Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Vrij verrichten van diensten - Televisie-omroepactiviteiten - Richtlijn 89/552 - Televisie-omroeporganisatie die onder bevoegdheid van Lid-Staat valt - Criterium - Vestiging - Invloed van oorsprong van uitgezonden programma's voor bevoegdheid van Lid-Staat - Geen
(Richtlijn 89/552 van de Raad, art. 2, lid 1)
2 Vrij verrichten van diensten - Televisie-omroepactiviteiten - Richtlijn 89/552 - Toezicht op naleving van bepalingen van richtlijn - Toezicht door Lid-Staat van oorsprong van uitzendingen - Verzet van Lid-Staat tegen doorgifte van uitzendingen wegens strijd met artikelen 4 en 5 van richtlijn, door organisatie die onder bevoegdheid van andere Lid-Staat valt - Ontoelaatbaarheid - Uitzonderingen
(Richtlijn 89/552 van de Raad, art. 2, lid 2)
3 Lid-Staten - Verplichtingen - Eenzijdig optreden - Verbod
Samenvatting
4 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/552 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, moet aldus worden uitgelegd, dat een televisie-omroeporganisatie onder de bevoegdheid valt van de Lid-Staat waar zij is gevestigd.
Hoewel de richtlijn namelijk geen uitdrukkelijke definitie bevat van het begrip "televisie-omroeporganisaties die onder [de] bevoegdheid [van een Lid-Staat] vallen", volgt uit de tekst van vorenbedoelde bepaling, dat het begrip bevoegdheid van een Lid-Staat aldus moet worden verstaan, dat het noodzakelijkerwijze een bevoegdheid ratione personae ten aanzien van de televisie-omroeporganisaties omvat. Deze bevoegdheid kan slechts worden gebaseerd op hun band met de rechtsorde van deze staat, wat in wezen overeenkomt met het begrip vestiging in de zin van artikel 59, eerste alinea, van het Verdrag, waarvan de tekst onderstelt dat de dienstverrichter en degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, in twee verschillende Lid-Staten zijn "gevestigd".
Overigens zijn de oorsprong van de door de televisie-omroeporganisatie uitgezonden programma's of de overeenstemming ervan met de artikelen 4 en 5 van de richtlijn, irrelevant bij de vaststelling van de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan een dergelijke omroeporganisatie valt ingevolge artikel 2, lid 1, van de richtlijn.
5 Artikel 2, lid 2, van richtlijn 89/552 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, moet aldus worden uitgelegd, dat een Lid-Staat zich niet kan verzetten tegen de doorgifte op zijn grondgebied van uitzendingen van een televisie-omroeporganisatie die onder de bevoegdheid van een andere Lid-Staat valt, wanneer deze uitzendingen niet in overeenstemming zijn met de eisen van de artikelen 4 en 5 van deze richtlijn.
In het kader van de door de richtlijn ingevoerde verdeling van de verplichtingen tussen de Lid-Staat van uitzending en die van ontvangst, komen het toezicht op de naleving van het op televisie-uitzendingen toepasselijke recht van de Lid-Staat van uitzending en het toezicht op de naleving van de bepalingen van de richtlijn, uitsluitend toe aan de Lid-Staat van uitzending, zodat de Lid-Staat van ontvangst niet gerechtigd is ter zake zijn eigen toezicht uit te oefenen.
Enkel in het in artikel 2, lid 2, tweede volzin, van de richtlijn bedoelde geval mag de Lid-Staat van ontvangst bij uitzondering en onder de in deze bepaling vastgestelde voorwaarden de doorgifte van televisie-uitzendingen schorsen.
6 Een Lid-Staat mag zich in geen geval het recht aanmeten om eenzijdig corrigerende of beschermende maatregelen te treffen, teneinde het hoofd te bieden aan een eventuele miskenning van het gemeenschapsrecht door een andere Lid-Staat.
Partijen
In zaak C-14/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, in de aldaar dienende strafzaak tegen
P. Denuit,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 2, leden 1 en 2, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB 1989, L 298, blz. 23),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray, C. N. Kakouris, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- P. Denuit, vertegenwoordigd door A. Braun en F. de Visscher, advocaten te Brussel,
- de Belgische Staat, in de persoon van de vice-eerste minister, minister van Verkeerswezen en Overheidsbedrijven en de minister van Wetenschapsbeleid, vertegenwoordigd door A. Berenboom, advocaat te Brussel,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, bijgestaan door A. Berenboom, advocaat te Brussel,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, bijgestaan door S. Maass, Regierungsrätin bij hetzelfde ministerie, als gemachtigden,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou, adjunct bijzonder juridisch adviseur bij de dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en I. Kiki, secretaris bij de bijzondere juridische dienst van hetzelfde ministerie, als gemachtigden,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en P. Martinet, secretaris buitenlandse zaken bij dezelfde directie, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ridley, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door R. Thompson, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber en P. van Nuffel, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van P. Denuit, vertegenwoordigd door A. Braun en F. de Visscher, de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder en A. Joachimowicz, advocaat te Brussel, de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. Thompson, en de Commissie, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, ter terechtzitting van 12 december 1996,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 februari 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 16 januari 1996, ingekomen bij het Hof op 19 januari daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 2, leden 1 en 2, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB 1989, L 298, blz. 23; hierna: "richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een strafzaak tegen P. Denuit, afgevaardigd bestuurder van Coditel Brabant NV (hierna: "Coditel"), wegens inbreuk op de nationale wettelijke regeling inzake radio- en televisie-uitzendingen.
De richtlijn
3 In hoofdstuk II (Algemene bepalingen), artikel 2, van de richtlijn heet het:
"1. Elke Lid-Staat ziet erop toe dat alle televisie-uitzendingen
- van televisie-omroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen of
- van televisie-omroeporganisaties die van een door hem verleende frequentie of capaciteit van een satelliet of een in deze Lid-Staat gelegen verbinding naar een satelliet toe gebruik maken, maar niet onder de bevoegdheid van een van de Lid-Staten vallen,
voldoen aan de wettelijke voorschriften voor uitzendingen die bestemd zijn voor het publiek in die Lid-Staat.
2. De Lid-Staten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren niet de doorgifte op hun grondgebied van televisie-uitzendingen uit andere Lid-Staten om redenen die binnen de door deze richtlijn gecoördineerde gebieden vallen. De Lid-Staten mogen de doorgifte van televisie-uitzendingen voorlopig schorsen indien:
a) een televisie-uitzending uit een andere Lid-Staat een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk vormt op artikel 22;
b) de omroeporganisatie in de twaalf voorgaande maanden al ten minste tweemaal inbreuk heeft gemaakt op dezelfde bepaling;
c) de betrokken Lid-Staat de omroeporganisatie en de Commissie schriftelijk kennis heeft gegeven van de ten laste gelegde inbreuken en van zijn voornemen beperkingen aan de doorgifte op te leggen indien nogmaals zo'n inbreuk wordt gemaakt;
d) overleg met de uitzendende Staat en de Commissie niet binnen 15 dagen te rekenen vanaf de onder c) bedoelde kennisgeving tot een minnelijke schikking heeft geleid, en de ten laste gelegde inbreuk blijft doorgaan.
De Commissie ziet erop toe dat de schorsing verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Zij kan de betrokken Lid-Staat verzoeken een schorsing die strijdig is met het gemeenschapsrecht onmiddellijk ongedaan te maken. Deze bepaling vormt in de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan de betrokken omroeporganisatie valt geen beletsel om ongeacht welke procedure, maatregel of sanctie op de betrokken inbreuken toe te passen.
3. Deze richtlijn is niet van toepassing op televisie-uitzendingen die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst in andere landen dan de Lid-Staten en die niet direct of indirect in een of meer Lid-Staten worden ontvangen."
4 Artikel 3, dat deel uitmaakt van hetzelfde hoofdstuk van de richtlijn, bepaalt:
"1. Het staat de Lid-Staten vrij, voor de onder hun bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisaties strengere of meer gedetailleerde voorschriften vast te stellen op de gebieden die onder de onderhavige richtlijn vallen.
2. De Lid-Staten zien er met passende middelen in het kader van hun wetgeving op toe dat de onder hun bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisaties zich houden aan de bepalingen van deze richtlijn."
5 In hoofdstuk III (Bevordering van de verspreiding en produktie van televisieprogramma's) stellen de artikelen 4 en 5, ter verwezenlijking van de doelstelling van de bevordering van de productie en verspreiding van Europese producties, de minimumvoorwaarden vast inzake het gedeelte van de zendtijd die moet worden gereserveerd voor Europese producties en door van de televisie-omroeporganisaties onafhankelijke producenten vervaardigde Europese producties, daaronder begrepen recente producties die worden uitgezonden binnen een periode van vijf jaar nadat zij zijn gemaakt.
6 Ingevolge artikel 4, lid 1, van de richtlijn "zien de Lid-Staten er voor zover mogelijk [en] met passende middelen op toe dat de omroeporganisaties het grootste gedeelte van hun (...) zendtijd reserveren voor Europese produkties (...)". Bovendien zien de Lid-Staten er volgens artikel 5 van de richtlijn "telkens wanneer dat mogelijk is, [en] met passende middelen op toe dat omroeporganisaties ten minste 10 % van hun (...) zendtijd of, bij wijze van alternatief, naar keuze van de Lid-Staat, ten minste 10 % van hun programmabudget, reserveren voor Europese produkties die door (...) onafhankelijke producenten zijn vervaardigd."
Het Britse recht
7 De Broadcasting Act 1990 (hierna: "wet") stelt het rechtskader vast voor, in het bijzonder, onafhankelijke televisiezenders in het Verenigd Koninkrijk.
8 Section 13 van de wet verbiedt de levering van andere televisieprogramma's dan die van de BBC en de Welsh Authority, indien zij niet zijn toegelaten bij of krachtens een door de Independent Television Commission ("ITC") toegekende vergunning.
9 Section 16(2)(g) en (h) van de wet past de in de artikelen 4 en 5 van de richtlijn vastgestelde voorwaarden toe voor de programmering van Europese producties die door onafhankelijke producenten zijn vervaardigd.
10 Section 43 onderscheidt twee soorten "televisiediensten via satelliet", te weten de binnenlandse diensten en de niet-binnenlandse diensten, die beide worden aangemerkt als "televisieprogramma's" in de zin van Section 13 en dus een vergunning nodig hebben om te kunnen worden uitgezonden. Dit artikel bevat ook de criteria om te bepalen welke televisie-uitzendingen onder deze twee soorten diensten vallen:
- volgens Section 43(1) is een binnenlandse satellietdienst ("domestic satellite service"; hierna: "DSS") een televisie-omroepdienst waarvan de programma's via satelliet vanuit het Verenigd Koninkrijk op een aan het Verenigd Koninkrijk toegekende frequentie worden uitgezonden en voor ontvangst door de gehele bevolking van die staat bestemd zijn;
- volgens Section 43(2) is een niet-binnenlandse satellietdienst ("non-domestic satellite service"; hierna: "NDSS") een dienst die via satelliet
a) vanuit het Verenigd Koninkrijk, maar niet op een aan het Verenigd Koninkrijk toegekende frequentie, televisieprogramma's uitzendt die voor ontvangst door de gehele bevolking van het Verenigd Koninkrijk of van een andere Lid-Staat bestemd zijn, of
b) vanuit een plaats buiten het Verenigd Koninkrijk of een Lid-Staat, televisieprogramma's uitzendt die voor ontvangst door de gehele bevolking van het Verenigd Koninkrijk of van een andere Lid-Staat bestemd zijn, waarbij de programma's worden geleverd door iemand in het Verenigd Koninkrijk, die de redactionele controle over de inhoud van de programmering heeft.
11 Specifieke bepalingen zijn opgenomen in Section 44 van de wet voor de toekenning van DSS-vergunningen, en in Section 45 voor de toekenning van NDSS-vergunningen. Section 44(3) van de wet verklaart Section 16(2) (g) en (h), betreffende de voorwaarden inzake de programmering van Europese producties, van toepassing op de DSS. Section 45(2) doet dit evenwel niet voor de NDSS.
Het hoofdgeding
12 Blijkens het dossier van de hoofdzaak heeft de vennootschap Turner International Sales Ltd (hierna: "Turner"), gevestigd te Londen, van de Britse autoriteiten een vergunning gekregen om een televisieprogramma, "TNT & Cartoon Network" uit te zenden via de Astra-satelliet. Het programma wordt uitgezonden sinds september 1993. Het publiek van het Verenigd Koninkrijk en van verschillende West-Europese landen kan deze programma's rechtstreeks ontvangen via een schotelantenne of via de kabel. De op de Astra-satelliet gebruikte frequentie is niet een aan het Verenigd Koninkrijk toegekende frequentie, zodat de vergunning waarover Turner beschikt, een "non-domestic satellite service licence" is in de zin van Section 43(2) van de wet.
13 Naar aanleiding van de ondertekening door Turner en Coditel van een contract betreffende de verdeling van het betrokken programma heeft de Belgische minister van Verkeerswezen en Overheidsbedrijven bij ministerieel besluit van 17 september 1993 de doorgifte van het programma TNT & Cartoon Network op de teledistributienetten van het gebied Brussel-Hoofdstad verboden.
14 Dit verbod is als volgt gemotiveerd:
"Overwegende dat het gaat om programma's die voornamelijk bestaan uit uitzendingen die worden gemaakt buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap en uit commerciële reclamespots;
Overwegende dat deze uitzendingen in strijd zijn met de bedoelingen van de (...) richtlijn 89/552/EEG $televisie zonder grenzen' van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten;
Dat zij in het bijzonder niet beantwoorden aan de voorwaarden van de artikelen 4 en 5 die, enerzijds, de uitzending voorschrijven van overwegend Europese programma's en, anderzijds, voorschrijven dat een deel van het budget moet bestemd zijn voor de productie van Europese programma's;
Overwegende dat de betwiste ketens zich beroepen op een vergunning van 12 juli 1993, die hun werd uitgereikt door het Verenigd Koninkrijk op basis van het statuut van niet-binnenlandse radio-omroepdienst per satelliet;
Dat, volgens de Britse wet, deze programma's niet zouden onderworpen zijn aan de door de voormelde richtlijn gestelde verplichtingen (...)"
15 Nadat Coditel gevolg had gegeven aan dit ministerieel besluit, verzocht Turner de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brussel in kort geding, de doorgifte van de programma's conform het contract te gelasten. De voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brussel was van oordeel, dat het ministerieel besluit van 17 september 1993 geen rechtsgrondslag had in het nationale recht, en veroordeelde Coditel bij beschikking van 26 oktober 1993 om de doorgifte van het programma op zijn net te verzekeren, op straffe van een dwangsom. Coditel heeft zich naar deze beslissing gevoegd.
16 De Belgische Staat heeft derdenverzet gedaan tegen de beschikking van 26 oktober 1993. Na de behandeling op tegenspraak trok de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brussel zijn beslissing in en besloot hij bij beschikking van 30 november 1994 het Hof om uitlegging van de richtlijn te verzoeken (zaak C-316/94). Daarop schortte Coditel de doorgifte van de litigieuze programma's op. Die beschikking werd evenwel door het Hof van Beroep te Brussel vernietigd bij een arrest van 6 april 1995, waarna voormelde zaak bij beschikking van de president van 1 december 1995 is doorgehaald in het register van het Hof. Sedertdien worden de litigieuze programma's opnieuw uitgezonden in het gebied Brussel-Hoofdstad.
17 In het kader van het hoofdgeding beschuldigt de procureur des Konings Denuit van een inbreuk op de nationale wetgeving, inzonderheid op de bepalingen van het ministerieel besluit van 17 september 1993. Gedurende een zekere periode heeft Coditel namelijk ook "uitzendingen van commerciële televisiezenders waarvan de distributie door de bevoegde minister was verboden, doorgegeven op de teledistributienetten van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, te weten de programma's van $Turner Network Television Limited' en van $The Cartoon Limited Network', hoewel dit haar bij ministerieel besluit van 17 september 1993 was verboden".
18 Gelet op de voorgeschiedenis van het geding, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel besloten het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Onder welke voorwaarden wordt een televisie-omroeporganisatie geacht onder de bevoegdheid van een Lid-Staat te vallen in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989? In hoeverre is de niet-Europese herkomst van een relatief groot deel van de uitgezonden programma's van belang, indien de nationale rechter vaststelt dat de betrokken organisatie haar zetel op het grondgebied van deze Lid-Staat heeft en dat aldaar daadwerkelijk regie-, samenstellings- of montagewerkzaamheden voor het programma worden verricht?
2) Gesteld dat uitzendingen van een televisie-omroeporganisatie die een vergunning heeft van een Lid-Staat, niet moeten worden beschouwd als uitzendingen van een televisie-omroeporganisatie die onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt in de zin van deze richtlijn, kan een andere Lid-Staat dan de doorgifte van de uitzendingen op een grondgebied verbieden of beperken, en zo ja, onder welke voorwaarden, in het bijzonder gelet op de artikelen 59 en volgende van het Verdrag?
3) Moet artikel 2 van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat, indien een televisie-omroeporganisatie onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt, een andere Lid-Staat zich niet tegen de doorgifte op zijn grondgebied van televisie-uitzendingen van die omroeporganisatie kan verzetten, zelfs niet wanneer de voorschriften van de artikelen 4 en 5 van die richtlijn niet worden nageleefd?"
De eerste vraag
19 Met het eerste onderdeel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen, welke de criteria zijn om vast te stellen welke televisie-omroeporganisaties onder de bevoegdheid van een Lid-Staat vallen in de zin van artikel 2, lid 1, van de richtlijn.
20 In zijn arrest van 10 september 1996 (zaak C-222/94, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1996, blz. I-4025) heeft het Hof reeds onderzocht, wat is te verstaan onder het begrip "bevoegdheid" in de uitdrukking "televisie-omroeporganisaties die onder [de] bevoegdheid [van een Lid-Staat] vallen" in artikel 2, lid 1, eerste streepje, van de richtlijn.
21 Zoals het Hof in bedoeld arrest heeft vastgesteld, bevat de richtlijn geen uitdrukkelijke definitie van dit begrip (r.o. 26).
22 Volgens het Hof blijkt bij onderzoek van artikel 2, lid 1, van de richtlijn, dat het begrip bevoegdheid van een Lid-Staat aldus moet worden verstaan, dat het noodzakelijkerwijze een bevoegdheid ratione personae ten aanzien van de televisie-omroeporganisaties omvat (r.o. 40).
23 Een bevoegdheid ratione personae van een Lid-Staat ten aanzien van een televisie-omroeporganisatie kan evenwel enkel worden gebaseerd op haar band met de rechtsorde van deze staat, wat in wezen overeenkomt met het begrip vestiging in de zin van artikel 59, eerste alinea, EG-Verdrag, waarvan de tekst onderstelt dat de dienstverrichter en degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, in twee verschillende Lid-Staten zijn "gevestigd" (r.o. 42).
24 Met het tweede onderdeel van de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, in hoeverre de toepassing van artikel 2, lid 1, van de richtlijn afhangt van de niet-communautaire oorsprong van een al dan niet aanzienlijk deel van de uitgezonden programma's.
25 Volgens de Belgische regering vallen de programma's van TNT & Cartoon Network niet onder de bevoegdheid van een Lid-Staat in de zin van artikel 2, lid 1, van de richtlijn, omdat zij niet voldoen aan de eisen van de artikelen 4 en 5 daarvan, en daaraan overigens niet onderworpen zijn ingevolge Section 43 van de wet.
26 Uit de tekst zelf van artikel 2, lid 1, van de richtlijn volgt, dat de oorsprong van de door de televisie-omroeporganisatie uitgezonden programma's of hun overeenstemming met de artikelen 4 en 5 van de richtlijn geen invloed heeft op de bevoegdheid van een Lid-Staat in de zin van deze bepaling.
27 Op de eerste vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 2, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een televisie-omroeporganisatie onder de bevoegdheid valt van de Lid-Staat waar zij is gevestigd. De oorsprong van de door de televisie-omroeporganisatie uitgezonden programma's of de overeenstemming ervan met de artikelen 4 en 5 van de richtlijn is irrelevant bij de vaststelling van de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan een dergelijke omroeporganisatie valt ingevolge artikel 2, lid 1.
De tweede vraag
28 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of en onder welke voorwaarden een Lid-Staat de doorgifte op zijn grondgebied kan verbieden of beperken van uitzendingen van een televisie-omroeporganisatie met een vergunning van een andere Lid-Staat, wanneer deze omroeporganisatie niet onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt in de zin van artikel 2, lid 1, van de richtlijn.
29 Uit het antwoord op de eerste vraag volgt, dat dit geval, waarbij ervan wordt uitgegaan, dat de omroeporganisatie niet onder de bevoegdheid van een Lid-Staat valt, zich niet kan voordoen in de situatie die in de verwijzingsbeschikking is uiteengezet.
30 Mitsdien behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
De derde vraag
31 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 2, lid 2, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een Lid-Staat zich kan verzetten tegen de doorgifte op zijn grondgebied van uitzendingen van een televisie-omroeporganisatie die onder de bevoegdheid van een andere Lid-Staat valt, wanneer die uitzendingen niet in overeenstemming zijn met de eisen van de artikelen 4 en 5 van deze richtlijn.
32 In zijn arrest van 10 september 1996 (zaak C-11/95, Commissie/België, Jurispr. 1996, blz. I-4115, r.o. 34) heeft het Hof vastgesteld, dat in het kader van de door de richtlijn ingevoerde verdeling van de verplichtingen tussen de Lid-Staat van uitzending en die van ontvangst, het toezicht op de naleving van het op televisie-uitzendingen toepasselijke recht van de Lid-Staat van uitzending, en het toezicht op de naleving van de bepalingen van de richtlijn, uitsluitend toekomen aan de Lid-Staat van uitzending, zodat de Lid-Staat van ontvangst niet gerechtigd is dienaangaande zijn eigen toezicht uit te oefenen.
33 Deze uitlegging vindt steun in de overwegingen van de considerans van de richtlijn. Volgens de tiende overweging immers moeten alle in de negende overweging bedoelde beperkingen van de vrijheid om omroepdiensten te verrichten, op grond van het Verdrag worden opgeheven. Luidens de twaalfde en de veertiende overweging is het daartoe noodzakelijk en toereikend, dat alle uitzendingen voldoen aan de wettelijke voorschriften van de Lid-Staat van waaruit zij worden uitgezonden, en aan de bepalingen van de richtlijn. En ten slotte volgt uit de vijftiende overweging, dat de verplichting voor de Lid-Staat van uitzending om toe te zien op de naleving van het nationale recht zoals dit door de richtlijn is gecoördineerd, voldoende is om wat het gemeenschapsrecht betreft, het vrije verkeer van uitzendingen te waarborgen, zonder dat in elke Lid-Staat van ontvangst een tweede controle op dezelfde gronden nodig is (arrest Commissie/België, reeds aangehaald, r.o. 35).
34 Enkel in het in artikel 2, lid 2, tweede volzin, bedoelde geval, waarnaar in het tweede deel van de vijftiende overweging van de considerans van de richtlijn is verwezen, mag de Lid-Staat van ontvangst bij uitzondering en onder de in deze bepaling vastgestelde voorwaarden de doorgifte van televisie-uitzendingen schorsen. Het Hof heeft daaraan toegevoegd, dat indien een Lid-Staat van mening is dat een andere Lid-Staat de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, het aan hem staat om op basis van artikel 170 EG-Verdrag beroep wegens niet-nakoming in te stellen of de Commissie te verzoeken op grond van artikel 169 EG-Verdrag zelf tegen deze staat op te treden (arrest Commissie/België, reeds aangehaald, r.o. 36).
35 In hetzelfde arrest Commissie/België (r.o. 37) heeft het Hof voorts herinnerd aan de vaste rechtspraak, dat een Lid-Staat zich in geen geval het recht mag aanmeten eenzijdig corrigerende of beschermende maatregelen te treffen, teneinde het hoofd te bieden aan een eventuele miskenning van het gemeenschapsrecht door een andere Lid-Staat (zie eveneens arresten van 13 november 1964, gevoegde zaken 90/63 en 91/63, Commissie/Luxemburg en België, Jurispr. 1964, blz. 1279; 25 september 1979, zaak 232/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1979, blz. 2729, r.o. 9, en 23 mei 1996, zaak C-5/94, Hedley Lomas, Jurispr. 1996, blz. I-2553, r.o. 20).
36 Mitsdien moet worden geantwoord, dat artikel 2, lid 2, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een Lid-Staat zich niet kan verzetten tegen de doorgifte op zijn grondgebied van uitzendingen van een televisie-omroeporganisatie die onder de bevoegdheid van een andere Lid-Staat valt, wanneer deze uitzendingen niet in overeenstemming zijn met de eisen van de artikelen 4 en 5 van deze richtlijn.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 De kosten door de Belgische, de Duitse, de Griekse en de Franse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij beschikking van 16 januari 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989, betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten, moet aldus worden uitgelegd, dat een televisie-omroeporganisatie onder de bevoegdheid valt van de Lid-Staat waar zij is gevestigd. De oorsprong van de door de televisie-omroeporganisatie uitgezonden programma's of de overeenstemming ervan met de artikelen 4 en 5 van de richtlijn is irrelevant bij de vaststelling van de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan een dergelijke omroeporganisatie valt ingevolge artikel 2, lid 1.
2) Artikel 2, lid 2, van richtlijn 89/552 moet aldus worden uitgelegd, dat een Lid-Staat zich niet kan verzetten tegen de doorgifte op zijn grondgebied van uitzendingen van een televisie-omroeporganisatie die onder de bevoegdheid van een andere Lid-Staat valt, wanneer deze uitzendingen niet in overeenstemming zijn met de eisen van de artikelen 4 en 5 van deze richtlijn.
Full & Egal Universal Law Academy