Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Procedure - Conclusie van advocaat-generaal - Wijze waarop conclusie is genomen
2 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Uitsluiting van deeltijdwerknemers van bedrijfspensioenregeling - Maatregel waardoor aanzienlijk groter percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers wordt geraakt - Ontoelaatbaarheid bij ontbreken van objectieve rechtvaardigingsgronden - Mogelijkheid zich te beroepen op rechtstreekse werking van artikel 119 van Verdrag (de artikelen 117-120 van Verdrag zijn vervangen de door artikelen 136 EG-143 EG) - Beperking in tijd - Inaanmerkingneming van uitsluitend tijdvakken van arbeid gesitueerd na arrest van 8 april 1976, 43/75 - Beperking voortvloeiend uit arrest van 17 mei 1990, C-262/88 - Niet-toepasselijkheid
[EG-Verdrag, art. 119 (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG); protocol nr. 2 ad artikel 119]
3 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Artikel 119 van Verdrag (de artikelen 117-120 van Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) - Beperking van werking in tijd, voortvloeiend uit arrest van 8 april 1976, 43/75 - Geen beletsel voor nationale bepalingen die recht geven op aansluiting met terugwerkende kracht bij bedrijfspensioenregeling
[EG-Verdrag, art. 119 (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG)]
4 Sociale politiek - Mannelijke en vrouwelijke werknemers - Gelijke beloning - Non-discriminatiebeginsel en artikel 119 van Verdrag (de artikelen 117-120 van Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) - Geen beletsel voor nationale bepalingen die recht geven op aansluiting met terugwerkende kracht bij bedrijfspensioenregeling, niettegenstaande risico van verstoring van mededinging - Voorrang van sociaal doel van artikel 119 van Verdrag
[EG-Verdrag, art. 119 (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG)]
Samenvatting
1 Het feit dat het beslissingsvoorstel van de conclusie van de advocaat-generaal wordt voorgelezen ter terechtzitting van een andere kamer dan die welke over de zaak moet oordelen, betekent niet dat de voor het Hof toepasselijke regels of de aan partijen in het hoofdgeding toegekende rechten zijn geschonden. De rechters van de betrokken kamer kunnen immers kennis nemen van de conclusie van de advocaat-generaal doordat deze ter griffie van het Hof wordt neergelegd en het openbare karakter van deze conclusie is met name verzekerd doordat het beslissingsvoorstel ter openbare terechtzitting wordt voorgelezen en ter griffie wordt neergelegd.
(cf. punten 20-21)
6 De uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling is een bij artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117-120 van het Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) verboden discriminatie wanneer een aanzienlijk groter percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers door deze maatregel wordt geraakt en deze maatregel niet wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.
In een dergelijk geval is de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen in zoverre in de tijd beperkt dat de tijdvakken van arbeid van die werknemers slechts vanaf 8 april 1976, de datum van uitspraak van het arrest Defrenne II, 43/75, in aanmerking kunnen worden genomen voor hun aansluiting met terugwerkende kracht bij een dergelijke regeling en voor de berekening van de uitkeringen waarop zij recht hebben, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen klacht hebben ingediend.
In dit verband heeft de zowel uit het arrest van 17 mei 1990, Barber, C-262/88, als protocol nr. 2 ad artikel 119 van het Verdrag volgende beperking van de werking in de tijd van artikel 119 alleen betrekking op de soorten van discriminatie waarvan de werkgevers en de pensioenregelingen op grond van de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht dat op het gebied van bedrijfspensioenen van toepassing kon zijn, redelijkerwijze mochten aannemen dat zij getolereerd werden. Met betrekking tot het recht op aansluiting bij bedrijfspensioenregelingen kon echter uit niets worden opgemaakt dat de betrokken beroepskringen zich hebben kunnen vergissen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 119, aangezien het sinds het arrest van 13 mei 1986, Bilka, 170/84, duidelijk is dat discriminatie op grond van geslacht bij de toekenning van bedoeld recht strijdig is met deze bepaling.
Aangezien laatstgenoemd arrest geen enkele beperking in de tijd bevat, is de enige beperking ter zake, die welke volgt uit het arrest Defrenne II.
(cf. punten 29, 35-38, 40-41, dictum 1-2)
7 De uit het arrest van 8 april 1976, Defrenne II, 43/75, volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117-120 van het Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG) te beroepen, staat niet in de weg aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten op grond waarvan deeltijdwerknemers recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
Deze beperking had niet de bedoeling, voor de betrokken werknemers de mogelijkheid uit te sluiten om zich op nationale bepalingen te beroepen die een gelijkheidsbeginsel omvatten. Nationale bepalingen waardoor de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers wordt gewaarborgd, dragen er immers toe bij, dat aan artikel 119 van het Verdrag uitvoering wordt gegeven. In een dergelijk geval is het rechtszekerheidsbeginsel op grond waarvan het Hof bij wijze van uitzondering de mogelijkheid kan beperken om zich op een door het Hof uitgelegde bepaling te beroepen, niet van toepassing en staat het niet in de weg aan de toepassing van nationale bepalingen die een met het gemeenschapsrecht conform resultaat opleveren.
(cf. punten 46-48, 50, dictum 3)
8 Het gemeenschapsrecht, met name het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117-120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG-143 EG), staat niet in de weg aan bepalingen van een lidstaat die een gelijkheidsbeginsel omvatten op grond waarvan deeltijdwerknemers recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling, niettegenstaande het risico van verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende lidstaten ten nadele van de werkgevers in de eerste lidstaat.
In de eerste plaats kan namelijk de toepassing van een nationale wettelijke regeling niet met het discriminatieverbod in strijd worden geacht op de enkele grond dat andere lidstaten minder rigoureuze bepalingen toepassen.
In de tweede plaats is het economische doel van artikel 119 van het Verdrag, namelijk opheffing van mededingingsverstoringen tussen in verschillende lidstaten gevestigde ondernemingen, ondergeschikt aan het sociale doel van deze bepaling, dat de uitdrukking vormt van het fundamentele mensenrecht om niet op grond van geslacht te worden gediscrimineerd.
(cf. punten 52, 56-57, 59, dictum 4)
Partijen
In zaak C-50/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van het Landesarbeitsgericht Hamburg (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Deutsche Telekom AG, voorheen Deutsche Bundespost Telekom,
en
L. Schröder,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117 tot en met 120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG tot en met 143 EG) en het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gehecht aan het EG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, G. Hirsch en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Deutsche Telekom AG, vertegenwoordigd door G. Engelbrecht, advocaat te Hamburg,
- L. Schröder, vertegenwoordigd door R. Mendel, advocaat te Hamburg,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door N. Paines, barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp en M. Wolfcarius, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door K. Bertelsmann, advocaat te Hamburg,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Deutsche Telekom AG, L. Schröder, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 1 juli 1998,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 oktober 1998,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 25 oktober 1995, ingekomen bij het Hof op 21 februari 1996, heeft het Landesarbeitsgericht Hamburg krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) zes prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EG-Verdrag (de artikelen 117 tot en met 120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG tot en met 143 EG) en het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: "protocol"), gehecht aan het EG-Verdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen L. Schröder en Deutsche Bundespost Telekom AG, thans Deutsche Telekom AG (hierna: "Deutsche Telekom") over de voorwaarden voor aansluiting bij een aanvullende bedrijfspensioenregeling en de toekenning van een pensioen uit hoofde daarvan.
De nationale wettelijke regeling
3 Artikel 3, leden 1 tot en met 3, van het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (hierna: "Grundgesetz") bepaalt:
"1. Alle mensen zijn voor de wet gelijk.
2. Mannen en vrouwen hebben gelijke rechten. De staat bevordert de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van gelijke rechten voor vrouwen en mannen en zet zich in om aan bestaande ongelijkheden een einde te maken.
3. Niemand mag wegens zijn geslacht, afkomst, ras, taal, land van herkomst, geloofsovertuiging, religieuze of politieke opvattingen worden benadeeld of bevoordeeld. Niemand mag wegens zijn invaliditeit worden benadeeld."
4 Bij artikel 1 van het Gesetz über die Gleichbehandlung von Männern und Frauen am Arbeitsplatz (wet van 1980 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het werk) is aan § 612 van het Bürgerliche Gesetzbuch een nieuw lid 3 toegevoegd, dat luidt:
"In een arbeidsverhouding mag voor gelijke of gelijkwaardige arbeid niet op grond van het geslacht van de werknemer een lagere beloning worden overeengekomen dan voor een werknemer van het andere geslacht. Het overeenkomen van een lagere beloning kan niet worden gerechtvaardigd doordat in verband met het geslacht van de werknemer bijzondere beschermingsvoorschriften gelden (...)"
5 In 1985 is het Gesetz über arbeitsrechtliche Vorschriften zur Beschäftigungsförderung (wet inzake arbeidsrechtelijke bepalingen ter bevordering van de werkgelegenheid, hierna: "BeschFG") aangenomen. De §§ 2 tot en met 6 daarvan hebben betrekking op arbeid in deeltijd. § 2, lid 1, verbiedt de werkgever een in deeltijd werkzame werknemer anders te behandelen dan voltijds werkzame werknemers, tenzij hiervoor objectieve gronden bestaan. Ingevolge § 6 kan evenwel bij collectieve arbeidsovereenkomst worden afgeweken van het bepaalde in deze afdeling, ook ten nadele van de werknemer.
6 Krachtens § 24 van het Tarifvertrag für Arbeiter der Deutschen Bundespost (CAO voor werknemers van de Deutsche Bundespost) moeten deze werknemers worden verzekerd bij de Versorgungsanstalt der Deutschen Bundespost (pensioenfonds van de Deutsche Bundespost, hierna: "VAP") volgens de voorwaarden van het Tarifvertrag über die Versorgung der Arbeitnehmer der Deutschen Bundespost (CAO betreffende de pensioenen van werknemers van de Deutsche Bundespost, hierna: "collectieve pensioenregeling").
7 Tot 31 december 1987 luidde § 3 van de collectieve pensioenregeling:
"De werknemer wordt overeenkomstig het statuut en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen bij de VAP verzekerd indien (...) de gemiddelde arbeidsduur per week volgens zijn arbeidsovereenkomst ten minste de helft bedraagt van de normale arbeidsduur per week van een vergelijkbare werknemer die voltijds werkzaam is (...)"
8 Deze bepaling is met ingang van 1 januari 1988 als volgt gewijzigd:
"De werknemer wordt overeenkomstig het statuut en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen bij de VAP verzekerd, indien (...) de gemiddelde arbeidsduur volgens zijn arbeidsovereenkomst ten minste 18 uur per week bedraagt."
9 Bij CAO van 22 september 1992 is § 3 van de collectieve pensioenregeling met terugwerkende kracht tot 1 april 1991 opnieuw gewijzigd, en wel als volgt:
"De werknemer wordt overeenkomstig het statuut en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen bij de VAP verzekerd, indien (...) zijn arbeidsverhouding niet enkel werkzaamheden van geringe duur omvat in de zin van § 8, lid 1, Sozialgesetzbuch IV."
Het hoofdgeding
10 L. Schröder is in deeltijd werkzaam geweest bij Deutsche Telekom, aanvankelijk op basis van contracten voor bepaalde tijd van 9 augustus 1974 tot en met 19 mei 1975, vervolgens op basis van een contract voor onbepaalde tijd van 20 mei 1975 tot en met 31 maart 1994, de datum waarop zij met pensioen ging. Sinds 1 april 1994 ontvangt zij een wettelijk ouderdomspensioen.
11 Als deeltijdwerknemer was Schröder aanvankelijk niet bij de VAP verzekerd. Na de wijziging van § 3 van de collectieve pensioenregeling met ingang van 1 april 1991 werd zij per die datum bij de VAP verzekerd en zij bleef dat tot het einde van haar dienstverband.
12 Schröder vorderde voor het Arbeitsgericht Hamburg van Deutsche Telekom betaling van een aanvullend ouderdomspensioen vanaf 1 april 1994, ten belope van het bedrag dat zij zou hebben ontvangen indien zij gedurende de gehele periode van 20 mei 1975 tot en met 31 maart 1994 bij de VAP aangesloten was geweest.
13 Zij stelde, dat de uitsluiting van deeltijdwerknemers van het recht op aanvullend pensioen een bij artikel 119 van het Verdrag, artikel 3 Grundgesetz en § 2, lid 1, BeschFG verboden discriminatie was. Volgens aan de nationale rechter overgelegde gegevens waren in 1991 95 % van de bij Deutsche Telekom werkzame deeltijdwerknemers vrouwen.
14 Bij vonnis van 22 december 1994 wees het Arbeitsgericht de vordering in volle omvang toe. Het overwoog, dat dit resultaat reeds voortvloeide uit artikel 3, lid 2, Grundgesetz en dat derhalve, gelet op de rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht, de zowel uit de rechtspraak van het Hof als uit het protocol voortvloeiende beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag niet relevant was.
15 Deutsche Telekom stelde van dit vonnis hoger beroep in bij het Landesarbeitsgericht Hamburg. Zij betoogde in het bijzonder, dat artikel 119 van het Verdrag voorrang heeft boven artikel 3 Grundgesetz en dat de beperking van de werking in de tijd van artikel 119 als voortvloeiend uit het arrest van 17 mei 1990, Barber (C-262/88, Jurispr. blz. I-1889) en het protocol, moet gelden in alle gevallen van sexediscriminatie op het gebied van ondernemings- of sectorale regelingen inzake sociale zekerheid.
16 Schröder bracht daartegen in, dat het door haar gestelde recht op bedrijfspensioen voortvloeit uit artikel 3, leden 1 en 2, Grundgesetz. Derhalve zou - ongeacht hoe men de rechtspraak van het Hof uitlegt - uit artikel 119 van het Verdrag of het protocol niet kunnen worden afgeleid, dat het de lidstaten verboden is, ook voor tijdvakken gelegen vóór 17 mei 1990 maatregelen te treffen ter voorkoming van discriminatie van deeltijdwerknemers ten opzichte van voltijds werkzame werknemers.
De prejudiciële vragen
17 Het Landesarbeitsgericht meende zich niet te kunnen aansluiten bij de opvatting van het Bundesarbeitsgericht, dat de rechtspraak van het Hof en het protocol kennelijk niet in de weg staan aan de terugwerkende kracht van nationale bepalingen die het gelijkheidsbeginsel invoeren op het gebied van de bedrijfspensioenregelingen.
18 Aangezien het Landesarbeitsgericht twijfelde over de omvang van de beperking van de werking in de tijd van het communautaire beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers, en vooral over de gevolgen van deze beperking voor het nationale recht, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Wanneer deeltijdwerknemers met een dienstverband van minder dan 18 uur per week in een sexeneutraal geformuleerde bepaling worden uitgesloten van een aanvullend pensioen uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling, is er dan sprake van indirecte discriminatie van vrouwen in de zin van de rechtspraak van het Hof inzake artikel 119 EG-Verdrag, wanneer ongeveer 95 % van de werknemers die door de uitsluiting worden getroffen, vrouwen zijn?
2) Bij bevestigende beantwoording van de eerste vraag: gelden het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (het zogenoemde Barber-protocol) en het daarin neergelegde verbod van terugwerkende kracht dan tevens voor een geval van indirecte discriminatie van vrouwen in een situatie als bedoeld in de eerste vraag?
3) Bij bevestigende beantwoording van de tweede vraag: heeft het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Barber-protocol) voorrang boven het Duitse constitutionele recht (artikel 3, lid 1, Grundgesetz), dat een verbod van terugwerkende kracht in het in de eerste vraag beschreven geval juist uitsluit?
4) Vormt terugwerkende kracht, die ingevolge artikel 3, lid 1, Grundgesetz naar Duits constitutioneel recht geoorloofd is, in een geval als bedoeld in de eerste vraag een ongeoorloofde ontwijking van het in het protocol ad artikel 119 EG-Verdrag neergelegde verbod van terugwerkende kracht, indien bij gelijke feiten volgens het nationale recht, eveneens met het oog op de gelijke behandeling in bedrijfspensioenregelingen, in tegenstelling tot het gemeenschapsrecht wel terugwerkende kracht moet worden aangenomen ten gunste van de werknemers, in het bijzonder van indirect gediscrimineerde vrouwen?
5) Bij bevestigende beantwoording van de vierde vraag: vormt de toepassing van § 2, lid 1, van het Beschäftigungsförderungsgesetz van 26 april 1985, op grond waarvan terugwerkende kracht tot 26 april 1985 mogelijk is, dan een ongeoorloofde ontwijking van het in het protocol ad artikel 119 EG-Verdrag (Barber-protocol) neergelegde verbod van terugwerkende kracht?
6) Vormt terugwerkende kracht, die ingevolge artikel 3, lid 1, Grundgesetz geoorloofd is, in een geval als bedoeld in de eerste vraag een schending van het gemeenschapsrecht, bezien vanuit het oogpunt van een onevenredige discriminatie van de betrokken Duitse ondernemingen, van een met het gemeenschapsrecht verenigbare uitlegging van het nationale recht of van een gemeenschapsrechtelijk grondbeginsel, en heeft het gemeenschapsrecht in dit verband voorrang boven het nationale recht?"
Het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
19 Bij brief van 10 november 1998 heeft Deutsche Telekom om heropening van de mondelinge behandeling verzocht. In de eerste plaats zou de conclusie van de advocaat-generaal onregelmatig zijn genomen, omdat zij is voorgelezen in een zitting van de Vijfde kamer en niet van de Zesde kamer, die de zaak behandelt. In de tweede plaats wenste zij opmerkingen in te dienen over de inhoud van die conclusie, met name in het licht van een beschikking van het Bundesverfassungsgericht van 5 augustus 1998, dus na de terechtzitting in de onderhavige zaak. Volgens Deutsche Telekom is een weigering om na de conclusie van de advocaat-generaal, waarmee overeenkomstig artikel 59, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de mondelinge behandeling wordt afgesloten, bij wijze van uitzondering heropening van de mondelinge behandeling toe te staan, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te wijzen op kennelijke fouten of leemten in de uiteenzetting van de feiten of in de juridische beoordeling, dan wel te antwoorden op de conclusie van de advocaat-generaal, in strijd met het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: "EVRM").
20 In dit verband dient in de eerste plaats te worden vastgesteld, dat de voor het Hof toepasselijke regels of de aan partijen in het hoofdgeding toegekende rechten niet zijn geschonden door de wijze waarop de conclusie in de onderhavige zaak is genomen.
21 De rechters van de Zesde kamer, die over de onderhavige zaak moeten oordelen, hebben immers kennis gekregen van de conclusie van de advocaat-generaal, aangezien deze ter griffie van het Hof is neergelegd; het openbare karakter ervan is verzekerd doordat het beslissingsvoorstel ter openbare terechtzitting is voorgelezen en ter griffie is neergelegd.
22 In de tweede plaats volgt uit de beschikking van het Hof van 4 februari 2000, Emesa Sugar (C-17/98, Jurispr. blz. I-0000, punt 18), dat juist in verband met artikel 6 EVRM en het doel van het recht van eenieder op een procedure op tegenspraak en een eerlijk proces in de zin van deze bepaling, het Hof de mondelinge behandeling krachtens artikel 61 van het Reglement voor de procesvoering ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen, kan heropenen indien het van oordeel is, dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden.
23 In casu is het Hof echter, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel, dat Deutsche Telekom in haar verzoek niets naar voren heeft gebracht op grond waarvan heropening van de mondelinge behandeling zinvol of noodzakelijk voorkomt.
24 Het verzoek van Deutsche Telekom moet derhalve worden afgewezen.
De eerste vraag
25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling als in het hoofdgeding aan de orde is, een bij artikel 119 van het Verdrag verboden discriminatie is.
26 Partijen zijn het erover eens, dat dit het geval is.
27 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een pensioenregeling van het type als in het hoofdgeding aan de orde is, die voornamelijk afhankelijk is van de door de betrokkene vervulde dienstbetrekking, deel uitmaakt van de door deze ontvangen beloning en onder artikel 119 valt (zie in deze zin met name arresten van 13 mei 1986, Bilka, 170/84, Jurispr. blz. 1607, punt 22; Barber, reeds aangehaald, punt 28, en 28 september 1994, Beune, C-7/93, Jurispr. blz. I-4471, punt 46). De uitsluiting van deeltijdwerknemers van een dergelijke pensioenregeling kan derhalve in strijd zijn met artikel 119 (zie in deze zin arrest Bilka, zojuist aangehaald, punt 29).
28 Uit de rechtspraak van het Hof volgt tevens, dat de nationale rechter, om uit te maken of een maatregel van een lidstaat mannen en vrouwen dermate verschillend treft dat hij een indirecte discriminatie in de zin van artikel 119 van het Verdrag oplevert, moet onderzoeken, of de beschikbare statistische gegevens erop wijzen, dat een aanzienlijk kleiner percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers aan de in de litigieuze bepaling gestelde voorwaarde kan voldoen. Zo dat het geval is, is er sprake van indirecte discriminatie op grond van geslacht, tenzij de litigieuze bepaling gerechtvaardigd wordt door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht (zie arrest van 9 februari 1999, Seymour-Smith en Perez, C-167/97, Jurispr. blz. I-623, punt 65).
29 De eerste vraag moet derhalve aldus worden beantwoord, dat de uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling als in het hoofdgeding aan de orde is, een bij artikel 119 van het Verdrag verboden discriminatie is, wanneer een aanzienlijk groter percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers door deze maatregel wordt geraakt en deze niet wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.
De tweede vraag
30 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of in een geval waarin de uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling een bij artikel 119 van het Verdrag verboden discriminatie is, de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, in de tijd beperkt is.
31 Zoals het Hof in het arrest van 8 april 1976, Defrenne II (43/75, Jurispr. blz. 455, punt 40), voor recht verklaarde, kan voor de nationale rechterlijke instanties een beroep worden gedaan op het in artikel 119 vervatte beginsel van gelijke beloning en moeten zij de bescherming van de rechten die de justitiabelen aan die bepaling ontlenen, verzekeren. In de punten 74 en 75 van dat arrest preciseerde het Hof evenwel, dat dwingende overwegingen van rechtszekerheid met betrekking tot alle, openbare zowel als particuliere, belangen meebrengen, dat op de rechtstreekse werking van artikel 119 geen beroep kan worden gedaan voor loonaanspraken over tijdvakken voorafgaande aan de dag waarop het arrest werd uitgesproken, dus 8 april 1976, behoudens wanneer een werknemer reeds een beroep in rechte of een daarmee gelijk te stellen vordering had ingediend.
32 Wat bedrijfspensioenregelingen betreft, verklaarde het Hof in de punten 44 en 45 van het arrest Barber voor recht, dat op grond van dwingende overwegingen van rechtszekerheid geen beroep op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag kan worden gedaan ter verkrijging van een pensioenrecht vanaf een eerdere datum dan die van de uitspraak van dat arrest, 17 mei 1990, behoudens door degenen die vóór die datum een rechtsvordering hadden ingesteld of een daarmee gelijk te stellen vordering hadden ingediend.
33 Zoals het Hof preciseerde in het arrest van 6 oktober 1993, Ten Oever (C-109/91, Jurispr. blz. I-4879, punt 20), kan ingevolge het arrest Barber op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag slechts een beroep worden gedaan teneinde gelijkheid van behandeling op het gebied van bedrijfspensioenregelingen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens de uitzondering ten gunste van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
34 Deze beperking staat eveneens in het protocol, dat bepaalt dat voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag uitkeringen uit hoofde van een ondernemings- of sectorale regeling inzake sociale zekerheid niet als beloning worden beschouwd indien en voorzover zij kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
35 Niettemin volgt uit de arresten van 28 september 1994, Vroege (C-57/93, Jurispr. blz. I-4541, punten 20 tot en met 27), en Fisscher (C-128/93, Jurispr. blz. I-4583, punten 17 tot en met 24), en 11 december 1997, Magorrian en Cunningham (C-246/96, Jurispr. blz. I-7153, punten 27 tot en met 35), dat de zowel uit het arrest Barber als het protocol volgende beperking van de werking in de tijd van artikel 119 van het Verdrag alleen betrekking heeft op de soorten van discriminatie waarvan de werkgevers en de pensioenregelingen, op grond van de tijdelijke uitzonderingen die waren voorzien in het gemeenschapsrecht dat op het gebied van bedrijfspensioenen van toepassing kon zijn, redelijkerwijze mochten aannemen, dat zij getolereerd werden (arrest van 24 oktober 1996, Dietz, C-435/93, Jurispr. blz. I-5223, punt 19).
36 Met betrekking tot het recht op aansluiting bij bedrijfsregelingen heeft het Hof evenwel vastgesteld, dat uit niets kon worden opgemaakt, dat de betrokken beroepskringen zich hadden kunnen vergissen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 119 van het Verdrag (arrest Magorrian en Cunningham, reeds aangehaald, punt 28).
37 Sinds het arrest Bilka, reeds aangehaald, is het immers duidelijk, dat discriminatie op grond van geslacht bij de toekenning van bedoeld recht strijdig is met artikel 119 van het Verdrag (reeds aangehaalde arresten Vroege, punt 29, Fisscher, punt 26, Dietz, punt 20, en Magorrian en Cunningham, punt 29).
38 Aangezien het arrest Bilka geen enkele beperking in de tijd bevat, kan de rechtstreekse werking van artikel 119 derhalve worden ingeroepen teneinde met terugwerkende kracht gelijkheid van behandeling met betrekking tot het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling te eisen, en wel vanaf 8 april 1976, de datum van het arrest Defrenne II, reeds aangehaald, waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van dat artikel heeft erkend (reeds aangehaalde arresten Dietz, punt 21, en Magorrian en Cunningham, punt 30).
39 Overigens heeft het Hof in punt 23 van het arrest Dietz en punt 33 van het arrest Magorrian en Cunningham reeds verklaard, dat de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling voor de werknemer elke zin zou verliezen, indien deze hem geen recht gaf op ontvangst van de uit hoofde van de betrokken regeling verstrekte uitkeringen. Het Hof achtte het recht om uit hoofde van een bedrijfsregeling een ouderdomspensioen te ontvangen, dan ook onlosmakelijk verbonden met het recht op aansluiting bij een dergelijke regeling. Het Hof verklaarde echter ook, dat een werknemer zich niet op grond van het feit dat hij met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling, kan onttrekken aan de betaling van de op de betrokken periode van aansluiting betrekking hebbende premies (arresten Fisscher, punt 37, en Dietz, punt 34).
40 Bijgevolg is de enige beperking in de tijd die geldt voor de mogelijkheid om zich met betrekking tot de aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling als de onderhavige en de latere uitkering van een pensioen, op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, die welke volgt uit het arrest Defrenne II.
41 Op de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord, dat in een geval waarin de uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling een bij artikel 119 van het Verdrag verboden indirecte discriminatie is, de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen in zoverre in de tijd beperkt is, dat de tijdvakken van arbeid van die werknemers slechts vanaf 8 april 1976, de datum van uitspraak van het arrest Defrenne II, in aanmerking kunnen worden genomen voor hun aansluiting met terugwerkende kracht bij een dergelijke regeling en voor de berekening van de uitkeringen waarop zij recht hebben, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
De derde, de vierde en de vijfde vraag
42 Gezien het antwoord op de tweede vraag, moeten de derde, de vierde en de vijfde vraag, die tezamen kunnen worden besproken, aldus worden begrepen, of de uit het arrest Defrenne II volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, in de weg staat aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van het hoofdgeding recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
43 In dit verband moet er allereerst aan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name arresten van 27 maart 1980, Denkavit italiana, 61/79, Jurispr. blz. 1205, punten 16 en 17, en Salumi e.a., 66/79, 127/79 en 128/79, Jurispr. blz. 1237, punten 9 en 10) de uitlegging die het Hof van Justitie krachtens de hem bij artikel 177 van het Verdrag verleende bevoegdheid geeft van een voorschrift van gemeenschapsrecht, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast, verklaart en preciseert, voorzover dat nodig is. Slechts bij uitzondering zal het Hof van Justitie, zoals het in zijn arrest Defrenne II heeft erkend, met toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid en in verband met de ernstige problemen die zijn arrest voor het verleden zou kunnen meebrengen voor te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen, aanleiding kunnen vinden, voor alle belanghebbenden beperkingen te stellen aan de mogelijkheid om met een beroep op de aldus uitgelegde bepaling die rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen.
44 Voorts heeft het Hof in punt 65 van het arrest Defrenne II erop gewezen, dat de toepassing van artikel 119 van het Verdrag ten volle moet worden verzekerd door de oorspronkelijke lidstaten, waaronder de Bondsrepubliek Duitsland, vanaf 1 januari 1962, de aanvangsdatum van de tweede etappe van de overgangsperiode. Uit punt 68 van dat arrest volgt trouwens, dat ook op de gebieden waarop artikel 119 niet rechtstreeks werkt, de tenuitvoerlegging van deze bepaling voorzover nodig kan voortvloeien uit het gecombineerde effect van communautaire en nationale bepalingen.
45 Ten slotte overwoog het Hof in het arrest Defrenne II, toen het de mogelijkheid beperkte om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, dat bij wijze van uitzondering rekening moest worden gehouden met de omstandigheid dat door het gedrag van verscheidene lidstaten en het herhaaldelijk ter kennis van de betrokken kringen gebrachte standpunt van de Commissie de belanghebbende partijen ertoe waren gebracht lange tijd praktijken te blijven toepassen die, hoewel nog niet door hun nationaal recht verboden, in strijd waren met artikel 119 van het Verdrag (arrest Defrenne II, punt 72).
46 Uit het voorgaande volgt, dat de beperking van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, niet de bedoeling had, voor de betrokken werknemers de mogelijkheid uit te sluiten om zich op nationale bepalingen te beroepen die een gelijkheidsbeginsel omvatten.
47 Nationale bepalingen waardoor de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers wordt gewaarborgd, dragen er immers toe bij, dat aan artikel 119 van het Verdrag uitvoering wordt gegeven overeenkomstig de sinds 1 januari 1962 op de oorspronkelijke lidstaten rustende verplichtingen.
48 In een dergelijk geval is het aan de communautaire rechtsorde inherente beginsel van rechtszekerheid, dat het Hof bij wijze van uitzondering aanleiding kan geven tot beperking van de mogelijkheid om zich op een door het Hof uitgelegde bepaling te beroepen, niet van toepassing en staat het niet in de weg aan de toepassing van nationale bepalingen die een met het gemeenschapsrecht conform resultaat opleveren.
49 In dit verband is niet relevant, dat de in geding zijnde nationale bepalingen eerst na de datum waarop het arrest Defrenne II is gewezen, in met artikel 119 van het Verdrag conforme zin zijn uitgelegd en die uitlegging in voorkomend geval kan worden toegepast op situaties die vóór die datum zijn ontstaan. Het is immers niet de taak van het Hof, zich uit te spreken over de toepassing in de tijd van regels van nationaal recht.
50 Op de tweede, de derde en de vierde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de uit het arrest Defrenne II volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, niet in de weg staat aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van het hoofdgeding recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
De zesde vraag
51 Met het eerste deel van zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het gemeenschapsrecht, met name het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en artikel 119 van het Verdrag, in de weg staat aan bepalingen van een lidstaat die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van het hoofdgeding recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling, gezien het risico van verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende lidstaten ten nadele van de werkgevers in de eerste lidstaat. Indien dit het geval is, vraagt de verwijzende rechter in het tweede deel van de vraag, of de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het gemeenschapsrecht moet toepassen, verplicht is om de volledige werking van die normen te verzekeren en daarvoor zonodig bepalingen van de nationale wetgeving die daarmee in strijd zijn, buiten toepassing te laten.
52 Wat het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit betreft, kan volgens vaste rechtspraak de toepassing van een nationale wettelijke regeling niet met het discriminatieverbod in strijd worden geacht op de enkele grond dat andere lidstaten minder rigoureuze bepalingen zouden toepassen (zie in deze zin met name arresten van 13 februari 1969, Wilhelm, 14/68, Jurispr. blz. 1, punt 13; 14 juli 1981, 155/80, Oebel, Jurispr. blz. 1993, punt 9, en 14 juli 1994, Peralta, C-379/92, Jurispr. blz. I-3453, punt 48).
53 Wat artikel 119 van het Verdrag betreft, verklaarde het Hof in de punten 8 tot en met 11 van het arrest Defrenne II, dat het doel van dit artikel tweeledig is, namelijk economisch en sociaal.
54 Enerzijds heeft deze bepaling, gezien de ongelijke ontwikkeling van de sociale wetgeving in de verschillende lidstaten, tot doel te voorkomen dat wat de mededinging binnen de Gemeenschap betreft, ondernemingen in staten die het beginsel van gelijke beloning metterdaad toepassen, in een ongunstige concurrentiepositie raken ten opzichte van ondernemingen in staten die de loondiscriminatie ten nadele van vrouwelijke werknemers nog niet hebben afgeschaft (arrest Defrenne II, punt 9).
55 Anderzijds is deze bepaling de uitdrukking van de sociale doelstellingen van de Gemeenschap, die immers niet slechts een economische unie is, maar tevens overeenkomstig de preambule van het Verdrag door gemeenschappelijk optreden de sociale vooruitgang en een voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder de volkeren van Europa leven en werken, moet verzekeren. Dat doel verkrijgt te meer nadruk door de plaatsing van artikel 119 in het hoofdstuk betreffende de sociale politiek, waarvan het inleidende artikel 117 EG-Verdrag (de artikelen 117 tot en met 120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG tot en met 143 EG) de noodzaak erkent "verbetering van de levensstandaard en de arbeidsvoorwaarden van de werknemers te bevorderen, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt" (arrest Defrenne II, punten 10 en 11).
56 In latere arresten heeft het Hof echter herhaaldelijk vastgesteld, dat het recht om niet op grond van zijn geslacht te worden gediscrimineerd, een van de fundamentele rechten van de mens is, waarvan het Hof de eerbiediging dient te verzekeren (zie in die zin arresten van 15 juni 1978, Defrenne III, 149/77, Jurispr. blz. 1365, punten 26 en 27; 20 maart 1984, Razzouk en Beydoun, 75/82 en 117/82, Jurispr. blz. 1509, punt 16, en 30 april 1996, P./S., C-13/94, Jurispr. blz. I-2143, punt 19).
57 Gelet op deze rechtspraak moet worden geoordeeld, dat het economische doel van artikel 119, namelijk opheffing van mededingingsverstoringen tussen in verschillende lidstaten gevestigde ondernemingen, een ondergeschikte betekenis heeft ten opzichte van het sociale doel van deze bepaling, dat de uitdrukking vormt van een fundamenteel mensenrecht.
58 De omstandigheid dat vóór het arrest Defrenne II noch op grond van de nationale wetgeving, noch op grond van de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag, beroep kon worden gedaan op het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers tegenover in andere lidstaten dan de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde werkgevers, is dan ook niet van invloed op de toepassing van de nationale bepalingen die de eerbiediging van dit beginsel in de Bondsrepubliek Duitsland verzekeren.
59 Derhalve moet op het eerste deel van de zesde vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht, met name het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en artikel 119 van het Verdrag, niet in de weg staat aan bepalingen van een lidstaat die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van het hoofdgeding recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling, niettegenstaande het risico van verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende lidstaten ten nadele van de werkgevers in de eerste lidstaat.
60 Gezien dit antwoord behoeft het tweede deel van deze vraag geen beantwoording.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
61 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door Landesarbeitsgericht Hamburg bij beschikking van 25 oktober 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling als in het hoofdgeding aan de orde is, is een bij artikel 119 van het Verdrag (de artikelen 117 tot en met 120 EG-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 136 EG tot en met 143 EG) verboden discriminatie, wanneer een aanzienlijk groter percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers door deze maatregel wordt geraakt en deze niet wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.
2) In een geval waarin de uitsluiting van deeltijdwerknemers van een bedrijfspensioenregeling een bij artikel 119 van het Verdrag verboden indirecte discriminatie is, is de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen in zoverre in de tijd beperkt, dat de tijdvakken van arbeid van die werknemers slechts vanaf 8 april 1976, de datum van uitspraak van het arrest Defrenne II (43/75), in aanmerking kunnen worden genomen voor hun aansluiting met terugwerkende kracht bij een dergelijke regeling en voor de berekening van de uitkeringen waarop zij recht hebben, behalve in het geval van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
3) De uit het arrest Defrenne II volgende beperking in de tijd van de mogelijkheid om zich op de rechtstreekse werking van artikel 119 van het Verdrag te beroepen, staat niet in de weg aan nationale bepalingen die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van het hoofdgeding recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling.
4) Het gemeenschapsrecht, met name het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en artikel 119 van het Verdrag, staat niet in de weg aan bepalingen van een lidstaat die een gelijkheidsbeginsel omvatten, op grond waarvan deeltijdwerknemers in omstandigheden als die van het hoofdgeding recht hebben op aansluiting met terugwerkende kracht bij een bedrijfspensioenregeling en op uitkeringen krachtens die regeling, niettegenstaande het risico van verstoringen van de mededinging tussen ondernemers uit de verschillende lidstaten ten nadele van de werkgevers in de eerste lidstaat.
Full & Egal Universal Law Academy