Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Harmonisatie van wetgevingen - Bescherming van consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten - Richtlijn 85/577 - Werkingssfeer - Borgtochtovereenkomst tot zekerheid van terugbetaling van schuld van beroeps- of bedrijfsmatig handelend persoon - Niet daaronder begrepen
(Richtlijn 85/577 van de Raad, art. 2, eerste streepje)
Samenvatting
Artikel 2, eerste streepje, van richtlijn 85/577 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, waarin het begrip consument in de zin van de richtlijn wordt omschreven, moet aldus worden uitgelegd, dat een borgtochtovereenkomst, gesloten door een niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende natuurlijke persoon, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, wanneer zekerheid wordt gesteld voor de terugbetaling van een schuld van een ander die wel bedrijfs- of beroepsmatig handelt.
Hoewel niet kan worden uitgesloten, dat de richtlijn mede op een borgtochtovereenkomst van toepassing is, volgt uit de bewoordingen van artikel 1 van de richtlijn en uit het accessoire karakter van de borgtocht, dat uitsluitend een borgtocht voor een verbintenis die een consument door middel van colportage jegens een handelaar is aangegaan met het oog op de verkrijging van goederen of diensten, onder de richtlijn kan vallen. Aangezien de richtlijn bovendien enkel consumenten beoogt te beschermen, valt een borg alleen onder de richtlijn, indien hij zich overeenkomstig artikel 2, eerste streepje, van de richtlijn heeft verbonden voor doeleinden die als niet bedrijfs- of beroepsmatig kunnen worden beschouwd.
Partijen
In zaak C-45/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Bundesgerichtshof (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Bayerische Hypotheken- und Wechselbank AG
en
E. Dietzinger,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, president van de Eerste kamer, waarnemend president van de Vijfde kamer, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward, P. Jann en L. Sevón (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- E. Dietzinger, vertegenwoordigd door E. Bubb, advocaat te Landshut,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door A. Dittrich, Regierungsdirektor bij het Bondsministerie van Justitie, en B. Kloke, Oberregierungsrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigden,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins en R. Loosli-Surrans, adjunct-directeur respectievelijk chargé de mission bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
- de Finse regering, vertegenwoordigd door T. Pynnä, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. O'Reilly en U. Wölker, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Dietzinger, de Duitse, de Franse en de Finse regering en de Commissie ter terechtzitting van 22 januari 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 maart 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 11 januari 1996, ingekomen bij het Hof op 15 februari daaraanvolgend, heeft het Bundesgerichtshof krachtens artikel 177 EG-Verdrag een vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Bayerische Hypotheken- und Wechselbank AG (hierna: "bank") en Dietzinger betreffende de nakoming van een borgtocht tussen laatstgenoemde en de bank.
3 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 85/577 luidt als volgt:
"Deze richtlijn is van toepassing op overeenkomsten die tussen een handelaar die goederen levert of diensten verricht, en een consument worden gesloten:
- tijdens een door de handelaar buiten zijn verkoopruimten georganiseerde excursie, ofwel
- tijdens een bezoek van de handelaar
i) ten huize van deze consument of van een andere consument;
ii) ter plaatse waar de consument werkzaam is,
indien het bezoek niet op uitdrukkelijk verzoek van de consument plaatsvindt."
4 Artikel 2 bepaalt vervolgens:
"In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
- $consument', een natuurlijk persoon die ten aanzien van de onder deze richtlijn vallende transacties handelt voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd;
- $handelaar', een natuurlijk of rechtspersoon die de betrokken transactie sluit in het kader van zijn commerciële of beroepsactiviteit alsmede een persoon die namens of voor rekening van een handelaar optreedt."
5 Artikel 4 van richtlijn 85/577 schrijft voor, dat de handelaar de consument schriftelijk in kennis moet stellen van zijn recht de overeenkomst binnen een bepaalde termijn te ontbinden. In artikel 5 wordt deze termijn gesteld op ten minste zeven dagen na het tijdstip waarop de consument de kennisgeving over zijn recht om van de overeenkomst af te zien heeft ontvangen.
6 Dietzingers vader exploiteert een bouwbedrijf, waarvoor de bank onder meer een rekening-courantkrediet had verleend. Bij een schriftelijke verklaring van 11 september 1992 heeft Dietzinger zich tot een maximumbedrag van 100 000 DM hoofdelijk borg gesteld voor de door zijn ouders jegens de bank aangegane verbintenissen.
7 De borgtochtovereenkomst is gesloten in het ouderlijk huis van Dietzinger, waarnaar zich een bankemployé had begeven na telefonische afspraak met Dietzingers moeder. Dietzinger is niet in kennis gesteld van zijn bevoegdheid tot ontbinding.
8 In mei 1993 heeft de bank alle aan Dietzingers ouders verleende kredieten, die inmiddels waren opgelopen tot meer dan 1,6 miljoen DM, met onmiddellijke ingang opgezegd. Tevens heeft zij Dietzinger aangesproken tot betaling van een bedrag van 50 000 DM op grond van de borgtocht. Dietzinger heeft daarop zijn toestemming herroepen, stellende dat hij niet in kennis was gesteld van zijn bevoegdheid tot ontbinding, zulks in strijd met het Gesetz über den Widerruf von Haustürgeschäften und ähnlichen Geschäften van 16 januari 1986 (wet inzake de ontbinding van overeenkomsten gesloten door middel van colportage en soortgelijke handelingen, BGBl. I, blz. 122), waarbij richtlijn 85/577 in Duits recht is omgezet.
9 Nadat het Landgericht de vordering van de bank had toegewezen, stelde Dietzinger hoger beroep in bij het Oberlandesgericht, dat de uitspraak van eerstgenoemde instantie vernietigde.
10 In "Revision" oordeelde het Bundesgerichtshof, dat de beslechting van het geschil afhing van de uitlegging van richtlijn 85/577, en stelde het het Hof derhalve de volgende prejudiciële vraag:
"Behoort een borgtochtovereenkomst van Duits recht, gesloten tussen een kredietinstelling en een ter zake niet in de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit handelende natuurlijke persoon, tot zekerheid van de voldoening van een schuldvordering van de kredietinstelling op een derde, tot de $overeenkomsten die tussen een handelaar die goederen levert of diensten verricht, en een consument worden gesloten' (artikel 1, lid 1, van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, PB L 372, blz. 31)?"
11 Met zijn vraag wenst het Bundesgerichtshof in wezen te vernemen, of een door een niet in de uitoefening van een beroepsactiviteit handelende natuurlijke persoon aangegane borgtocht binnen de werkingssfeer van richtlijn 85/577 valt.
12 Dietzinger en de Commissie zijn van mening, dat richtlijn 85/577, gelet op haar doelstelling - bescherming van de consument die door middel van colportage een overeenkomst aangaat waarop hij zich niet heeft kunnen voorbereiden - op de borgtocht van toepassing is. Een borg verbindt zich evenals een koper tot nakoming van verbintenissen en er is des te meer reden voor bescherming, daar hij voor zijn verbintenis geen enkele tegenprestatie ontvangt.
13 Naar het oordeel van de Commissie is artikel 1 van richtlijn 85/577 van toepassing op alle door een natuurlijke persoon aangegane overeenkomsten met een handelaar die bedrijfs- of beroepsmatig goederen of diensten pleegt te leveren aan consumenten, ook indien de betrokken overeenkomst geen tegenprestatie omvat. De uitdrukking "overeenkomsten die tussen een handelaar die goederen levert of diensten verricht, en een consument worden gesloten" is in de tekst van deze richtlijn slechts gebruikt om te voorkomen dat de werkingssfeer ervan beperkt zou blijven tot verkopers van goederen.
14 De Duitse, de Belgische, de Franse en de Finse regering zijn daarentegen van mening, dat de borgtocht niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 85/577 valt, voornamelijk omdat het geen "overeenkomst tussen een handelaar die goederen levert of diensten verricht, en een consument" in de zin van artikel 1 is.
15 Huns inziens impliceert deze uitdrukking, dat er door de handelaar een goed of dienst wordt geleverd aan de consument die zich op richtlijn 85/577 beroept, zodat het niet voldoende is, dat de handelaar goederen of diensten pleegt te verkopen. Een dergelijke uitlegging zou met name duidelijk blijken uit de Engelse versie ("to contracts under which a trader supplies goods or services to a consumer"). In een geval als in casu staat er geen enkele tegenprestatie tegenover de verbintenis van de borg: hij ontvangt geen goed of dienst van de handelaar jegens wie hij zich verbindt.
16 Zij stellen voorts, dat de kwestie van het stellen van zekerheden niet door richtlijn 85/577 wordt bestreken, daar anders de richtlijn wel specifieke bepalingen zou bevatten omtrent onder meer de gevolgen van de uitoefening van de ontbindingsbevoegdheid door de borg voor de overeenkomst tot nakoming waarvan hij zich heeft verbonden. De bescherming van de borg zou derhalve uitsluitend een zaak van het nationale recht zijn. De Franse regering stelt in het bijzonder, dat aangezien in richtlijn 85/577 niets is geregeld omtrent de gevolgen van de eventuele ongeldigheid van de borgtocht voor de hoofdverbintenis, de borgtocht, gelet op zijn accessoire karakter, van de werkingssfeer van de richtlijn zou zijn uitgesloten.
17 Volgens artikel 1 is richtlijn 85/577 van toepassing "op overeenkomsten die tussen een handelaar die goederen levert of diensten verricht, en een consument worden gesloten" buiten de verkoopruimten van de handelaar, behalve indien hij uitdrukkelijk door de consument is uitgenodigd om over de overeenkomst te onderhandelen.
18 Ter beantwoording van de vraag, of een borgtocht strekkende tot zekerheid van de nakoming van een kredietovereenkomst door de hoofdschuldenaar, onder richtlijn 85/577 kan vallen, zij eraan herinnerd, dat afgezien van de in artikel 3, lid 2, genoemde uitzonderingen, de werkingssfeer van de richtlijn niet wordt afgebakend aan de hand van de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, mits deze goederen of diensten bestemd zijn voor particulier verbruik. Kredietverlening nu is een dienst en borgtocht kan slechts accessoir zijn aan een hoofdverbintenis, waarvoor hij in de praktijk meestal een voorwaarde is.
19 Bovendien vereisen de bewoordingen van de richtlijn niet, dat degene die de overeenkomst sluit krachtens welke goederen moeten worden geleverd of diensten moeten worden verricht, de ontvanger van deze goederen of diensten is. Richtlijn 85/577 beoogt immers de consument te beschermen door hem de mogelijkheid te bieden terug te komen van een niet op initiatief van de cliënt, doch op initiatief van de handelaar gesloten overeenkomst, wanneer de cliënt wellicht niet alle gevolgen van zijn handeling heeft kunnen beoordelen. Een overeenkomst die ten voordele van een derde strekt, kan derhalve niet van de werkingssfeer van de richtlijn worden uitgesloten op de enkele grond, dat de gekochte goederen of diensten bestemd zijn voor gebruik door deze derde die buiten de betrokken contractverhouding staat.
20 Gelet op de nauwe band tussen de kredietovereenkomst en de borgtocht die de nakoming ervan garandeert, alsmede op het feit dat degene die voor de terugbetaling van een schuld instaat, hoofdelijke medeschuldenaar of borg kan zijn, kan niet worden uitgesloten, dat borgtocht onder de richtlijn valt.
21 Voorts zij opgemerkt, dat het eventuele tenietgaan van een in het kader van colportage in de zin van richtlijn 85/577 aangegane borgtocht slechts één van de gevallen is waarbij de vraag rijst, wat het gevolg is van de eventuele ongeldigheid van een accessoire overeenkomst voor de hoofdverbintenis. Uit de enkele omstandigheid, dat de richtlijn geen regeling bevat van de gevolgen voor de hoofdverbintenis ingeval de borg gebruik maakt van de in artikel 5 bedoelde ontbindingsbevoegdheid, kan daarom niet worden afgeleid, dat de richtlijn niet op borgtocht van toepassing is.
22 Uit de bewoordingen van artikel 1 van de richtlijn en uit het accessoire karakter van de borgtocht volgt evenwel, dat uitsluitend een borgtocht voor een verbintenis die een consument door middel van colportage jegens een handelaar is aangegaan met het oog op de verkrijging van goederen of diensten, onder de richtlijn kan vallen. Aangezien de richtlijn bovendien enkel consumenten beoogt te beschermen, valt een borg alleen onder de richtlijn, indien hij zich overeenkomstig artikel 2, eerste streepje, van de richtlijn heeft verbonden voor doeleinden die als niet bedrijfs- of beroepsmatig kunnen worden beschouwd.
23 Op de gestelde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 2, eerste streepje, van richtlijn 85/577 aldus moet worden uitgelegd, dat een borgtochtovereenkomst, gesloten door een niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende natuurlijke persoon, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, wanneer zekerheid wordt gesteld voor de terugbetaling van een schuld van een ander die wel bedrijfs- of beroepsmatig handelt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 De kosten door de Duitse, de Belgische, de Franse en de Finse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesgerichtshof bij beschikking van 11 januari 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 2, eerste streepje, van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten moet aldus worden uitgelegd, dat een borgtochtovereenkomst, gesloten door een niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende natuurlijke persoon, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, wanneer zekerheid wordt gesteld voor de terugbetaling van een schuld van een ander die wel bedrijfs- of beroepsmatig handelt.
Full & Egal Universal Law Academy