Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Ouderdoms- en overlijdensverzekering - Berekening van uitkeringen - Vaststelling van theoretisch bedrag - Inaanmerkingneming van aanvulling tot bij wetgeving van lidstaat bepaald minimumpensioen
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 10 bis, 46, lid 2, sub a, en 50)
Samenvatting
Artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat het het bevoegde orgaan verplicht, voor de vaststelling van het theoretisch bedrag van het pensioen op basis waarvan het proratapensioen wordt berekend, een aanvulling tot het bij de nationale wetgeving bepaalde minimumpensioen in aanmerking te nemen.
Een prestatie als die aanvulling kan niet worden geacht buiten de werkingssfeer van artikel 46 te vallen wegens de vaststelling van artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, volgens hetwelk de in bijlage II bis van verordening nr. 1408/71 vermelde bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties niet kunnen worden uitgevoerd naar andere lidstaten dan de lidstaat waar de werknemer woont. Als afwijking van een regeling die bedoeld is om de situatie te verbeteren van werknemers en zelfstandigen, alsmede van hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet artikel 10 bis restrictief worden uitgelegd. De mogelijkheid om een prestatie als een aanvulling tot het bij de nationale wetgeving bepaalde minimumpensioen uit te voeren, staat volstrekt los van de vraag van de vaststelling van het theoretisch bedrag van een pensioen.
De in artikel 46, lid 2, sub a, bedoelde berekening, die betrekking heeft op de vaststelling van het theoretisch bedrag van een pensioen, verschilt overigens van de problematiek bedoeld in artikel 50 van verordening nr. 1408/71, dat betrekking heeft op de toekenning van een aanvullende uitkering boven het minimum dat krachtens de gewone regels van de wetgeving van een bepaald land verschuldigd is.
Partijen
In zaak C-132/96,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Pretura circondariale di Roma (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. Stinco,
C. Panfilo
en
Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 46, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij de verordeningen (EEG) nrs. 1247/92 en 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 1, resp. blz. 7),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: H. Ragnemalm, kamerpresident, G. F. Mancini, P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray (rapporteur) en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. Stinco en C. Panfilo, vertegenwoordigd door R. Ciancaglini en M. Rossi, advocaten te Rome,
- het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale (INPS), vertegenwoordigd door M. Pittelli en C. De Angelis, advocaten te Rome,
- de Zweedse regering, vertegenwoordigd door E. Brattgård, departementsråd bij de afdeling Buitenlandse handel van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hillenkamp, lid van haar juridische dienst, en E. Altieri, bij deze dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Stinco en C. Panfilo, vertegenwoordigd door M. Rossi; het Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS), vertegenwoordigd door C. De Angelis; de Spaanse regering, vertegenwoordigd door P. Plaza García, abogado del Estado, als gemachtigde; de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Hesse, "Magister" bij het Bondsministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door E. Altieri, ter terechtzitting van 25 juni 1997,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 4 april 1996, ingekomen bij het Hof op 24 april daaraanvolgend, heeft de Pretura circondariale di Roma krachtens artikel 177 EG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 46, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij de verordeningen (EEG) nrs. 1247/92 en 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 1, resp. blz. 7).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen A. Stinco en C. Panfilo (hierna: "verzoekers"), Italiaanse onderdanen, en het Istituto nazionale della previdenza sociale (hierna: "INPS"), over de weigering van laatstgenoemde om voor de berekening van het ouderdomspensioen krachtens de Italiaanse wet het bedrag van de aanvulling tot het wettelijk minimumpensioen in aanmerking te nemen.
3 Artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/92, bepaalt:
"Het bevoegde orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en/of wonen, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de lidstaten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wetgeving onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag."
4 Artikel 50 van verordening nr. 1408/71 luidt:
"Degene die een uitkering geniet waarop dit hoofdstuk is toegepast, kan in de staat op het grondgebied waarvan hij woont en krachtens de wetgeving waarvan hem een uitkering verschuldigd is, geen lagere uitkering ontvangen dan de minimumuitkering welke door de wetgeving is vastgesteld voor een tijdvak van verzekering of van wonen, dat gelijk is aan de gezamenlijke tijdvakken welke overeenkomstig de voorgaande artikelen voor de vaststelling van zijn uitkering in aanmerking zijn genomen. Het bevoegde orgaan van deze staat betaalt hem in voorkomend geval, gedurende de gehele tijd dat hij op het grondgebied van deze staat woont, een aanvullend bedrag uit, dat gelijk is aan het verschil tussen de som van de krachtens dit hoofdstuk verschuldigde uitkeringen en het bedrag van de minimumuitkering."
5 Bij verordening nr. 1247/92 is in verordening nr. 1408/71 artikel 10 bis ingevoegd. Ingevolge lid 1 hiervan kunnen de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties vermeld in bijlage II bis van verordening nr. 1408/71, niet worden uitgevoerd naar andere lidstaten dan die waar de werknemer woont. Onder de in punt H (Italië), sub e, van deze bijlage vermelde prestaties wordt de aanvulling tot het Italiaanse minimumpensioen genoemd.
6 Uit de stukken blijkt, dat verzoekers het INPS hebben verzocht om toekenning van een ouderdomspensioen, terwijl zij vanaf hetzelfde tijdstip recht hadden op een ouderdomspensioen in een andere lidstaat, te weten Frankrijk respectievelijk het Verenigd Koninkrijk.
7 Volgens artikel 8 van wet nr. 153 van 30 april 1969 (GURI nr. 111 van 30 april 1969) moet het pensioen waarop recht wordt verkregen op grond van samentelling van verzekeringstijdvakken ingevolge internationale overeenkomsten of verdragen inzake sociale zekerheid, worden aangevuld tot het minimumpensioen, waarbij rekening wordt gehouden met het bedrag van het door het buitenlandse verzekeringsorgaan betaalde pensioen. Volgens artikel 6 van besluitwet nr. 463 van 12 september 1983, omgezet in wet nr. 638 van 11 november 1983, heeft de belanghebbende slechts recht op de aanvulling indien zijn inkomen niet groter is dan tweemaal het jaarlijks minimumpensioen.
8 Het INPS kende verzoekers een proratapensioen toe overeenkomstig artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71, berekend op basis van het fictieve pensioen dat zij zouden hebben ontvangen indien zij hun gehele beroepsleven in Italië hadden gewerkt. Dat fictieve pensioen was zo laag, dat, zo verzoekers daadwerkelijk recht op een nationaal pensioen ten belope van dat bedrag hadden gehad, hun de aanvulling tot het Italiaanse wettelijk minimumpensioen zou zijn toegekend.
9 Volgens de verwijzende rechter is het daadwerkelijk door verzoekers ontvangen pensioen evenwel niet tot het wettelijk minimum opgetrokken, omdat in beide gevallen, na inaanmerkingneming van het in Frankrijk respectievelijk het Verenigd Koninkrijk toegekende pensioen, het totale pensioenbedrag de drempel waarbeneden de aanvulling krachtens de Italiaanse wet wordt toegekend, overschreed.
10 Na afwijzing van hun bezwaarschrift tegen de desbetreffende beschikking wendde elk van de verzoekers zich tot de Pretura circondariale di Roma, die de twee zaken heeft gevoegd. Voor deze rechterlijke instantie stelden verzoekers, dat ingevolge artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 de aanvulling krachtens de Italiaanse wet dient te zijn begrepen in het fictieve pensioen op basis waarvan het proratapensioen wordt berekend.
11 Daar de Pretore del lavoro di Roma twijfels had over de uitlegging van deze bepaling, heeft hij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de vraag voorgelegd, of "het INPS voor de berekening van het bedrag van het Italiaanse prorata moet uitgaan van het zuiver virtuele of theoretische pensioen, dan wel of voor de berekening van dat bedrag moet worden uitgegaan van het zuiver virtuele of theoretische pensioen aangevuld tot het minimumpensioen".
12 Met deze vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat het het bevoegde orgaan verplicht, voor de bepaling van het theoretisch bedrag van het pensioen, op basis waarvan het proratapensioen wordt berekend, een aanvulling tot het bij de nationale wetgeving bepaalde minimumpensioen in aanmerking te nemen.
13 Voor het antwoord op deze vraag zij eraan herinnerd dat, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in punt 24 van het arrest van 22 april 1993, Levatino (C-65/92, Jurispr. blz. I-2005), de bepalingen van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 van toepassing zijn op een uitkering bij ouderdom die niet op premie- of bijdragebetaling berust, zoals het door de Belgische wet gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
14 In casu betogen het INPS en de Oostenrijkse regering echter, dat aangezien de in de Italiaanse wet geregelde aanvulling een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie is in de zin van artikel 4, lid 2 bis, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, zij niet overeenkomstig artikel 10 bis in aanmerking kan worden genomen voor de vaststelling van het theoretisch bedrag van het pensioen van een particulier in de zin van artikel 46, lid 2, sub a.
15 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 10 bis van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, de in bijlage II bis van verordening nr. 1408/71 vermelde bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties niet kunnen worden uitgevoerd naar andere lidstaten dan de lidstaat waar de werknemer woont.
16 Als afwijking van een regeling die bedoeld is om de situatie te verbeteren van werknemers en zelfstandigen, alsmede van hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet artikel 10 bis restrictief worden uitgelegd.
17 De mogelijkheid om een prestatie als de in de Italiaanse wet geregelde aanvulling uit te voeren, staat volstrekt los van de vraag inzake de vaststelling van het theoretisch bedrag van een pensioen.
18 Bijgevolg kan een prestatie als in het hoofdgeding aan de orde is, niet worden geacht buiten de werkingssfeer van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 te vallen omdat artikel 10 bis van die verordening is vastgesteld.
19 Het INPS en de Zweedse regering stellen voorts, dat artikel 50 van verordening nr. 1408/71 de enige bepaling is die de gepensioneerde een minimuminkomen beoogt te waarborgen, en dat derhalve slechts onder de in artikel 50 gestelde voorwaarden rekening moet worden gehouden met nationale bepalingen waarbij een minimumpensioen wordt vastgesteld.
20 Zoals het Hof heeft beklemtoond in de punten 13 en 14 van het arrest van 17 december 1981, Browning (22/81, Jurispr. blz. 3357), moet de in artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 bedoelde berekening, die betrekking heeft op de vaststelling van het theoretisch bedrag van een pensioen, worden onderscheiden van dat waarom het in artikel 50 gaat, namelijk de toekenning van een aanvullende uitkering boven het minimum dat krachtens de gewone regels van de wetgeving van een bepaald land verschuldigd is.
21 Hieruit volgt, dat een door de wetgeving van een lidstaat gewaarborgde minimumuitkering in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het theoretisch bedrag bedoeld in artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71.
22 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat het het bevoegde orgaan verplicht, voor de vaststelling van het theoretisch bedrag van het pensioen, op basis waarvan het proratapensioen wordt berekend, een aanvulling tot het bij de nationale wetgeving bepaalde minimumpensioen in aanmerking te nemen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Spaanse, de Oostenrijkse en de Zweedse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Pretura circondariale di Roma bij beschikking van 4 april 1996 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 46, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij de verordeningen (EEG) nrs. 1247/92 en 1248/92 van de Raad van 30 april 1992, moet aldus worden uitgelegd, dat het het bevoegde orgaan verplicht, voor de vaststelling van het theoretisch bedrag van het pensioen, op basis waarvan het proratapensioen wordt berekend, een aanvulling tot het bij de nationale wetgeving bepaalde minimumpensioen in aanmerking te nemen.
Full & Egal Universal Law Academy