Conclusie van de advocaat generaal
1 Svea Hovrätt verzoekt het Hof de draagwijdte te beoordelen van een toegestane afwijking op de regeling betreffende de rij- en rusttijden in het wegvervoer, en de omvang te preciseren van de controle op de naleving van die regeling.
De toepasselijke regeling
2 Deze regeling, thans vervat in verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer(1) (hierna: "verordening"), heeft een drieledig oogmerk: verkeersveiligheid, harmonisatie van de mededingingsvoorwaarden en sociale vooruitgang.(2)
3 Daartoe bepaalt verordening nr. 3820/85 de rij- en rusttijden van de bestuurders, werkzaam in het wegvervoer dat binnen haar werkingssfeer valt.
4 De mogelijkheden tot afwijking van deze tot in de kleinste bijzonderheden gaande regeling zijn strikt beperkt.
5 Buiten de dertien categorieën van voertuigen waarop de verordening niet van toepassing is (artikel 4)(3), en de strengere nationale afwijkingen (artikel 11) of wegens uitzonderlijke omstandigheden (artikel 13, lid 2), blijft het de lidstaten, mits zij de Commissie daarvan in kennis stellen, mogelijk in het nationale wegvervoer van de regeling af te wijken voor elf categorieën van voertuigen die worden gebruikt voor vervoer van zeer bijzondere aard (artikel 13, lid 1, sub a tot en met k).
6 Volgens artikel 13, lid 1, sub b, komen aldus "voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren", voor dergelijke nationale afwijkingen in aanmerking.
Het Koninkrijk Zweden heeft voor deze categorie voertuigen van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik gemaakt.(4)
7 Om een efficiënte controle op de naleving van de bepalingen betreffende de arbeidstijden te waarborgen heeft de Raad verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer(5) vastgesteld. Het Hof heeft gepreciseerd, dat het goedgekeurd controleapparaat - "tachograaf" of "tachometer" genoemd - "is ontworpen om automatisch of halfautomatisch op goedgekeurde registratiebladen gegevens te registreren, met name betreffende de rijtijden en andere werktijden, de tijd tijdens welke de chauffeur ter beschikking staat en de dagelijkse en wekelijkse rusttijd".(6)
8 In beginsel moet op in een lidstaat geregistreerde voertuigen voor personen- of goederenvervoer over de weg een tachograaf worden geïnstalleerd en gebruikt. De lidstaten kunnen evenwel, mits zij de Commissie daarvan kennis geven, van deze verplichting met name vrijstellen, de in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 3820/85 (artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3821/85) bedoelde voertuigen. De in artikel 4 en artikel 14, lid 1, van verordening nr. 3820/85 (artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3821/85) bedoelde voertuigen genieten hoe dan ook een vrijstelling van rechtswege.
9 Voor deze laatste niet met een tachograaf uitgeruste voertuigen in het geregeld personenvervoer(7) wordt de controle op de naleving van de bepalingen van de verordening verzekerd door het houden van een dienstrooster. Artikel 14 van verordening nr. 3820/85 bepaalt:
"1. In onderstaande gevallen worden door de onderneming een dienstregeling en een dienstrooster opgesteld:
- binnenlands geregeld personenvervoer;
(...)
waarop deze verordening van toepassing is.
2. Het dienstrooster moet voor iedere bestuurder de naam, de standplaats alsmede het vooraf vastgestelde rooster bevatten van de verschillende rijtijden, de overige werktijden en de beschikbaarheid.
3. Het dienstrooster moet alle in lid 2 genoemde gegevens bevatten voor een periode die, naast de lopende week, ten minste ook de voorgaande en de volgende week omvat.
(...)
5. Iedere bestuurder van een voertuig dat een in lid 1 bedoelde dienst onderhoudt, moet een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich hebben.
(...)"
10 Svea Hovrätt wenst te vernemen, hoe de artikelen 13, lid 1, sub b, en 14, lid 5, van verordening nr. 3820/85 moeten worden toegepast, ter beslechting van het volgende geschil.
Feiten en procesverloop
11 De verwijzingsbeschikking preciseert, hoe het openbaar personenvervoer over de weg nationaal en plaatselijk is georganiseerd. In elke Zweedse provincie zijn de gekozen provinciale staten, het zogenoemde "landsting", met name belast met het beheer van het openbaar geregeld personenvervoer over de weg op plaatselijk en regionaal niveau. Het landsting van de provincie Stockholm verzorgt bij uitsluiting het beheer van deze dienst, en zulks via Aktiebolaget Storstockholms Lokaltrafik (hierna: "SL"), een naamloze vennootschap voor het plaatselijk vervoer in Groot Stockholm, waarvan het alle aandelen bezit. SL heeft negen dochtermaatschappijen voor de exploitatie van het plaatselijk net, waaronder SL Buss AB. Sinds 1993 worden de vervoersdiensten in concurrentie aanbesteed onder de dochtermaatschappijen van deze vennootschap, waaronder SL Buss AB, en externe ondernemingen.
12 Na een dergelijke procedure viel de keuze op SL Buss AB, die in de provincie Stockholm het geregeld personenvervoer per bus in verschillende zones verzorgt op basis van contracten met een duur van drie tot vijf jaar met mogelijke verlenging tot tien jaar.
13 Sjöberg, beheerder van SL Buss AB, is veroordeeld wegens overtreding van de Zweedse bepalingen inzake rijtijden en de tachograaf in het wegvervoer(8), alsook van artikel 14 van verordening nr. 3820/85. De gecontroleerde autobussen waren namelijk niet uitgerust met het controleapparaat en de bestuurders hadden geen uittreksel uit het dienstrooster bij zich.
14 In beroep verzoekt hij de vervolging te staken, betogend dat de voertuigen van SL Buss AB krachtens artikel 13, lid 1, sub b, van verordening nr. 3820/85 als "voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren", buiten toepassing van deze verordening vallen. Dienaangaande is het particuliere of openbare karakter van de vervoerders zijns inziens irrelevant. Hij betwist ook de beschuldiging, dat de gecontroleerde bestuurders geen uittreksel uit het dienstrooster bij zich hadden in de zin van artikel 14, lid 5, aangezien deze bestuurders een uittreksel uit het dienstrooster van de dag zelf konden overleggen.
15 Volgens het Openbaar ministerie daarentegen is SL Buss AB een particuliere onderneming en geen overheidsdienst, en wordt zij door andere ondernemingen beconcurreerd in het aanbod van geregeld personenvervoer in bepaalde zones en op bepaalde lijnen. Het vervoer door deze vennootschap kan niet voor de aangevoerde afwijkingsbepaling in aanmerking komen. Het bij artikel 14, lid 5, bedoelde uittreksel uit het dienstrooster is volgens het Openbaar ministerie bestemd om in de plaats te treden van de tachograaf voor bepaalde voertuigen die vervoer van een bijzondere soort verrichten. Aan de hand daarvan moeten niet alleen de pauze- en rusttijden op een en dezelfde dag, maar ook de rusttijden van de bestuurder in de loop van een etmaal terstond kunnen worden gecontroleerd. Derhalve is een tot een enkele dag beperkt uittreksel uit het dienstrooster onvoldoende.
16 Wegens twijfel omtrent de toepassing van de aangevoerde bepalingen heeft Svea Hovrätt het Hof de volgende vragen gesteld:
"1) Is de afwijkende bepaling van artikel 13, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van toepassing op het door het landsting van het län Stockholm via SL Buss AB verrichte vervoer?
2) Ingevolge artikel 14, lid 5, van deze verordening moet iedere bestuurder van een voertuig dat een in artikel 14, lid 1, bedoelde dienst onderhoudt, een uittreksel uit het dienstrooster en een afschrift van de dienstregeling bij zich hebben. Is aan dit vereiste voldaan wanneer het uittreksel uit het dienstrooster enkel betrekking heeft op de ritten van de betrokken dag?"
De eerste vraag
17 Met deze vraag, die moet worden geherformuleerd, verzoekt de Zweedse rechter om verduidelijking van de werkingssfeer van de krachtens artikel 13, lid 1, sub b, toegestane afwijking van verordening nr. 3820/85 voor "voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren".
18 Er is al aanzienlijke rechtspraak over de uitlegging van deze en de vorige verordeningen, doch voor het eerst dient het Hof deze bepaling uit te leggen.
19 Als afwijking kan artikel 13 niet aldus worden uitgelegd, dat het verder reikt dan nodig om de bescherming van de daarbij gegarandeerde belangen te waarborgen. Bovendien moet de draagwijdte van de daarbij gestelde afwijkingen worden bepaald met inachtneming van de oogmerken van de verordening.(9)
20 Zoals gezegd strekt de verordening tot harmonisatie van de mededingingsvoorwaarden tussen de vervoerders en tot verbetering van de arbeidsvoorwaarden en van de verkeersveiligheid. Zij strekt ook tot versoepeling van verordening nr. 543/69, doch zonder afbreuk aan haar doelstellingen.(10)
21 Gelet op deze omstandigheden moet de draagwijdte van de litigieuze bepaling worden bepaald.
22 Volgens de tekst zelf van artikel 13, lid 1, sub b, van verordening nr. 3820/85 kunnen de lidstaten van deze afwijking slechts gebruik maken indien is voldaan aan vijf cumulatieve voorwaarden: 1) het vervoer moet worden verricht op het grondgebied van de lidstaat die deze afwijking toestaat, of, met instemming van de betrokken staat, op het grondgebied van een andere lidstaat; 2) de lidstaat moet de Commissie vooraf in kennis hebben gesteld van zijn voornemen gebruik te maken van deze afwijking; 3) de voertuigen moeten worden gebruikt voor taken van openbare dienst; 4) de voertuigen moeten worden gebruikt door de overheid; 5) de voertuigen mogen de beroepsvervoerders niet beconcurreren.
23 De eerste drie voorwaarden brengen in casu geen moeilijkheden mee.
24 In de eerste plaats vindt het litigieuze vervoer alleen plaats in Zweden, meer bepaald in de regio Stockholm.
25 In de tweede plaats betwist de Commissie niet, dat zij in kennis is gesteld van de in de verwijzingsbeschikking vermelde tekst(11), waarbij de afwijking krachtens artikel 13, lid 1, sub b, in Zweden is toegekend.
26 Ten slotte heeft het landsting, in het kader van zijn taken van openbare dienst inzake geregeld openbaar personenvervoer over de weg op plaatselijk en regionaal niveau, SL Buss AB het openbaar personenvervoer per bus opgedragen.
Ter terechtzitting betoogde de vertegenwoordiger van de Zweedse regering evenwel, dat de voor het openbaar personenvervoer gebruikte voertuigen niet kunnen worden beschouwd als "voertuigen (...) gebruikt voor taken van openbare dienst" in de zin van de litigieuze bepaling. Met deze categorie van voertuigen is weliswaar reeds rekening gehouden in andere bepalingen van de verordening, doch daarom kan deze categorie vervoer mijns inziens niet van de werkingssfeer van de krachtens artikel 13 toegestane afwijking worden uitgesloten. De andere bepalingen van de verordening omvatten namelijk niet alle categorieën openbaar personenvervoer. Aldus is het litigieuze vervoer geen "geregeld personenvervoer waarvan de lengte van het traject niet groter is dan 50 kilometer", dat uit dien hoofde in aanmerking komt voor de algemene afwijking van artikel 4, sub 3.(12) Evenzo is het wegens het in casu vervoerde aantal reizigers niet mogelijk gebruik te maken van de afwijking van artikel 13, lid 1, sub a, ten gunste van "voertuigen die voor personenvervoer zijn bestemd en, gezien hun constructie en uitrusting, geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste 17 personen, met inbegrip van de bestuurder, en daarvoor moeten dienen".
Bovendien kan openbaar personenvervoer naar de letter van artikel 13, lid 1, sub b, waarin in ruime zin naar "taken van openbare dienst" wordt verwezen, geenszins van deze categorie worden uitgesloten.
27 In de zin waarin ik voorstel de twee andere voorwaarden voor de toepassing van de afwijking krachtens artikel 13, lid 1, sub b, op te vatten, kunnen ondernemingen zoals SL Buss AB zich mijns inziens daarentegen niet op deze bepaling beroepen.
28 Verzoeker in het hoofdgeding en de Commissie hebben een extensieve uitlegging van het vereiste betreffende het gebruik door de overheid voorgesteld, te weten, dat de afwijking is toegestaan voor het gebruik van voertuigen door particuliere ondernemingen die een openbare vervoersdienst onder overheidstoezicht onderhouden.
29 Deze uitlegging kan niet worden gevolgd.
30 Zoals bekend moeten toegestane afwijkingen, zeker op een gebied waarmee de verkeersveiligheid is gemoeid, extra streng worden uitgelegd. Hoe ruimer de werkingssfeer van de afwijkingen wordt opgevat, hoe meer voertuigen worden onttrokken aan de regeling van de arbeidstijden in deze sector, die tot in de kleinste bijzonderheden gaat. Het gevaar voor de verkeersveiligheid is evident.
31 De rechtspraak van het Hof bevestigt deze essentiële overweging.
32 Naar aanleiding van een verzoek dit punt te verduidelijken inzake de algemene vrijstellingen krachtens artikel 4, sub 6, ten gunste van in het kader van een algemene dienst van openbaar belang gebruikte voertuigen(13), achtte het Hof het in voormelde arresten Goupil, en Mrozek en Jäger "niet noodzakelijk dat de betrokken voertuigen, om onder de uitzondering te kunnen vallen, rechtstreeks door overheidsinstanties worden gebruikt. (...) de afwijking [kan zowel] worden gebruikt door overheidsinstanties als door particuliere ondernemingen die, onder toezicht van die instanties, een algemene dienst van openbaar belang verrichten." Ter rechtvaardiging daarvan overwoog het Hof evenwel, dat "anders dan de bepaling die het vervangt, te weten artikel 4, sub 4, van verordening nr. 543/69 (...) artikel 4, sub 6, van verordening nr. 3820/85 niet meer [verwijst] naar $door andere overheidsinstanties voor openbare diensten gebruikte voertuigen'. Deze tekstuele wijziging heeft tot gevolg, dat de afwijking zowel kan worden gebruikt door overheidsinstanties als door particuliere ondernemingen die, onder toezicht van die instanties, een algemene dienst van openbaar belang verrichten."(14)
Daarentegen bevat het hier besproken artikel 13, lid 1, sub b, evenwel juist een dergelijke uitdrukkelijke verwijzing naar "voertuigen die door de overheid worden gebruikt voor taken van openbare dienst". Het ware dus in strijd met de letter van de tekst, voertuigen die onder overheidstoezicht worden gebruikt door particuliere bedrijven die taken van openbare dienst vervullen, in deze context te beschouwen als "voertuigen die door de overheid worden gebruikt".
33 Ook in het arrest van 6 december 1979, Nehlsen(15), moest het Hof juist dit oude artikel 4, sub 4, van verordening nr. 543/69 uitleggen, waarnaar de eerder genoemde twee arresten verwijzen. Volgens dit artikel worden sommige soorten vervoer van openbaar belang en vervoer met "door andere overheidsinstanties voor openbare diensten gebruikte voertuigen die het beroepsvervoer geen concurrentie aandoen", van rechtswege van de werkingssfeer van de regeling vrijgesteld. De toenmalige tekst was dus exact dezelfde als die van het huidige artikel 13, lid 1, sub b. In punt 8 van het arrest verklaarde het Hof evenwel, dat deze vrijstelling slechts van toepassing is op "voertuigen die eigendom zijn van de overheid of tot haar beschikking staan", en niet op de voertuigen die eigendom zijn van een particuliere onderneming en door deze worden gebruikt voor taken van openbare dienst of openbaar belang, waartoe zij zich krachtens een privaatrechtelijke overeenkomst heeft verbonden.
34 Bovendien heeft de Commissie bij de Raad op 18 april 1988 een ontwerpverordening tot wijziging van de verordeningen nrs. 3820/85 en 3821/85(16) ingediend, die was gebaseerd op de overweging dat "het, gezien het feit dat tal van openbare diensten door particuliere ondernemingen worden verricht, noodzakelijk is te bepalen dat alleen voertuigen van overheidsinstanties of bij overeenkomst aan overheidsinstanties ter beschikking gestelde voertuigen van het toepassingsgebied van deze voorschriften worden uitgesloten".(17) Zij stelde voor, artikel 4, sub 6, te vervangen door de volgende bepaling: "voertuigen gebruikt door overheidsinstanties of bij overeenkomst deze instanties ter beschikking gesteld".(18) Voor zover ik weet, is dit ontwerp niet door de Raad goedgekeurd. Dit ontwerp strekt weliswaar tot wijziging van artikel 4, sub 6, en niet van artikel 13, lid 1, sub b, doch wat erin tot uiting komt, is de wil de werkingssfeer van de toegestane afwijkingen te verruimen. Tot dusver heeft de wetgever daarmee evenwel niet ingestemd.
35 Mitsdien concludeer ik op dit punt, dat alleen overheidsinstanties, doch niet de particuliere ondernemingen die onder overheidstoezicht een openbare dienst verrichten, in aanmerking komen voor de krachtens artikel 13, lid 1, sub b, toegestane nationale vrijstelling.
36 Alleen al om deze reden kan SL Buss AB zich niet op de afwijkingsbepalingen van artikel 13, lid 1, sub b, beroepen, mocht zij als een particuliere onderneming worden beschouwd. Aangezien deze vennootschap een dochteronderneming van SL is waarvan het kapitaal volledig in handen is van het landsting, kan evenwel niet met zekerheid worden gesteld, dat niet is voldaan aan de voorwaarde betreffende de hoedanigheid van overheidsinstantie. De nationale rechter moet beslissen of aan dit criterium is voldaan. Wij zullen zien, dat aan de voorwaarde betreffende het ontbreken van mededinging met beroepsvervoerders in casu hoe dan ook evenmin is voldaan.
37 Om te beginnen herinner ik eraan, dat de harmonisatie van de mededingingsvoorwaarden een van de op dit gebied nagestreefde doelstellingen is. Daaruit blijkt het grote belang voor de toepassing van de litigieuze tekst van het criterium, dat de diensten in het kader waarvan het vervoer wordt verricht, de beroepsvervoerders niet mogen beconcurreren.
38 Of aan dit element - het ontbreken van mededinging - is voldaan, wordt volgens de Commissie slechts op het tijdstip van de uitvoering van de overeenkomst beoordeeld. Ook al wordt zij in deze opvatting gevolgd, het is niet evident, dat aan het aldus opgevatte criterium in casu is voldaan. De stelling van verdachte in het hoofdgeding, dat hij de exclusiviteit op de door hem bediende lijnen heeft, wordt voor de nationale rechter namelijk betwist door het Openbaar ministerie, op grond dat de reizigers op bepaalde door SL Buss AB gereden ritten ander vervoer per bus wordt aangeboden.(19) De nationale rechter moet de feitelijke omstandigheden vaststellen.
39 Maar anders dan de Commissie denk ik vooral, dat het ontbreken van mededinging met de beroepsvervoerders ook bij het verlenen van het uitsluitende recht een openbare dienst te verrichten, en met het oog op de vernieuwing van de desbetreffende overeenkomst moet worden beoordeeld. Zoals de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben beklemtoond, ware het volledig kunstmatig te beweren, dat particuliere marktdeelnemers elkaar niet beconcurreren, wanneer hun taken van openbare dienst zijn opgedragen.
Wij mogen niet uit het oog verliezen, dat SL Buss AB, anders dan in de periode vóór 1993, toen zij voor bepaalde zones een monopolie op het openbaar personenvervoer had, sindsdien in concurrentie met andere ondernemingen aan de aanbestedingen deelneemt. Bovendien is het voor een aan de marktlogica onderworpen en op winstmaximering gerichte particuliere onderneming als SL Buss AB, ook al oefent zij, na de opdracht te hebben verkregen, het alleenbeheer daarover uit - waarvan de nationale rechter zich evenwel nog moet vergewissen -, zaak ervoor te zorgen, de vernieuwing van haar overeenkomst aan het einde van de duur ervan, ja zelfs andere opdrachten voor andere zones te kunnen verkrijgen.
Zo zal een onderneming die bij een eerste aanbesteding de opdracht heeft verkregen en tijdens de duur van de haar opgedragen taken van openbare dienst, anders dan de andere particuliere vervoerders, ook al bedienen zij andere lijnen, de dwingende gemeenschapsregeling niet hoeft na te leven, in staat zijn bij de volgende aanbesteding een meer concurrerende offerte in te dienen. Deze overweging lijkt mij onvermijdelijk, aangezien bijvoorbeeld de exploitatiekosten van deze onderneming zullen kunnen worden verminderd door zo weinig mogelijk bestuurders in dienst te nemen en hen een zo groot mogelijk aantal uren te laten werken, zonder dat juist wegens de toegestane afwijking van de gemeenschapsregeling enige controle daarop mogelijk is.
40 Ik vind een bevestiging van deze beoordeling in het arrest van het Hof van 25 juni 1992, British Gas(20), waarin het Hof verklaarde, dat een onderneming die gastoestellen voor huishoudelijk gebruik vervoert, de algemene vrijstelling krachtens artikel 4, sub 6, van verordening nr. 3820/85 niet kan genieten, daar "die onderneming een concurrentievoordeel [zou] genieten ten opzichte van andere ondernemingen (...) indien zij zou zijn vrijgesteld van de verplichting om in de voertuigen waarmee dergelijke toestellen worden vervoerd, een tachograaf te installeren en te gebruiken. Zij zou immers de kosten van installatie en onderhoud van tachografen in die voertuigen besparen, die de andere leveranciers van gastoestellen voor huishoudelijk gebruik wel hebben te dragen."(21)
41 Mijns inziens volgt het arrest Nehlsen dezelfde gedachtegang. Daarin overwoog het Hof, dat de toegestane vrijstellingen ten gunste van "door andere overheidsinstanties voor openbare diensten gebruikte voertuigen" alleen geldt "in omstandigheden waarin de mededinging geen enkele rol speelt".(22) Derhalve heeft het Hof, bij gebreke van een klare en duidelijke aanwijzing in de tekst van het oude artikel 4, sub 4, "vervoer met voertuigen die eigendom zijn van particuliere ondernemingen die met andere ondernemingen hebben geconcurreerd om een contract ter uitoefening, in opdracht van de overheid, van een openbare dienst"(23), van de werkingssfeer daarvan uitgesloten.
42 De krachtens artikel 13, lid 1, sub b, toegestane nationale afwijking betreft mijns inziens dus slechts situaties waarin de mededinging geen enkele rol kan spelen.
43 Mitsdien moet de werkingssfeer van de krachtens artikel 13, lid 1, sub b, toegestane afwijking mijns inziens worden beperkt tot rechtstreeks door de overheid voor taken van openbare dienst, zoals het openbaar personenvervoer per bus, gebruikte voertuigen, met uitsluiting van voertuigen die door particuliere ondernemingen onder overheidstoezicht worden gebruikt, wanneer geen enkele mededinging met beroepsvervoerders een rol kan spelen.
De tweede vraag
44 De tweede vraag aan het Hof vergt geen lange bespreking. Volgens alle ingediende opmerkingen is het niet voldoende, dat het uittreksel uit het dienstrooster dat de bestuurders in het geregeld nationaal personenvervoer(24) ingevolge artikel 14, lid 5, bij zich moeten hebben, enkel op de betrokken rijdag betrekking heeft.
45 Deze overweging spreekt mijns inziens voor zich, wanneer overeenkomstig de rechtspraak(25) van het Hof wordt gezien naar de met deze tekst nagestreefde doelstellingen tot verbetering van de verkeersveiligheid en van de efficiënte controle op de arbeidstijden en naar de ratio ervan.
46 Wat de ratio betreft, herinner ik eraan, dat het uittreksel uit het dienstrooster dat iedere bestuurder in het geregeld nationaal personenvervoer ingevolge artikel 14, lid 5, van de verordening bij zich moet hebben, bedoeld is om de plaats in te nemen van de tachograaf waarmee voertuigen voor andere soorten vervoer moeten worden uitgerust. Dit volgt zowel uit de tekst van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3821/85(26), als uit de vijfentwintigste overweging van de considerans van verordening nr. 3820/85, volgens welke "voor bestuurders van voertuigen in het geregeld personenvervoer een afschrift van de dienstregeling en een uittreksel uit het dienstrooster van de onderneming in de plaats van het controleapparaat kunnen treden".
47 Aangezien het uittreksel uit het dienstrooster ter vervanging van de tachograaf dient, moet het een even doelmatige controle als die tachograaf waarborgen, zodat de nagestreefde doelstellingen zeker worden bereikt.
48 Om de draagwijdte van de verplichting van artikel 14, lid 5, van de verordening te bepalen, kan dus worden verwezen naar de rechtspraak van het Hof betreffende de controle door middel van tachografen.
49 In het arrest Nijs en Transport Vanschoonbeek-Matterne(27) heeft het Hof, in het bijzonder rekening houdend met de doelstelling van verkeersveiligheid van de regeling en met de vereiste doeltreffendheid van de controles die daartoe moeten worden verricht, verklaard, dat de bestuurder een registratieblad van de laatste rijdag van de laatste aan de controle voorafgaande week moet kunnen tonen, zodat met name met zekerheid kan worden vastgesteld, dat de verplichte wekelijkse rustperiode in acht is genomen.
50 Zo ook moet aan de hand van het overgelegde uittreksel uit het dienstrooster in het personenvervoer zoals bij het gebruik van een tachograaf terstond kunnen worden gecontroleerd, of de bestuurder de bepalingen betreffende de bij de regeling gestelde rij-, rust- en pauzetijden in acht heeft genomen.
51 Het uittreksel uit het dienstrooster kan dus niet enkel op de betrokken dag betrekking hebben, want dan heeft het geen enkel nut.
Conclusie
52 Mitsdien geef ik in overweging, de vragen van Svea Hovrätt te beantwoorden als volgt:
"1) De krachtens artikel 13, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, toegestane afwijking is slechts van toepassing op rechtstreeks door de overheid voor taken van openbare dienst, zoals het openbaar personenvervoer per bus, gebruikte voertuigen, met uitsluiting van de voertuigen die door particuliere ondernemingen onder overheidstoezicht worden gebruikt, wanneer geen enkele mededinging met beroepsvervoerders zowel op het tijdstip van de uitoefening van de activiteit als bij de toewijzing van de uitoefening van deze activiteit of met het oog op de nieuwe toewijzing, een rol kan spelen.
2) Het uittreksel uit het dienstrooster dat de bestuurder ingevolge artikel 14, lid 5, van verordening nr. 3820/85 bij zich moet hebben, mag niet enkel op de rijtijden van de betrokken dag betrekking hebben."
(1) - PB L 370, blz. 1. Deze verordening kwam in de plaats van verordening (EEG) nr. 543/69 van de Raad van 25 maart 1969 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 77, blz. 49), die zij vervangt en wijzigt, doch zonder volgens de eerste overweging van de considerans van verordening nr. 3820/85 van haar doelstellingen af te wijken.
(2) - Eerste overweging van de considerans van de verordening.
(3) - Artikel 4, sub 3, sluit aldus van de werkingssfeer uit "voertuigen die bestemd zijn voor het geregeld personenvervoer waarvan de lengte van het traject niet groter is dan 50 kilometer".
(4) - § 13, lid 1, sub 2, van de Zweedse verordening van 8 september 1994:1297 bepaalde, dat de verordening niet van toepassing is op wegvervoer, verricht met "voertuigen die door de overheidsinstanties worden gebruikt voor taken van openbare dienst die de beroepsvervoerders niet beconcurreren". De toezichthoudende autoriteit van de EVA gaf de Commissie op 24 oktober 1994 kennis van de verordening. Bij de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de Unie is de verordening vervangen door een nieuwe verordening 1995:521.
(5) - PB L 370, blz. 8.
(6) - Arrest van 13 december 1991, Nijs en Transport Vanschoonbeek-Matterne (C-158/90, Jurispr. blz. I-6035, punt 11).
(7) - Het begrip "geregeld personenvervoer" ziet ingevolge artikel 1, sub 7, van de verordening op vervoer overeenkomstig de definitie van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 117/66/EEG van de Raad van 28 juli 1966 betreffende de invoering van gemeenschappelijke regels voor het internationale vervoer van personen over de weg met autobussen (PB 1966, blz. 2688): "Geregeld vervoer is het geregeld vervoer van personen in een bepaalde relatie, waarbij reizigers op vaste stopplaatsen kunnen in- en uitstappen."
(8) - Förordningen (1993:184) om kör- och vilotider samt färdskrivare vid vägtransporter, van 18 maart 1993.
(9) - Zie laatstelijk betreffende vrijstellingen krachtens artikel 4 van de verordening, arresten van 21 maart 1996, Goupil (C-39/95, Jurispr. blz. I-1601, punt 8), en Mrozek en Jäger (C-335/94, Jurispr. blz. I-1573, punt 9).
(10) - Arresten Goupil (punt 14) en Mrozek en Jäger (punt 15), reeds aangehaald.
(11) - Zweedse verordening, aangehaald in voetnoot 4.
(12) - Blijkens de verstrekte gegevens gaat het namelijk om vervoer over meer dan 100 km en in ieder geval over meer dan 50 km.
(13) - Bedoeld worden "voertuigen van de rioleringsdiensten, de diensten ter bescherming tegen overstromingen, of van de diensten van de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de gemeentereiniging, de vuilnisophaling, de telegraaf en telefoon, de postzendingen, de radio-omroep, de televisie en de opsporing van radio- en televisiezend- en ontvangtoestellen".
(14) - Arresten Goupil (punt 14) en Mrozek en Jäger (punt 15), reeds aangehaald.
(15) - 47/79, Jurispr. blz. 3639.
(16) - 88/C 116/20 (PB C 116, blz. 15).
(17) - Zesde overweging van de considerans.
(18) - Artikel 2, cursivering van mij.
(19) - Ter terechtzitting bevestigde de vertegenwoordiger van de Zweedse regering, dat het personenvervoer per bus kan worden verricht zowel door overheidsinstanties als door particuliere ondernemingen, die elkaar of andere vervoermiddelen kunnen beconcurreren.
(20) - C-116/91, Jurispr. blz. I-4071.
(21) - Punt 19.
(22) - Punt 7.
(23) - Punt 8, cursivering van mij.
(24) - In casu gaat het ongetwijfeld om "geregeld personenvervoer" in de zin van de verordening, waarvan ik de definitie in voetnoot 7 van deze conclusie in herinnering heb gebracht, hoewel zulks in de loop van de procedure niet is besproken.
(25) - Zie, bijvoorbeeld, arrest van 15 december 1993, Charlton e.a. (C-116/92, Jurispr. blz. I-6755, punt 14).
(26) - Dit artikel luidt: "1. Het controleapparaat moet zijn geïnstalleerd en worden gebruikt in voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer over de weg van personen (...), met uitzondering van de in (...) artikel 14, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3820/85 bedoelde voertuigen."
(27) - Punt 13.
Full & Egal Universal Law Academy