Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Fiscale bepalingen - Harmonisatie van wetgevingen - Indirecte belastingen op bijeenbrengen van kapitaal - Kapitaalrecht, bij kapitaalvennootschappen geheven ter zake van bepaalde verrichtingen - Verbod om over zelfde verrichtingen andere belastingen te heffen - Draagwijdte - In Frankrijk geheven regionale belasting op registratiecertificaten voor voertuigen - Daarvan uitgesloten
(Richtlijn 69/335 van de Raad, art. 10)
Samenvatting
Artikel 10 van richtlijn 69/335 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 73/79, 73/80, 74/553 en 85/303, in welk artikel de andere indirecte belastingen worden opgesomd die dezelfde kenmerken hebben als het kapitaalrecht of het zegelrecht op aandelen en waarvan de heffing om die reden verboden is, moet aldus worden uitgelegd, dat het een belasting als de in Frankrijk geheven regionale belasting op registratiecertificaten voor voertuigen niet verbiedt, aangezien een dergelijke belasting andere kenmerken vertoont dan de bij de betrokken bepaling verboden belastingen en wel gelet op de volgende elementen:
- deze belasting belast niet de inbreng van voertuigen in een kapitaalvennootschap, doch meer bepaald het in het verkeer brengen ervan;
- de wijze waarop de belasting wordt berekend verschilt wezenlijk van die waarop het door de richtlijn geharmoniseerde kapitaalrecht wordt berekend;
- de belasting is niet verschuldigd uit hoofde van de inbreng, de leningen of de prestaties verricht binnen het kader van de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde verrichtingen;
- aangezien de belasting onafhankelijk is van de rechtsvorm van de entiteit die eigenaar is van de voertuigen waarvoor de belasting is verschuldigd, kan zij geen verband houden met formaliteiten die vennootschappen vanwege hun rechtsvorm in acht moeten nemen.
Partijen
In zaak C-8/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal de grande instance de Tours (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
Locamion SA
en
Directeur des services fiscaux d'Indre-et-Loire,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB 1969, L 249, blz. 25), zoals gewijzigd bij richtlijn 73/79/EEG van de Raad van 9 april 1973 tot wijziging van de werkingssfeer van het in artikel 7, lid 1, sub b, van de richtlijn betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal bedoelde verlaagde tarief van het kapitaalrecht voor bepaalde verrichtingen tot hergroepering van vennootschappen (PB 1973, L 103, blz. 13), bij richtlijn 73/80/EEG van de Raad van 9 april 1973 betreffende de vaststelling van de gemeenschappelijke tarieven voor het kapitaalrecht (PB 1973, L 103, blz. 15), bij richtlijn 74/553/EEG van de Raad van 7 november 1974 tot wijziging van artikel 5, lid 2, van richtlijn 69/335 (PB 1974, L 303, blz. 9), en bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 tot wijziging van richtlijn 69/335 (PB 1985, L 156, blz. 23),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm (rapporteur), kamerpresident, G. F. Mancini, P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Locamion SA, vertegenwoordigd door J.-C. Cavaillé, advocaat te Lyon,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en F. Pascal, attaché d'administration centrale bij die directie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Michard en E. Traversa, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Locamion SA, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 5 december 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 februari 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 4 januari 1996, ingekomen bij het Hof op 15 januari daaraanvolgend, heeft het Tribunal de grande instance de Tours krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB 1969, L 249, blz. 25), zoals gewijzigd bij richtlijn 73/79/EEG van de Raad van 9 april 1973 tot wijziging van de werkingssfeer van het in artikel 7, lid 1, sub b, van de richtlijn betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal bedoelde verlaagde tarief van het kapitaalrecht voor bepaalde verrichtingen tot hergroepering van vennootschappen (PB 1973, L 103, blz. 13), bij richtlijn 73/80/EEG van de Raad van 9 april 1973 betreffende de vaststelling van de gemeenschappelijke tarieven voor het kapitaalrecht (PB 1973, L 103, blz. 15), bij richtlijn 74/553/EEG van de Raad van 7 november 1974 tot wijziging van artikel 5, lid 2, van richtlijn 69/335 (PB 1974, L 303, blz. 9), en bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 tot wijziging van richtlijn 69/335 (PB 1985, L 156, blz. 23; hierna: "richtlijn").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Locamion SA (hierna: "Locamion") en de directeur des services fiscaux d'Indre-et-Loire naar aanleiding van de betaling van regionale belasting op registratiecertificaten voor voertuigen (hierna: "registratiebelasting").
3 De richtlijn strekt in het bijzonder tot harmonisatie van de elementen die een rol spelen bij de vaststelling en de heffing van het recht op de inbreng in vennootschappen in de Gemeenschap, een en ander in de context van de afschaffing van de fiscale belemmeringen die het vrije kapitaalverkeer verhinderen.
4 Artikel 4, lid 1, van de richtlijn geeft een opsomming van de verrichtingen die aan het kapitaalrecht zijn onderworpen, waaronder de vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap door inbreng van zaken van welke aard ook (sub c).
5 Volgens artikel 7 van de richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303, wordt de verrichting waarmee een kapitaalvennootschap haar gehele vermogen inbrengt in een andere kapitaalvennootschap die in oprichting is of reeds bestond, volledig vrijgesteld van het kapitaalrecht.
6 Overeenkomstig de laatste overweging van haar considerans voorziet de richtlijn eveneens in de afschaffing van andere indirecte belastingen die dezelfde kenmerken hebben als het kapitaalrecht of het zegelrecht op aandelen en waarvan handhaving de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen in gevaar kan brengen. Deze indirecte belastingen, waarvan de heffing verboden is, worden opgesomd in de artikelen 10 en 11 van de richtlijn. Artikel 10 bepaalt:
"Behoudens het kapitaalrecht heffen de Lid-Staten met betrekking tot de op het maken van winst gerichte vennootschappen, verenigingen of rechtspersonen geen enkele andere belasting, in welke vorm ook, ter zake van:
a) de in artikel 4 bedoelde verrichtingen;
b) de inbreng, de leningen of de prestaties, verricht binnen het kader van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen;
c) de inschrijving of elke andere formaliteit die een op het maken van winst gerichte vennootschap, vereniging of rechtspersoon vanwege haar rechtsvorm in acht moet nemen alvorens met haar werkzaamheden te kunnen beginnen."
7 In artikel 12, lid 1, van de richtlijn wordt een limitatieve opsomming gegeven van de heffingen en rechten, anders dan het kapitaalrecht, die in afwijking van de artikelen 10 en 11 aan kapitaalvennootschappen kunnen worden opgelegd naar aanleiding van de in deze artikelen bedoelde verrichtingen (zie in deze zin arresten van 2 februari 1988, zaak 36/86, Dansk Sparinvest, Jurispr. 1988, blz. 409, r.o. 9, en 20 april 1993, gevoegde zaken C-71/91 en C-178/91, Ponente Carni en Cispadana Costruzioni, Jurispr. 1993, blz. I-1915, r.o. 24).
8 Wat de op het hoofdgeding toepasselijke Franse wettelijke regeling betreft, bepaalt artikel R-113 van de Code de la route, dat de nieuwe eigenaar van een voertuig, indien hij het voertuig in het verkeer wil houden, binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de op de grijze kaart vermelde datum van overdracht een registratiecertificaat op zijn naam moet laten opmaken en een verzoek daartoe moet indienen bij de prefect van het departement van zijn woonplaats.
9 Voor het opmaken van het registratiecertificaat wordt inzonderheid de in de artikelen 1599 quindecies en volgende van de Code général des impôts bedoelde registratiebelasting geheven.
10 Artikel 1599 quindecies bepaalt:
"Ten bate van de regio's wordt een hetzij evenredige, hetzij vaste belasting op registratiecertificaten voor voertuigen, die op hun grondgebied worden afgegeven, ingevoerd, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1599 sexdecies tot en met 1599 novodecies.
Deze belasting heeft dezelfde grondslag en wordt geïnd als een zegelrecht."
11 Ingevolge artikel 1599 sexdecies moet bij de afgifte van registratiecertificaten voor auto's en voor alle andere motorvoertuigen een evenredige belasting worden betaald waarvan het eenheidstarief per paardenkracht, waartoe de regio heeft besloten, elk jaar wordt vastgesteld door besluit van de conseil régional. Voor vrachtwagens met een toegestaan totaal laadvermogen van 3,5 ton en meer, trekkers voor andere dan landbouwdoeleinden en motoren wordt het eenheidstarief gehalveerd. Ten slotte wordt dit tarief in beide gevallen gehalveerd voor voertuigen van tien jaar en ouder.
12 Blijkens het verwijzingsvonnis was Locamion bij besluit van haar buitengewone algemene vergadering van 30 juni 1992 bij wege van overname gefuseerd met de vennootschap France Location. Naar aanleiding van deze verrichting waren alle activa en passiva van France Location, waaronder een omvangrijk voertuigenpark, aan Locamion overgedragen.
13 Als verkrijgster van deze voertuigen verzocht Locamion de prefect van het departement van haar vestiging te Tours om de 1 698 voertuigen die zij door bovenbedoelde overname had verkregen, op haar naam te registreren. Na afgifte van de 1 698 grijze kaarten werd van Locamion betaling van 2 391 761 FF gevorderd.
14 Locamion verzocht om terugbetaling van dit bedrag, op grond dat de gevorderde betaling van de registratiebelasting in strijd was met de richtlijn. Bij beschikking van 26 januari 1994 wees de directeur des services fiscaux d'Indre-et-Loire het desbetreffende bezwaarschrift af.
15 Daarop daagde Locamion deze laatste voor de verwijzende rechter en vorderde zij terugbetaling van de betaalde rechten, na aftrek van de met de evenredige belasting per eenheid overeenstemmende vaste belasting, op grond dat de heffing van de evenredige registratiebelasting naar aanleiding van een fusie niet in overeenstemming was met de richtlijn.
16 Derhalve heeft de verwijzende rechter besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voor te leggen:
"1) Moeten de artikelen 4 en 7 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 aldus worden uitgelegd, dat deze richtlijn van toepassing is op de fusies bij wege van overname, omschreven in de artikelen 371 tot en met 372-2 van wet nr. 66.537 van 24 juli 1966 op de handelsvennootschappen?
2) Is de heffing door de Franse Staat van een evenredige belasting voor het opmaken van registratiecertificaten na een fusie bij wege van overname verenigbaar met het in artikel 10 van de richtlijn neergelegde verbod en, zo neen, valt zij dan onder de voorschriften van artikel 12?"
17 Bij brieven die ter griffie van het Hof zijn neergelegd op 20 maart en 7 april 1997, dat wil zeggen nadat de advocaat-generaal conclusie had genomen, heeft Locamion opmerkingen ingediend over bepaalde punten die haars inziens in het verwijzingsvonnis en in de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van partijen niet voldoende zouden zijn belicht. Zonder formeel om heropening van de mondelinge behandeling te verzoeken, heeft Locamion zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof.
18 In casu acht het Hof heropening van de mondelinge behandeling, als bedoeld in artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, niet noodzakelijk.
19 Wat de eerste vraag betreft, stellen alle partijen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, dat fusies bij wege van overname onder de richtlijn vallen. Dienaangaande verwijzen zij naar het arrest van 13 februari 1996 (gevoegde zaken C-197/94 en C-252/94, Bautiaa en Société française maritime, Jurispr. 1996, blz. I-505).
20 Blijkens rechtsoverweging 34 van het arrest Bautiaa en Société française maritime (reeds aangehaald) betrof de fusie waarom het in dat arrest ging, immers een verrichting waarbij het vennootschappelijk kapitaal van een kapitaalvennootschap wordt vermeerderd door inbreng van zaken van welke aard ook, in de zin van artikel 4, lid 1, sub c, van de richtlijn, in het bijzondere geval, bedoeld in artikel 7, lid 1, sub b, te weten de inbreng door een of meer kapitaalvennootschappen van hun gehele vermogen in een of meer kapitaalvennootschappen die in oprichting zijn of reeds bestonden.
21 Aan de hand van de door de verwijzende rechter aan het Hof meegedeelde feitelijke gegevens kan evenwel niet voldoende nauwkeurig worden vastgesteld, of de fusie bij wege van overname waarom het in de hoofdzaak gaat, kan worden geacht het vennootschappelijk kapitaal van Locamion te hebben vermeerderd, zoals artikel 4, lid 1, sub c, van de richtlijn voorschrijft.
22 Dienaangaande zij gepreciseerd, dat, zoals blijkt uit het eerste besluit van de notulen van de algemene aandeelhoudersvergadering van Locamion van 30 juni 1992, deze vennootschap op dat tijdstip reeds eigenares was van alle aandelen van de overgenomen vennootschap. Om deze reden was besloten, dat de fusie geen vermeerdering van het kapitaal van Locamion tot gevolg zou hebben.
23 Hieruit volgt evenwel, dat de in 1992 verrichte fusie bij wege van overname het eindresultaat lijkt te zijn van een eerdere kapitaalsvermeerdering in 1991 nadat France Location al haar aandelen in Locamion had ingebracht, zodat beide verrichtingen over het geheel genomen zouden kunnen worden beschouwd als een en dezelfde verrichting die in twee fasen is uitgevoerd.
24 In deze omstandigheden, waarin voldoende aanwijzingen omtrent de specifieke kenmerken van de in het hoofdgeding bedoelde verrichting ontbreken, zal de tweede vraag worden onderzocht op basis van de vooronderstelling, dat het een fusie bij wege van overname betreft die onder de richtlijn valt.
25 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 10 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het een belasting als de registratiebelasting verbiedt en, zo ja, of artikel 12 van deze richtlijn de heffing van deze belasting toestaat.
26 Er zij aan herinnerd, dat indirecte belastingen die dezelfde kenmerken hebben als het kapitaalrecht, binnen de werkingssfeer van artikel 10 van de richtlijn vallen.
27 Wat artikel 10, sub a, van de richtlijn betreft, moet worden nagegaan, of de registratiebelasting niet tot gevolg heeft, dat direct of indirect een verrichting wordt belast die op grond van de artikelen 4, lid 1, sub c, en 7, lid 1, van de richtlijn in beginsel van elk kapitaalrecht zou moeten zijn vrijgesteld.
28 De registratiebelasting wordt geheven volgens verschillende modaliteiten naar gelang van het geval waarin het registratiecertificaat wordt afgegeven. De na een overdracht geheven belasting is evenredig, terwijl zij in de meeste andere gevallen enkel volgens een vast tarief per eenheid wordt geheven.
29 Derhalve betogen Locamion en de Commissie, dat in het onderhavige geval het belastbare feit van de evenredige registratiebelasting de fusie bij wege van overname is. Zij leiden hieruit af, dat de registratiebelasting een financiële last vormt die indirect het bijeenbrengen van kapitaal treft, zodat zij onder het in artikel 10 van de richtlijn neergelegde verbod valt.
30 Anders dan Locamion en de Commissie stellen, is het belastbare feit voor de registratiebelasting de afgifte, aan de eigenaar van het voertuig, van een document dat vereist is voor het in het verkeer brengen ervan. Uit artikel R-113 van de Code de la route volgt immers, dat wanneer een voertuig wordt gekocht en vervolgens wordt overgedragen, zonder dat dit voertuig in de tussentijd in het verkeer is gebracht, geen registratiebelasting behoeft te worden betaald.
31 Hieruit volgt, dat de registratiebelasting niet de inbreng van voertuigen in een kapitaalvennootschap, doch meer bepaald het in het verkeer brengen ervan belast.
32 Deze conclusie wordt voorts bevestigd door de wijze waarop de registratiebelasting wordt berekend en die wezenlijk verschilt van die waarop het door de richtlijn geharmoniseerde kapitaalrecht wordt berekend. Blijkens artikel 5 van de richtlijn wordt voor de in artikel 4, lid 1, sub a, c en d, bedoelde verrichtingen het recht vastgesteld op de grondslag van de werkelijke waarde van de ingebrachte zaken van welke aard ook. Daarentegen wordt de registratiebelasting vastgesteld op basis van het type voertuig, het in paardenkracht uitgedrukte vermogen, het gewicht en de leeftijd.
33 Ook is de registratiebelasting niet verschuldigd uit hoofde van de inbreng, de leningen of de prestaties verricht binnen het kader van de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde verrichtingen, in de zin van artikel 10, sub b, van deze richtlijn, dat wil zeggen verrichtingen die bijdragen tot de verwezenlijking of de voltooiing van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen.
34 Met betrekking tot artikel 10, sub c, van de richtlijn zij opgemerkt, dat de registratiebelasting onafhankelijk is van de rechtsvorm van de entiteit die eigenaar is van de voertuigen waarvoor de belasting is verschuldigd. Het kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn, een personenvennootschap of een kapitaalvennootschap (zie arrest van 11 juni 1996, zaak C-2/94, Denkavit Internationaal e.a., Jurispr. 1996, blz. I-2827, r.o. 23-26). De registratiebelasting kan dus geen verband houden met formaliteiten die vennootschappen vanwege hun rechtsvorm in acht moeten nemen.
35 Hieruit volgt, dat de registratiebelasting andere kenmerken vertoont dan de bij artikel 10 van de richtlijn verboden belastingen.
36 In deze omstandigheden behoeft het tweede deel van de vraag, betreffende artikel 12 van de richtlijn, niet te worden onderzocht.
37 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 10 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het een belasting als de belasting op de registratie van voertuigen niet verbiedt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
38 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal de grande instance de Tours bij vonnis van 4 januari 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 10 van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij richtlijn 73/79/EEG van de Raad van 9 april 1973 tot wijziging van de werkingssfeer van het in artikel 7, lid 1, sub b, van de richtlijn betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal bedoelde verlaagde tarief van het kapitaalrecht voor bepaalde verrichtingen tot hergroepering van vennootschappen, bij richtlijn 73/80/EEG van de Raad van 9 april 1973 betreffende de vaststelling van de gemeenschappelijke tarieven voor het kapitaalrecht, bij richtlijn 74/553/EEG van de Raad van 7 november 1974 tot wijziging van artikel 5, lid 2, van richtlijn 69/335, en bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 tot wijziging van richtlijn 69/335, moet aldus worden uitgelegd, dat het een belasting als de regionale belasting op registratiecertificaten voor voertuigen niet verbiedt.
Full & Egal Universal Law Academy