Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Registratie van vaartuigen in Lid-Staat - Voorwaarde betreffende nationaliteit van eigenaren - Ontoelaatbaarheid - Handhaving van nationale bepaling die onverenigbaar is met gemeenschapsrecht - Niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 6, 48, 52, 58 en 221; verordening nr. 1251/70 van de Commissie, art. 7; richtlijn 75/34 van de Raad, art. 7)
Samenvatting
Een Lid-Staat die wettelijke bepalingen in stand houdt die het recht van inschrijving van vissersvaartuigen, koopvaardijschepen of pleziervaartuigen in de nationale scheepsregisters beperken tot vaartuigen die
- voor meer dan de helft toebehoren aan natuurlijke personen met de nationaliteit van die Lid-Staat,
- aan rechtspersonen naar nationaal recht waarvan de aandelen voor meer dan 50 % aan nationale onderdanen toebehoren,
komt zijn gemeenschapsrechtelijke verplichtingen niet na.
Noch het internationale zeerecht, noch het bestaan van een communautaire visserijregeling, ook al bevat deze een regeling voor nationale quota en toegang tot nationale wateren, en het bestaan van voorbehouden nationale zones, noch een tijdelijke uitzondering ten behoeve van de betrokken Lid-Staat op het beginsel van vrije dienstverrichting ten aanzien van bepaalde zeevervoersdiensten, noch - gelet op het recht van de staat om onder zijn vlag varende vaartuigen te vorderen - de organisatie van de nationale verdediging, kunnen een dergelijke wetgeving met het gemeenschapsrecht verenigbaar maken.
Partijen
In zaak C-62/96,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur F. Benyon en M. Kontou-Durande, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg.
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door A. Samoni-Rantou, adjunct bijzonder juridisch adviseur bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, bijgestaan door E. Skandalou, juridisch hoofdmedewerkster bij dezelfde dienst, en S. Vodina, bijzonder wetenschappelijk medewerkster bij deze dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door wettelijke bepalingen in stand te houden die het recht van inschrijving in de Griekse scheepsregisters beperken tot vaartuigen die voor meer dan 50 % toebehoren aan Griekse onderdanen of aan Griekse rechtspersonen waarvan de aandelen voor meer dan 50 % aan Griekse onderdanen toebehoren, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 6, 48, 52, 58 en 221 EG-Verdrag alsmede krachtens artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld (PB 1970, L 142, blz. 24), en artikel 7 van richtlijn 75/34/EEG van de Raad van 17 december 1974 betreffende het recht van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijf te houden na er een werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend (PB 1974, L 14, blz. 10),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward, P. Jann (rapporteur) en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 1 juli 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 maart 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Helleense Republiek, door wettelijke bepalingen in stand te houden die het recht van inschrijving in de Griekse scheepsregisters beperken tot vaartuigen die voor meer dan 50 % toebehoren aan Griekse onderdanen of aan Griekse rechtspersonen waarvan de aandelen voor meer dan 50 % aan Griekse onderdanen toebehoren, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 6, 48, 52, 58 en 221 EG-Verdrag alsmede krachtens artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld (PB 1970, L 142, blz. 24), en artikel 7 van richtlijn 75/34/EEG van de Raad van 17 december 1974 betreffende het recht van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijf te houden na er een werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend (PB 1974, L 14, blz. 10).
2 Op 13 juni 1990 heeft de Commissie de Helleense Republiek een aanmaningsbrief gezonden, waarin zij ten eerste stelde, dat artikel 5 van wetsdecreet nr. 187 inzake de Griekse zeevaartwet (Grieks Staatsblad nr. 261 van 8 oktober 1973; hierna: "artikel 5 zeevaartwet") wat betreft de voorwaarden voor het mogen voeren van de Griekse vlag door vissersvaartuigen in strijd is met de artikelen 7 (thans artikel 6 EG-Verdrag), 52 en 221 EEG-Verdrag. Voorts achtte zij artikel 11 van koninklijk decreet nr. 666/66, dat voor de verlening van een vergunning voor de professionele sponzenvisserij als voorwaarde stelt, dat de eigenaar van een toegelaten vissersvaartuig tien jaar ervaring heeft opgedaan als schepeling op een voor de sponzenvisserij toegelaten vissersvaartuig, in strijd met de artikelen 7 en 52 van het Verdrag. De bepaling ten slotte, dat een bepaald percentage van de arbeidsplaatsen aan boord van vissersvaartuigen aan werknemers van Griekse nationaliteit is voorbehouden, belemmerde haars inziens het vrije verkeer van werknemers.
3 In haar antwoord van 29 januari 1991 heeft de Helleense Republiek deze grieven bestreden.
4 Op 9 juli 1990 heeft de Commissie de Helleense Republiek een tweede aanmaningsbrief gezonden, waarin zij te kennen gaf dat de voorwaarden voor het mogen voeren van de Griekse vlag door pleziervaartuigen, zoals die in artikel 5 zeevaartwet worden gesteld, eveneens in strijd zijn met de artikelen 7, 48, 52 en 221 EEG-Verdrag.
5 De Griekse regering heeft deze brief op 28 januari 1991 beantwoord.
6 Op 5 juni 1992 heeft de Commissie een derde aanmaningsbrief gezonden. Hierin stelde zij, dat de in artikel 5 zeevaartwet gestelde voorwaarden voor het mogen voeren van de Griekse vlag door koopvaardijschepen in strijd zijn met de artikelen 7, 52 en volgende en 221 EEG-Verdrag.
7 Omdat zij op deze laatste brief geen reactie ontving, en door de antwoorden op haar eerdere brieven evenmin tevreden was gesteld, heeft de Commissie op 27 juli 1993 een met redenen omkleed advies uitgebracht met betrekking tot de voorwaarden voor inschrijving van alle soorten vaartuigen in het Griekse scheepsregister, de beperkingen voor de aanwerving van zeelieden met de nationaliteit van andere Lid-Staten op Griekse vissersvaartuigen en de voorwaarden voor de verlening van vergunningen voor de sponzenvisserij.
8 De Helleense Republiek heeft op dit met redenen omkleed advies gereageerd. Haar antwoord met betrekking tot de voorwaarden voor de inschrijving van alle soorten vaartuigen in de Griekse scheepsregisters stelde de Commissie echter niet tevreden, waarop deze het onderhavig beroep heeft ingesteld.
9 Artikel 5 zeevaartwet, met het opschrift "nationaliteit van het schip", luidt als volgt:
"Voorwaarden voor toekenning van de Griekse nationaliteit
1. Onverminderd het bepaalde in bijzondere wetten, wordt de Griekse nationaliteit op een daartoe strekkende aanvraag van de eigenaar, vergezeld van de eigendomstitel, toegekend aan vaartuigen die voor meer dan 50 % toebehoren aan personen van Griekse nationaliteit of aan Griekse rechtspersonen waarvan het kapitaal voor meer dan 50 % aan Griekse onderdanen toebehoort.
2. Wanneer de akte van overdracht van het schip in het buitenland is opgesteld, is voor de inschrijving in de registers eveneens een visum van de consulaire instantie vereist.
3. De voorwaarden voor Griekse vaartuigen voor personenvervoer worden op voorstel van de minister, na advies van de Raad voor de koopvaardij, vastgesteld bij presidentieel decreet."
10 De Commissie acht de voorwaarden van deze bepaling voor de toekenning van de Griekse nationaliteit aan vissersvaartuigen en koopvaardijschepen in strijd met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met de artikelen 6, 48, 52, 58 en 221 EG-Verdrag. Wat betreft pleziervaartuigen, die niet dienen voor de uitoefening van een economische activiteit, meent de Commissie, dat artikel 5 zeevaartwet inbreuk maakt op de artikelen 6, 48 en 52 van het Verdrag alsmede op artikel 7 van verordening nr. 1251/70 en op artikel 7 van richtlijn 75/34.
11 De Helleense Republiek stelt in de eerste plaats, dat zij blijkens het arrest van 25 juli 1991 (zaak C-221/89, Factortame e.a., Jurispr. 1991, blz. I-3905, r.o. 17) bevoegd is tot toepassing van artikel 5 van het Verdrag van Genève inzake de volle zee alsmede van de artikelen 91 en volgende van het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende het recht van de zee van 1982, die bepalen dat iedere staat de voorwaarden voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, de inschrijving in zijn registers en het recht om zijn vlag te voeren, op zodanige wijze vaststelt, dat tussen de staat en het schip een wezenlijke band bestaat. Dit vereiste van een wezenlijke band wordt hierdoor verklaard, dat de staten een groot aantal verplichtingen in acht moeten nemen ten aanzien van schepen die hun vlag voeren. Het belangrijkste criterium voor de verlening van het recht om de vlag te voeren is volgens de Griekse regering de nationaliteit van de eigenaar. Zij beroept zich in dit verband tevens op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de voorwaarden voor registratie van vaartuigen van 1986, dat in de artikelen 7 tot en met 10 zeer duidelijk de constitutieve elementen van die wezenlijke band aangeeft. Zij onderstreept, dat de Griekse wetgeving is aangepast aan artikel 8, waarin de gegevens worden genoemd die voor de eigendom van schepen bepalend zijn.
12 De Helleense Republiek betoogt vervolgens, dat het Griekse recht onderdanen van andere Lid-Staten niet belet om in Griekenland schepen te verwerven en te gebruiken die de vlag van een andere staat voeren.
13 Voorts betoogt zij, dat bepaalde activiteiten zijn voorbehouden aan vaartuigen onder de nationale vlag, zoals dit is geregeld in verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB 1992, L 389, blz. 1) alsmede in verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de Lid-Staten (cabotage in het zeevervoer) (PB 1992, L 364, blz. 7). Hoewel laatstgenoemde verordening handelt over het verrichten van diensten, heeft zij volgens de Griekse regering tevens, wil zij althans haar nuttige werking niet missen, gevolgen voor de vrijheid van vestiging. Het begrip vestiging omvat immers dat van de dienstverrichting. De vrijmaking van die diensten dient geleidelijk plaats te vinden. Bovendien voorziet artikel 6, lid 3, van verordening nr. 3577/92 in een speciale regeling voor de Helleense Republiek ter wille van de sociaal-economische samenhang.
14 De Helleense Republiek acht de registratieregeling ten slotte gerechtvaardigd met het oog op de inrichting van haar militaire verdediging, gekenmerkt als deze wordt door de bijzondere historische en geopolitieke situatie. De staat moet immers in noodgevallen schepen kunnen vorderen.
15 De Commissie bestrijdt de argumenten van de Helleense Republiek en baseert zich daartoe op de rechtspraak van het Hof. In het reeds aangehaalde arrest Factortame heeft het Hof een soortgelijke redenering als thans door de Helleense Republiek naar voren wordt gebracht, afgewezen. Overigens meent de Commissie, dat de bepalingen van verordening nr. 3577/92, waarin de Griekse regering steun meent te vinden voor de stelling, dat de uitoefening van de betrokken beroepsactiviteit mag worden voorbehouden aan vaartuigen die de Griekse vlag voeren, betrekking hebben op de toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de Lid-Staten, maar niet op het recht dat natuurlijke personen en rechtspersonen aan de artikelen 52 en 221 van het Verdrag ontlenen. Evenzo zou artikel 5 zeevaartwet geen betrekking hebben op het door verordening nr. 3760/92 bestreken terrein; die verordening zou de Lid-Staten overigens niet toestaan om eenzijdige, met het Verdrag strijdige maatregelen te nemen.
16 De Commissie bestrijdt eveneens, dat de Helleense Republiek een van het beginsel van het vrije verkeer afwijkende regeling zou mogen handhaven, op grond dat zij schepen moet kunnen vorderen met het oog op de landsverdediging. Alle eigenaren van vaartuigen onder de Griekse vlag zouden aan dezelfde verplichtingen kunnen worden onderworpen als Griekse onderdanen. Een beperking van het vrije verkeer is volgens de Commissie daartoe niet nodig.
17 Om te beginnen moet worden vastgesteld, dat zich ten aanzien van soortgelijke nationale bepalingen als de litigieuze Griekse wetgeving een inmiddels gevestigde rechtspraak van het Hof heeft gevormd (zie in de eerste plaats arrest Factortame, reeds aangehaald, alsmede arresten van 4 oktober 1991, zaak C-93/89, Commissie/Ierland, Jurispr. 1991, blz. I-4569, en zaak C-246/89, Commissie/Verenigd Koninkrijk, ibidem, blz. I-4585; 7 maart 1996, zaak C-334/94, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1996, blz. I-1307, en 12 juni 1997, zaak C-151/96, Commissie/Ierland, Jurispr. 1997, blz. I-3327).
18 Met betrekking tot bij de uitoefening van een economische activiteit gebruikte vaartuigen volgt uit deze rechtspraak, dat elke Lid-Staat bij de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake de vaststelling van de voorwaarden voor het verlenen van zijn "nationaliteit" aan een vaartuig het verbod van discriminatie van onderdanen van de Lid-Staten op grond van nationaliteit moet eerbiedigen en dat artikel 52 van het Verdrag zich verzet tegen een voorwaarde volgens welke natuurlijke personen die eigenaar zijn van een vaartuig of een vaartuig bevrachten, een bepaalde nationaliteit moeten hebben, en in geval van een vennootschap, de aandeelhouders of de bestuurders die nationaliteit moeten hebben. Gaat het om de registratie of het beheer van een vaartuig door een secundaire vestiging, zoals een agentschap, een filiaal of een dochteronderneming, dan is een dergelijke voorwaarde in strijd met de artikelen 52 en 58 van het Verdrag (arrest 12 juni 1997, Commissie/Ierland, reeds aangehaald, r.o. 12).
19 Met betrekking tot niet voor een economische activiteit gebruikte vaartuigen heeft het Hof in het arrest van 12 juni 1997 (Commissie/Ierland, reeds aangehaald, r.o. 13) eraan herinnerd, dat het gemeenschapsrecht iedere onderdaan van een Lid-Staat zowel de vrijheid garandeert om zich naar een andere Lid-Staat te begeven teneinde aldaar werkzaamheden al dan niet in loondienst uit te oefenen, als de vrijheid om in die Lid-Staat verblijf te houden na er een werkzaamheid te hebben uitgeoefend. De toegang tot de in die staat geboden vrijetijdsbestedingen is een uitvloeisel van de vrijheid van vestiging.
20 In rechtsoverweging 14 van dat arrest heeft het Hof daaruit de conclusie getrokken, dat de registratie door die onderdaan van een pleziervaartuig in de Lid-Staat van ontvangst onder de gemeenschapsrechtelijke bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen valt.
21 De argumenten van de Helleense Republiek dienen dus in het licht van deze rechtspraak te worden beoordeeld.
22 In dit verband moet op de eerste plaats worden geconstateerd, dat het op het internationale zeerecht gebaseerde betoog van de Griekse regering geen steun vindt in het arrest Factortame (reeds aangehaald, r.o. 17). Het Hof heeft daar immers uitdrukkelijk te kennen gegeven, dat de Lid-Staten bij de uitoefening van hun bevoegdheid om de voorwaarden vast te stellen waaraan moet zijn voldaan voordat een vaartuig in hun register kan worden ingeschreven en aan dit vaartuig het recht kan worden verleend om hun vlag te voeren, de voorschriften van het gemeenschapsrecht moeten eerbiedigen. Aan dit oordeel, weliswaar enkel gegeven in verband met artikel 5 van het Verdrag van Genève van 1958, kan niet worden afgedaan door de twee verdragen van de Verenigde Naties van 1982 en 1986, beide ondertekend na de toetreding van de Helleense Republiek tot de Gemeenschappen.
23 Vervolgens zij opgemerkt, dat het argument van de Griekse regering, dat haar wetgeving niet in de weg staat aan de activiteiten van onderdanen van andere Lid-Staten, in het licht van artikel 52, tweede alinea, van het Verdrag niet relevant is. Zoals het Hof in het arrest Factortame (reeds aangehaald, r.o. 25) reeds heeft opgemerkt, omvat de vrijheid van vestiging voor de onderdanen van een Lid-Staat "de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst (...) overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld (...)".
24 Wat het argument betreft dat de Helleense Republiek aan verordening nr. 3760/92 ontleent, volstaat de opmerking dat een nationale wetgeving inzake de registratie van vaartuigen als die welke hier in geding is, niet strekt tot regeling van de voorwaarden voor het gebruik van quota of de toegang tot voor de vissers van een Lid-Staat opengestelde wateren. Bovendien kan een nationale wetgeving die voor de registratie van alle soorten vaartuigen geldt, niet worden gerechtvaardigd door het bestaan van een communautaire visserijregeling die de inrichting van zones toestaat, die uitsluitend voor de nationale vissers zijn bestemd.
25 Aangaande verordening nr. 3577/92, waarvan artikel 6, lid 3, in een tijdelijke uitzondering ten behoeve van de Helleense Republiek voorziet, moet worden vastgesteld dat deze uitzondering geen toestemming inhoudt tot het stellen van discriminerende voorwaarden bij de registratie van vaartuigen. Weliswaar schort deze verordening de toepassing van het beginsel van vrije dienstverrichting ten aanzien van bepaalde zeevervoersdiensten op tot 1 januari 2004, maar zij kan geen grondslag vormen voor extra beperkingen die de vrijheid van vestiging ongunstig beïnvloeden.
26 Wat ten slotte de organisatie van de nationale verdediging van de Helleense Republiek betreft, volstaat de vaststelling dat de Griekse autoriteiten de mogelijkheid hebben om elk vaartuig dat de Griekse vlag voert, ongeacht de nationaliteit van de eigenaar, voor militaire doeleinden te vorderen.
27 Uit een en ander volgt, dat de Helleense Republiek, door wettelijke bepalingen in stand te houden die het recht van inschrijving in de Griekse scheepsregisters beperken tot vaartuigen die voor meer dan 50 % toebehoren aan Griekse onderdanen of aan Griekse rechtspersonen waarvan de aandelen voor meer dan 50 % aan Griekse onderdanen toebehoren, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 6, 48, 52, 58 en 221 EG-Verdrag alsmede krachtens artikel 7 van verordening nr. 1251/70 en artikel 7 van richtlijn 75/34.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien zulks is gevorderd. De Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van de Helleense Republiek in de kosten. Aangezien deze in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Door wettelijke bepalingen in stand te houden die het recht van inschrijving in de Griekse scheepsregisters beperken tot vaartuigen die voor meer dan 50 % toebehoren aan Griekse onderdanen of aan Griekse rechtspersonen waarvan de aandelen voor meer dan 50 % aan Griekse onderdanen toebehoren, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 6, 48, 52, 58 en 221 EG-Verdrag alsmede krachtens artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een Lid-Staat na er een betrekking te hebben vervuld, en artikel 7 van richtlijn 75/34/EEG van de Raad van 17 december 1974 betreffende het recht van onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijf te houden na er een werkzaamheid anders dan in loondienst te hebben uitgeoefend.
2) De Helleense Republiek wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy