Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Ouderdoms- en overlijdensverzekering - Invaliditeitsverzekering - Berekening van uitkeringen - Nationale wettelijke regeling die uitkering vaststelt op basis van gemiddelde bijdrage gedurende referentieperiode - Voorwaarden voor toepassing op werknemer die werkzaamheden beëindigt in Lid-Staat waar andere wettelijke regeling wordt toegepast, en geen bijdragen heeft betaald krachtens wettelijke regeling die van toepassing was tijdens referentieperiode - Berekening van gemiddelde bijdrage op basis van bijdragen die werkelijk zijn betaald krachtens toepasselijke wettelijke regeling, met aanpassing en verhoging van theoretisch bedrag van overeenstemmende uitkering uit hoofde van veronderstelde voortzetting van werkzaamheden onder stelsel van toepasselijke wettelijke regeling - Afwijking - Bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid, gesloten vóór inwerkingtreding van verordening in betrokken Lid-Staat, en voordeliger voor betrokken werknemers
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 47, lid 1, sub e)
Samenvatting
Artikel 47, lid 1, sub e, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, en aangepast bij bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, dat na de inwerkingtreding van verordening nr. 1248/92 artikel 47, lid 1, sub g, is geworden, houdt in, dat bij de vaststelling van de ouderdoms- en invaliditeitspensioenen door toepassing van de wettelijke regeling van een Lid-Staat, volgens welke het bedrag van de pensioenen wordt berekend op basis van een gemiddelde bijdrage die overeenstemt met het loon dat gedurende een bepaald aantal jaren voorafgaande aan de datum van de ingang van het pensioen of het intreden van de invaliditeit is ontvangen, de berekening van de gemiddelde bijdrage in het geval van werknemers die, na aan de wettelijke regeling van die Lid-Staat onderworpen te zijn geweest, in een andere Lid-Staat bezoldigde werkzaamheden zijn gaan verrichten en zijn blijven verrichten tot het einde van hun loopbaan, enkel uitgaat van het bedrag van de premies die werkelijk zijn betaald krachtens de betrokken wettelijke regeling, alsmede dat het aldus berekende theoretische uitkeringsbedrag naar behoren moet worden aangepast en verhoogd alsof de betrokkenen hun werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat hadden voortgezet.
Mocht de toepassing van deze aldus uitgelegde bepaling voor de werknemers die reeds vóór de inwerkingtreding van de verordening in die Lid-Staat in een andere Lid-Staat in loondienst werkzaam waren, evenwel minder gunstig blijken te zijn dan de toepassing van een met laatstgenoemde Lid-Staat gesloten eerder verdrag, dan dient de bevoegde rechter bij wijze van uitzondering de regels van dat verdrag toe te passen.
Partijen
In de gevoegde zaken C-31/96, C-32/96 en C-33/96,
betreffende drie verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad de Extremadura te Cáceres (Spanje), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
A. Naranjo Arjona
en
Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS),
tussen
F. Vicente Mateos
en
Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS) Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS),
en tussen
Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS)
en
L. García Lázaro,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 47, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), en aangepast bij bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23), vervolgens gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, waarnemend voor de kamerpresident, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet (rapporteur), P. Jann en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Naranjo Arjona, Vicente Mateos en García Lázaro, vertegenwoordigd door A. Vázquez Conde, advocaat te Orense,
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Coördinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado van de juridische dienst van de staat, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en M. Patakia, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Naranjo Arjona, Vicente Mateos, en García Lázaro, de Spaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 17 april 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 juni 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 15 en 17 januari 1996, ingekomen bij het Hof op 7 februari daaraanvolgend, heeft het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Extremadura te Cáceres krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 47, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), en aangepast bij bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23; hierna: "verordening"), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7).
2 Deze vraag is gerezen in drie gedingen tussen in de eerste plaats Naranjo Arjona en het Instituto Nacional de la Seguridad Social (hierna: "INSS"), in de tweede plaats Vicente Mateos en het INSS en de Tesorería General de la Seguridad Social (hierna: "TGSS") en ten slotte het INSS en García Lázaro, betreffende de berekening van ouderdoms- of invaliditeitspensioenen.
3 Bij beschikking van de president van het Hof van 12 maart 1996 zijn deze drie zaken gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling, alsmede voor het arrest.
4 Uit de door de verwijzende rechter overgelegde stukken blijkt, dat het bedrag van de ouderdomspensioenen en de pensioenen wegens blijvende invaliditeit voor werknemers volgens de Spaanse wettelijke regeling niet verschilt naar gelang van de tijdvakken van premiebetaling of de loopbaan van de betrokkenen, maar wordt berekend op basis van een gemiddelde bijdrage die overeenstemt met het loon dat gedurende een bepaald aantal jaren voorafgaande aan de datum van ingang van het pensioen of het intreden van de invaliditeit is ontvangen. Meer in het bijzonder bepaalt artikel 3, lid 1, van wet nr. 26/85 van 31 juli 1985, die ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen van toepassing was, dat "de berekeningsgrondslag van pensioenen wegens ouderdom en wegens blijvende invaliditeit als gevolg van een niet-beroepsziekte, wordt vastgesteld op basis van de premies of bijdragen die de betrokkene in de 96 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis heeft betaald, gedeeld door 112". Volgens deze bepaling wordt met betrekking tot de bijdragen die zijn betaald in de 24 maanden voorafgaand aan het intreden van de verzekerde gebeurtenis uitgegaan van de nominale waarde, terwijl op de overige bijdragen het stijgingspercentage van de officiële prijsindex wordt toegepast. Artikel 3, lid 4, preciseert bovendien, dat indien er gedurende de betrokken periode of een deel daarvan geen bijdrageplicht bestond, de leemtes worden opgevuld door toepassing van de minimumbijdragen die van toepassing zijn op werknemers ouder dan 18 jaar.
5 In zaak C-31/96 was Naranjo Arjona, een werknemer van Spaanse nationaliteit, van 1952 tot 1965 in loondienst werkzaam in Spanje en vervolgens van 1966 tot 1991 in Duitsland, waar hij tot 1968 bijdragen bleef betalen aan de Spaanse sociale zekerheid. In 1994 kende het INSS hem met ingang van 1 april 1991 een ouderdomspensioen toe, berekend op basis van de tussen 1962 en 1968 in Spanje betaalde bijdragen. Betrokkene betwistte het bedrag van dit ouderdomspensioen met het argument, dat als referentieperiode in aanmerking moest worden genomen de periode tussen 1982 en 1991, dat wil zeggen het einde van zijn loopbaan in Duitsland.
6 In zaak C-32/96 was Vicente Mateos, een werknemer van Spaanse nationaliteit, van 1942 tot 1962 in loondienst werkzaam in Spanje en vervolgens van 1963 tot 1989 in Duitsland. Het bevoegde orgaan in laatstgenoemde staat kende hem met ingang van 1 februari 1989 een pensioen wegens blijvende invaliditeit toe. In Spanje kende het INSS hem slechts in het kader van het oude Spaanse sociale-zekerheidsstelsel op basis van de nationale bijdragen een invaliditeitspensioen toe, dat altijd een vast bedrag is. Betrokkene betwistte het bedrag van dit pensioen, stellende, dat de tijdvakken van premiebetaling in Duitsland in aanmerking moesten worden genomen.
7 In zaak C-33/96 was García Lázaro, van Spaanse nationaliteit, van 1961 tot 1964 in loondienst werkzaam in Spanje en van 1961 tot 1987 in Duitsland. Nadat het bevoegde orgaan in Duitsland haar in 1987 het recht op een invaliditeitspensioen had toegekend, vroeg zij bij het INSS een pensioen aan wegens blijvende invaliditeit, dat haar in 1992 is geweigerd. Tegen deze beschikking stelde García Lázaro evenwel beroep in, en de rechtbank waarbij dit beroep was ingesteld, kende haar een volledig pensioen wegens blijvende invaliditeit toe voor haar gewoonlijke beroep waarvan het bedrag op basis van de bijdrageplafonds die in Spanje voor haar beroepscategorie golden, is berekend voor de tijdvakken van premiebetaling in Duitsland.
8 In deze verschillende zaken is hoger beroep ingesteld bij het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad de Extremadura, dat het Hof in de drie zaken de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld:
"Moet de zinsnede $stelt deze premie of bijdrage uitsluitend vast aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wetgeving van bedoelde Lid-Staat zijn vervuld' in artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71 - thans artikel 47, lid 1, sub g - aldus worden verstaan, dat daarmee wordt gedoeld op
1) de theoretische maximum-, minimum- of gemiddelde premiegrondslag die in de wettelijke regeling van een Lid-Staat is vastgesteld voor de berekening van de verschuldigde bijdragen aan de sociale zekerheid, dan wel op
2) het gemiddelde van de premies of bijdragen die de betrokkene werkelijk heeft betaald, ongeacht wat hij gedurende de in Spanje gewerkte tijdvakken overeenkomstig de Spaanse wettelijke regeling zou hebben moeten betalen?"
Het rechtskader van de hoofdgedingen
9 Alvorens te antwoorden op de prejudiciële vraag, moet worden herinnerd aan de inhoud van de bepalingen van de verordening, die in het hoofdgeding aan de orde zijn.
10 Blijkens de stukken zijn de wettelijke regelingen van de twee Lid-Staten waar de betrokkenen aanspraak hebben op een invaliditeitsuitkering, niet van hetzelfde type. Volgens bijlage IV bij de verordening is de Spaanse wetgeving één van de wetgevingen als bedoeld in artikel 37, lid 1, volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen onafhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering. De Duitse wetgeving daarentegen behoort niet tot deze wetgevingen.
11 Artikel 40, lid 1, van de verordening bepaalt, dat op werknemers die invalide worden en achtereenvolgens aan die twee typen wetgeving onderworpen zijn geweest, de bepalingen van het hoofdstuk van de verordening inzake pensioenen bij ouderdom en overlijden, dat wil zeggen de artikelen 44 tot en met 51, van overeenkomstige toepassing zijn. Deze bepalingen zijn bijgevolg zowel in zaak C-31/96, die betrekking heeft op een ouderdomspensioen, als in de zaken C-32/96 en C-33/96, die betrekking hebben op een invaliditeitspensioen, van toepassing.
12 Artikel 46 van de verordening bevat de regels betreffende de vaststelling van uitkeringen. Artikel 46, lid 2, luidt:
"a) het bevoegde orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken Lid-Staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag."
13 Artikel 47 geeft aanvullende regels voor de berekening van de uitkeringen. Artikel 47, lid 1 bevat bijzondere bepalingen voor de berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a, bedoelde theoretische bedrag, waaronder met name de volgende:
"e) het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat bij de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddelde bijdrage, stelt deze gemiddelde bijdrage uitsluitend vast aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de wettelijke regeling van die Staat zijn vervuld".
14 Artikel 47, lid 1, sub e, van de verordening is in de versie zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, artikel 47, lid 1, sub g, geworden. Bovendien is bijlage VI, waarin volgens artikel 89 van de verordening de bijzonderheden inzake de toepassing van bepaalde wetgevingen worden vermeld, als volgt aangevuld in deel D (Spanje):
"4. a) Op grond van artikel 47 van de verordening geschiedt de berekening van de Spaanse theoretische uitkering op basis van de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde gedurende de jaren onmiddellijk voorafgaande aan de betaling van de laatste premie of bijdrage aan de Spaanse sociale zekerheid.
b) Het bedrag van het verkregen pensioen zal worden verhoogd met het bedrag van de verhogingen en aanpassingen, berekend voor de pensioenen van dezelfde aard voor elk jaar daarna en tot het jaar dat aan de intreding van de verzekerde gebeurtenis voorafgaat."
De prejudiciële vraag
15 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de gemiddelde bijdrage, bedoeld in artikel 47, lid 1, sub e - sub g, in de versie zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92 - van de verordening moet worden vastgesteld op basis van een theoretische (maximum-, minimum- of gemiddelde) premiegrondslag, dan wel op basis van de premies of de bijdragen die de betrokkene werkelijk heeft betaald.
16 Naranjo Arjona, Vicente Mateos en García Lázaro zijn van mening, dat de verschillende door de verwijzende rechter voorgestelde opties onmogelijk kunnen worden toegepast, onder meer omdat het begrip "loongrondslag" in de Spaanse wetgeving pas sinds 1974 bekend is en de migrerende werknemers voor wie een referentieperiode voorafgaand aan die datum van toepassing is, aldus worden benadeeld. Betrokkenen geven het Hof derhalve in overweging, voor recht te verklaren, dat artikel 47, lid 1, sub e, van de verordening - na de inwerkingtreding van verordening nr. 1248/92, artikel 47, lid 1, sub g - en bijlage VI, D (Spanje), punt 4, sub a, bij dezelfde gewijzigde verordening in strijd zijn met artikel 51 van het Verdrag, voor zover zij voorzien in een wijze van berekening van de uitkeringen die verschilt van de berekeningswijze in de Spaanse wetgeving, aangezien daarbij de tijdvakken van verzekering of tewerkstelling in een andere Lid-Staat niet in aanmerking worden genomen.
17 De Spaanse regering betoogt daarentegen, dat uit de preciseringen die met betrekking tot de toepassing van artikel 47 van de verordening in bijlage VI, deel D, punt 4, zijn aangebracht, juist blijkt, dat moest worden uitgegaan van de werkelijke bijdragen van de verzekerde gedurende de jaren onmiddellijk voorafgaande aan de betaling van de laatste bijdrage aan de Spaanse sociale zekerheid, en dat het bedrag van het aldus verkregen pensioen moet worden aangepast aan het niveau dat correspondeert met de datum waarop de verzekerde gebeurtenis is ingetreden.
18 De Commissie van haar kant stelt, dat geen van de bepalingen van artikel 47, lid 1, van de verordening van toepassing is op de berekening van het bedrag van een invaliditeitsuitkering in een stelsel volgens hetwelk dit bedrag onafhankelijk is van de duur der verzekeringstijdvakken. Met betrekking tot de ouderdoms- en overlijdenspensioenen is zij van mening, dat de betrokken bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat het bedrag van het werkelijke loon onmiddellijk voorafgaand aan de datum van intreding van de verzekerde gebeurtenis in aanmerking wordt genomen, ongeacht de Lid-Staat waar dit loon is ontvangen, zodat het resultaat van de toepassing van de nationale wettelijke regeling, uitgelegd met inachtneming van de doelstellingen van de artikelen 48 en 51 van het Verdrag, de werknemer die gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer, niet benadeelt in vergelijking met de werknemer die dat recht niet heeft uitgeoefend.
19 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat, in tegenstelling tot hetgeen de Commissie betoogt en zoals het Hof in zijn arrest van 12 september 1996 (zaak C-251/94, Lafuente Nieto, Jurispr. 1996, blz. I-4187) voor recht heeft verklaard, artikel 47, lid 1, sub e, in de thans geldende versie sub g, van de verordening, betrekking heeft op een wijze van berekening van de invaliditeitspensioenen die gebaseerd is op een gemiddelde bijdrage, zoals is voorzien in de Spaanse wettelijke regeling. Deze bepaling is immers niet alleen van toepassing op de stelsels van ouderdoms- en overlijdenspensioenen, maar krachtens artikel 40, lid 1, van de verordening is zij ook van overeenkomstige toepassing op de stelsels van invaliditeitsuitkeringen wanneer de betrokken werknemer, zoals in de hoofdgedingen het geval is, achtereenvolgens aan wettelijke regelingen van verschillende typen onderworpen is geweest (arrest Lafuente Nieto, reeds aangehaald, r.o. 28).
20 Deze bepaling vormt ook een aanvullende regel voor de berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening bedoelde theoretische bedrag van de uitkering. Zij moet dus worden uitgelegd in het licht van laatstgenoemde bepaling en, zoals het Hof in zijn arrest van 9 augustus 1994 (zaak C-406/93, Reichling, Jurispr. 1994, blz. I-4061) heeft overwogen, in het licht van het doel van artikel 51 van het Verdrag, dat onder meer inhoudt, dat voor migrerende werknemers de uitoefening van hun recht van vrij verkeer niet tot een vermindering van het bedrag van hun sociale-zekerheidsuitkeringen mag leiden.
21 Anders dan de betrokkenen betogen, betekent deze verplichting evenwel niet, dat de in geding zijnde bepaling noodzakelijkerwijze in strijd is met het hiervóór in herinnering gebrachte doel, omdat het ingevolge deze bepaling niet mogelijk is om bij de berekening van de gemiddelde bijdrage uit te gaan van het bedrag van de in een andere Lid-Staat betaalde premies. Deze verplichting houdt enkel in, dat deze gemiddelde bijdrage voor de migrerende werknemer dezelfde moet zijn als wanneer hij zijn recht op vrij verkeer niet had uitgeoefend.
22 Wanneer dus in situaties als in het hoofdgeding, overeenkomstig de bepalingen van artikel 47, lid 1, sub e - sinds verordening nr. 1248/92, sub g - alleen rekening moet worden gehouden met het bedrag van de krachtens de betrokken wettelijke regeling betaalde premies, moet dit bedrag worden geactualiseerd en aangepast zodat het overeenstemt met het bedrag dat de betrokkenen daadwerkelijk zouden hebben betaald indien zij hun werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat hadden voortgezet (zie arrest Lafuente Nieto, reeds aangehaald, r.o. 39 en 40).
23 Deze uitlegging is in overeenstemming met de bij verordening nr. 1248/92 in bijlage VI, deel D, sub 4, van de verordening ingevoegde nieuwe bepalingen, volgens welke "de berekening van de Spaanse theoretische uitkering [geschiedt] op basis van de werkelijke premies of bijdragen van de verzekerde gedurende de jaren onmiddellijk voorafgaande aan de betaling van de laatste premie of bijdrage aan de Spaanse sociale zekerheid", en "het bedrag van het verkregen pensioen zal worden verhoogd met het bedrag van de verhogingen en aanpassingen, berekend voor de pensioenen van dezelfde aard voor elk jaar daarna en tot het jaar dat aan de intreding van de verzekerde gebeurtenis voorafgaat".
24 Deze nieuwe bepalingen zijn weliswaar in beginsel niet van toepassing op de vóór 1 juni 1992 vastgestelde pensioenen, onder voorbehoud evenwel van de bij artikel 95 bis van de verordening, zoals gewijzigd, aan de betrokkenen geboden mogelijkheid om gelet op deze regels om herziening van hun rechten te verzoeken. Zoals het Hof evenwel reeds in het arrest Lafuente Nieto (reeds aangehaald, r.o. 42) heeft opgemerkt, verduidelijken de betrokken bepalingen slechts de modaliteiten van de verordening, volgens welke de gemiddelde bijdrage uitsluitend wordt vastgesteld aan de hand van de tijdvakken van verzekering die krachtens de betrokken wettelijke regeling zijn vervuld, zonder dat zij de inhoud van artikel 47, lid 1, sub e, wijzigen, en hebben zij slechts tot doel, de verenigbaarheid van deze regel met de beginselen van artikel 51 van het Verdrag te verzekeren.
25 Ter terechtzitting heeft de Commissie evenwel betoogd, dat de toepassing van deze regels niet tot een verlies van voordelen mag leiden dat zou voortvloeien uit het feit dat door de inwerkingtreding van deze regels het verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Spanje van 4 december 1973, in werking getreden op 1 november 1977 (hierna: "verdrag"), zijn toepasselijkheid heeft verloren. Volgens de Commissie zou de toepassing van artikel 25, lid 1, sub b, van dit verdrag, op grond waarvan rekening kan worden gehouden met het bijdrageniveau dat de werknemer aan het einde van zijn loopbaan in Duitsland heeft bereikt, ondanks de verwijzing naar de in Spanje voor de betrokken beroepscategorie geldende premies of bijdragen, immers voor de betrokkenen een resultaat opleveren dat gunstiger is dan bij toepassing van de bepalingen van de verordening.
26 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 7 februari 1991 (zaak C-227/89, Rönfeldt, Jurispr. 1991, blz. I-323) voor recht heeft verklaard, dat de artikelen 48 en 51 van het Verdrag in de weg staan aan het verlies van sociale-zekerheidsvoordelen, dat voor de betrokken werknemers zou voortvloeien uit het feit dat tussen twee of meer Lid-Staten geldende en in hun nationale recht opgenomen verdragen hun toepasselijkheid hebben verloren door de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71. In zijn arrest van 9 november 1995 (zaak C-475/93, Thévenon, Jurispr. 1995, blz. I-3813) heeft het Hof gepreciseerd, dat dit beginsel evenwel niet van toepassing is op de werknemers die hun recht op vrij verkeer eerst na de inwerkingtreding van genoemde verordening hebben uitgeoefend.
27 In de hoofdgedingen staat vast, dat de betrokkenen reeds in Duitsland in loondienst werkzaam waren voordat de verordening, waarvan de bepalingen normalerwijze overeenkomstig artikel 6 ervan in de plaats zijn getreden van die van het Duits-Spaanse verdrag, op 1 januari 1986 in Spanje in werking is getreden. Niet kan worden aanvaard, dat de betrokkenen in voorkomend geval door deze substitutie door hen aan genoemd verdrag ontleende rechten en voordelen verliezen.
28 De stelling van de Commissie, dat de toepassing van het verdrag voor de betrokkenen gunstiger zou zijn dan de toepassing van de verordening, is evenwel ter terechtzitting door de Spaanse regering betwist. Zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, streeft de actualisering van de bijdragen overeenkomstig de bepalingen van de verordening, zoals zij door het Hof zijn uitgelegd en in rechtsoverweging 21 van dit arrest in herinnering zijn gebracht, overigens dezelfde doeleinden na als het verdrag, en zou zij normalerwijze de verwezenlijking van deze doeleinden mogelijk moeten maken.
29 Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of de toepassing van dit verdrag voor de betrokken werknemers inderdaad meer of minder gunstig blijkt te zijn dan de toepassing van de verordening. In het eerste geval zullen, bij wijze van uitzondering en overeenkomstig het in het arrest Rönfeldt (reeds aangehaald) neergelegde beginsel, de regels van het verdrag moeten worden toegepast. In het andere geval zullen de regels van de verordening, zoals zij door het Hof zijn uitgelegd, moeten worden toegepast.
30 Op de prejudiciële vraag dient bijgevolg te worden geantwoord, dat artikel 47, lid 1, sub e - sub g, in de versie zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92 - van de verordening inhoudt, dat in situaties als die van de hoofdgedingen voor de berekening van de gemiddelde bijdrage alleen wordt uitgegaan van het bedrag van de premies die werkelijk zijn betaald krachtens de betrokken wettelijke regeling, en dat het aldus berekende theoretische uitkeringsbedrag naar behoren moet worden aangepast en verhoogd alsof de betrokkenen hun werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat hadden voortgezet. Mocht de toepassing van deze aldus uitgelegde bepaling voor de werknemers die reeds vóór de inwerkingtreding van de verordening in die Lid-Staat in een andere Lid-Staat in loondienst werkzaam waren, evenwel minder gunstig blijken te zijn dan de toepassing van een met laatstgenoemde Lid-Staat gesloten eerder verdrag, dan dient de bevoegde rechter bij wijze van uitzondering de regels van dat verdrag toe te passen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Spaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad de Extremadura te Cáceres bij beschikkingen van 15 en 17 januari 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 47, lid 1, sub e, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, en aangepast bij bijlage I, deel VIII, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen, dat na de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 artikel 47, lid 1, sub g, is geworden, houdt in, dat in situaties als die van de hoofdgedingen voor de berekening van de gemiddelde bijdrage alleen wordt uitgegaan van het bedrag van de premies die werkelijk zijn betaald krachtens de betrokken wettelijke regeling, en dat het aldus berekende theoretische uitkeringsbedrag naar behoren moet worden aangepast en verhoogd alsof de betrokkenen hun werkzaamheden onder dezelfde voorwaarden in de betrokken Lid-Staat hadden voortgezet. Mocht de toepassing van deze aldus uitgelegde bepaling voor de werknemers die reeds vóór de inwerkingtreding van de verordening in die Lid-Staat in een andere Lid-Staat in loondienst werkzaam waren, evenwel minder gunstig blijken te zijn dan de toepassing van een met laatstgenoemde Lid-Staat gesloten eerder verdrag, dan dient de bevoegde rechter bij wijze van uitzondering de regels van dat verdrag toe te passen.
Full & Egal Universal Law Academy