Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale politiek - Harmonisatie van wetgevingen - Bescherming van werknemers bij insolventie van werkgever - Richtlijn 80/987 - Bevoegd waarborgfonds - Werknemer die woont en arbeid in loondienst verricht in andere Lid-Staat dan waar werkgever is gevestigd - Bevoegdheid van waarborgfonds van Lid-Staat waar tot inleiding van procedure ter gezamenlijke voldoening is besloten, dan wel sluiting van onderneming of vestiging van werkgever is geconstateerd
(Richtlijn 80/987 van de Raad, art. 2, lid 1, en 3)
Samenvatting
Wanneer de werkgever is gevestigd in een andere Lid-Staat dan die waar de werknemer woont en arbeid in loondienst verrichtte, is ingevolge artikel 3 van richtlijn 80/987 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, bevoegd voor de betaling van de vorderingen van die werknemer in geval van insolventie van zijn werkgever, het waarborgfonds van de staat waar overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de richtlijn tot inleiding van de procedure ter gezamenlijke voldoening is besloten dan wel de sluiting van de onderneming of vestiging van de werkgever is geconstateerd.
Partijen
In zaak C-117/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Østre Landsret (Denemarken), in het aldaar aanhangig geding tussen
Danmarks Aktive Handelsrejsende, optredend voor C. Mosbæk
en
Lønmodtagernes Garantifond,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB 1980, L 283, blz. 23),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, L. Sevón, D. A. O. Edward, P. Jann en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Lønmodtagernes Garantifond, vertegenwoordigd door U. Andersen en A. Rubach-Larsen, advocaten te Kopenhagen,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en B. Kloke, Oberregierungsrat bij dat ministerie, als gemachtigden,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridisch zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Chavance, secretaris buitenlandse zaken bij diezelfde directie, als gemachtigden,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ridley, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door N. Green, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en M. Patakia, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Danmarks Aktive Handelsrejsende, optredend voor C. Mosbæk, vertegenwoordigd door C. Elmquist-Clausen, advocaat te Kopenhagen; het Lønmodtagernes Garantifond, vertegenwoordigd door U. Andersen; de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Chavance; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Ridley, bijgestaan door N. Green, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk, ter terechtzitting van 24 april 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 mei 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 27 maart 1996, ingekomen bij het Hof op 12 april daaraanvolgend, heeft het Østre Landsret krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB 1980, L 283, blz. 23; hierna: "richtlijn").
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen Mosbæk en het Lønmodtagernes Garantifond, het waarborgfonds dat uit hoofde van de richtlijn in Denemarken bevoegd is voor de voldoening van onvervulde aanspraken (hierna: "Fonds"), nadat de werkgever van Mosbæk insolvent was geworden.
3 Mosbæk, die in Denemarken woont, werd per 1 juni 1993 door de vennootschap naar Engels recht Colorgen Ltd (hierna: "Colorgen") aangenomen als commercieel directeur voor Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland, en later ook voor Duitsland.
4 Colorgen, waarvan de zetel is gevestigd te Warrington (Engeland), was in Denemarken niet gevestigd dan wel als onderneming of anderszins ingeschreven, met name niet bij de belasting- of de douanedienst. Zij werd aldaar alleen door Mosbæk vertegenwoordigd. Voor de werkzaamheden van Mosbæk was door Colorgen een kantoor gehuurd.
5 Gedurende de gehele duur van de arbeidsverhouding werd het salaris door Colorgen rechtstreeks aan de betrokkene overgemaakt, zonder inhouding door de werkgever van belasting, pensioenbijdragen of andere sociale-zekerheidspremies uit hoofde van de Deense wetgeving.
6 In juli 1994 werd Colorgen failliet verklaard en haar werknemers, waaronder Mosbæk, werden ontslagen. Overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn diende Mosbæk zowel bij het Fonds als bij de Engelse curator van het faillissement van de vennootschap een vordering in van 471 996 DKR, ter zake van onbetaald gebleven salaris, commissievergoeding en zakelijke onkosten.
7 Het Fonds weigerde de vordering te voldoen, stellende dat het waarborgfonds in de staat van vestiging van de werkgever, in casu het National Insurance Fund, ter zake bevoegd was.
8 Op 19 december 1994 daagde Mosbæk het Fonds voor het Ret i Hillerød (Denemarken).
9 Vervolgens werd de zaak op verzoek van het Fonds verwezen naar het Østre Landsret, die het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:
"Wanneer de werkgever niet gevestigd is in de Lid-Staat waar de werknemer woont, en in de woonstaat van de werknemer uitsluitend vertegenwoordigd is via de door bedoelde werknemer verrichte werkzaamheden, die worden uitgevoerd vanuit door de werkgever ten behoeve van de werknemer gehuurde kantoorruimte, moet dan het waarborgfonds van het land van vestiging van de werkgever dan wel dat van de woonstaat van de werknemer bij insolventie van de werkgever ingevolge artikel 3 van richtlijn 80/987/EEG de betaling waarborgen van vorderingen van de werknemer die voortvloeien uit de betrokken arbeidsovereenkomst?"
10 Vooraf zij eraan herinnerd, dat de richtlijn werknemers een communautaire minimumbescherming beoogt te bieden bij insolventie van hun werkgever, onverminderd in de Lid-Staten bestaande gunstiger bepalingen. Hiertoe verplicht zij de Lid-Staten om een instelling op te richten die bij insolventie van de werkgever de betaling van onvervulde aanspraken van de werknemers garandeert.
11 Artikel 1, lid 1, luidt als volgt:
"Deze richtlijn is van toepassing op uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voortvloeiende aanspraken van werknemers tegenover werkgevers die in staat van insolventie in de zin van artikel 2, lid 1, verkeren."
12 Voorts bepaalt artikel 2, lid 1:
"In de zin van deze richtlijn wordt een werkgever geacht in staat van insolventie te verkeren:
a) wanneer is verzocht om inleiding van een in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken Lid-Staat neergelegde procedure die betrekking heeft op het vermogen van de werkgever ter gezamenlijke voldoening van diens schuldeisers en waarbij de in artikel 1, lid 1, bedoelde aanspraken in aanmerking kunnen worden genomen,
en
b) wanneer de autoriteit die uit hoofde van de genoemde wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd is,
- hetzij besloten heeft tot inleiding van de procedure,
- hetzij geconstateerd heeft dat de onderneming of de vestiging van de werkgever definitief is gesloten, en dat er gebrek aan voldoende activa is om inleiding van de procedure te rechtvaardigen."
13 Artikel 3 van de richtlijn voorziet in de verplichting voor de Lid-Staten om de nodige maatregelen te nemen opdat waarborgfondsen de onvervulde aanspraken van de werknemers honoreren die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen en die betrekking hebben op het loon over de vóór een bepaalde datum vallende periode.
14 Artikel 5 ten slotte luidt als volgt:
"De Lid-Staten stellen de nadere regels vast voor de organisatie, de financiering en de werking van de waarborgfondsen en nemen daarbij met name de volgende beginselen in acht:
a) het vermogen van de fondsen moet gescheiden zijn van het bedrijfskapitaal van de werkgevers en dient zodanig te zijn gevormd dat het niet vatbaar is voor beslag bij een procedure wegens insolventie;
b) de werkgevers moeten in de financiering bijdragen, tenzij de overheid voor de volledige financiering zorgt;
c) de verplichting om aanspraken te honoreren rust op het fonds, ongeacht of de verplichtingen om bij te dragen tot de financiering werden nagekomen."
15 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, welk waarborgfonds ingevolge artikel 3 van de richtlijn bevoegd is om de voldoening van de aanspraken van een werknemer bij insolventie van zijn werkgever te verzekeren, wanneer die werkgever in een andere Lid-Staat is gevestigd dan die waar de werknemer woont en arbeid in loondienst verrichtte.
16 Weliswaar bevat de richtlijn geen bepalingen die uitdrukkelijk het in de prejudiciële vraag bedoelde geval regelen, doch daaruit mag niet worden afgeleid, dat de richtlijn niet zou gelden voor aanspraken van werknemers die wonen en werken of hebben gewerkt in een andere Lid-Staat dan die waar hun werkgever is gevestigd.
17 De richtlijn beoogt immers een minimum aan bescherming te garanderen aan werknemers die worden geconfronteerd met de insolventie van hun werkgever, zonder dat met name in artikel 1, lid 1, enige beperking is gesteld aan de werkingssfeer van de richtlijn voor het geval dat de woonplaats van de werknemer of de plaats waar hij werkt, niet dezelfde is als de plaats van vestiging van de werkgever.
18 De nuttige werking van het gemeenschapsrecht, dat het vrije verkeer van personen binnen de Gemeenschap trouwens garandeert en daarmee ook situaties bevordert die, zoals in het hoofdgeding, grensoverschrijdende elementen bevatten, noopt tot een dergelijke uitlegging van de richtlijn, die volgens de tweede overweging van de considerans bedoeld is om de verschillen tussen de Lid-Staten "die rechtstreeks van invloed kunnen zijn op de werking van de gemeenschappelijke markt te verkleinen".
19 Daarom moet worden bepaald welk waarborgfonds voor de voldoening van de aanspraken bevoegd is, wanneer de werkgever in een andere Lid-Staat is gevestigd dan het land waar de werknemer woont of de plaats waar deze zijn arbeid verrichtte.
20 Conform de opzet van de richtlijn is het bevoegde waarborgfonds dat van de staat waar tot inleiding van een procedure ter gezamenlijke voldoening van de schuldeisers is beslist, dan wel waar de definitieve sluiting van de onderneming of de vestiging van de werkgever is geconstateerd, een en ander zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van de richtlijn.
21 Volgens artikel 2, lid 1, van de richtlijn is voor de toepasselijkheid van de richtlijn vereist dat zich twee gebeurtenissen hebben voorgedaan: in de eerste plaats moet bij de bevoegde nationale autoriteit een verzoek om inleiding van een procedure ter gezamenlijke voldoening zijn ingediend, en in de tweede plaats moet tot inleiding van die procedure zijn besloten, of moet zijn vastgesteld dat de onderneming bij gebreke van voldoende activa is gesloten (arresten van 10 juli 1997, gevoegde zaken C-94/95 en C-95/95, Bonifaci e.a. en Berto e.a., Jurispr. 1997, blz. I-3969, r.o. 35, en zaak C-373/95, Maso e.a., Jurispr. 1997, blz. I-4051, r.o. 45).
22 Zoals het Fonds, de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie opmerken, blijkt daaruit dat voor toepassing van het bij de richtlijn ingevoerde garantiestelsel, en dus voor tussenkomst van het garantiefonds in de eerste plaats als voorwaarde geldt, dat een verzoek tot inleiding van een procedure ter gezamenlijke voldoening van de schuldeisers is ingediend, waardoor de betrokken loonaanspraken in aanmerking kunnen worden genomen.
23 In de praktijk wordt meestal om inleiding van deze procedure verzocht in de staat waar de werkgever is gevestigd. De inwerkingtreding van het verdrag betreffende insolventieprocedures, ondertekend te Brussel op 23 november 1995 (nog niet gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen), dat in artikel 3, lid 1, uitgaat van "het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar" als belangrijkste bevoegdheidscriterium, zal deze algemene tendens nog versterken.
24 Vervolgens zij opgemerkt, dat het garantiestelsel dat de richtlijn beoogt in te voeren, ingevolge artikel 5, sub b, wordt gefinancierd door de werkgevers, tenzij de overheid voor de volledige financiering zorgt. Bij gebreke van enige andersluidende bepaling in de richtlijn, strookt het met de opzet van de richtlijn, dat het waarborgfonds dat de bijdragen van de insolvabele werkgever heeft geïnd of althans had moeten innen, ook bevoegd is voor de voldoening van onvervulde aanspraken van werknemers. Het fonds in de Lid-Staat waar de werknemer woont en heeft gewerkt, en waar de werkgever niet over enige vestiging of commerciële vertegenwoordiging beschikt, is dus niet bevoegd.
25 Artikel 5, sub b, van de richtlijn bevestigt dus, dat er een band bestaat tussen de op het waarborgfonds rustende verplichting tot betaling en de plaats van vestiging van de werkgever, die in de regel in de financiering van het fonds bijdraagt. Zoals in rechtsoverweging 23 van het onderhavige arrest reeds is beklemtoond, is de staat van vestiging van de werkgever in de meeste gevallen de staat waar om inleiding van de procedure wordt verzocht.
26 Ten slotte lijkt ook het ontbreken in de richtlijn van een onderlinge verrekenings- of terugbetalingsregeling tussen de garantiefondsen van de verschillende Lid-Staten te bevestigen, dat de gemeenschapswetgever bij insolventie van een werkgever de tussenkomst van het waarborgfonds van één enkele Lid-Staat heeft gewenst, en wel ter voorkoming van nodeloze verwarring tussen de respectieve nationale stelsels, en met name van situaties waarin een werknemer in verschillende Lid-Staten een beroep op de richtlijn kan doen.
27 Derhalve moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat wanneer de werkgever is gevestigd in een andere Lid-Staat dan die waar de werknemer woont en arbeid in loondienst verrichtte, ingevolge artikel 3 van de richtlijn bevoegd is voor de betaling van de vorderingen van die werknemer in geval van insolventie van zijn werkgever, het waarborgfonds van de staat waar overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de richtlijn tot inleiding van de procedure ter gezamenlijke voldoening is besloten dan wel de sluiting van de onderneming of vestiging van de werkgever is geconstateerd.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de Duitse en de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Østre Landsret bij beschikking van 27 maart 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Wanneer de werkgever is gevestigd in een andere Lid-Staat dan die waar de werknemer woont en arbeid in loondienst verrichtte, is ingevolge artikel 3 van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, bevoegd voor de betaling van de vorderingen van die werknemer in geval van insolventie van zijn werkgever, het waarborgfonds van de staat waar overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de richtlijn tot inleiding van de procedure ter gezamenlijke voldoening is besloten dan wel de sluiting van de onderneming of vestiging van de werkgever is geconstateerd.
Full & Egal Universal Law Academy