Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Bijslagen voor wezen - Bijslagen ten laste van woonstaat van begunstigde - Recht op bijslagen vervallen wegens leeftijdsgrens - Ontstaan van recht op bijslagen in andere lidstaat door toepassing van samentellingsregel - Geen
(Verordeningen nr. 1408/71 van de Raad, art. 78, lid 2, sub b, en nr. 2001/83)
2 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gemeenschapsregeling - Substitutie van verdragen inzake sociale zekerheid tussen lidstaten - Grens - Substitutie omdat gunstiger voor betrokkene - Latere betwisting - Ontoelaatbaarheid
(EG-Verdrag art. 48 en 51; verordening nr. 1408/71 van de Raad)
Samenvatting
3 Artikel 78, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83, moet aldus worden uitgelegd, dat het bepaalde sub b-ii, niet van toepassing wordt in een situatie waarin een recht op een wezenpensioen, dat in de woonstaat van de begunstigde aanvankelijk werd ontleend aan het bepaalde sub b-i, wegens het bereiken van een leeftijdsgrens is vervallen, terwijl in een andere lidstaat, aan de wettelijke regeling waarvan de verzekerde eveneens onderworpen is geweest, in geval van toepassing van de samentellingsregel van artikel 79 van de verordening zelfs na die datum recht op een wezenpensioen zou bestaan.
4 De artikelen 48 en 51 van het Verdrag staan in de weg aan het verlies van socialezekerheidsvoordelen, dat voor werknemers zou voortvloeien uit het feit dat een bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid zijn toepasselijkheid heeft verloren door de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71. Dit beginsel kan echter niet worden toegepast, wanneer bij de eerste vaststelling van bijslagen krachtens de verordening reeds een vergelijking heeft plaatsgevonden tussen de uit deze verordening en de uit het verdrag voortvloeiende voordelen, die tot resultaat had dat toepassing van de verordening gunstiger was dan het verdrag.
Partijen
In zaak C-113/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Bundessozialgericht (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
M. Gómez Rodríguez en G. Gómez Rodríguez
en
Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 6 en 78 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), alsmede van de artikelen 48 en 51 EG-Verdrag,$
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann (rapporteur), kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en P. Jann, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- M. Gómez Rodríguez en G. Gómez Rodríguez, vertegenwoordigd door A. Pérez Garrido, hoofd van de sociale dienst van het consulaat-generaal van Spanje te Düsseldorf,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en S. Maass, Regierungsrätin zur Anstellung bij dit ministerie, als gemachtigden,
- de Griekse regering, vertegenwoordigd door F. Georgakopoulos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, en I. Galani-Maragkoudaki, bijzonder adjunct-juridisch adviseur bij de bijzondere juridische dienst voor de Europese Gemeenschappen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door G. Calvo Díaz, abogado del Estado, van de juridische dienst van de staat, als gemachtigde,
- de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door W. Okresek, Ministerialrat bij het Bundeskanzleramt, Verfassungsdienst, als gemachtigde,
- de Zweedse regering, vertegenwoordigd door L. Nordling, rättschef, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Hillenkamp en M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,$
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van M. en G. Gómez Rodríguez, vertegenwoordigd door A. Pérez Garrido; de Duitse regering, vertegenwoordigd door B. Kloke, Oberregierungsrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde; de Griekse regering, vertegenwoordigd door F. Georgakopoulos; de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Ortiz Vaamonde, abogado del Estado, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp, ter terechtzitting van 12 juni 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 8 februari 1996, binnengekomen bij het Hof op 5 april daaraanvolgend, heeft het Bundessozialgericht het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen voorgelegd over de uitlegging van de artikelen 6 en 78 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6; hierna: "verordening"), alsmede van de artikelen 48 en 51 EG-Verdrag.
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen M. en G. Gómez Rodríguez en de Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz (hierna: "Landesversicherungsanstalt"), over de toekenning van wezenpensioenen.
3 M. en G. Gómez Rodríguez wonen in Spanje. Hun vader, Spaans onderdaan, was gedurende 56 maanden in Duitsland en gedurende 80 maanden in Spanje als werknemer verzekerd. In februari 1985 overleed hij in Spanje, zonder een pensioen te hebben ontvangen.
4 Bij beschikkingen van 23 augustus 1988 kende de Landesversicherungsanstalt M. en G. Gómez Rodríguez voor de periode van 7 februari tot en met 31 december 1985 wezenpensioenen toe, op basis van de bepalingen van het verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk Spanje van 4 december 1973 (BGBl II 1977, blz. 687), zoals gewijzigd bij aanhangsel van 17 december 1975 (BGBl II 1977, blz. 722). Het Duitse orgaan deelde hun bovendien mee, dat met ingang van 1 januari 1986, de datum van toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen, het Spaanse pensioenverzekeringsorgaan, overeenkomstig met name artikel 78, lid 2, van de verordening, bij uitsluiting bevoegd zou worden voor de toekenning van de wezenpensioenen.
5 Artikel 78, lid 2, van de verordening luidt:
"Ongeacht op het grondgebied van welke lidstaat de wees of de natuurlijke persoon of rechtspersoon te wiens laste deze wees in feite komt, woont, worden de bijslagen voor wezen toegekend volgens onderstaande regels:
a) voor de wees van een overleden werknemer die aan de wettelijke regeling van één enkele lidstaat onderworpen was, overeenkomstig de wettelijke regeling van die staat;
b) voor de wees van een overleden werknemer die aan wettelijke regelingen van meer dan één lidstaat onderworpen was:
i) overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze staten, op het grondgebied waarvan de wees woont, indien het recht op één van de in lid 1 bedoelde bijslagen aldaar wordt ontleend aan de wettelijke regeling van die staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a, of
ii) in de overige gevallen, overeenkomstig de wettelijke regeling van die van de staten, krachtens welke de overleden werknemer het langste tijdvak van verzekering heeft vervuld, indien het recht op een van de in lid 1 bedoelde bijslagen wordt ontleend aan de wettelijke regeling van die staat, eventueel met inachtneming van artikel 79, lid 1, sub a; indien aan genoemde wettelijke regeling geen enkel recht wordt ontleend, wordt het recht op bijslagen achtereenvolgens aan de in de wettelijke regelingen van de overige betrokken lidstaten gestelde voorwaarden getoetst en wel in afdalende volgorde naar de duur van de krachtens de wettelijke regelingen van deze staten vervulde tijdvakken van verzekering.
(...)"
6 Daarom kende het Spaanse pensioenverzekeringsorgaan de betrokkenen met ingang van 1 januari 1986 wezenpensioenen toe, en wel totdat zij de leeftijd van achttien jaar zouden bereiken, de leeftijd waarop hun recht op wezenpensioen krachtens de Spaanse wettelijke regeling afliep.
7 M. en G. Gómez Rodríguez verzochten de Landesversicherungsanstalt daarop om toekenning van wezenpensioenen krachtens de Duitse wettelijke regeling, die voor personen die een schoolopleiding genieten in een verlenging van die pensioenen tot de leeftijd van ten hoogste 25 jaar voorziet.
8 De Landesversicherungsanstalt wees dit verzoek af, op grond dat artikel 78, lid 2, van de verordening na stopzetting van de betaling van de Spaanse pensioenen geen recht gaf op het in de Duitse wettelijke regeling voorziene wezenpensioen; in casu was aan de voorwaarden daarvoor niet voldaan, aangezien de overledene niet de vereiste wachttijd van 60 maanden had vervuld.
9 Tegen deze weigering tekenden de betrokkenen vergeefs bezwaar, beroep en hoger beroep aan.
10 Bij akte van 7 november 1994 stelden zij daarom beroep tot "Revision" in bij het Bundessozialgericht. Zij betoogden, dat uit artikel 78, lid 2, sub b, van de verordening niet volgt, dat een op een zekere datum vastgestelde bevoegdheid, gelet op artikel 79, lid 1, sub b, nooit opnieuw aan de orde kan worden gesteld. Het recht op een Duits wezenpensioen kan alleen vervallen, voor zover een recht op pensioen aan de Spaanse wettelijke regeling wordt ontleend. Dit is in casu niet langer het geval, aangezien de Spaanse wettelijke regeling enkel in wezenpensioenen tot de leeftijd van achttien jaar voorziet.
11 In zijn verwijzingsbeschikking merkt het Bundessozialgericht op, dat het geding betrekking heeft op de vraag, of de Landesversicherungsanstalt gehouden is de betrokkenen opnieuw het wezenpensioen uit te keren dat zij hun reeds vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen uitkeerde, gelet op het feit dat de betaling van het wezenpensioen dat zij sindsdien van het Spaanse pensioenverzekeringsorgaan hebben ontvangen, is stopgezet op het moment waarop zij de leeftijd van achttien jaar bereikten. Het Bundessozialgericht heeft derhalve de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Moet artikel 78, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat de daarin vervatte bepaling van de voor de toekenning van bijslagen toepasselijke wettelijke regeling ook dan blijvend gelding heeft, wanneer het recht op een wezenpensioen weliswaar aanvankelijk in de volgens deze bepaling bevoegde lidstaat (hier: woonstaat) bestond, doch later wegens het bereiken van een leeftijdsgrens is vervallen, terwijl in een andere lidstaat, waarvan de wettelijke regeling voor de verzekerde eveneens van toepassing is geweest, bij toepassing van artikel 79 van verordening (EEG) nr. 1408/71 ook na dat tijdstip een aanspraak op een wezenpensioen zou bestaan, of wordt in een dergelijk geval een andere wettelijke regeling van toepassing overeenkomstig artikel 78, lid 2, sub b-ii, van deze verordening?
2) Behoort tot de voordelen van de sociale zekerheid die wezen niet mogen verliezen doordat een in het nationale recht opgenomen overeenkomst tussen twee lidstaten op grond van de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 1408/71 haar toepasselijkheid heeft verloren, ook het vooruitzicht, dat een reeds door een lidstaat met toepassing van een dergelijke overeenkomst toegekend wezenpensioen gedurende langere tijd (bijvoorbeeld in geval van studie of beroepsopleiding na de leeftijd van 18 jaar) wordt ontvangen dan het wezenpensioen dat krachtens de op grond van artikel 78, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 toepasselijke wettelijke regeling van een andere lidstaat moet worden toegekend?
3) Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord: kunnen wezen die reeds vóór de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 1408/71 krachtens het recht van een lidstaat met toepassing van een tussen twee lidstaten gesloten socialezekerheidsovereenkomst recht op een wezenpensioen hadden, dit recht opnieuw doen gelden, wanneer een recht op uitkeringen, dat aanvankelijk krachtens de op grond van artikel 78, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 toepasselijke wettelijke regeling van een andere lidstaat bestond, is vervallen?"
De eerste vraag
12 Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 78, lid 2, sub b, van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat het bepaalde in artikel 78, lid 2, sub b-ii, van toepassing wordt in een situatie waarin een recht op een wezenpensioen, dat in de woonstaat van de rechthebbende eerder werd ontleend aan artikel 78, lid 2, sub b-i, wegens het bereiken van een leeftijdsgrens is vervallen, terwijl in een andere lidstaat, waarvan de wettelijke regeling eveneens van toepassing is geweest op de verzekerde, in geval van toepassing van de samentellingsregel van artikel 79 van de verordening, ook na die datum recht op een wezenpensioen zou bestaan.
13 Volgens de Duitse en de Oostenrijkse regering pleiten de bedoeling van de communautaire wetgever alsmede de strekking en doelstelling van de relevante bepalingen van de verordening ervoor, dat er geen verandering van bevoegdheid behoeft plaats te vinden, nadat de woonstaat de betaling van gezinsbijslagen heeft stopgezet. De door de betrokken bepaling verwezenlijkte coördinatie berust op het beginsel, dat één lidstaat, te weten de woonstaat, bevoegd is tot betaling van de wezenpensioenen. Indien dit niet het geval was, zouden lidstaten die een hogere leeftijdsgrens hanteren altijd bevoegd blijven om wezen, ongeacht hun woonplaats, een pensioen toe te kennen dat overeenkomt met de totale loopbaan van de overledene, ongeacht het aantal in die lidstaten vervulde tijdvakken van verzekering.
14 Verzoekers in het hoofdgeding alsmede de Spaanse en de Griekse regering stellen echter, dat artikel 78, lid 2, sub b-i en sub b-ii, van de verordening een achtereenvolgende toepassing van de criteria ter bepaling van de toepasselijke wettelijke regeling inhoudt. Het feit dat het recht op Spaanse bijslagen vervalt op het moment waarop de rechthebbenden de leeftijd van achttien jaar bereiken, doet dus een andere situatie ontstaan, die overeenkomstig artikel 78, lid 2, sub b-ii, van de verordening de toepassing van een andere regeling vereist.
15 Om te beginnen zou de uitdrukking "indien het recht op een van de in lid 1 bedoelde bijslagen (...) wordt ontleend" in artikel 78, lid 2, sub b-i, betekenen, dat de bevoegdheid van het orgaan van de woonstaat alleen bestaat totdat het recht op bijslagen krachtens deze wettelijke regeling vervalt. Voorts zou een andere uitlegging in strijd zijn met de beginselen van het vrije verkeer van migrerende werknemers en van gelijke behandeling, aangezien de wezen in elk geval recht op de bijslagen zouden hebben, indien zij naar Duitsland verhuisden.
16 De Commissie is voorts van mening, dat de bevoegdheid van het Duitse orgaan in casu niet uitgesloten is. Aanvankelijk was het Koninkrijk Spanje de eerste bevoegde staat. Aangezien het niet of niet langer mogelijk is daar een recht te doen gelden, keert de bevoegdheid terug naar de staat die de volgende in rang is, te weten de Bondsrepubliek Duitsland.
17 Tot staving van hun betoog verwijzen de Spaanse en de Griekse regering alsmede de Commissie naar de rechtspraak van het Hof, dat het recht op gezinsbijslagen ten laste van de staat op het grondgebied waarvan de wees woont, het recht op hogere gezinsbijslagen, dat voorheen ten laste van een andere lidstaat is verkregen, niet doet vervallen. In deze omstandigheden is een aanvulling ten belope van het verschil tussen deze twee bedragen (hierna: "aanvullende toeslag") door deze laatste lidstaat verschuldigd (zie met name arresten van 12 juni 1980, Laterza, 733/79, Jurispr. blz. 1915; 9 juli 1980, Gravina, 807/79, Jurispr. blz. 2205, en 11 juni 1991, Athanasopoulos e.a., C-251/89, Jurispr. blz. I-2797). Het feit dat in het hoofdgeding in het verleden geen aanvullende toeslag is betaald - of dit nu is omdat geen boekhoudkundig verschil is gebleken of omdat de bijslagen niet zijn aangevraagd - kan geen definitief verlies van het recht meebrengen.
18 Eveneens verwijzend naar de rechtspraak van het Hof betreffende de aanvullende toeslag stelt de Zweedse regering, dat deze toeslag in een geval als het onderhavige ook door de andere lidstaat moet worden betaald, wanneer het recht op bijslagen in de woonstaat is vervallen. Deze situatie moet niet anders worden behandeld dan die waarin een aanvulling wordt betaald wegens het feit, dat de bijslagen in de andere lidstaat hoger zijn dan in de woonstaat.
19 Uit de opmerkingen van verzoekers in het hoofdgeding, de Spaanse, de Griekse en de Zweedse regering alsmede de Commissie blijkt, dat een recht op Duitse bijslagen in een geval als het onderhavige zijn grondslag zou kunnen vinden in hetzij de rechtspraak van het Hof betreffende de aanvullende toeslag, hetzij de bepalingen van artikel 78, lid 2, sub b-ii, die van toepassing worden doordat het recht op het wezenpensioen ontleend aan artikel 78, lid 2, sub b-i, in de woonstaat is vervallen.
20 In het arrest van 27 februari 1997, Bastos Moriana e.a. (C-59/95, Jurispr. blz. I-1071), preciseerde het Hof zijn rechtspraak over de aanvullende toeslag. Het sprak zich namelijk uit over de vraag, of het bevoegde orgaan van een lidstaat volgens de artikelen 77 en 78 van de verordening gehouden is, aan pensioen- of rentetrekkers of wezen die in een andere lidstaat wonen, zelfs dan de aanvullende toeslag toe te kennen, wanneer het recht op pensioen of rente, of het recht van de wees, niet uitsluitend uit hoofde van in de eerste staat vervulde verzekeringstijdvakken is verkregen.
21 Het Hof herinnerde er in de eerste plaats aan, dat de in de artikelen 77 en 78 vervatte regelgeving ertoe strekt, de lidstaat te bepalen waarvan de wettelijke regeling de verlening van de betrokken bijslagen beheerst, waarbij de bijslagen dan in beginsel alleen volgens de wettelijke regeling van één staat worden toegekend. Uit de leden 2, sub b-i, van deze twee artikelen volgt, dat wanneer de pensioen- of rentetrekker of de overleden werknemer aan de wettelijke regelingen van verschillende lidstaten onderworpen is geweest, de betrokken bijslagen worden verleend overeenkomstig de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan de pensioen- of rentetrekker of de wees van de overleden werknemer woont (arrest Bastos Moriana e.a., reeds aangehaald, punt 15).
22 Het Hof stelde vervolgens vast, dat de regel betreffende de aanvullende toeslag (zie met name arresten Laterza en Gravina, reeds aangehaald) gebaseerd was op het beginsel, dat het doel van de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag niet zou worden bereikt, indien werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen, welke hun in ieder geval reeds door de wettelijke regeling van één lidstaat zijn gewaarborgd (arrest Bastos Moriana e.a., reeds aangehaald, punt 17; zie eveneens arrest van 21 oktober 1975, Petroni, 24/75, Jurispr. blz. 1149, punt 13).
23 Het Hof merkte echter op, dat toepassing van de artikelen 77 en 78 van de verordening, die de woonstaat als enige bevoegd verklaren om de betrokken gezinsbijslagen te verlenen, tot gevolg kan hebben, dat de betrokkenen hun rechten op bijslagen die zij alleen aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat ontlenen, worden ontnomen. Om deze reden heeft het Hof deze bepalingen in de arresten Laterza en Gravina (reeds aangehaald), aldus uitgelegd, dat het beginsel dat één enkele staat bijslagen verschuldigd is, op het gebied van de gezinsbijslagen een uitzondering kent op grond waarvan de andere lidstaat verplicht is een aanvullende toeslag toe te kennen (zie arrest Bastos Moriana e.a., reeds aangehaald, punt 18).
24 Ten slotte concludeerde het Hof, dat, gelet op de redenering die aan deze uitzondering ten grondslag ligt, de werkingssfeer ervan niet in dier voege kan worden uitgebreid, dat een aanvullende toeslag ook wordt toegekend wanneer de pensioen- of rentetrekker, of de wees, zijn rechten enkel ontleent aan de toepassing van de in de verordening neergelegde regels inzake samentelling. In die situatie immers verliezen de betrokkenen door toepassing van de artikelen 77 en 78 niet de bijslagen die zij enkel aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat ontlenen (arrest Bastos Moriana e.a, reeds aangehaald, punt 19).
25 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat in een geval als het onderhavige een recht op Duitse bijslagen niet kan worden gebaseerd op de toepassing van de rechtspraak betreffende de aanvullende toeslag. In casu is immers geen recht op Duitse bijslagen uitsluitend op grond van in Duitsland vervulde verzekeringstijdvakken ontstaan, zodat toepassing van de bepalingen van de verordening op grond waarvan de woonstaat bevoegd is, de betrokkenen geen rechten ontneemt die zij alleen aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat ontlenen.
26 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat het loutere feit dat de in artikel 78, lid 2, sub b-i, bedoelde bijslag in de woonstaat wegens het bereiken van een leeftijdsgrens wordt stopgezet, waardoor het recht op de bijslag in het algemeen vervalt, niet tot gevolg heeft, dat de bepalingen van artikel 78, lid 2, sub b-ii, van toepassing worden.
27 Artikel 78, lid 2, van de verordening heeft immers tot doel, de voor de toekenning van de wezenpensioenen bevoegde lidstaat aan te wijzen, met name wanneer de overledene aan de wettelijke regeling van verschillende lidstaten onderworpen is geweest. Deze aanwijzing heeft tot gevolg, dat de wettelijke regeling van een enkele lidstaat van toepassing wordt, overeenkomstig het in artikel 13, lid 1, van de verordening neergelegde beginsel dat een enkele wet van toepassing is.
28 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat, gelijk het Hof herhaaldelijk heeft overwogen, de lidstaten bij uitsluiting bevoegd blijven om de hoogte van de door hen verleende bijslagen en de duur ervan te bepalen (zie met name arrest van 3 mei 1990, Kits van Heijningen, C-2/89, Jurispr. blz. I-1755, punt 19).
29 Onder deze omstandigheden kan het feit, dat de betaling van bijslagen krachtens de wettelijke regeling van de in artikel 78, lid 2, sub b-i, aangewezen lidstaat is stopgezet op grond dat de rechthebbende niet meer voldeed aan de toekenningsvoorwaarden inzake de leeftijdsgrens voor die bijslagen, niet tot gevolg hebben, dat een andere lidstaat met een beroep op een andere aanknopingsfactor van artikel 78, lid 2, voor hetzelfde risico bevoegd wordt.
30 Bovendien moet worden opgemerkt dat, gelijk de Duitse en de Oostenrijkse regering beklemtonen, indien de door verzoekers in het hoofdgeding en de Spaanse en Griekse regering voorgestelde uitlegging werd aanvaard, de lidstaten die voor het recht op een wezenpensioen de hoogste leeftijdsgrens hebben gesteld, altijd bevoegd zouden blijven voor de bijslagen, ongeacht de woonplaats van de wezen en de duur van de verzekeringstijdvakken die de verzekerde in de verschillende lidstaten heeft vervuld.
31 Overigens is het, gelijk de Duitse regering heeft beklemtoond, niet juist om artikel 78, lid 2, sub b-ii, toe te passen in een situatie waarin de woonstaat zich op het standpunt stelt, dat de betaling van de bijslagen niet langer noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat de begunstigde wegens zijn leeftijd in staat is zelf in zijn behoeften te voorzien of omdat andere bijslagen, zoals schooltoelagen, in de plaats komen voor de gezinsbijslagen.
32 Hieruit volgt, dat wanneer het in de woonstaat ontstane recht op bijslagen wegens het bereiken van een leeftijdsgrens vervalt, het bevoegde orgaan van een andere lidstaat niet gehouden is de betrokkenen bijslagen te verlenen, tenzij dezen hun recht aldaar uitsluitend op basis van in die staat vervulde verzekeringstijdvakken hebben verworven.
33 Mitsdien moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 78, lid 2, sub b, van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat het bepaalde sub b-ii, niet van toepassing wordt in een situatie waarin een recht op een wezenpensioen, dat in de woonstaat van de begunstigde aanvankelijk werd ontleend aan het bepaalde sub b-i, wegens het bereiken van een leeftijdsgrens is vervallen, terwijl in een andere lidstaat, aan de wettelijke regeling waarvan de verzekerde eveneens onderworpen is geweest, in geval van toepassing van de samentellingsregel van artikel 79 van de verordening zelfs na die datum recht op een wezenpensioen zou bestaan.
De tweede en de derde vraag
34 Met zijn tweede en derde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 48 en 51 van het Verdrag in een situatie als de onderhavige in de weg staan aan het verlies van socialezekerheidsvoordelen, dat voor werknemers zou voortvloeien uit het feit dat een bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid zijn toepasselijkheid heeft verloren door de inwerkingtreding van de verordening.
35 Volgens verzoekers in het hoofdgeding, de Spaanse, de Griekse en de Zweedse regering alsmede de Commissie moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Zij zijn namelijk van mening, dat de voorwaarden die zijn gesteld in het arrest van 7 februari 1991, Rönfeldt (C-227/89, Jurispr. blz. I-323), zoals gepreciseerd in het arrest van 9 november 1995, Thévenon (C-475/93, Jurispr. blz. I-3813), in casu zijn vervuld.
36 De Duitse en de Oostenrijkse regering stellen zich echter op het standpunt, dat deze rechtspraak in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet kan worden toegepast. Zij wijzen er met name op, dat deze oplossing niet bruikbaar is, aangezien de bestaande bilaterale en multilaterale verdragen dermate verschillen, dat het vanuit administratief oogpunt absurd zou zijn, de organen van de lidstaten te verplichten om voor iedere migrerende werknemer niet alleen rekening te houden met de rechten die hij aan de nationale wettelijke regelingen en het gemeenschapsrecht ontleent, maar ook met de rechten voortvloeiende uit die verdragen.
37 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de verordening volgens de bewoordingen van artikel 6 ervan, onder een aantal voorbehouden, wat de personele en materiële werkingssfeer betreft, in de plaats treedt van elk verdrag inzake sociale zekerheid dat voor twee of meer lidstaten verbindend is.
38 In het arrest van 7 juni 1973, Walder (82/72, Jurispr. blz. 599, punten 6 en 7), betreffende de uitlegging van de artikelen 6 en 7 van de verordening, stelde het Hof vast, dat uit deze bepalingen blijkt, dat het beginsel dat gemeenschapsverordeningen in de plaats treden van bepalingen van tussen lidstaten gesloten verdragen inzake sociale zekerheid, een dwingend karakter heeft, dat geen uitzonderingen gedoogt buiten de gevallen die in de verordeningen uitdrukkelijk zijn genoemd, ook niet indien die verdragen voor degenen op wie zij van toepassing zijn, tot hogere uitkeringen zouden leiden dan uit de verordeningen voortvloeien.
39 In het arrest Rönfeldt (reeds aangehaald), verklaarde het Hof echter voor recht, dat de artikelen 48, lid 2, en 51 van het Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan het verlies van socialezekerheidsvoordelen dat voor de betrokken werknemers zou voortvloeien uit het feit dat tussen twee of meer lidstaten geldende en in hun nationale recht opgenomen verdragen hun toepasselijkheid hebben verloren door de inwerkingtreding van de verordening.
40 In het arrest Thévenon (reeds aangehaald), preciseerde het Hof, dat de omstandigheden die aan het arrest Rönfeldt ten grondslag lagen een specifiek karakter hadden en ontbraken in een geval als het in die zaak in geding zijnde, waarin de verzekerde pas na de inwerkingtreding van de verordening, dat wil zeggen op een moment waarop het bilaterale verdrag reeds door de verordening was vervangen, van zijn recht van vrij verkeer gebruik had gemaakt.
41 Vastgesteld moet worden, dat in het hoofdgeding de vader van de betrokkenen zijn verzekeringstijdvakken in Spanje en Duitsland vóór de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de Europese Gemeenschappen had vervuld, en dat daarom in beginsel de in het arrest Rönfeldt geformuleerde regel, zoals gepreciseerd in het arrest Thévenon (reeds aangehaald), geldt.
42 Hieruit volgt, dat personen als verzoekers in het hoofdgeding niet het socialezekerheidsvoordeel kunnen verliezen dat het betrokken bilaterale verdrag hun garandeerde.
43 De Duitse regering betoogt in dit verband, dat in casu reeds op grond van artikel 118, lid 1, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 74, blz. 1), een vergelijking heeft plaatsgevonden tussen de uit het bilaterale verdrag en de uit de verordening voortvloeiende voordelen, die tot resultaat had dat toepassing van de verordening gunstiger was dan die van het verdrag.
44 Artikel 118, lid 1, van verordening nr. 574/72 geldt immers in situaties waarin de verordening in werking treedt gedurende de periode tussen het intreden van het risico en de eerste vaststelling van de bijslag. In dat geval bepaalt dit artikel, dat de pensioenaanvraag tot twee uitkeringen leidt, krachtens het verdrag, voor de periode vóór de toepassing van de verordening, en krachtens de verordening, voor de periode na de inwerkingtreding van de verordening. Het artikel bepaalt voorts, dat indien het krachtens de verdragsbepalingen berekende bedrag hoger is dan het bedrag dat krachtens de bepalingen van de verordening is berekend, de betrokkene in aanmerking blijft komen voor het krachtens de verdragsbepalingen berekende bedrag.
45 Daar een vergelijking tussen de uit het verdrag en de uit de verordening voortvloeiende voordelen reeds heeft plaatsgevonden, met als resultaat dat de regeling van de verordening voor verzoekers het gunstigst was, kan het in het arrest Rönfeldt geformuleerde beginsel niet worden toegepast.
46 Indien dit wel het geval was zouden immers alle migrerende werknemers die zich in dezelfde situatie als verzoekers bevinden, op elk moment kunnen verzoeken om toepassing van hetzij de regeling van de verordening hetzij die van het verdrag, afhankelijk van het voor hen op dat bepaalde moment gunstigste resultaat.
47 Een dergelijke vergelijking van voordelen, gedurende de volledige duur van de bijslagen telkens wanneer er een feitelijke wijziging in de persoonlijke situatie van de betrokkenen optreedt, zou de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor aanzienlijke beleidsproblemen plaatsen, terwijl zij in de verordening geen grondslag vindt.
48 Mitsdien moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat de artikelen 48 en 51 van het Verdrag in de weg staan aan het verlies van socialezekerheidsvoordelen dat voor werknemers zou voortvloeien uit het feit dat een bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid zijn toepasselijkheid heeft verloren door de inwerkingtreding van de verordening. Dit beginsel kan echter niet worden toegepast, wanneer bij de eerste vaststelling van bijslagen krachtens de verordening reeds een vergelijking heeft plaatsgevonden tussen de uit deze verordening en de uit het verdrag voortvloeiende voordelen, die tot resultaat had dat toepassing van de verordening gunstiger was dan het verdrag.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
49 De kosten door de Duitse, de Griekse, de Spaanse, de Oostenrijkse en de Zweedse regering alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundessozialgericht bij beschikking van 8 februari 1996 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 78, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat het bepaalde sub b-ii, niet van toepassing wordt in een situatie waarin een recht op een wezenpensioen, dat in de woonstaat van de begunstigde aanvankelijk werd ontleend aan het bepaalde sub b-i, wegens het bereiken van een leeftijdsgrens is vervallen, terwijl in een andere lidstaat, aan de wettelijke regeling waarvan de verzekerde eveneens onderworpen is geweest, in geval van toepassing van de samentellingsregel van artikel 79 van de verordening zelfs na die datum recht op een wezenpensioen zou bestaan.
2) De artikelen 48 en 51 van het Verdrag staan in de weg aan het verlies van socialezekerheidsvoordelen dat voor werknemers zou voortvloeien uit het feit dat een bilateraal verdrag inzake sociale zekerheid zijn toepasselijkheid heeft verloren door de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71. Dit beginsel kan echter niet worden toegepast, wanneer bij de eerste vaststelling van bijslagen krachtens de verordening reeds een vergelijking heeft plaatsgevonden tussen de uit deze verordening en de uit het verdrag voortvloeiende voordelen, die tot resultaat had dat toepassing van de verordening gunstiger was dan het verdrag.
Full & Egal Universal Law Academy