Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Anti-dumpingrecht - Recht ingesteld op prijs franco grens Gemeenschap - Verhoging in geval van betalingstermijn van meer dan 30 dagen - Toepassingsmodaliteiten - Vaststelling van prijs franco grens Gemeenschap - Prijs die overeenkomt met douanewaarde van ingevoerde goederen - Interesten, te betalen krachtens financieringsovereenkomst - Daarvan uitgesloten - Voorwaarden
(Verordeningen van de Raad nr. 1224/80, art. 3, lid 1, en nr. 738/92, art. 1, lid 3; verordening nr. 1495/80 van de Commissie, art. 3, lid 2)
Samenvatting
De verhoging bedoeld in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 738/92 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van garens van katoen van oorsprong uit Brazilië en Turkije, moet worden toegepast in alle gevallen waarin is overeengekomen, dat de betaling van de ingevoerde goederen na de dertigste dag na aankomst ervan in het douanegebied van de Gemeenschap geschiedt, ook al bedraagt het verschil tussen de prijs in geval van een betalingstermijn en die in geval van contante betaling, in procenten uitgedrukt, meer dan de toe te passen verhoging.
Deze verhoging dient namelijk automatisch en forfaitair het commerciële voordeel te compenseren dat uitstel van de betaling van een goed kan opleveren, zulks teneinde te voorkomen dat een vorm van dumping wordt toegepast via de toekenning van betalingsfaciliteiten.
Een dergelijke verhoging moet worden toegepast op de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, met uitsluiting van de interesten die verschuldigd zijn als tegenprestatie voor de verleende betalingstermijn, mits deze laatste is vastgelegd in een "financieringsovereenkomst" in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1495/80 en de interesten de gebruikelijke interestvoeten weergeven.
De prijs franco grens Gemeenschap, die als grondslag voor de toepassing van het anti-dumpingrecht dient, komt immers overeen met de douanewaarde van de ingevoerde goederen, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80 inzake de douanewaarde van de goederen, te weten de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap.
Ingevolge artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1495/80 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van verordening nr. 1224/80, behoren interesten die verschuldigd zijn krachtens een financieringsovereenkomst die door de koper is aangegaan in verband met de aankoop van ingevoerde goederen, niet tot de aldus vastgestelde douanewaarde, op voorwaarde dat die interesten onderscheiden zijn van de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, de financieringsovereenkomst schriftelijk is gesloten en de koper niet alleen kan aantonen, dat dergelijke goederen daadwerkelijk verkocht worden tegen de prijs die als de werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven, doch ook dat de gevraagde interestvoet niet hoger is dan het niveau dat gebruikelijk is voor dergelijke transacties in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden.
Partijen
In zaak C-93/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal), in het aldaar aanhangig geding tussen
Indústria e Comércio Têxtil SA (ICT)
en
Fazenda Pública,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 738/92 van de Raad van 23 maart 1992 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van garens van katoen van oorsprong uit Brazilië en Turkije (PB 1992, L 82, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, G. Hirsch en R. Schintgen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Fennelly
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Indústria e Comércio Têxtil SA (ICT), vertegenwoordigd door A. J. de Sousa Magalhães, advocaat te Porto,
- de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal communautaire geschillen, en R. Barreira, adviseur bij het centrum voor juridische studies van het voorzitterschap van de Raad van ministers, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. de Sousa Fialho en N. Khan, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 februari 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 14 februari 1996, ingekomen bij het Hof op 25 maart daaraanvolgend, heeft het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 738/92 van de Raad van 23 maart 1992 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van garens van katoen van oorsprong uit Brazilië en Turkije (PB 1992, L 82, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Indústria e Comércio Têxtil SA (hierna: "ICT") en de Portugese douaneadministratie, naar aanleiding van de vaststelling van anti-dumpingrechten overeenkomstig verordening nr. 738/92.
3 Artikel 1, lid 2, sub a, van deze verordening bepaalt, dat het recht dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard, 16,6 % bedraagt voor katoenen garens van oorsprong uit Brazilië, met uitzondering van de invoer van door bepaalde met name genoemde bedrijven vervaardigde producten.
4 Ingevolge artikel 1, lid 3, van verordening nr. 738/92 is "de in lid 2 genoemde prijs franco grens Gemeenschap (...) netto indien volgens de werkelijke betalingsvoorwaarden betaling binnen 30 dagen na aankomst van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap geschiedt. De prijs wordt met 1 % verhoogd voor iedere maand waarmee de betalingstermijn wordt verlengd."
5 In december 1991 voerde ICT twee partijen katoenen garens uit Brazilië in tegen de prijs van 3,26 USD respectievelijk 3,94 USD per kg. De betalingstermijn, zoals die was vermeld op twee facturen van 3 december 1991, bedroeg 90 dagen. Volgens de op 4 augustus 1991 gedateerde verkoopovereenkomsten betreffende deze invoer, zou de prijs van de goederen in geval van betaling CAD (cash against documents) 3,18 USD respectievelijk 3,85 USD per kg hebben bedragen.
6 De Portugese douaneadministratie hief over de betrokken invoer het in artikel 1, lid 2, sub a, van verordening nr. 738/92 vastgestelde anti-dumpingrecht, nadat zij de prijs franco grens Gemeenschap in verband met de betalingstermijn van 90 dagen met 2 % had verhoogd.
7 Van mening, dat de in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 738/92 bedoelde verhoging enkel kon worden toegepast wanneer de prijs van de goederen bij contante betaling en de prijs in geval van een betalingstermijn strikt dezelfde waren, wendde ICT zich tot het Tribunal Fiscal Aduaneiro do Porto, dat haar beroep toewees. Nadat deze uitspraak door het Tribunal Tributário de Segunda Instância was vernietigd, stelde ICT hoger beroep in bij het Supremo Tribunal Administrativo, dat heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voor te leggen:
"1) Is de verhoging (met 1 % voor iedere maand die volgt op de dertigste dag na aankomst van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap, zonder dat de betaling is geschied), bedoeld in artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 738/92 van de Raad van 23 maart 1992, steeds op de prijs franco grens Gemeenschap van toepassing, wanneer is overeengekomen dat deze prijs na die dertigste dag moet worden betaald?
2) Indien het antwoord op de eerste vraag niet onvoorwaardelijk bevestigend kan zijn omdat een onderscheid moet worden aangelegd, is die verhoging dan van toepassing in een situatie als de onderhavige (zie de vastgestelde feiten), waarin de prijs van de ingevoerde goederen, die binnen een overeengekomen termijn van 90 dagen moest worden betaald, omstreeks 2,3 % (in het ene geval) en 2,5 % (in het andere geval) hoger was dan de prijs bij betaling CAD?
3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet die verhoging dan worden toegepast op de prijs bij betaling CAD of op de prijs die binnen de overeengekomen termijn van 90 dagen moet worden betaald?"
8 Met deze drie vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de nationale rechter in hoofdzaak te vernemen, of de in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 738/92 bedoelde verhoging moet worden toegepast in alle gevallen waarin is overeengekomen, dat de betaling van de ingevoerde goederen na de dertigste dag na aankomst ervan in het douanegebied van de Gemeenschap geschiedt, ook al bedraagt het verschil tussen de prijs in geval van een betalingstermijn en die in geval van betaling CAD, in procenten uitgedrukt, meer dan de toe te passen verhoging, en, zo ja, of de verhoging moet worden toegepast op deze laatste prijs dan wel op de prijs die in geval van een betalingstermijn moet worden betaald.
9 Dienaangaande zij in de eerste plaats opgemerkt, dat artikel 1, lid 3, van verordening nr. 738/92 in duidelijke en onvoorwaardelijke bewoordingen bepaalt, dat de prijs franco grens Gemeenschap, die als grondslag voor de toepassing van het in lid 2 vastgestelde anti-dumpingrecht dient, met 1 % wordt verhoogd voor iedere maand waarmee de betalingstermijn wordt verlengd, te rekenen vanaf de dertigste dag na aankomst van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap.
10 ICT stelt evenwel dat, om de in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 738/92 bedoelde verhoging te kunnen toepassen, er noodzakelijkerwijs sprake moet zijn van dumping en dat dit enkel het geval is indien, hoewel een betalingstermijn is verleend, de prijs van de goederen strikt gelijk is aan die welke is verschuldigd in geval van contante betaling, dat wil zeggen indien er geen financiële lasten voor de importeur in verband met de verlening van de betalingstermijn in zijn opgenomen.
11 Dit argument kan niet worden aanvaard.
12 Zoals de advocaat-generaal in punt 12 van zijn conclusie terecht heeft opgemerkt, zou immers de toekenning door de verkoper van een, in vergelijking met de op de markt gebruikelijke interest, zeer lage interestvoet, de koper eveneens een voordeel opleveren en aldus, voor zover het dit voordeel betreft, een vorm van dumping via de toekenning van betalingsfaciliteiten zijn.
13 Derhalve is er geen reden verband houdend met de doelstelling van de regeling inzake anti-dumpingrechten, om af te wijken van de tekst van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 738/92 en de bedoelde verhoging enkel toe te passen indien de prijs van een ingevoerd goed in geval van een betalingstermijn strikt gelijk is aan de prijs in geval van betaling CAD.
14 In de tweede plaats zij opgemerkt dat, zoals de Portugese regering en de Commissie stellen, de prijs franco grens Gemeenschap, die als grondslag voor de toepassing van het anti-dumpingrecht dient, overeenkomt met de douanewaarde van de ingevoerde goederen, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1), te weten de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap.
15 Ingevolge artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80 (PB 1980, L 154, blz. 14), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 220/85 van de Commissie van 29 januari 1985 (PB 1985, L 25, blz. 7), behoren interesten krachtens een door de koper aangegane financieringsovereenkomst in verband met de aankoop van ingevoerde goederen, niet tot de douanewaarde vastgesteld overeenkomstig verordening nr. 1224/80, op voorwaarde dat de interesten onderscheiden zijn van de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, de financieringsovereenkomst schriftelijk is gesloten en de koper, indien vereist, niet alleen kan aantonen, dat dergelijke goederen daadwerkelijk verkocht worden tegen de prijs die als de werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven, doch ook dat de gevraagde interestvoet niet hoger is dan het voor dergelijke transacties in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden, gebruikelijke niveau.
16 In het arrest van 4 juni 1992 (zaak C-21/91, Wünsche, Jurispr. 1992, blz. I-3647, r.o. 18 en 19) overwoog het Hof, dat de betalingstermijn die de verkoper van de goederen aan de koper verleent en die door deze laatste wordt aanvaard, een "financieringsovereenkomst" in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1495/80 is, en dat in zoverre de betalingstermijn niet het voorwerp van een van de koop van de ingevoerde goederen onderscheiden overeenkomst behoeft te zijn.
17 In rechtsoverweging 19 van dat arrest verklaarde het Hof voorts, dat indien de interesten die als tegenprestatie voor de door de verkoper verleende betalingstermijn zijn verschuldigd, op de voor de koper bestemde factuur afzonderlijk zijn opgevoerd, moet worden aangenomen, tenzij de koper het tegendeel verklaart, dat deze daadwerkelijk heeft ingestemd met de voor deze betalingstermijn verschuldigde interesten. Dit is eveneens het geval wanneer, zoals in het hoofdgeding, de interesten in mindering kunnen worden gebracht op het verschil tussen de prijzen die van toepassing zijn in geval van betaling CAD respectievelijk in geval van een betalingstermijn, en deze prijzen niet zijn vermeld op de factuur, doch in de tussen beide partijen gesloten verkoopovereenkomst.
18 Derhalve moet, ingeval aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1495/80, zoals gewijzigd bij verordening nr. 220/85, wordt voldaan, hetgeen de nationale rechter moet nagaan, de in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 738/92 bedoelde verhoging worden toegepast op de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, met uitsluiting van de interesten die als tegenprestatie voor de door de verkoper aan de koper verleende betalingstermijn zijn verschuldigd.
19 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de verhoging juist automatisch en forfaitair het commerciële voordeel dient te compenseren dat uitstel van de betaling van een goed kan opleveren, zulks teneinde te voorkomen dat een vorm van dumping wordt toegepast via de toekenning van betalingsfaciliteiten en aldus het met de instelling van een anti-dumpingrecht nagestreefde doel wordt omzeild.
20 In dit verband zij er voorts aan herinnerd dat, zoals uit rechtsoverweging 15 van het onderhavige arrest volgt, één van de in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1495/80, zoals gewijzigd bij verordening nr. 220/85, gestelde voorwaarden inhoudt, dat de gevraagde interestvoet niet hoger is dan het niveau dat voor dergelijke transacties gebruikelijk is in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden.
21 Door middel van deze voorwaarde kan derhalve worden voorkomen, dat de heffingsgrondslag van het anti-dumpingrecht en daardoor het anti-dumpingrecht zelf kunstmatig worden verminderd, doordat een uiterst hoge, eventueel fictieve, interestvoet wordt toegekend die niet overeenkomt met die welke gebruikelijk is.
22 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord, dat de in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 738/92 bedoelde verhoging moet worden toegepast in alle gevallen waarin is overeengekomen, dat de betaling van de ingevoerde goederen na de dertigste dag na aankomst ervan in het douanegebied van de Gemeenschap geschiedt, ook al bedraagt het verschil tussen de prijs in geval van een betalingstermijn en die in geval van betaling CAD, in procenten uitgedrukt, meer dan de toe te passen verhoging. Deze verhoging moet worden toegepast op de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, met uitsluiting van de interesten die verschuldigd zijn als tegenprestatie voor de verleende betalingstermijn, mits deze laatste is vastgelegd in een "financieringsovereenkomst" in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1495/80 van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 220/85, en de interesten de gebruikelijke interestvoeten weergeven.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Portugese regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Supremo Tribunal Administrativo bij arrest van 14 februari 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De verhoging bedoeld in artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 738/92 van de Raad van 23 maart 1992 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van garens van katoen van oorsprong uit Brazilië en Turkije, moet worden toegepast in alle gevallen waarin is overeengekomen, dat de betaling van de ingevoerde goederen na de dertigste dag na aankomst ervan in het douanegebied van de Gemeenschap geschiedt, ook al bedraagt het verschil tussen de prijs in geval van een betalingstermijn en die in geval van betaling CAD, in procenten uitgedrukt, meer dan de toe te passen verhoging. Deze verhoging moet worden toegepast op de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, met uitsluiting van de interesten die verschuldigd zijn als tegenprestatie voor de verleende betalingstermijn, mits deze laatste is vastgelegd in een "financieringsovereenkomst" in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad inzake de douanewaarde van de goederen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 220/85 van de Commissie, en de interesten de gebruikelijke interestvoeten weergeven.
Full & Egal Universal Law Academy