregelen die in de rechtspraak van het Hof aan de orde zijn gewest. Kortheidshalve geef ik hier slechts twee van de meest recente voorbeelden, die niet in mijn verdere betoog worden genoemd: men vergelijke de omschrijving van code ex 8536 50 00 in verordening (EEG) nr. 3696/88 van de Raad van 18 november 1988 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële producten (PB L 329, blz. 1), met die van code 8536 50 00 in verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1) (arrest van 31 maart 1992, Hamlin Electronics, C-338/90, Jurispr. blz. I-2333); en de omschrijving van code ex 51.01 A in verordening (EEG) nr. 1162/79 van de Raad van 12 juni 1979 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële producten (PB L 147, blz. 1), en verordening (EEG) nr. 1481/80 van de Raad van 9 juni 1980 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële producten (PB L 148, blz. 1), met die van code 51.01 A van verordening (EEG) nr. 3000/79 van de Raad van 20 december 1979 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 inzake het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 342, blz. 1) (arrest van 18 maart 1986, Ethicon, 58/85, Jurispr. blz. 1131).
(20) - PB L 332, blz. 1.
(21) - Aangehaald in voetnoot 17 supra. Zie ook de dubbele verwijzingen naar de codes ex 15.07, ex 15.17 en ex 23.04, ter aanduiding van respectievelijk olijfolie en plantaardige oliën met uitzondering van olijfolie, in verschillende toestanden, in verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, 172, blz. 3025) (arrest van 11 maart 1982, Fancon, 129/81, Jurispr. blz. 967).
(22) - Niet in al deze gevallen wordt de betrokken code daartoe voorzien van de aanduiding "ex". Zie bijvoorbeeld verordening (EEG) nr. 4082/87 van de Raad van 21 december 1987 betreffende de opening en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor tafelkersen, met uitzondering van morellen, van de onderverdelingen 0809 20 10 en 0809 20 90 van de gecombineerde nomenclatuur, van oorsprong uit Zwitserland (1988) (PB L 382, blz. 2), die de opschorting van rechten op kersen binnen de genoemde code niet alleen beperkt aan de hand van hun oorsprong, maar ook door een bepaalde categorie, morellen, uit te sluiten.
(23) - Arrest van 1 april 1993 (C-250/91, Jurispr. blz. I-1819).
(24) - Arresten van 12 juli 1989, Binder (161/88, Jurispr. blz. 2415, punten 19 en 20); 28 juni 1990, Behn Verpackungsbedarf (C-80/89, Jurispr. blz. I-2659, punten 13 en 14), en 5 juni 1996, Günzler Aluminium/Commissie (T-75/95, Jurispr. blz. II-497, punt 50).
(25) - Zie, bijvoorbeeld, arresten van 26 juni 1990, Deutsche Fernsprecher (C-64/89, Jurispr. blz. I-2535); 8 april 1992, Beirafrio (C-371/90, Jurispr. blz. I-2715), en 16 juli 1992, Belovo (C-187/91, Jurispr. blz. I-4937).
(26) - Zie arresten van 22 oktober 1987, Foto-Frost (314/85, Jurispr. blz. 4199), en 23 mei 1989, Top Hit Holzvertrieb/Commissie (378/87, Jurispr. blz. 1359).
(27) - Arresten van 27 juni 1991, Mecanarte (C-348/89, Jurispr. blz. I-3277, punt 23), en 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a. (C-153/94 en C-204/94, Jurispr. blz. I-2465, punt 91).
(28) - Zie arrest Faroe Seafood e.a., reeds aangehaald, punt 93. De situatie is anders wanneer vele soortgelijke aangiften zonder bezwaar en gedurende een langere periode worden aanvaard; zie arrest Hewlett Packard France, punten 20 en 21.
(29) - Zie bijvoorbeeld arrest Faroe Seafood e.a., punt 99; arrest Deutsche Fernsprecher, punt 24, en arrest Hewlett Packard France, punt 22.
(30) - Punt 22.
(31) - Punt 14.
(32) - Ibid., punt 17; zie ook arrest Deutsche Fernsprecher, punt 17, en arrest Günzler Aluminium/Commissie, punt 47.
(33) - Zie arrest van 15 mei 1986, Oryzomyli Kavallas/Commissie (160/84, Jurispr. blz. 1633, punt 19), gewezen op het verwante gebied van artikel 13 van verordening nr. 1430/79.
(34) - Zie arrest van 31 maart 1977, Société pour l'exportation des sucres/Commissie (88/76, Jurispr. blz. 709, punten 16 en 17).
(35) - Zie arrest van 25 januari 1979, Racke (98/78, Jurispr. blz. 69, punt 17).
(36) - Ibid., punt 15.
(37) - Ibid., punt 16.
(38) - Zie voor een opsomming van deze beginselen en een voorbeeld waarin het Gerecht inderdaad een vertraging in de daadwerkelijke verschijning vaststelde, arrest van 22 januari 1997, Opel Austria/Raad (T-115/94, Jurispr. blz. II-39, punten 127-133).
(39) - Arrest Hewlett Packard France, punt 46.
(40) - Ibid.
(41) - Zie arrest Günzler Aluminium/Commissie, punt 54.
(42) - Ibid., punt 55.
(43) - Punt 19.
Full & Egal Universal Law Academy