Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-135/96,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Lier, juridisch adviseur, en J.-F. Pasquier, bij de juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur-generaal bij de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 91/659/EEG van de Commissie van 3 december 1991 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van bijlage I van richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (asbest) (PB 1991, L 363, blz 36), de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, J. L. Murray, P. J. G. Kapteyn, G. Hirsch (rapporteur) en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 april 1996, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 91/659/EEG van de Commissie van 3 december 1991 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van bijlage I van richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (asbest) (PB 1991, L 363, blz 36; hierna: de "richtlijn"), de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
2 Ingevolge artikel 2, lid 1, van de richtlijn moesten de Lid-Staten vóór 1 januari 1993 de nodige bepalingen vaststellen en bekendmaken om aan de richtlijn te voldoen, en de Commissie hiervan onmiddellijk in kennis stellen.
3 Aangezien de Commissie door de Belgische regering niet in kennis was gesteld van maatregelen tot omzetting van de richtlijn, heeft zij de inbreukprocedure van artikel 169 van het Verdrag ingeleid en haar bij aanmaningsbrief van 12 maart 1993 uitgenodigd binnen twee maanden haar opmerkingen te maken.
4 De Belgische regering heeft hierop niet gereageerd, waarop de Commissie haar op 24 oktober 1994 een met redenen omkleed advies heeft gezonden, waaraan zij binnen twee maanden nadat het ter kennis was gebracht, diende te voldoen.
5 Bij brief van 27 december 1994 hebben de Belgische autoriteiten de Commissie medegedeeld, dat er bij het Ministerie van Volksgezondheid een ontwerp-koninklijk besluit in voorbereiding was; bij brief van 6 januari 1995 hebben zij haar een kopie van dat ontwerp toegezonden.
6 Sindsdien heeft de Commissie geen verdere berichten van de Belgische autoriteiten ontvangen.
7 Derhalve heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
8 Het Koninkrijk België betwist de verweten niet-nakoming niet, maar wijst op een binnenkort goed te keuren koninklijk besluit dat hierin moet voorzien.
9 Nu de omzetting van de richtlijn niet binnen de daarin gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet de door de Commissie gestelde niet-nakoming ter zake derhalve bewezen worden geacht.
10 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om aan de richtlijn te voldoen, de krachtens artikel 2, lid 1, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
11 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 91/659/EEG van de Commissie van 3 december 1991 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van bijlage I van richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (asbest), is het Koninkrijk België de krachtens artikel 2, lid 1, van richtlijn 91/659 op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy